Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201904533/1/R3): Awb, Wro; uitwerkingsplan, woningen, bedrijf, VNG-brochure, afwijken/afweging
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201904285/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunningen voor bouwen, woningen, begrenzing plan
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201903886/1/R3): Awb; herziening, bpl, geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201903161/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonboten, versterking waterkering

# 23 oktober 2019 (ABRvS 201902472/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, welstand, hellinghoek (Rb Rotterdam 16/897)

  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201902321/1/R2): Awb, Wro; bpl, zorgwoning/bedrijfsactiviteiten, woon- en leefklimaat, tussenuitspraak
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201901981/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, verwijderen pallets met stenen op groenstrook voor woning, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 18/2108)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201901933/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bewoning bijgebouw, bpl/overgangsrecht (Rb Gelderland 18/4220)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201901328/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, gebruik perceel, belanghebbende, schade, intensivering/bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/3005)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201901313/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen en afwijken bpl, verruimen poel en aanleg paden (Rb Oost-Brabant 18/771)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201901312/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken gebruik tuin en verwijderen bijgebouwen, geen vergunning/strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 17/2391)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201900925/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, sloop woningen, nieuwbouw van zorgwoningen en uitbreiding van parkeergarage, ontvankelijkheid (Rb Den Haag SGR 18/874 en 18/1015)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201900907/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, ondergeschikte horeca naar zelfstandige horeca met dienstwoning, parkeren, geluid, behoefte (Rb Oost-Brabant 17/3362)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201900665/1/A3): Awb, Wabo; handhaving, last onder bestuursdwang, staken hotelmatig gebruik van appartement, strijd met bpl(Rb Amsterdam 18/1815)

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201900576/1/R2 en 201901164/1/R2): Awb, Wro; bpl-en, recreatiewoningen/overgangsrecht

# 23 oktober 2019 (ABRvS 201900435/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, motorcrossterrein, geluid (Rb Overijssel 17/1903)

  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201900223/1/R1): Awb, Wro; bpl, verandering intensieve veehouderij naar grondverzet-/loonwerkbedrijf, verkeer, geluid, bronvermogens
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201900177/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, boomkwekerij en uitrit, cultuurhistorische waarden, archeologie/relativiteit, kernwaarden landschap (Rb Gelderland 18/5635, 18/6047, 18/5634 en 18/6046)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201810302/1/R1): Awb, Wro; wijzigingsplan, veranderen bedrijfswoning naar wonen, woon- en leefklimaat, geen onderzoek
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201810155/1/R1): Awb, Wro; wijzigingsplan, hondenschool en hondenlogeerboerderij
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201810091/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, draagvlak/participatie, landschappelijke inpassing, elektromagnetische velden, gezondheid
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201810067/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, Bro/geen stedelijke ontwikkeling, zonneladder/provinciale verordening, beleidskader zonne-akkers
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201809937/1/A3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieu, afvalstoffen/uitbreiding met puinbreken, Wet Bibob (Rb Gelderland 18/3031)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201809648/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, berging, afwijking bpl, begunstigingstermijn (Rb Oost-Brabant 17/2011 en 17/2012)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201809633/1/R1): Awb, Wro; bpl, agrarische activiteit, woonbestemming
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201809507/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, verbouwing van een aanbouw tot een zelfstandige woning, geen herhaalde aanvraag (Rb Oost-Brabant 17/2185)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201809494/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dakopbouw op woning, afwijking vergunning, geen geringe wijziging (Rb Den Haag 18/1350 en 18/1410)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201808466/1/R1): Awb, Wro; bpl, woning
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201808384/1/R3): Awb, Wro; bpl, duurzame teelt van fruit, groenten en bloemen, noodzaak bedrijfswoning, tussenuitspraak
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201808144/1/A1): Awb, Wbb; bodemsanering, vaststelling geval van ernstige bodemverontreiniging/spoedige sanering noodzakelijk, één geval van verontreiniging, omvang
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201807298/2/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding woning, welstand/kleur- en materiaalgebruik, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Noord-Nederland 17/3881)

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201807232/1/R3 en 201807234/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplannen, binnenstad/horeca, geen begrenzing meer aantal horecabedrijven, beschermd stadsgezicht, VNG-brochure/milieuzonering, behoefte

