Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 6 maart 2019 (ABRvS201900858/1/A1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, dwangsom, toepassing staalslakken, Besluit bodemkwaliteit, bodem/grondwater, uitvoering, productcertificaat
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201810307/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, recreatiepark/-woningen, behoefte/Bro, provinciale omgevingsverordening, Nationaal Landschap, stikstofdepositie
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802418/1/A1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, afwijken van omgevingsvergunning, ondergeschikte horeca, geen vergunning op grond van APV (Rb Den Haag 17/5217)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803644/1/A1): Awb, Wbb; vaststelling geval van ernstige bodemverontreiniging, sanering, bevoegd gezag, PER, TCL-waarde

* 6 maart 2019 (ABRvS 201801647/1/A1 en 201801798/1/A1): Awb, Wm; plaatsingsplan, ondergrondse afvalcontainers, afvalstoffenverordening, locatie

  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802466/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning met atelier (Rb Noord-Nederland 18/63 en 18/328)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201807154/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hek (Rb Noord-Nederland 17/4475)

# 6 maart 2019 (ABRvS 201802826/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, overschrijding geluidgrenswaarden, maximaal geluidniveau, motorcrossterrein (Rb Noord- Nederland 15/5240 en 16/4572)

  • 6 maart 2019 (ABRvS 201804498/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs (Rb Limburg 17/774)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803567/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, structuurvisie, geluid/relativiteit, parkeren, luchtkwaliteit
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802171/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken van verkoop van fruit uit bouwwerk, strijd met bpl, gedoogcriteria, gelijkheidsbeginsel (Rb Gelderland 17/2335)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201804428/1/A1): Awb; niet tijdig nemen van op verzoek tot het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers, reactie over wijze inzameling afval is geen besluit, geen bevoegdheid om kennis te nemen van beroep
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201807809/1/A2): Awb; herziening (Rb Oost-Brabant 14/1368)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201805399/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, bouwhoogte

* 6 maart 2019 (ABRvS 201802780/1/R1): Awb, Wro; bpl

  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802672/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen en gevolgen voor beschermde monumenten, woningen boven voormalig badhuis, vooringenomenheid/Awb, Ladder/Bro/behoefte, parkeren/verkeer, geluid
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802005/1/A1): Awb, Wm; plaatsingsplan, ondergrondse afvalcontainers, afvalstoffenverordening, ontvankelijkheid
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201806279/1/R1): Awb, Wro; bpl, beleidsregel, woningen op één perceel, hooischuur/wonen, zelf in de zaak voorzien
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201805794/1/R1): Awb, Wro; bpl, belanghebbenden, bed & breakfast
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201806841/1/R3): Awb, Wro; bpl, windpark, belanghebbende, aantasting landschap, geluid, slagschaduw, externe veiligheid, desoriëntatie bijenvolken, weidevogels/Wnb/relativiteit
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803851/1/R3): Awb, Wro; bpl, woon(zorg)complex, inspraak, bouwhoogte, verkeer/ontsluiting, parkeren/CROW
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201800833/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras, geluid/procesorde, welstand (Rb Amsterdam 17/2727)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201708817/1/A2): Awb, Wro; planschade, uitbreiding distributiecentrum, schaduwhinder, luchtkwaliteit, geluid (Rb Den Haag 17/1874)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201804833/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, wijzigen van kippen naar geitenhouderij, belanghebbende, gezondheid (Rb Limburg 17/2361)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802648/2/R3): Awb, Wro; bpl, rijksmonumentale molen, fietspad, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

# 6 maart 2019 (ABRvS 201801485/1/R1): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling terrein, gezondheidszorg, participatie, alternatieven, beschermd stadsgezicht, parkeren, verkeer, groencompensatie, beschermde diersoorten

