Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201902665/1/A1): Awb, Wabo; afwijzing verzoek om intrekking omgevingsvergunning, woning nog niet gebouwd (Rb Noord-Nederland 18/2730)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201902626/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, geitenstal, strijd met bpl en provinciale verordening (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5041)

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201902254/1/A1 en 201902255/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunningen voor transformeren van kantoren tot woonappartementen, wijze van publicatie besluiten, overschrijding bezwaartermijn, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/4562 en 18/4472)

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201901957/1/R1): Awb, Wlv; luchthavenbesluit, Chw, geluidbelasting uitgedrukt in Ke, Lden en Lnight, cumulatieve geluidhinder, luchtkwaliteit, veiligheid
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201901788/1/A1): Awb, Wnb; handhaving, aanleg watergang, compenserende maatregelen, anders uitvoeren bypass (Rb Noord-Nederland 18/625)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201901787/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, belanghebbende, recreatiewoning, geen strijd met planregels, omgevingsvergunningvrij/Bor (Rb Noord- Nederland 18/968)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201901506/1/A1): Awb, Waterwet; handhaving, invordering dwangsom, zonder vergunning grondwater onttrekken en water lozen, Keur, visuele verontreiniging oppervlaktewater, lozen buiten inrichtingen, overtreder (Rb Gelderland 18/2360)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201901306/1/A3): Awb, Gmw; buiten behandeling stellen aanvraag exploitatievergunning, proces belang, ontvankelijkheid, schadevergoeding/civiel rechter, burgemeester had moeten beoordelen of vergunning verleend had kunnen worden (Rb Amsterdam 18/4506)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201900967/1/A3): Awb, Gmw; intrekking/verlenging exploitatievergunning, horeca, terrassen, beleid, beschikbare ruimte, evenredige verdeling, Dienstenrichtlijn (Rb Amsterdam 17/4957)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201900916/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, hotel, herbouw, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 17/3974 en 17/4002)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201810239/1/A3): Awb, Gmw; toestemming uitweg, APV, uitleg, eerste of tweede uitweg (Rb Noord-Nederland 18/325, 18/330 en 18/661)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201809444/1/A2): Awb, Mnw; aanwijzing pand als gemeentelijk monument, erfgoedverordening (Rb Den Haag 18/708)

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201808469/1/A1 en 201808470/1/A1): Awb, Wm; bestuursdwang, afvoeren verontreinigde mest en reinigen stallen en kelders, MDMA, artikel 10.1 en 17.1 Wm

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201808467/1/A1 en 201808468/1/A1): Awb, Wm; spoedeisende bestuursdwang, maatregelen, ernstige geuroverlast uit kalverstallen, overtreder, lozing in mest, MDMA, Activiteitenbesluit

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201808363/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid/redelijkheid, schadevergoeding (Rb Limburg 16/3472)

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201808182/1/A2, 201809299/1/A2 en 201809309/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, Tracébesluit, tijdelijke hinder, voorzienbaarheid, tussenuitspraak

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201807989/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, sluiting bedrijfspand, APV, openbare orde, criminele activiteiten, APV, beleidsregel (Rb Midden-Nederland 17/4938)
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201807565/1/R2): Awb, Wro; bpl, verlenging weg, noodzaak, Wnb/relativiteit
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201806287/1/R1): Awb, Wro; bpl, landgoed, historische buitenplaats, parkeren, Wnb/soortenbescherming, evenementen

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201804171/4/R3 en 201804172/4/R3): Awb, Wro; verzet, opnieuw uitspraak, PAS, geluidzones

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201802340/2/R1): Awb, Wro; bpl, woonzorgcomplex, verkeer, geluid, binnenniveau, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201801582/3/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en maken uitweg, eerder vastgesteld bpl, aantal parkeerplaatsen, hernieuwde tussenuitspraak
  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201800973/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, structuurvisie, woon- en leefklimaat, verkeersveiligheid, CROW, parkeren
  • 29 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/4103 en HAA 19/4606): Awb, Wnb; ontheffing, graafwerkzaamheden circuit, verstoren rugstreeppad en de zandhagedis, ecologisch onderzoek, andere bevredigende oplossing, dwingende reden van groot openbaar belang, gunstige staat van instandhouding

