Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801752/1/R1): Awb, Wro; herziening exploitatieplan, inbrengwaarden, sloopkosten, looptijd/motivering, overige kosten
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802572/1/R3): Awb, Waterwet; water- en wegenvergunning, windpark, belanghebbenden, relativiteit, Keur/beschermingszone, toetsing beleidsregel (Rb Rotterdam 17/3946)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803165/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken gebruik pand en bijgebouw als woning en verwijderen woonvoorzieningen, uitleg oude bouwvergunning/bpl/planregels (Rb Zeeland-West-Brabant 17/6170 en 17/6171)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803012/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, terrasoverkappingen en luifel bij badhotel, reguliere procedure, beslistermijnen/vergunning van rechtswege, bevoegdheid te beslissen (Rb Zeeland-West- Brabant 17/4933)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201708092/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, verkeersbesluit, omzetderving, normaal maatschappelijk risico/drempel (Rb Zeeland-West-Brabant 17/3027)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201805130/1/R2): Awb, Wro; bpl, baan voor openbaar vervoer, m.e.r.-plicht, mobiliteitsplan, doorstroom, verkeersintensiteiten/evenementen
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802571/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu (OBM), windpark, aanvraag Wnb/aanhaken, structuurvisie, cumulatie van geluid (Rb Rotterdam 17/2592)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201709749/1/R1): Awb, Wro; bpl, woning, gemeentelijk en provinciaal beleid, boomgaard/spuitzone, afstand
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201800128/1/R1): Awb, Wro; bpl, nieuwe bestemming, VNG- brochure, SVBP 2012, supermarkt
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201804660/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, beheer gebied, potstal, geur, belangenafweging (Rb Noord-Holland 17/4154, 17/4046, 17/4064, 17/4163 en 17/4065)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802334/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, fietsenberging met overkapping en zwembad, parkeerplaatsen/planregels (Rb Oost-Brabant 17/1800)

# 13 maart 2019 (ABRvS 201710319/1/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico/drempel, zelf in de zaak voorzien (Rb Zeeland-West-Brabant 15/5106)

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201805896/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, terras aan achterzijde horecapand, geluid, menselijk stemgeluid, woon- en leefklimaat, binnenterrein (Rb Gelderland 18/1136)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801044/1/R3): Awb, Wro; bpl, reconstructie verkeersweg, belanghebbende, ontvankelijkheid
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201710380/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxatierapporten, rente/BW
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803729/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en milieu, varkenshouderij, belanghebbende, Aarhus, bibob-advies (Rb Overijssel 17/1499)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803551/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, kantine in en terras bij sporthal, geluid, festiviteiten, APV (Rb Den Haag 17/1741)

# 13 maart 2019 (ABRvS 201803436/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, telecommunicatiemast, elektromagnetische straling/gezondheid, Antennebeleid, alternatieve locatie (Rb Oost-Brabant 17/117, 17/118, 17/169)