  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201805601/1/A2): Awb, Wro; planschade, reclamemast, geluidsscherm, voorzienbaarheid (Rb Noord-Holland 17/5532)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201803922/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, verminderd zicht op reclamemast door plaatsing geluidsscherm langs rijksweg, voorzienbaarheid (Rb Noord- Holland 14/4026)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201707941/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, afzonderlijke aansluiting woning op riool, vergunninghouder/leidingexploitant (Rb Rotterdam 16/7027)
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201608848/3/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, PAS (Rb Den Haag 16/4683)

* 22 oktober 2019 (CBb 18/2225, 18/2260, 18/2175, 18/662, 18/1644 en 18/2151): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, knelgevallenregeling, EP/ geen individuele en buitensporige last, nieuw bedrijf

* 16 oktober 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/4826, ROT 18/5093, ROT 18/5094 en ROT 18/5095): Awb, AWR; zuiveringsheffing, vervuilingswaarde van tuinbouwkassen, kweken pioenrozen,

Waterschapswet, verordening

# 15 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2305): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, activiteiten met petroleumcokes, bodembedreigende stof, Activiteitenbesluit, NRB, Bbk/Rbk, uitlooggedrag, voorzieningen

#! 15 oktober 2019 (Rb Overijssel AWB 16/2541): Awb, Wro; planschade, compensatie in natura, EVRM

  • 15 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland 19/3577): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, sluiting woning, drugs, jachtwerf, geen drugs in woning aangetroffen
  • 14 oktober 2019 (Rb Gelderland AWB 19/2271): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen en afwijken bpl, zonnepark, participatie, landschappelijke inpassing, beheer- en beplantingsplan/handhaafbaarheid, tussenuitspraak
  • 14 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3594): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en milieuneutraal wijzigen, Wintergartensysteem in pluimveestallen, geur, onderdruk, droogtunnel mest
  • 14 oktober 2019 (Rb Gelderland AWB 19/2293 en AWB 19/2272): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen en afwijken bpl, zonnepark, wijziging omgevingsverordening/Wro

#! 11 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland 18/1933 en 18/2049): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, melkveehouderij met mestvergistingsinstallatie, geur, geluid, vaststellingsovereenkomst tussen partijen, zelf in de zaak voorzien

  • 11 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3277 en SHE 18/3278): Awb, Wabo; afwijzing intrekking bouw- en milieuvergunning, veehouderij, driejaarstermijn, niet alle belangen afdoende meegewogen, aanvullende belangenafweging
  • 10 oktober 2019 (EH C‑674/17): Prejudiciële verwijzing, instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, systeem van strikte bescherming van diersoorten, Canis lupus (wolf), afwijking op grond waarvan een beperkt aantal van bepaalde specimens mag worden gevangen, beheersjacht, staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort
  • 10 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3159): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, toezegging, afwijkingen bouwplan nieuwe aanvraag
  • 7 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3167 en 19/3168): Awb, Gmw; vovo/kortsluiten, sluiting pand/garage, contant geld, witwassen/criminele bron niet bewezen, geen aanleiding om gevaar voor openbare orde aan te nemen
  • 4 oktober 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 18/39): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, varkensstal, belanghebbende/milieuhinder van enige betekenis, geur/voorgrond- en achtergrondbelasting, Rgv/gewijzigde geuremissie-factoren, woon- en leefklimaat,
  • 3 oktober 2019 (EH C‑197/18): Prejudiciële verwijzing, bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, nitraatgehalte van maximaal 50 mg/l, actieprogramma’s/rechten van particulieren om een dergelijk programma te wijzigen, procesbevoegdheid voor de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties
  • 3 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 17/1702): Awb, Wnb; vergunning, uitbreiding afvalcentrale, PAS, passende beoordeling/Habitatrichtlijn
  • 25 september 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/3416, ROT 18/4540, ROT 18/4541 en ROT 19/374): Awb, AWR; zuiveringsheffing, complex voor de huisvesting van arbeidsmigranten, volgtijdig gebruik, aantal eenheden, verordening
  • 17 september 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2470): Awb, Gmw; vovo, sluiting restaurant, cash center/witwassen, openbare orde, belangenafweging
  • 16 september 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3158): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, bestemming gronden in bpl/publiek belang, geen leges verschuldigd
  • 23 augustus 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/3830): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, verzwarende omstandigheden
  • 16 augustus 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/3887): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwing woning, dakterras, welstand, aanbouw maakt geen deel uit van aanvraag
  • 5 augustus 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/5976): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vervangen woonboot, geen zienswijzen, ontvankelijkheid