* 29 oktober 2019 (CBb 18/2221, 18/2122, 18/2258, 18/2263, 18/2222, 18/2362, 18/2196,

18/2135, 18/970, 18/2086, 18/2155 en 18/2200); Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, knelgevallenregeling, EP/geen individuele en buitensporige last

  • 28 oktober 2019 (ABRvS 201907187/2/A3): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, hennepteelt, opschorting (Rb Zeeland-West-Brabant 19/4430 en 19/4431)
  • 28 oktober 2019 (ABRvS 201907226/1/A1): Awb, Wm, Wbb; handhaving, lasten onder dwangsom, afvalwater, lekkages afvalstoffen/IBC, bevoegdheid
  • 25 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/4704): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen schip, strijd met bpl, begunstigingstermijn

* 25 oktober 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant 02/665231-18 en 02/820026-18): WSr, WED, Wm; opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit, ontploffing, ‘ondergrens’ van aanmerkelijke onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid

# 24 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 18/1729): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, gewijzigde lozingssituatie, PCB-houdende stoffen, ZZS, BBT, lozingsnorm, naleefbaarheid

  • 24 oktober 2019 (EH C-636/18): Niet-nakoming, luchtkwaliteit, systematische en voortdurende overschrijding van grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) in diverse gebieden en agglomeraties, geen passende maatregelen om overschrijding zo kort mogelijk te houden
  • 24 oktober 2019 (EH C-212/18): Prejudiciële verwijzing, gebruik van vloeibare biomassa als energiebron van een elektriciteitscentrale, chemisch behandelde afgewerkte plantaardige oliën, niet in lijst van toegestane categorieën van biomassabrandstoffen, beoordeling van schadelijke gevolgen voor het milieu en de menselijke gezondheid (nog) niet aangetoond
  • 24 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/4836, AMS 19/5016 en AMS 19/5060): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, kamersgewijze verhuur voor 24-uursopvang van ongedocumenteerde vreemdelingen, goede ruimtelijke ordening
  • 24 oktober 2019 (Rb Limburg ROE 19/948 V): Awb, Wvw; niet tijdig beslissen op verzoek om verkeersbesluit te nemen, redelijke termijn
  • 23 oktober 2019 (ABRvS 201904773/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, school, alternatieve locatie, verkeersveiligheid, geluid
  • 22 oktober 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-005622-18): WSr, WED, Wm; opslaan en bewaren professioneel vuurwerk, particulier/geen gespecialiseerde kennis, art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
  • 22 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3014): Awb; weigering om te gedogen, voortzetting fietsenzaak, ontvankelijkheid
  • 22 oktober 2019 (CBb 19/1481): Awb, Wtw; intrekking ontheffing openingstijden, avondwinkel, verkoop lachgas, aantasting woon-en leefklimaat, overlast
  • 18 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/818): Awb, Wm; overdracht rioolstelsel VVE, inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, zorgplicht, particulier terrein, brief niet op rechtsgevolg gericht, geen besluit
  • 15 oktober 2019 (Rb Den Haag 7849309 RP VERZ 19-50365): Rv; wijkrechter, geschil over erfscheiding, minnelijke regeling, belanghebbende, redelijke termijn, ontvankelijkheid
  • 10 oktober 2019 (Rb Den Haag SGR 19/5754 en 19/5895): Awb, Wnb; vovo, goedkeuring aangepast faunabeheerplan, knobbelzwanen, relatie met kleine zwanen, motivering

4 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/4092): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, staken gebruik van pand als recreatiewoning, strijd met bpl, opschorting begunstigingstermijn

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201901506/1/A1): Awb, Waterwet; handhaving, invordering dwangsom, zonder vergunning grondwater onttrekken en water lozen, Keur, visuele verontreiniging oppervlaktewater, lozen buiten inrichtingen, overtreder (Rb Gelderland 18/2360)
4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999) is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.