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201805945/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, herstructurering, type woningen
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201708819/1/R3): Awb, Wm; handhaving, geluidscherm langs spoor, afwijking Tracébesluit/omgevingsvergunning, bevoegdheid, weerkaatsing geluid spoor en weg, geluidproductieplafond, RMV 2012
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802710/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, units/hotelkamers, strijd met beheersverordening (Rb Noord-Nederland 17/2549)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802193/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, woningen (Rb Rotterdam 17/505)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801702/1/A1): Awb, Ww; spoedeisende bestuursdwang en kostenverhaal, afvoer afval uit woning, Bouwbesluit, brandgevaar (Rb Amsterdam 17/1776)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802602/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning met bijgebouwen, bedrijfsbelang (Rb Midden-Nederland 17/1991)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201800481/1/R1): Awb, Wro; bpl, wijzigingsbevoegdheid, overcapaciteit woningmarkt, objectieve begrenzing, parkeerregeling, bedrijfsontwikkeling
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201709836/5/A1): Awb, Wabo; ontheffing parkeerplaatsen, beleidsregels, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Gelderland 16/5017)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802247/1/A1): Awb, Wabo; niet in behandeling nemen verzoek omgevingsvergunning voor dakkapel, geen quickscan/huismus, motivering advies ecologisch adviseur (Rb Amsterdam 17/3620)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801318/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Oost-Brabant 17/464)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802987/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, parkeren, laden en lossen (Rb Gelderland 17/1339)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801260/1/A1): Awb, Wm; aanwijzen locatie voor ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffen verordening, loopafstand, belangenafweging
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803504/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, legalisering uitweg, verharden/ophogen niet in strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 17/2097)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802202/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, kantoor naar woning, lucht- en contactgeluidsisolatie, Activiteitenbesluit (Rb Rotterdam 17/3126)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803036/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van bpl en aanleggen, woningen met toegangsweg, ruimtelijke onderbouwing, geen stedelijke ontwikkeling, welstand (Rb Gelderland 17/4641)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201804820/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, gebruik perceel, watersportvereniging is geen bedrijf als bedoeld in planregels, bevoegdheid, geen overtreding van geringe aard en ernst (Rb Noord-Holland 17/3928)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201804176/1/A3): Awb, Wob; milieu-informatie, geen belangenafweging toegestaan, houden van dieren, relatienummer/dierenactivisme (Rb Gelderland 17/1202)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803496/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand, bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 18/214 en 18/213)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201805529/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, terras bij eetcafé, belanghebbende (Rb Zeeland-West-Brabant 17/6065)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201705323/1/A2): Awb, Wro; planschade, bouwkosten, bodemsanering, bruto aanvangsrendement, erfpacht
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201707893/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken overtredingen, opslag stro- en hooibalen op verharding, strijd met bpl, planregels, herkomst gras (Rb Limburg 17/2312 en 17/2222)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802311/1/A2): Awb, Ffw; schadevergoeding, Faunafonds, fruit/merels/mezen, maatregelen ter voorkoming van schade, beleidsregel (Rb Noord- Holland 16/3411)
  • 13 maart 2019 (ABRvS 201807032/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, erfafscheiding, herhaling beroep (Rb Gelderland 18/1857)

* 13 maart 2019 (ABRvS 201708741/1/A2, 201708780/1/A2, 201708741/1/A2 en 201708807/1/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico (Rb Gelderland 16/6527,16/1698, 16/1713, 16/7222 en 16/7015)

  • 12 maart 2019 (Rb Gelderland AWB 18/4262): Awb, Wvw; verkeersbesluit, aanwijzing parkeerplaatsen voor betaald parkeren, onderzoek
  • 12 maart 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/746 WET VV): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting horeca, openbare orde, handhavingsprotocol
  • 11 maart 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/3003): Awb, Gmw; last onder bestuursdwang, verwijderen fiets, APV, datum bekendmaking besluit, sticker op fiets/ophaaldatum depot, ontvankelijkheid
  • 8 maart 2019 (ABRvS 201900959/3/A1): Awb, Wm; vovo, locatie ondergrondse restafval container, afvalstoffenverordening
  • 8 maart 2019 (ABRvS 201809540/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, bouwen centrum, weerkaatsing geluid motorcrossterrein, geluidzone
  • 7 maart 2019 (ABRvS 201809355/2/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen spoedeisend belang
  • 7 maart 2019 (ABRvS 201900739/1/A3 en /2/A3): Awb, Gmw; aanwijzing veiligheidsrisicogebied, APV, geen beroep mogelijk tegen vovo Rb, bevoegdheid Afdeling (Rb Rotterdam 18/5744)
  • 7 maart 2019 (ABRvS 201809790/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen/ appartementengebouw, geen onomkeerbare gevolgen
  • 7 maart 2019 (ABRvS 201901321/2/A3): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning voor ondersteunde horeca-activiteiten, terrassen, inkomstenverlies (Rb Zeeland-West-Brabant 18/3437)
  • 7 maart 2019 (Rb Gelderland 05/987041-15): WSr, Wm, Arbowet; WED; explosie spuitcabine, overtreding milieuvoorschriften, explosieveiligheidsdocument, (brand)gevaarlijke afvalstoffen, PGS-15, Activiteitenbesluit/-regeling, ATEX-richtlijn, Arbobesluit
  • 6 maart 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/780 en AMS 19/781): Awb, Gmw; vovo, handhaving, staken gebruik shishapijpen/intrekking exploitatievergunning, afwijkend gebruik vergunning, CO-waarde, motivering
  • 5 maart 2019 (Rb Gelderland AWB 18/4849): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, geur, bewerken groenafval, BREF, aanvaardbaar niveau