26 februari 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1334): Awb, AWR; legessanctie, verplichting actualisering bpl, lacune in wet/Invoeringswet Wro

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 23 oktober 2019 (ABRvS 201900435/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, motorcrossterrein, geluid, aantal rijders tegelijk in de baan (Rb Overijssel 17/1903)
3.1.    [appellant sub 1A] en anderen hebben in hun beroep bij de rechtbank geen concrete beroepsgronden over deze onderwerpen aangevoerd.

Zij hebben er wel enige opmerkingen over gemaakt in de door hen over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, waarnaar zij in hun beroepschrift hebben verwezen. Echter, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag een bestuursrechter aan zo’n enkele, niet nader onderbouwde, verwijzing voorbijgaan (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1946).

Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. Het alsnog in hoger beroep concreet ingaan op parkeren en natuur geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbankuitspraak onjuist is. De rechtbank heeft immers wat deze onderwerpen betreft in de enkele verwijzing naar de zienswijzen terecht geen aanleiding gezien het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201810091/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, draagvlak/participatie, landschappelijke inpassing, elektromagnetische velden, gezondheid
8.4.    De Afdeling ziet in dit gemeentelijke beleid niet een harde randvoorwaarde neergelegd waaraan de consequentie is verbonden dat het plan niet mag worden vastgesteld als draagvlak of een vorm van participatie ontbreekt. Het beleid brengt de wens tot uitdrukking dat voldoende maatschappelijk draagvlak wordt verkregen alsmede de wens inwoners te laten participeren bij de planvorming, een wens waarvan de realisering primair op de weg van de initiatiefnemer is gelegen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspanningen getroost om voldoende draagvlak te verwerven en participatie mogelijk te maken.

8.5.    Gebleken is dat de initiatiefnemer met het oog op het verwerven van draagvlak informatieavonden heeft georganiseerd met omwonenden, alle belangstellenden via e-mail en de website www.dejongodoorn.nl op de hoogte heeft gehouden van ontwikkelingen rond het initiatief. Met het oog op de participatie van de bewoners van de wijk Daalkampen heeft de initiatiefnemer onder meer aangeboden de aangrenzende bewoners van het voorziene zonnepark tegen een goedkoper tarief van zonnepanelen te voorzien. De Afdeling is gelet op het voorgaande met de raad van oordeel dat de initiatiefnemer zich voldoende heeft ingespannen bij het bevorderen van draagvlak en participatie en dat het plan in zoverre niet in strijd met het gemeentelijke beleid, inclusief het Beleidsplan Zonneoogst, is vastgesteld. Het betoog faalt.
14.3 …………………….
De Afdeling ziet niet in waarom de raad in de gegeven situatie geen aansluiting heeft mogen zoeken bij het GGD-advies over de gezondheidsrisico’s voor zonneparken, dat vervolgens ook is bevestigd door het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid. Blijkens de verbeelding is de afstand tussen het plangebied en de woning van [appellant] ongeveer 70 m. Voor deze woning wordt daarmee ruim voldaan aan de richtafstanden uit het GGD-advies en zal de jaargemiddelde magnetische veldsterkte in de woning lager zijn dan 0,4 microtesla. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat in dit geval op de nadere verkenning naar de gezondheidsrisico’s van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van de rapportage van de Gezondheidsraad van 18 april 2018 moet worden gewacht.

14.4.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet behoeft te worden gevreesd voor een aantasting van de gezondheid van omwonenden ten gevolge van de magnetische straling die afkomstig is van de ondergrondse elektriciteitskabels van het voorziene zonnepark.