4.2.    Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, zal de Afdeling eerst beoordelen of [wederpartij] degene is die de verboden handelingen fysiek heeft verricht.

[wederpartij] verhuurt de bronbemalingsinstallatie, installeert en test deze en ruimt de installatie aan het einde van het project weer op. Naar het oordeel van de Afdeling is dit onvoldoende om [wederpartij] als overtreder aan te merken; daarvoor is nodig dat zij de pompen zelf aanzet. Dat de Afdeling in haar uitspraak van 1 september 2004 wel de levering en installatie van een bronbemalingsinstallatie voldoende heeft gevonden om een bedrijf als overtreder aan te merken, komt doordat in die zaak handhavend werd opgetreden vanwege overtreding van een bij een vergunning van dat bronbemalingsbedrijf behorend vergunningvoorschrift. Die situatie is niet te vergelijken met de situatie zoals hier aan de orde, omdat het nu om hele andere overtredingen gaat.

Er is alleen vast komen te staan dat [wederpartij] op 22 maart 2016 de pompen zelf heeft aangezet. Het betoog slaagt in zoverre. Wat betreft de overige vier vermeende overtredingen, kan [wederpartij] niet vanwege het verrichten van fysieke handelingen als overtreder worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre.

4.3.    Vervolgens moet worden beoordeeld of de overige vermeende overtredingen aan [wederpartij] kunnen worden toegerekend.

Naar het oordeel van de Afdeling is dat niet het geval. [wederpartij] is immers niet de eigenaar van de grond waar de overtredingen plaatsvinden en ook niet de opdrachtgever of eindverantwoordelijke van het project. Zij is alleen de eigenaar van de installatie die gebruikt wordt voor het project, maar die hoedanigheid is onvoldoende om haar verantwoordelijk te houden voor de handelingen die anderen met die installatie verrichten.

Het betoog faalt in zoverre.

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201900916/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, hotel, herbouw, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 17/3974 en 17/4002)
2.3.    [appellant] heeft ter zitting van de Afdeling gesteld dat hij vanuit het op zijn perceel aanwezige tuinhuis zicht heeft op het pension. De Afdeling volgt hem daarin, maar dat leidt niet zonder meer tot de conclusie dat [appellant] gevolgen van enige betekenis ondervindt van het project. Uit de ter zitting geschetste situatie blijkt dat het tuinhuis is gericht op de tuin en de woning van [appellant] en dat er alleen zicht is op het pension vanuit een dakkapel aan de achterkant van het tuinhuis en wel via een smalle corridor tussen de panden waar de plaatselijke Rabobank en Albert Heijn zijn gevestigd. Gelet hierop is het zicht op het pension dat zich aan de overzijde van de weg bevindt dermate beperkt dat een persoonlijk belang van [appellant] bij de verlening van de omgevingsvergunning ontbreekt. Omdat het perceel van [appellant] is gelegen aan het einde van een doodlopende weg die niet direct is verbonden met de wegen waaraan het pension ligt, zal er ter plaatse van de woning van [appellant] geen sprake zijn van de toename van verkeer als gevolg van het bouwplan. Ook overigens is niet gebleken van ruimtelijke gevolgen die leiden tot de conclusie dat [appellant] als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college [appellant] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt.

2.4.    Omdat [appellant] geen belanghebbende is en hij niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar, komt de Afdeling aan een bespreking van hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, niet toe.

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201808182/1/A2, 201809299/1/A2 en 201809309/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, Tracébesluit, tijdelijke hinder, voorzienbaarheid, tussenuitspraak
7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:767), is voor het aannemen van voorzienbaarheid niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat de maatregel tot in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering, zoals bij de aankoop van een onroerende zaak, de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kan worden gehouden. Dit geldt, zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 27 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ5163), ook voor tijdelijke hinder, zoals in dit geval aan de orde is.