* 5 maart 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 18/1668, 18/1680 en 18/1712): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen, aanpassen beschermd monument en afwijken bpl, ontheffing Bouwverordening en Ffw, hostel, haalbaarheidsonderzoek, woon- en leefklimaat, parkeren/CROW

18/3083, BRE 19/770 VV, BRE 18/3089, BRE 19/771 VV, BRE 18/3085): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, mountainbikeroute in bos, geen strijd met bpl, geen overtreding verbodsbepalingen Wnb

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201801752/1/R1): Awb, Wro; herziening exploitatieplan, inbrengwaarden, sloopkosten, looptijd/motivering, overige kosten

10.2. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.20 van de Wro (Kamerstukken II 2005/2006, 30 218, nr. 7, blz. 7) stelt de raad zich terecht op het standpunt dat de looptijd van een exploitatieplan in bepaalde situaties langer mag zijn dan de looptijd van het betrokken bestemmingplan. In de Nota van Wijziging is daarover opgemerkt dat een exploitatieplan ook na de voltooiing van de werken en werkzaamheden en de daaropvolgende afrekening nog kan worden herzien, en wel tot het moment dat alle vergunningen voor het bouwen zijn verstrekt en de exploitatiebijdragen zijn voldaan. Het oorspronkelijke voorstel om in de wet een maximale looptijd voor een expIoitatieplan van 10 jaar op te nemen, is geschrapt nadat was gebleken dat die looptijd in een aantal gevallen te kort zou zijn, zo blijkt verder uit de parlementaire geschiedenis. In dit geval heeft de raad de looptijd van het Exploitatieplan met 11 jaar verlengd tot 21 jaar. De Afdeling overweegt dat de raad de verlenging van de looptijd wel afdoende dient te motiveren. De enkele verwijzing van de raad naar de Structuurvisie Amsterdam 2040 is op zichzelf geen afdoende motivering voor een verdubbeling van de looptijd. Bij de keuze voor een langere looptijd die redelijk is, dient de raad alle belangen te betrekken, waaronder het belang van VCO en [appellant sub 2] bij een zo nauwkeurig mogelijk in het Exploitatieplan opgenomen looptijd. De raad heeft de belangen van VCO en [appellant sub 2] naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. De stelling van de raad dat artikel 6.20 van de Wro de mogelijkheid biedt om eerder een eindafrekening vast te stellen en dat het verlengen van de looptijd dus niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de eindafrekening pas in 2030 plaatsvindt, maakt het voorgaande niet anders, nu VCO en [appellant sub 2] bij een eindafrekening die eerder plaatsvindt slechts het verschil tussen de exploitatiebijdrage die is betaald en de alsdan herberekende bijdrage terugbetaald krijgen voor zover dit verschil groter is dan vijf procent. Daarnaast kan ingevolge artikel 6.20, vierde lid, van de Wro pas worden afgerekend als ten minste negentig procent van de in het exploitatieplan begrote kosten zijn gerealiseerd. Indien wordt afgerekend als nog niet alle begrote kosten zijn gerealiseerd bestaat er voor VCO en [appellant sub 2] een risico in de omstandigheid dat dan nog deels van ramingen wordt uitgegaan in plaats van gerealiseerde kosten. Indien de ramingen achteraf te hoog blijken te zijn kan het verschil tussen de ramingen en de gerealiseerde kosten na de eindafrekening niet alsnog aan VCO en [appellant sub 2] worden vergoed. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering berust.

Het betoog slaagt.

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201802572/1/R3): Awb, Waterwet; water- en wegenvergunning, windpark, belanghebbenden, relativiteit, Keur/beschermingszone, toetsing beleidsregel (Rb Rotterdam 17/3946)

5.2 ……………………………………..