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201807232/1/R3 en 201807234/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplannen, binnenstad/horeca, geen  begrenzing meer aantal horecabedrijven, beschermd stadsgezicht, VNG-brochure/milieuzonering, behoefte
11.8.    Uit de ter zitting geven toelichting leidt de Afdeling af dat het college zich het belang van de milieusituatie wel heeft aangetrokken maar, gelet op de tot nu toe beperkte aard van de ontwikkelingen in de praktijk, tot de conclusie is gekomen dat een afgewogen beoordeling van de cumulatie van hinder achterwege kon blijven.

Gelet op de ontwikkelingen die de plannen mogelijk maken en de aard van die ontwikkelingen, kunnen de wijzigingsplannen evenwel in zodanige mate tot een toenemende druk op de milieusituatie leiden dat niet is uit te sluiten dat cumulatieve effecten zullen leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het leef- en werkklimaat en de sociale veiligheid in de plangebieden. Hoewel met de vaststelling van de wijzigingsplannen de bestemmingen en de aard van de toegestane horecabedrijven niet wijzigen, maken de wijzigingsplannen het wel mogelijk dat binnen het bestemmingsvlak “Centrum – Horecagebied” (Concentratiegebied de Brink) zich onbeperkt horecabedrijven kunnen vestigen van horecacategorie 1B, 2A, 2B en 3A en binnen de bestemmingsvlakken “Centrum – Kernwinkelgebied 1” en “Centrum – Kernwinkelgebied 2” (Kop van de Brink) zich onbeperkt horecabedrijven kunnen vestigen van horecacategorie 2A, 2B en 3A. In dat verband hecht de Afdeling er belang aan dat Kop van de Brink is aangewezen als kernwinkelgebied en ter plaatse reeds andere functies zijn gevestigd. De stellingen van het college in het verweerschrift en ter zitting dat de wijzigingsplannen in de praktijk niet zullen leiden tot het verdwijnen van alle niet-horecafuncties en dat eventuele gevolgen van een toename aan horecabedrijven per nieuwe horecavestiging zullen worden beoordeeld, kunnen daar niet aan afdoen. Het onderzoek en de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de wijzigingsplannen moeten zijn gericht op de maximale planologische mogelijkheden van die plannen.

11.9.    Vanwege het ontbreken van een representatief onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de milieusituatie in de plangebieden en de directe omgeving daarvan, heeft het college niet inzichtelijk gemaakt dat de plannen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het leef- en werkklimaat en de sociale veiligheid ter plaatse. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat de besluiten van het college in zoverre onzorgvuldig zijn voorbereid en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn vastgesteld.

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201707941/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, afzonderlijke aansluiting woning op riool, vergunninghouder/leidingexploitant (Rb Rotterdam 16/7027)
2.3 ………………….

Het betoog van [appellant] dat hij geen leidingexploitant is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van de Leidingenverordening Rotterdam 2015 doet aan het voorgaande niet af. Volgens die bepaling is leidingexploitant de (rechts)persoon onder wiens verantwoordelijkheid de leiding is aangelegd of wordt beheerd of geëxploiteerd. Uit 2.2. volgt dat daarom [appellant] leidingexploitant is van de verzamelleiding. Dat deze leiding deels buiten het perceel van [appellant] is gelegen, waardoor hij daarover geen volledige bevoegdheid en beschikkingsmacht heeft en tegen praktische problemen aanloopt, maakt niet dat [appellant] daarom geen leidingexploitant is.

* 23 oktober 2019 (ABRvS 201809633/1/R1): Awb, Wro; bpl, agrarische activiteit, woonbestemming
6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF8985, is een rechtsgeldige bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3058, laat de verlening van een bouwvergunning onverlet dat, indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij een nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, aanleiding kan bestaan een bestemmingsplan niet in overeenstemming met een verleende bouwvergunning vast te stellen.