  • 6 maart 2019 (ABRvS 201807346/1/R3): Awb, Wro; bpl, uniformering windturbines
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803697/1/A1): Awb; invordering dwangsom, kamerverhuur, Bouwbesluit/melding (Rb Amsterdam 17/6222)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803190/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 17/3239)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201709243/1/A2): Awb; tegemoetkoming tijdelijk verminderd woongenot ten gevolge van de saneringswerkzaamheden, beleidsregel, overlastcategorieën zicht-, geur-, trilling-, en geluidhinder, tijdelijke waardevermindering woning (Rb Overijssel 17/1383)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201800901/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen , veranderen woongebouw, belanghebbende, draagconstructie/Bor, welstand (Rb Amsterdam 16/3749)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201707601/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bouwvlak
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802974/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg, vervallen parkeerplaats, oplaadpunt voor elektrische auto, APV/beleidsregel (Rb Amsterdam 17/4847)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201710366/1/A2): Awb, Wro; planschade, woning, normaal maatschappelijk risico (Rb Den Haag 17/2663)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803416/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs (Rb Zeeland-West-Brabant 17/5826)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201803305/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, op- en overslag hooi t.b.v. fouragehandel, relatie met bpl, bewijslast/objectieve aanwijzingen (Rb Gelderland 17/5812 en 17/6432)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201709509/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, wijzigen gebruik panden van raamprostitutie naar wonen, waardedaling/inkomensschade, noodzakelijk te overleggen stukken bij aanvraag (Rb Noord-Nederland 16/3955)
  • 6 maart 2019 (ABRvS 201802024/5/R1): Awb, Wro; bpl, recreatieappartement
  • 5 maart 2019 (ABRvS 201901186/1/A1): Awb, Wm; ; vovo, locatie ondergrondse restafvalcontainer, ontvankelijkheid
  • 5 maart 2019 (ABRvS 201900880/2/A1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, dwangsom, inzet bouwstof in werk zonder milieuhygiënische verklaring, rode mijnsteen, overtreder
  • 4 maart 2019 (ABRvS 201900225/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, fietspad
  • 1 maart 2019 (ABRvS 201809571/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding recreatiepark, verkeer, parkeren/normering, MER, geluid
  • 1 maart 2019 (ABRvS 201810151/2/R1): Awb, Waterwet, Wabo, Wnb; vovo, projectplan, omgevingsvergunning, ontheffing soortenbescherming en vergunning gebiedsbescherming, dijkversterkingsproject, normering/veiligheidstekort, passende beoordeling, belangenafweging
  • 1 maart 2019 (ABRvS 201901096/1/A1): Awb, Wm; vovo, locatie ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, locatie

* 28 februari 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1839, SHE 18/1840, SHE 18/1841, SHE 18/1843 en SHE 18/1957, SHE 18/1958, SHE 18/1959 en SHE 18/1961): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, invordering, slecht onderhoud perceel, opslag mest, draagkracht

  • 28 februari 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1960, SHE 18/1842): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, opslag van mest in lege varkensstallen, bewijslast, overtreder, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 28 februari 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/827): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, wijken bomen voor monument

# 28 februari 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 17/3226): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitrit, proefboring naar gas, belanghebbende, bevoegdheid/Bor/overgangsrecht

#! 27 februari 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 18/181): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, varkensstal, overgangsrecht, provinciale omgevingsverordening, bedrijfswoning, geur/cumulatie, geluid

  • 27 februari 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/2399): Awb, AWR: leges, aanvraag omgevingsvergunning, belanghebbende
  • 27 februari 2019 (ABRvS 201900674/1/A1 en /2/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen asfaltverharding, strijd met bpl, zicht op legalisering (Rb Gelderland 18/3845)
  • 27 februari 2019 (ABRvS 201809837/2/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, staken afwijkend gebruik en terugbrengen stalling tot 1000 m2, strijd met bpl, sloopcompensatie (Rb Oost-Brabant 18/1299)
  • 27 februari 2019 (Rb Rotterdam 10/994606-17): WSr, Wm, WED; opslag en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit, voorbereidingshandelingen, verbindendheid
  • 27 februari 2019 (Rb Limburg ROE 19/249 en ROE 19/260): Awb, Wabo; vovo; handhaving, last onder bestuursdwang, dwangsom, verwijderen woonwagens/caravans, geen vergunning
  • 27 februari 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/565): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, APV, aanvraag zonder toestemming eigenaar van bomen, Wnb/vleermuizen, Klimaatverdrag

#! 26 februari 2019 (Rb Den Haag SGR 18/4860): Awb, Wabo; ambtshalve aanpassing milieuvergunning, chemisch bedrijf, productie chloor, BREF/BBT-conclusies, externe veiligheid/risicobeoordeling, explosiegevaar, GEST-documenten

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

*  6 maart 2019 (ABRvS 201802672/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen en gevolgen voor beschermde monumenten, woningen boven voormalig badhuis, vooringenomenheid/Awb, Ladder/Bro/behoefte, parkeren/verkeer, geluid

  • Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796, strekt artikel 2:4, tweede lid, van de Awb ertoe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan voorkomt dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip ‘persoonlijk’ is blijkens de wetgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. In aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt, waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, omdat daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt
  • Uit artikel 2:4 van de Awb volgt in het algemeen niet dat een persoon die deel

uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit een belang heeft, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratische proces. De gemeenteraad mag met het oog op het democratische proces dan ook niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen. Het voorgaande neemt echter niet weg dat deelname van een lid met een dergelijk persoonlijk belang er toe kan leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken indien zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is bij het besluitvormingsproces.

  • De enkele omstandigheid dat een raadslid kenbaar heeft gemaakt dat zij interesse heeft in een nieuwe woning uit dit project, vormt die bijkomende omstandigheid

 

Datzelfde geldt als een familielid van een raadslid interesse heeft in een dergelijke woning. Gelet hierop kan verder buiten bespreking blijven of meer raadsleden zich als geïnteresseerde hebben laten inschrijven voor een woning uit dit project.

De betogen falen.

 

*  6 maart 2019 (ABRvS 201806841/1/R3): Awb, Wro; bpl, windpark, belanghebbende, aantasting landschap, geluid, slagschaduw, externe veiligheid, desoriëntatie bijenvolken, weidevogels/Wnb/relativiteit

  • Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, hanteert zij voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige
  • Het bestemmingsplan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 149,99 m. Dit betekent dat op een afstand van meer dan 1499,90 m in beginsel geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden
  • Hoewel de woning van [appellant] zich bevindt op een afstand van meer dan 1499,90 m van de dichtstbijzijnde windturbine, bevindt een groot gedeelte van het perceel van [appellant], waaronder de direct aan de woning grenzende tuin en een stuk grond waarop een bijgebouw staat, zich wel binnen de afstand van 1.499,90 m tot de dichtstbijzijnde windturbine. Hierdoor is niet zonder meer uitgesloten dat [appellant] gevolgen van enige betekenis kan ondervinden op zijn perceel. In dat verband overweegt de Afdeling dat [appellant] – gelet op het open karakter van het landschap waarin de windturbines geprojecteerd zijn – vanaf zijn perceel zicht heeft op het windpark. Gelet op het vorenstaande kan [appellant] worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is

 

*  6 maart 2019 (ABRvS 201804833/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, wijzigen van kippen naar geitenhouderij, belanghebbende, gezondheid (Rb Limburg 17/2361)

  • De vraag waarvoor de Afdeling zich gesteld ziet, is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] niet kon worden aangemerkt als belanghebbende bij de aan [belanghebbende] verleende vergunning. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit

– zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of

 

bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

  • Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, dient bij de beoordeling van de belanghebbendheid van [appellant] de afstand van de geitenhouderij tot zijn perceel als uitgangspunt te worden genomen. De perceelgrens van [appellant] ligt op een afstand van ongeveer 650 m van de inrichting van [belanghebbende]. Gelet op deze afstand is het niet uitgesloten dat [appellant] gevolgen van enige betekenis ondervindt van de geitenhouderij in de vorm van een verhoogd gezondheidsrisico. De Afdeling vindt in de door [appellant] overgelegde rapporten steun voor dit oordeel. [appellant] moet daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning beperkte

Of het gezondheidsrisico zodanig is dat het college de door [belanghebbende] gewenste omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen, is een inhoudelijke toets, waaraan in het kader van de beantwoording van de vraag naar belanghebbenheid niet wordt toegekomen.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college bij zijn besluit van 13 juni 2017 [appellant]s bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Het betoog slaagt.

 

*  6 maart 2019 (ABRvS 201709243/1/A2): Awb; tegemoetkoming tijdelijk verminderd woongenot ten gevolge van de saneringswerkzaamheden, beleidsregel, overlastcategorieën zicht-, geur-, trilling-, en geluidhinder, tijdelijke waardevermindering woning (Rb Overijssel 17/1383)

6.7……………..