Naar het oordeel van de Afdeling doen zich in dit geval geen omstandigheden voor die aanleiding geven voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B], die op een afstand van ongeveer 1 km van het windpark wonen, geen gevolgen van enige betekenis van het windpark kunnen ondervinden. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant A] en [appellant B] bij het falen van de primaire waterkering Westersedijk op hun percelen te maken kunnen krijgen met wateroverlast. [appellant A] en [appellant B] zijn dan ook als belanghebbenden bij het bestreden besluit aan te merken en het hoger beroep is ontvankelijk.

6.3. Met de regels uit de Waterwet wordt dus onder meer beoogd bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. Deze regels strekken daarmee ook tot de bescherming van de belangen van diegenen van wie het woon- en leefklimaat mede door de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast wordt bepaald. Weliswaar wonen [appellant A] en [appellant B] op een afstand van ongeveer 1 km van de primaire waterkering en vlak achter een secundaire waterkering, maar niet uitgesloten is dat zij van een overstroming of wateroverlast als gevolg van het falen van dit deel van de primaire waterkering gevolgen kunnen ondervinden. De situatie dat de toepasselijke rechtsregels uit de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving kennelijk niet strekken tot de bescherming van de belangen van [appellant A] en [appellant B] doet zich niet voor. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb niet aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden in de weg.

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201803012/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, terrasoverkappingen en luifel bij badhotel, reguliere procedure, beslistermijnen, vergunning van rechtswege, bevoegdheid te beslissen (Rb Zeeland- West-Brabant 17/4933)
    • Anders dan VRD en anderen stellen, is de verlengde beslistermijn van zes weken niet direct ingegaan op 21 december 2016, maar pas na afloop van de wettelijke beslistermijn van acht weken. De wettelijke beslistermijn van acht weken zou eindigen op 26 december 2016, maar omdat het om Tweede Kerstdag gaat, eindigt de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet op 27 december 2016. Dit betekent dat de beslistermijn zes weken na 27 december 2016 afliep op 7 februari 2017. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1657, en 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1345) volgt dat een tijdige beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb meebrengt dat binnen de beslistermijn een reëel besluit op de aanvraag moet zijn genomen en moet zijn bekendgemaakt. Derhalve was 7 februari 2017 ook de laatste dag van de termijn voor het bekendmaken van een reële beslissing op de

Dat betekent dat het college een dag te laat is geweest met de bekendmaking van het besluit van 7 februari 2017.

  • Het voorgaande brengt mee dat het college niet binnen de voor de reguliere procedure geldende beslistermijn op de aanvraag heeft besloten. Gelet op artikel 3.9, derde lid, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4.20b, eerste lid, van de Awb is de aangevraagde omgevingsvergunning aldus van rechtswege verleend. Het college was daarom niet meer bevoegd een reëel besluit op de aanvraag te nemen. Het college heeft de van rechtswege verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet overeenkomstig artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

 

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201804820/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, gebruik perceel, watersportvereniging is geen bedrijf als bedoeld in planregels, bevoegdheid, geen overtreding van geringe aard en ernst (Rb Noord-Holland 17/3928)

3.2. Vaststaat dat de watersportvereniging niet staat genoemd in Bijlage 2 bij het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van het begrip “bedrijf”. De rechtbank heeft voor de uitleg van het begrip “bedrijf” onder die omstandigheden aansluiting kunnen zoeken bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven. In het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal wordt onder bedrijf verstaan: beroepsbezigheid, handwerk en ook: onderneming die zich bezighoudt met het maken en/of verhandelen van bepaalde goederen en/of het leveren van bepaalde diensten. Gelet daarop heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat de aanwijzing van het perceel voor “bedrijven” uitdrukt dat het perceel bestemd is voor een onderneming waar beroepsmatig goederen worden gemaakt en/of verhandeld dan wel diensten worden geleverd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:365).

De Afdeling is, gezien de ter zitting door de watersportvereniging gegeven toelichting, van oordeel dat de watersportvereniging geen bedrijf is als bedoeld in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang bezien met artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.2, aanhef en onder f, van de planregels. Uit die toelichting op de activiteiten, die door het college niet wordt betwist, volgt dat de watersportvereniging geen commerciële activiteiten uitvoert. Leden van de watersportvereniging stallen hun vaartuigen op het perceel. Zij betalen naast hun bijdrage voor het lidmaatschap van de watersportvereniging ook voor het stallen van hun vaartuigen op het perceel, maar daarbij worden geen commerciële tarieven gehanteerd. Verder verrichten de leden van de watersportvereniging zelf werkzaamheden op het perceel, waaronder het afspuiten van hun vaartuigen. Door middel van een geldautomaat op de afspuitvoorziening wordt daarvoor betaald.

