Casus
Tussen partijen is niet in geschil dat uit artikel 2.12.2 van de Omgevingsverordening voldoende concreet blijkt dat de mogelijkheid om nieuwe recreatiewoningen te bouwen uitsluitend onder bepaalde voorwaarden is toegestaan en dat bestemmingsplannen hiertoe moeten worden aangepast. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt. Gelet hierop diende eiseres vanaf 1 juli 2009 rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in voor haar ongunstige zin.

Rechtsvraag
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de per 1 juli 2009 gevestigde voorzienbaarheid is doorbroken door de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan A, gevolgd door de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan B.

Uitspraak
Naar het oordeel van de rechtbank kan in een geval als onderhavige, waarbij het beleidsvoornemen (waardoor de voorzienbaarheid is gevestigd) een dwingend karakter heeft voor de raad, bezwaarlijk worden gesteld dat de raad dit beleidsvoornemen heeft prijsgegeven. De raad is immers gehouden de instructieregels in de Omgevingsverordening uit te voeren zodat een ‘prijsgeven’ van het bepaalde in artikel 2.12.2 van de Omgevingsverordening door de raad niet aan de orde kan zijn.

Dit laat echter onverlet dat een redelijk denkende en handelende eigenaar uit deze passages, opgenomen in twee opvolgende bestemmingsplannen, kan afleiden dat de verplichting om het tegengaan van de bouw van nieuwe recreatiewoningen in bestemmingsplannen vast te leggen, juist niet geldt voor recreatiegebied Ganzendiep en dus ook niet geldt voor het perceel. Hierdoor is aan dit concrete beleidsvoornemen, enkel wat betreft recreatieterrein Ganzendiep, de voorzienbaarheid ontvallen.

Dat de toelichting bij bestemmingsplan A is opgesteld voordat de Omgevingsverordening in werking was getreden, zoals verweerder in zijn verweerschrift, nader toegelicht ter zitting, heeft gesteld, doet niet af aan het feit dat bestemmingsplan A is vastgesteld na de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening, dat deze verordening (met name art. 2.12) in de toelichting wordt genoemd en dat hier expliciet aan is getoetst. Immers, in de toelichting wordt vermeld dat dit artikel niet van toepassing is op recreatiegebied Ganzendiep.

Dat de vaststelling van bestemmingsplan B ‘slechts’ was ingegeven om de maatvoering van één recreatiewoonschip planologisch vast te leggen (waardoor er feitelijk slechts sprake is van een postzegelplan waarbij nagenoeg het gehele onderliggende bestemmingsplan is gehandhaafd) doet er niet aan af dat bestemmingsplan B een compleet bestemmingsplan is, inclusief verbeelding, planregels en een toelichting. Verder laat de vaststelling van bestemmingsplan B onverlet dat de voorzienbaarheid, gevestigd door de terinzagelegging van de Omgevingsverordening, reeds is doorbroken/vervallen door de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan A. Door de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan B is de doorbreking dan wel het vervallen van de voorzienbaarheid niet ontstaan maar bevestigd.

Klik hier voor het volledige OGR artikel inclusief uitspraak