Daarnaast heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de waardevermindering van de woning van [appellante] diende te vergoeden. Het college heeft zich terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY8507, op het standpunt gesteld dat voor mogelijke vergoeding in aanmerking komende waardevermindering van een woning alleen kan voortvloeien uit een oorzaak met een duurzaam karakter. Tijdelijke waardevermindering van een woning, zoals hier, hoeft in beginsel niet vergoed te worden. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college in het geval van [appellante] wel de tijdelijke waardevermindering had moeten vergoeden. In de lange duur van de sanering hoefde het college daar geen aanleiding toe te zien. Daarnaast heeft het college ter zitting toegelicht dat het einde van de sanering in zicht is en dat het college het voornemen heeft om voor de overlast vanaf het jaar 2016 tot het einde van de sanering, naar verwachting in het jaar 2019, ook een regeling vast te stellen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Het college heeft nader toegelicht dat het ervoor heeft gekozen om aan vijf huishoudens, die op grond van een advies van de GGD elders waren gaan wonen, aangeboden om hun woningen tegen de getaxeerde marktwaarde over te nemen. [appellante] is niet op advies van de GGD elders

 

gaan wonen, waardoor reeds hierom haar geval niet vergelijkbaar was met de situatie waarin de vijf gezinnen zich bevonden. Daarnaast geldt dat het college de woningen van een aantal van deze vijf gezinnen heeft aangekocht tegen de getaxeerde marktwaarde, waardoor hun vermogensposities gelijk zijn gebleven en van een vergoeding van de waardevermindering van deze woningen geen sprake is geweest. Gelet hierop mist de stelling van [appellante], dat het college in een met haar vergelijkbaar geval de waardevermindering wel heeft vergoed, feitelijke grondslag.

6.8.    Het betoog faalt.

 

*  6 maart 2019 (ABRvS 201802974/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg, vervallen parkeerplaats, oplaadpunt voor elektrische auto, APV/beleidsregel (Rb Amsterdam 17/4847)

8.1.    Op grond van artikel 2:12 APV wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. De beleidsregel bepaalt dat de uitweg niet ten koste mag gaan van meer dan één openbare parkeerplaats. De beleidsregel had ten tijde van het besluit van 29 juni 2017 derhalve een ruimere strekking dan artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Het in de toenmalige beleidsregel neergelegde beleid strekte er toe dat alleen werd beoordeeld of de uitweg niet ten koste zou gaan van twee of meer parkeerplaatsen. Daarmee werd er aan voorbij gegaan dat een vergunning op grond van artikel 2:12, tweede lid, onder b, APV ook moet worden geweigerd als er door de aanleg van een uitweg één parkeerplaats zonder noodzaak vervalt. De beleidsregel is op dit onderdeel dan ook in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Gelet op het imperatieve karakter van de in artikel 2:12, tweede lid, van de APV neergelegde weigeringsgronden dient een uitwegvergunning in beginsel op grond van artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden geweigerd indien één van die gronden zich voordoet. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beleidsregel zich in zoverre niet verdraagt met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV en dat het college de beleidsregel terecht buiten toepassing heeft gelaten.

Het betoog faalt.

 

# 28 februari 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 17/3226): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitrit, proefboring naar gas, belanghebbende, bevoegdheid/Bor/overgangsrecht

4.3. De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2016:3388, volgt dat de heroverweging in de bezwaarfase in beginsel dient te geschieden aan de hand van de feiten en omstandigheden, met inbegrip van gewijzigde regelgeving, ten tijde van die heroverweging. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval geen aanleiding om van het uitgangspunt van voormelde ex nunc-toetsing af te wijken. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder de wijziging van artikel 2.5 van het Bor per 1 mei 2017 in de heroverweging in de bezwaarfase had dienen te betrekken, tenzij het overgangsrecht van voormelde wijziging van artikel 2.5 van het Bor tot een andere conclusie leidt. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het overgangsrecht van

 

artikel 2.5 van het Bor in dit geval niet tot de conclusie dat verweerder het gewijzigde artikel 2.5 van het Bor niet in de heroverweging in de bezwaarfase had moeten betrekken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de overgelegde gedingstukken en de verklaring van de gemachtigde van eiseres ter zitting dient te worden afgeleid dat tijdens de in het overgangsrecht genoemde overgangstermijn van 10 maanden geen melding ingevolge de Barmm is ingediend, zodat het gestelde in het overgangsrecht in dit geval niet van toepassing is. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet verweerder bevoegd was om te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, maar de minister van EZK. Aangezien er in dit geval sprake is van een onbevoegd genomen bestreden besluit door verweerder, is het beroep van eiseres gegrond. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

 

*  27 februari 2019 (Rb Rotterdam 10/994606-17): WSr, Wm, WED; opslag en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit, voorbereidingshandelingen, verbindendheid

5.1 …………………………..