Verder worden ieder jaar enkele zogenaamde hijsdagen georganiseerd, waarop de vaartuigen uit het water worden gehesen. Gezien deze activiteiten heeft de rechtbank terecht overwogen dat de activiteiten van de watersportvereniging niet bedrijfsmatig van aard zijn en niet zijn gericht op winst.

Omdat op het perceel geen activiteiten worden verricht ten behoeve van een bedrijf, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik van het perceel door de

 

watersportvereniging in strijd is met artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, en artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.2, aanhef en onder f, van de planregels. Anders dan het college betoogt, is niet van belang of de activiteiten die worden uitgeoefend op het perceel vergelijkbaar zijn met de activiteiten van de in doeleindenomschrijving genoemde bedrijven. Bepalend is slechts of de activiteiten op het perceel ten behoeve van een bedrijf worden verricht, zoals opgenomen in de doeleindenomschrijving.

Over het betoog van het college dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest om activiteiten op het perceel toe te staan die vergelijkbaar zijn met activiteiten die door een bedrijf kunnen worden uitgeoefend, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3905, dat de planregels in dit geval duidelijk zijn, zodat niet kan worden toegekomen aan een bespreking van de bedoeling van de planwetgever. Het enkele feit dat de raad zou weten dat er op het perceel een watersportvereniging is gevestigd, maakt bovendien niet dat het de bedoeling was van de planwetgever om dit gebruik positief te bestemmen. Anders dan het college meent, is ook de omstandigheid dat in de planregels geen afzonderlijke bestemming “watersport(vereniging)” is opgenomen onvoldoende voor het oordeel dat de planwetgever de activiteiten van de watersportvereniging vond passen binnen de ter plaatse geldende bestemming.

 

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201805529/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, terras bij eetcafé, belanghebbende (Rb Zeeland-West-Brabant 17/6065)

3.5. De afstand van het terras tot aan de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 80 m. [appellant] heeft geen zicht op het terras en er liggen verschillende panden tussen zijn woning en het terras. Gelet hierop en op de beperkte omvang van het terras heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat, voor zover [appellant] ter plaatse van zijn woning al gevolgen zou ondervinden van het terras, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of geur, die gevolgen niet van enige betekenis zijn. Daarbij merkt de Afdeling op dat uit het verslag van een controlebezoek van 19 mei 2016 blijkt dat, anders dan [appellant] ter zitting heeft gesteld, het aantal zitplaatsen op het terras niet veel groter is dan het aantal zitplaatsen in het café.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de door [appellant] gestelde blokkades van het trottoir geen rechtstreeks gevolg van de verleende omgevingsvergunning zijn. Het vergunde terras laat voldoende ruimte op het trottoir vrij voor voetgangers. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] zich op dit punt onvoldoende van anderen onderscheidt om een persoonlijk belang bij de verlening van de omgevingsvergunning te hebben. Dit  geldt ook voor zijn stellingen over de verkeersveiligheid en het betalen van belasting. In zijn hoedanigheid van inwoner van Goirle onderscheidt [appellant] zich evenmin onvoldoende van anderen om een persoonlijk belang bij de verlening van de omgevingsvergunning te hebben.

Gezien de beperkte omvang van het terras is voorts niet aannemelijk dat de parkeerdruk ter hoogte van de woning van [appellant] zodanig zal toenemen, dat hij in zijn belangen wordt geraakt door het verlenen van de omgevingsvergunning. Ook het feit dat hij zich niet kan verenigen met het uiterlijk van het café maakt niet dat hij in een persoonlijk belang wordt geraakt door het toestaan van het terras. De stelling

 

van [appellant] dat bij het café brand kan ontstaan en zich richting zijn woning kan uitbreiden, maakt ten slotte evenmin dat hij rechtstreeks in een persoonlijk belang wordt geraakt, reeds omdat een eventuele brand geen gevolg zou zijn van het toestaan van het terras.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het terras. De rechtbank heeft dan ook terecht het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan zijn betoog dat niet wordt voldaan aan de gemeentelijke nota over parkeernormen.