6.3.    Niet is gebleken dat de raad tegen de landbouwschuur als zodanig planologische bezwaren heeft. Gelet hierop heeft de raad bij het vaststellen van het plan niet althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorbij kunnen gaan aan de verleende bouwvergunning. Ter zitting is voorts gebleken dat de raad tegen een agrarisch gebruik van de landbouwschuur geen bezwaar heeft. De Afdeling is van oordeel dat de raad de toegekende bestemming voor het perceel [locatie 1] niet toereikend heeft gemotiveerd. De Afdeling merkt hierbij op dat in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijk instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Het had daarom in dit geval op de weg van de raad gelegen om voor genoemd perceel een ruimtelijke afweging te maken, ook in het licht van wat [appellant sub 1] in de zienswijze heeft aangevoerd over het feitelijke gebruik van het perceel als agrarische onderneming. Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre in strijd met de eisen van zorgvuldigheid en motivering vastgesteld.

 

* 18 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/430, UTR 18/4061, UTR 18/4062 en UTR 18/4064): Awb, AWR; WOZ, huurders van woningen hebben niet zonder meer procesbelang, ontvankelijkheid
Huurders van woningen hebben niet zonder meer procesbelang als zij opkomen tegen een aan hen toegestuurde WOZ-beschikking. De rechtbank oordeelt dat het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017 niet zo ver strekt dat het daarin aangenomen uitgangspunt dat procesbelang altijd aanwezig is, ook moet worden aangenomen in huurderszaken. Het bredere gebruik van de WOZ-waarde strekt zich niet uit tot huurderszaken, waarin het belang over het algemeen op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het aannemen van een algemeen uitgangspunt waarin altijd procesbelang wordt aangenomen kan ertoe leiden dat wordt geprocedeerd, terwijl niet duidelijk is wat het de betrokken huurder op kan leveren. Dat is geen praktische en uitvoerbare regeling, maar eerder een ongewenste belasting van heffingsambtenaren en van de rechtspraak die niet in verhouding staat tot de maatschappelijke baten. De rechtbank wijkt hiermee af van het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbare zaak. De rechtbank oordeelt dat in iedere huurderszaak aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of procesbelang aanwezig is. Ook de enkele omstandigheid dat de onroerende zaak een sociale huurwoning is, is daarvoor onvoldoende. Uit de wettelijke systematiek van doorwerking van de WOZ-waarde naar de huurprijs van sociale huurwoningen volgt dat procesbelang wel kan bestaan als iemand een sociale huurwoning huurt met een huur dichtbij de maximale huurprijsgrens.

# 15 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2305): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, activiteiten met petroleumcokes, bodembedreigende stof, Activiteitenbesluit, NRB, Bbk/Rbk, uitlooggedrag, voorzieningen
2.1.1. Eiseres heeft zich in haar reactie van 16 september 2019 op het standpunt gesteld dat in het verslag van de StAB van 5 september 2019 een beoordeling van de bodembedreigendheid van petroleumcokes op basis van de specifieke eigenschappen en kenmerken ontbreekt. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar Veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) en gegevens van de Environmental Protection Agency (EPA). Uit deze gegevens volgt volgens eiseres dat niet voor milieu- of bodembelasting hoeft te worden gevreesd.

2.1.2. De StAB heeft in de verslagen van 5 september 2019 en 27 september 2019 met betrekking tot de VIB’s en de gegevens van de EPA het volgende opgemerkt. Uit de VIB’s kan naar de mening van de StAB niet worden afgeleid dat bij petroleumcokes geen sprake is van een bodembedreigende stof in de zin van de NRB 2012. In de VIB’s staan de algemene gevolgen voor het milieu en veilig werken centraal. Hieruit kunnen geen directe conclusies worden getrokken over de bodembedreigendheid in de zin van de NRB 2012, aldus de StAB. In de informatie van de EPA staan volgens de StAB aanwijzingen die duiden op een lagere bodembedreigendheid van petroleumcokes. De aanwijzingen hebben onder andere betrekking op de (lage) oplosbaarheid in water en de (lage) concentraties in watermonsters. Uit de informatie blijkt evenwel niet op basis van welke onderzoeksmethode tot deze conclusies is gekomen. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of de methodes vergelijkbaar zijn met de in Nederland gehanteerde standaarden waarvan de NRB-systematiek uitgaat, zodat aan de informatie van de EPA geen directe conclusies kunnen worden verbonden over de bodembedreigendheid in het kader van de NRB 2012. Dit is volgens de StAB des te meer van belang, omdat cokes in de Stoffenlijst en in de indicatieve tabel van InfoMil wordt beschouwd als bodembedreigend.
2.2. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding aan de conclusie van de StAB te twijfelen.
Gelet op het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat petroleumcokes als ‘vaste brandstof’ valt onder de Stoffenlijst van de NRB en in beginsel een bodembedreigende stof is in het kader van de NRB 2012. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat de opslag van cokes op grond van voorschrift 6.3.1 van de op 22 maart 2005 verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer als een bodembedreigende activiteit werd beschouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