Het Vuurwerkbesluit is geen wet in formele zin maar een Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AmvB) en kan dus geen zelfstandige grondslag bieden voor het als misdrijf strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen.

De Wet milieubeheer is wel een wet in formele zin. Op grond van artikel 9.2.2.1 van deze wet kunnen bij AMvB regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen met stoffen etc., als het vermoeden is gerezen dat daardoor ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu ontstaan. Daarmee kunnen concrete gedragingen in de vorm van concrete krenkingsdelicten strafbaar worden gesteld zoals dat gebeurd is in het eerste tot en met het vierde lid van artikel 1.2.2. Vuurwerkbesluit. Op grond van de artikelen 1a onder 10, juncto 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED) zijn overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens (onder meer) artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Het strafmaximum van dergelijke misdrijven bedraagt zes jaar gevangenisstraf.

Artikel 9.2.2.1 noch een andere bepaling van de Wet milieubeheer stelt, in afwijking van artikel 46 juncto 91 Sr, voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 1.2.2, lid 5 van het Vuurwerkbesluit afzonderlijk strafbaar.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 1.2.2, lid 5 Vuurwerkbesluit wel verbindend is. De officier van justitie heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat artikel 1.2.2. lid 5 Vuurwerkbesluit als zelfstandig voorbereidingsdelict niet onder de reikwijdte valt van artikel 91 Sr, omdat er geen sprake is van een afwijking van de algemene regeling van artikel 46 Sr maar van een aanvulling in een specifiek strafbaar gesteld delict.

De rechtbank deelt die opvatting niet. De wetgever heeft met artikel 46 Sr een algemene regeling in het leven geroepen waarmee is beoogd de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen te beperken tot misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Bovendien heeft, zoals reeds hiervoor overwogen, als uitgangspunt te gelden dat slechts de wetgever in formele zin, derhalve niet de

 

lagere wetgever, het treffen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van bepaalde misdrijven strafbaar kan stellen.

De kennelijk door de lagere regelgever beoogde afzonderlijke strafbaarstelling van de in artikel 2.2, lid 5 Vuurwerkbesluit bedoelde voorbereidingshandelingen – en wel, voor zover opzettelijk gepleegd, via artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a, onder 10 van de WED, als misdrijf – is in strijd met de hiervoor weergegeven wetgevingssystematiek.

Zulks klemt te meer nu, zou deze wijze van strafbaarstelling wel toelaatbaar worden geacht, voormelde voorbereidingshandelingen – wederom in strijd met de wetgevingssystematiek – een overtreding, derhalve geen misdrijf, opleveren voor zover zij niet opzettelijk zijn begaan, terwijl voorts voor deze (al dan niet opzettelijk gepleegde) voorbereidingshandelingen hetzelfde strafmaximum zou gelden als voor de desbetreffende voltooide strafbare feiten.

In de tweede plaats stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat artikel 1.2.2. vijfde lid Vuurwerkbesluit zijn wettelijke grondslag heeft in artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer en dat deze bepaling geen limitatieve opsomming geeft van handelingen met betrekking tot welke bij AMvB nadere regels gesteld kunnen worden. Zoals in het voorgaande reeds is uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer niet de door de officier van justitie bedoelde grondslag biedt. Meer in het bijzonder biedt het door de officier van justitie genoemde artikel 9.2.2.1 lid 2 onder i Wet milieubeheer daartoe geen aanknopingspunt, nu op grond van deze bepaling geen voorbereidingshandelingen strafbaar gesteld kunnen worden maar slechts een meldplicht in het leven kan worden geroepen ten aanzien van het voornemen om handelingen te verrichten met stoffen als daarbij ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu te voorzien zijn.

Op grond van het al hetgeen zij hiervoor heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat voormelde uitbreiding tot de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen in het Vuurwerkbesluit in strijd is met artikel 91 Sr en de wetssystematiek. Het doorkruist bovendien het lex certa beginsel en is daarom tevens in strijd met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 Sr waar dit beginsel is verankerd.