Het betoog faalt.

 

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201707893/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken overtredingen, opslag stro- en hooibalen op verharding, strijd met bpl, planregels, herkomst gras (Rb Limburg 17/2312 en 17/2222)
    • Volgens het college is aan het agrarische gebruik inherent dat gras, na het maaien daarvan, enige tijd op het perceel blijft liggen om te drogen. Ook is daaraan volgens het college inherent dat de plastic balen, waarin het gras na de droging wordt verpakt, voor een beperkte periode op het perceel blijven staan in afwachting van het transport naar elders.

Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke situatie. De opslag van grasbalen op het perceel is immers niet tijdelijk van aard, in afwachting van het transport naar elders, maar het betreft een (semi-)permanente opslag, die voortduurt tot het moment waarop het gras wordt gebruikt als voer voor de eigen veestapel. Volgens het college kan een dergelijke langdurige opslag van grasbalen niet worden aangemerkt als opslag die inherent is aan het toegelaten agrarische gebruik.

  • Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de in het geding zijnde planregels in redelijkheid op de bovenomschreven wijze kunnen uitleggen. Deze uitleg van de desbetreffende planregels is niet in strijd met de hiervoor, onder 6, genoemde uitspraak van 17 februari 2016. In die uitspraak is geoordeeld dat de opslag van 2.000 balen, waarbij het gaat om gras dat op andere percelen is geteeld, niet kan worden aangemerkt als inherent aan het op het perceel toegelaten agrarische gebruik. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, volgt uit die uitspraak niet dat de opslag van balen met gras dat van hetzelfde perceel afkomstig is, in geen geval is toegestaan. Uit de uitspraak kan echter ook niet, a-contrario redenerend, worden afgeleid dat de opslag van gras van het eigen perceel zonder meer is aan te merken als inherent aan het op het perceel toegelaten agrarische gebruik. De door het college gegeven uitleg – die erop neerkomt dat de opslag van gras van het eigen perceel gedurende een beperkte periode is toegestaan, in afwachting van de droging van het gras en het transport naar elders – is in het licht van bovenstaande uitspraak dan ook niet
  • Het college heeft zich verder, op basis van de bovenomschreven uitleg van artikel 3.5.1, onderdeel j, van de planregels, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze bepaling in dit geval is overtreden. Daartoe is van belang dat het perceel, zoals [wederpartij] ter zitting heeft vermeld, jaarlijks ongeveer 4 tot 5 keer wordt gemaaid, waarbij de eerste maai doorgaans in mei plaatsvindt en de laatste maai doorgaans in oktober of november. [wederpartij] heeft daarbij toegelicht dat in

 

de hele genoemde periode doorgaans grasbalen op het perceel worden opgeslagen. Deze opslag blijft voortduren omdat het gras uit de balen in de loop van het jaar weliswaar wordt gevoerd aan de veestapel, maar er ook steeds nieuwe balen bijkomen. Volgens [wederpartij] is de opslag van de grasbalen meestal pas rond de kerstperiode beëindigd, als de laatste baal is gebruikt als veevoer voor zijn veestapel. Gelet op deze werkwijze, waarbij de opslag van grasbalen op het perceel blijft bestaan tot het moment waarop het gras uit de balen wordt gebruikt, heeft het college er vanuit kunnen gaan dat ter plaatse sprake is van een langdurige opslag van ter plaatse geproduceerd veevoer en dat deze opslag niet kan worden aangemerkt als inherent aan het op het perceel toegelaten agrarische gebruik. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

  • Het betoog

 

  • 13 maart 2019 (ABRvS 201708819/1/R3): Awb, Wm; handhaving, geluidscherm langs spoor, afwijking Tracébesluit/omgevingsvergunning, bevoegdheid, weerkaatsing geluid spoor en weg, geluidproductieplafond, RMV 2012

