Casus
Naar aanleiding van de wijziging van de Rgv per 1 juli 2018 (Strcrt. 2018, nr. 39679), waarbij de geuremissiefactoren van een aantal gecombineerde luchtwassystemen is verhoogd, is een verzoek gedaan om intrekking van de omgevingsvergunning milieu van een varkenshouderij. Het college heeft geweigerd de vergunning in te trekken en met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo de aan de vergunning verbonden voorschriften gewijzigd. Deze wijziging houdt onder meer in dat het in de vergunning opgenomen verwijderingsrendement van het luchtwassysteem van 85% nu als streefwaarde in de vergunning is opgenomen.

Rechtsvraag
Was het college, gelet op de gewijzigde emissiefactoren in de Rgv, niet gehouden de vergunning in te trekken? Is een nieuw inzicht in de effectiviteit van een bepaalde techniek aan te merken als een technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wabo? Heeft het college het in de vergunning vermelde, met het vergunde luchtwassysteem te behalen geurverwijderingsrendement van 85% uit de tekst van de vergunning mogen schrappen?

Uitspraak
Voor toepassing van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel d, van de Wabo is niet doorslaggevend of de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden verleend. Om tot intrekking van een eenmaal verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning over te kunnen gaan moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen zonder meer als ontoelaatbaar nadelig kunnen worden aangemerkt. Een nieuw inzicht in de effectiviteit van een bepaalde techniek is geen technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Aan het in het voorschrift opgenomen rendement komt geen zelfstandige betekenis toe, het is bedoeld als nadere beschrijving van het vergunde type luchtwasser.

Overwegingen
De maatschap en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of het college bij de beoordeling van de geurhinder de grenzen van de beoordelingsruimte heeft overschreden door niet de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten te respecteren. De rechtbank heeft de Wgv aangemerkt als het exclusieve toetsingskader. Daarmee is volgens hen niet te verenigen dat het college de te verwachten geurbelasting niet overeenkomstig die wet en de Rgv heeft berekend.

Bij de vergunningverlening vormt de Wgv het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van de door een veehouderij veroorzaakte geurhinder. Daarbij wordt niet de werkelijke geurbelasting in aanmerking genomen, maar wordt de geurbelasting berekend met toepassing van de emissiefactor uit de Rgv.

De Wgv bepaalt niet onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk moet worden ingetrokken. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is voor toepassing van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel d, van de Wabo niet doorslaggevend of de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden verleend. Om tot intrekking van een eenmaal verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning over te kunnen gaan, moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen zo ernstig zijn dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar nadelig kunnen worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of zich ontoelaatbaar nadelige gevolgen voordoen, heeft het college beoordelingsruimte. Die ruimte wordt onder meer begrensd door hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1906, en 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7699).

Zoals hierboven onder 6.1 is vastgesteld, heeft het college in het besluit van 1 november 2018 erkend dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal woningen zullen worden overschreden, indien de geurbelasting wordt berekend met toepassing van het vastgestelde lagere rendement van het vergunde luchtwassysteem. De vraag of de geurbelasting die zal optreden ontoelaatbaar is, heeft het college echter, gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen, nog niet kunnen beantwoorden. Het in de Rgv vermelde reductiepercentage van 45% is blijkens de toelichting (Stcrt. 2018, nr. 39679) een niveau dat minimaal kan worden gehaald, maar niet een algemeen aanvaard milieutechnisch inzicht dat geldt voor alle stallen met het vergunde luchtwassysteem.

Het betoog faalt.De maatschap en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wabo voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. Ter zitting hebben zij toegelicht dat volgens hen moet worden uitgegaan van een ontwikkeling op het gebied van de technische mogelijkheden. De technische mogelijkheid om geurhinder met luchtwassers te beperken, is namelijk minder effectief dan eerder werd aangenomen.

Een nieuw inzicht over de effectiviteit van een bepaalde techniek is niet aan te merken als een technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wabo. Met het gewijzigde inzicht verandert de techniek immers niet. De nieuwe inzichten over de geurreductie van luchtwassers hebben ook niet geleid tot de ontwikkeling van nieuwe technieken om geur vanuit dierenverblijven te reduceren. Zoals de rechtbank heeft overwogen, wordt het vergunde stalsysteem ten tijde van het besluit van 1 november 2018 nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken.

Het betoog faalt.

De maatschap en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat uit het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 2.3 volgt dat het luchtwassysteem een geurreductierendement van 85% moet hebben. Volgens hen kan niet worden aanvaard dat met terugwerkende kracht de milieuprestaties van eerder vergunde installaties naar beneden wordt bijgesteld. De wijziging van voorschrift 2.3, waarbij de rendementseis van 85% is vervallen, is volgens hen, zo begrijpt de Afdeling hun betoog, niet in het belang van de bescherming van het milieu.

De rechtbank heeft overwogen dat zij de maatschap en anderen niet volgt in hun betoog dat het nieuwe voorschrift 2.3A in combinatie met het gewijzigde voorschrift 2.3 niet alleen geen toereikende oplossing biedt, maar zelfs tot een slechtere milieusituatie leidt. Volgens de rechtbank heeft het college het in de vergunning vermelde, met het vergunde luchtwassysteem te behalen geurverwijderingsrendement van 85% uit de tekst van voorschrift 2.3 mogen schrappen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de vermelding van dit rendement in de vergunning en in de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, geen zelfstandig, handhaafbaar voorschrift is, maar slechts een specificatie van het vergunde systeem conform het toentertijd in de Rgv veronderstelde rendement.

Voorschrift 2.3, zoals opgenomen in het besluit van 21 januari 2014 en aangepast bij de onder 1 vermelde uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, bepaalt onder a dat de stallen moeten zijn uitgevoerd met een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2009.12 van oktober 2009) met voor ammoniak en geur een verwijderingsrendement van 85%.

Aan het in dit voorschrift vermelde rendement komt geen zelfstandige betekenis toe, zoals de rechtbank heeft overwogen. Die vermelding is bedoeld als nadere beschrijving van het vergunde type luchtwasser, dat destijds in de Rgv werd beschreven als een systeem met 85% geurreductie. Anders dan het college stelt, was voorschrift 2.3, onder a, overigens in zoverre niet van rechtswege vervallen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer regelen niet welk type luchtwasser moet worden gebruikt, maar bevatten rechtstreeks werkende regels ter waarborging van de goede werking van luchtwassystemen. De verleende omgevingsvergunning, noch het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Activiteitenregeling milieubeheer bepaalt welk geurverwijderingsrendement het vergunde luchtwassysteem moet hebben.

Hieruit volgt dat het schrappen van de vermelding van het verwijderingsrendement geen gevolgen voor het milieu heeft. De geurbelasting die de vergunde inrichting mag veroorzaken, wijzigt hierdoor niet.

Het betoog faalt.

Klik hier voor het volledige OGR artikel inclusief uitspraak