* 11 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3277 en SHE 18/3278): Awb, Wabo; afwijzing intrekking bouw- en milieuvergunning, veehouderij, driejaarstermijn, niet alle belangen afdoende meegewogen, aanvullende belangenafweging
4.4  Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 27 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3583), moeten bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen worden betrokken en tegen elkaar worden afgewogen. Daartoe behoren, naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder de bescherming van planologische, stedenbouwkundige en welstandsbelangen, ook de (financiële) belangen van vergunninghoudster. Bij de afweging moet in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning vergunninghoudster is aan te rekenen.

4.5  In het bestreden besluit zijn de financiële belangen van vergunninghoudster meegewogen. De rechtbank mist echter een volledige afweging van de ruimtelijke belangen en de milieubelangen in het bestreden besluit. Ook al voorzag het ontwerpbesluit in intrekking van de betrokken vergunningen, verweerder is verplicht om alle belangen op een inzichtelijke wijze te wegen. Dat is niet gebeurd. Het beroep van eiseres slaagt in zoverre.

  1. In het verweerschrift heeft verweerder de ruimtelijke belangen en de milieubelangen wel besproken. De rechtbank zal het verweerschrift en de reactie daarop van eiseres bespreken.
    6.3 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de afweging van het milieubelang bij het besluit over intrekking van de betrokken vergunningen ook het wettelijke beschermingsniveau van een woning in aanmerking mag nemen. Als voor een woning geen geurnorm geldt op basis van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), mag verweerder dit dus bij de belangenafweging betrekken. Dit betekent dat verweerder ook mee mag laten wegen dat een burgerwoning bij een voormalige veehouderij slechts bescherming geniet op basis van artikel 3, tweede lid van de Wgv en niet op basis van artikel 3, eerste lid, van de Wgv, als aan de voorwaarden in het tweede lid wordt voldaan. Een andere uitleg zou namelijk betekenen dat een dergelijke woning bij intrekking meer wordt beschermd dan bij vergunningverlening.

6.4  Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomen dat de woning aan de [adres] een woning is bij een voormalige veehouderij, gelet op de door verweerder aangehaalde melding op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer van 28 juli 2016. Verweerder heeft in de geurhinder vanwege stal 13 op woningen bij (voormalige) veehouderijen geen aanleiding hoeven zien om de betrokken vergunningen in te trekken.
9.3  Het provinciale beleid is inderdaad aangescherpt. De rechtbank ziet echter in de stellingen van eiseres geen aanleiding voor het oordeel dat vergunninghoudster niet zou voldoen aan de grenswaarden voor cumulatieve geurhinder, fijn stof en de eisen op basis van de Brabantse zorgvuldigheidsscore 2.0. Hierboven is reeds geoordeeld dat de inrichting van vergunninghoudster, gelet op de ligging, niet bijdraagt aan de achtergrondbelasting op de woning [adres] .

De stalderingseis staat de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van (de uitbreiding van) het bedrijf op de projectlocatie niet in de weg. Als vergunninghoudster zou moeten stalderen, zou zij hiertoe kunnen verzoeken om afgifte van een stalderingsbewijs. Hiertoe dient het gebruik van een ander hokdierverblijf binnen het stalderingsgebied voor het houden van dieren juridisch en feitelijk te zijn beëindigd. Het zou vergunninghoudster vrij staan om te stalderen met stallen op een veel grotere afstand van het Natura 2000-gebied. De rechtbank is in zoverre van oordeel dat verweerder in de stalderingseis in het geldende bestemmingsplan geen aanleiding heeft hoeven zien om de omgevingsvergunning voor stal 13 in te trekken. Daarnaast merkt vergunninghoudster terecht op dat het alsnog voldoen aan de stalderingsverplichting zou leiden tot een zwaarder financieel nadeel vanwege de intrekking.
10.3  De rechtbank is van oordeel dat, op basis van de informatie waarover verweerder de beschikking had, aannemelijk is geworden dat vergunninghoudster, op korte termijn na het tijdstip van het nemen van het bestreden besluit, gebruik zal maken van de betrokken vergunning. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat vergunninghoudster kan worden aangerekend dat zij tot dat moment geen gebruik had gemaakt van de betrokken vergunningen. Gelet hierop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien die vergunningen in te trekken.