5.1. In die uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 heeft de Afdeling onder 2.3, voor zover van belang, het volgende overwogen: “De rechtbank heeft voorts terecht vastgesteld dat het tracébesluit geen uitvoeringsverplichting kent. Het strekt enkel tot het planologisch mogelijk maken van een tracé met de daarbij behorende voorzieningen. Het realiseren van de in het tracébesluit beoogde kruising van de Voorstraat met de Betuweroute kan derhalve niet met een beroep op dat besluit worden afgedwongen. Van een bevoegdheid om in dat verband handhavend op te treden is daarom geen sprake.” Zoals onder meer uit deze uitspraak volgt, voorziet de Tracéwet niet in een bevoegdheid om handhavend op te treden als het gaat om de uitvoering van het tracé in een tracébesluit. Het betoog van MultiQuest en [appellant] dat er een onderscheid is tussen de in het tracébesluit opgenomen ligging van het tracé in het terrein en de in het tracébesluit opgenomen maatregelen en dat er wel een uitvoeringsverplichting geldt voor de maatregelen volgt de Afdeling niet. De in een tracébesluit opgenomen maatregelen zijn niet aan te merken als voorwaardelijke verplichtingen, zoals die in een bestemmingsplan kunnen zijn opgenomen. Dit betekent overigens niet dat belanghebbenden nooit naleving van bepalingen uit het tracébesluit kunnen afdwingen. Wanneer voor de uitvoering van het tracébesluit op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is, moet de aanvraag van de vergunning worden getoetst aan het tracébesluit of aan een bestemmingsplan waarin het tracébesluit is verwerkt. Dit volgt uit artikel 13, vierde lid, van de Tracéwet. Dit betekent dat de aanvraag moet worden afgewezen als die niet voldoet aan het tracébesluit. Tegen het besluit dat op een dergelijke aanvraag wordt genomen, kunnen belanghebbenden rechtsmiddelen aanwenden. Indien zonder of in afwijking van de vereiste omgevingsvergunning zou worden gebouwd, kunnen belanghebbenden verzoeken om handhaving. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454, en de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4081 die eveneens op geluidschermen betrekking had.

 

 

verwijderen fiets, APV, datum bekendmaking besluit, sticker op fiets/ophaaldatum depot, ontvankelijkheid

  • Niet in geschil is dat eiser zijn fiets op 28 december 2017 uit het depot heeft opgehaald en dat hem daarbij het formulier ‘kennisgeving besluit’ is overhandigd, waarop voornoemde sticker, inhoudende het primaire besluit, is aangebracht. Omdat, zoals vaststaat, de overtreder ten tijde van het toepassen van bestuursdwang niet bekend was, is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 20052, van oordeel dat het primaire besluit niet op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb aan eiser bekend behoefde te worden gemaakt voordat bestuursdwang werd toegepast. Het besluit is aan eiser uitgereikt toen hij zijn verwijderde fiets ophaalde, namelijk op 28 december 2017, waarmee het aan hem is bekendgemaakt. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de bekendmaking van dat besluit al bij het aanbrengen van de sticker op 6 november 2017 of tijdens het wegvoeren van de fiets op 19 december 2017 plaatsvond.
  • Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken voor het indienen van het bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Omdat het primaire besluit op 28 december 2017 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de bezwaartermijn op 29 december 2017 gaan lopen. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de termijn van zes weken, namelijk op 8 januari 2018, en dus tijdig hiertegen bezwaar heeft
  • De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft

 

  • 7 maart 2019 (ABRvS 201900739/1/A3 en /2/A3): Awb, Gmw; aanwijzing veiligheidsrisicogebied, APV, geen beroep mogelijk tegen vovo Rb, bevoegdheid Afdeling (Rb Rotterdam 18/5744)
    • De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan, gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan grond bestaan in geval van zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest. Daarvan is in dit geval geen

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijk oordeel bij zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Het oordeel van de rechtbank heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Eventuele onvolkomenheden die aan het besluit van de burgemeester kleven, kunnen tijdens de bezwaarprocedure worden hersteld. Bij het te nemen besluit op bezwaar kan ook worden ingegaan op de door [appellant] ervaren tekortkomingen in de procedure. Tegen het besluit op bezwaar staan weer rechtsmiddelen open.

  • Dit betekent dat de Afdeling onbevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige

voorziening af te wijzen.