5.1.1. Conclusie

De rechtbank acht gelet op het voorgaande artikel 1.2.2, lid 5 Vuurwerkbesluit onverbindend, zodat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet strafbaar is. De verdachte zal daarom in zoverre worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

*  8 februari 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/427): Awb, Wnb; opheffing vovo, preventieve handhaving, onderzoekskap, dassenburcht/foerageergebied, Habitatrichtlijn, overgang van Ffw naar Wnb

  1. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. De rechtspraak van de ABRvS waar verzoekers zich op beroepen gaat over de toepassing van de Flora- en faunawet (Ffw). De Ffw is per 1 januari 2017 ingetrokken en op dezelfde dag is de Wnb in werking getreden. Verzoekers miskennen dat de wettelijke bescherming van de das onder de Ffw een andere strekking had dan die onder het huidige artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb. De bescherming in de Ffw omvatte mede de implementatie van artikel 12, eerste lid, aanhef en

 

onder d, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de Habitatrichtlijn). Voor de uitleg van de Habitatrichtlijn geldt het ‘Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC’ van de Europese Commissie uit 2007. De ABRvS heeft aan de hand van die uitleg het criterium geformuleerd waar verzoekers zich op beroepen, namelijk dat een foerageergebied bescherming geniet als het als zodanig samenvalt met een vaste rust- of verblijfplaats. De voorzieningenrechter verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2464), die ook in de rapporten  van verzoekers is aangehaald.

19. Met de invoering van de Wnb heeft de wetgever echter een wijziging beoogd in de wettelijke systematiek van soortenbescherming. In de Wnb wordt nu onderscheid gemaakt tussen de bescherming van soorten die voortvloeit uit de Habitatrichtlijn enerzijds, en de bescherming van (inheemse) soorten anderzijds. Dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt voor deze wijziging in het beschermingsregime is ook af te leiden uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wnb, zoals blijkt uit de volgende passage uit de memorie van toelichting:

“Het wetsvoorstel leidt ertoe dat er voor schadelijke activiteiten in een minder aantal gevallen dan nu een ontheffing nodig zal zijn. Dit komt in het bijzonder omdat het in de paragrafen 3.1 en 3.2 van het wetsvoorstel neergelegde Europese beschermingsregime uitsluitend van toepassing is op dier- en plantensoorten ten aanzien waarvan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en van Bonn dit vereist. Niet onder de reikwijdte van dit Europese beschermingsregime vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen en in hun voortbestaan bedreigde andere diersoorten en plantensoorten worden op grond van het voorgestelde artikel 3.10 beschermd door enkele zeer gerichte verboden, naast de algemeen geldende zorgplicht (voorgesteld artikel 1.9).” (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 153-

154)

  1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de wetswijziging tot gevolg dat het uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende toetsingscriterium van de ABRvS dat gold voor de Ffw, niet moet worden toegepast bij zaken die gaan over de toepassing van artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb. Het is daarom niet relevant of het foerageergebied van de das samenvalt met (een van) de dassenburcht(en).
  2. Welk criterium geldt dan wel? De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat pas sprake is van het opzettelijk beschadigen of vernielen van de burcht, als door een ingreep in het foerageergebied de das zijn burcht zal verlaten. In deze zaak heeft de voorzieningenrechter daarom beoordeeld of verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat de onderzoekskap er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toe zal leiden dat een van de burchten zal worden verlaten. Verzoekers zijn hierin niet geslaagd. De uitgebreide rapporten van de Dassenwerkgroep zijn niet opgesteld aan de hand van het criterium dat hier geldt. De rapporten hebben als conclusie dat het foerageergebied samenvalt met de dassenburchten, maar er kan niet uit worden afgeleid dat het vrijwel zeker is dat de dassenburchten zullen worden verlaten als gevolg van de onderzoekskap. Verzoekers hebben nog op gewezen op het ‘Kennisdocument DAS Meles meles’ van de uitvoeringsorganisatie voor de samenwerkende provincies BIJ12 en op de ‘Aanbevelingen dassenbeleid voor de provincies Utrecht en Noord-Holland’ van Stichting Das & Boom van

 

oktober 2018. In die publicaties zou een andere interpretatie worden gegeven aan de strekking en de reikwijdte van de bescherming die uit artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb voortvloeit. Dit brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Voor zover deze publicaties inderdaad uitgaan van een ander toetsingscriterium wordt ook daarin de hiervoor beschreven wijziging in het wettelijk beschermingsregime miskend.