* 10 oktober 2019 (EH C674/17): Prejudiciële verwijzing, instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, systeem van strikte bescherming van diersoorten, Canis lupus (wolf), afwijking op grond waarvan een beperkt aantal van bepaalde specimens mag worden gevangen, beheersjacht, staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 16, lid 1, onder e), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat, in het kader van de beheersjacht, die tot doel heeft de illegale jacht te bestrijden, besluiten worden vastgesteld waarbij afwijkingen worden toegestaan op het verbod op het opzettelijk doden van wolven, als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder a), van die richtlijn juncto bijlage IV, punt a), erbij, indien:

–        de met die afwijkingen nagestreefde doelstelling niet duidelijk en nauwkeurig is onderbouwd en indien, gelet op uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens, de nationale autoriteit er niet in slaagt aan te tonen dat die afwijkingen geschikt zijn om die doelstelling te bereiken;

–        niet naar behoren is aangetoond dat de doelstelling die zij nastreven niet kan worden bereikt door een andere bevredigende oplossing, aangezien het loutere bestaan van een illegale activiteit of de problemen die zij ondervinden bij de uitvoering van het toezicht daarop, in dit verband niet volstaan,

–        er geen garantie is dat de afwijkingen geen schade zullen toebrengen aan het behoud, in een gunstige staat van instandhouding, van de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied,

–        er bij het toestaan van de afwijkingen geen beoordeling is geweest van de staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort en van de impact die de beoogde afwijking daarop kan hebben, op het niveau van het grondgebied van die lidstaat of, in voorkomend geval, op het niveau van de betrokken biogeografische regio wanneer de grenzen van die lidstaat verscheidene biogeografische regio’s bestrijken, of indien het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort dit vereist en, voor zover mogelijk, op grensoverschrijdend niveau, en

–        niet is voldaan aan de voorwaarden dat op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt en vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV bij de richtlijn genoemde soorten wordt gevangen onder strikt gecontroleerde omstandigheden, van welke voorwaarden de naleving moet worden vastgesteld, met name met betrekking tot de populatie, de staat van instandhouding en de biologische kenmerken.

Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.

* 16 september 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3158): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, bestemming gronden in bpl/publiek belang, geen leges verschuldigd
Bij het in behandeling nemen van onderhavige aanvraag/zienswijze gaat het volgens de rechtbank om het (opnieuw) vaststellen van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, van de Wro, zodat het dus rechtstreeks en vooral gaat om het dienen van het publieke belang, en er dus geen leges zijn verschuldigd
.

* 26 februari 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1334): Awb, AWR; legessanctie, verplichting actualisering bpl, lacune in wet/Invoeringswet Wro
Uit de letterlijke tekst van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro volgt dat de totstandkoming van de actualiseringsplicht van voor de inwerkingtreding van de Wro vastgestelde bestemmingsplannen wordt gekoppeld aan het tijdstip dat deze plannen onherroepelijk zijn geworden. Lacune in de wet, nu artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro geen voorziening treft voor gevallen als het onderhavige, waarin het bestemmingsplan wel tussen 1 juli 2003 en 1 juli 2008 is vastgesteld, maar niet vóór 1 juli 2008 onherroepelijk is geworden. Een redelijke uitleg van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro in samenhang met de parlementaire geschiedenis brengt met zich dat in dit geval actualisering van het bestemmingsplan moet plaatsvinden binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Nu op de datum van de aanvraag van eiseres de verplichting tot actualisering nog niet gold kan geen sprake zijn van een legessanctie. Gelet op het voorgaande is de aanslag terecht en juist vastgesteld en opgelegd. Beroep ongegrond.