…………………………………..
7.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellante] ten tijde van de koop van de woning de aard en ernst, de omvang en de duur van de hinder als gevolg van de reconstructiewerkzaamheden aan de A9 Gaasperdammerweg op basis van de startnotitie niet in volle omvang voorzien. Zo kon zij niet voorzien dat de funderingswerkzaamheden het heien van 10.000 heipalen en het intrillen van 1.800 damwandprofielen over een periode van ongeveer anderhalf jaar zouden omvatten, dat ook ’s nachts zou worden doorgewerkt en dat het werkterrein nabij de woning zou worden gesitueerd, waarbij bestaande bosschages tussen de woning en de A9 Gaasperdammerweg zouden worden gekapt. Ook de extra geluid- en trillinghinder, die ontstond vanwege de grote hoeveelheid puin die zich in de ondergrond van de weg bleek te bevinden, kon zij niet voorzien. In het advies van de adviescommissie is ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de voorzienbaarheid van het project en de voorzienbaarheid van de mate en ernst van de hinder die van de realisering van het project zou kunnen worden ondervonden. De minister mocht dit advies daarom niet aan het besluit van 2 augustus 2018 ten grondslag leggen.

Het betoog slaagt.

* 30 oktober 2019 (ABRvS 201806287/1/R1): Awb, Wro; bpl, landgoed, historische buitenplaats, parkeren, Wnb/soortenbescherming, evenementen
5.1 ………………
[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door documentatie of beeldmateriaal van de voorkomende diersoorten over te leggen, dat de conclusies in de onderzoeken die aan het besluit ten grondslag liggen, onjuist zijn. De stelling dat de onderzoeken te vluchtig zijn uitgevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om hier anders over te oordelen. Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de Wnb op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Over het betoog dat het plan in de GO en het GNN ligt, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog zo opvat dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland. In de plantoelichting is vermeld dat de parkeerplaats, een grondwal en het terras, zullen worden aangelegd binnen de GO. Ontwikkelingen binnen die zone kunnen, gelet op artikel 2.7.2.1, tweede lid, van de Omgevingsverordening Gelderland mogelijk worden gemaakt als is aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied in hun onderlinge samenhang bezien per saldo substantieel worden versterkt. De raad heeft gemotiveerd welke maatregelen in dat kader worden genomen en waarom die de kernkwaliteiten verbeteren. Deze maatregelen zijn in artikel 4, lid 4.3, van de planregels voorwaardelijk verplicht gesteld. Voorts heeft de raad ter zitting inzichtelijk gemaakt dat met het omzetten van de woonbestemming naar de natuurbestemming, natuur kan worden toegevoegd aan het GNN en dat daarmee de kernkwaliteiten substantieel worden versterkt. Wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] aandragen is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland is. Het betoog slaagt daarom niet.

# 24 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 18/1729): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, gewijzigde lozingssituatie, PCB-houdende stoffen, ZZS, BBT, lozingsnorm, naleefbaarheid
5.1.  De rechtbank stelt vast dat in vergunningvoorschrift 2.1.2 een PCB-norm is vergund van 100 ng/l. Deze vergunde norm is strenger dan de waarden die in de vergunningaanvraag zijn genoemd. Op basis van de beschikbare analyseresultaten heeft de StAB in het verslag van 4 januari 2019 geconcludeerd dat de vergunde norm van 100 ng/l niet zonder meer naleefbaar is. In dit verband heeft de StAB opgemerkt dat in de reactie van verweerder op de zienswijzen naar aanleiding van de eerste ontwerpbeschikking verweerder te kennen heeft gegeven dat tussen februari 2016 en juli 2017 door het Wetterskip Fryslân 62 monsters zijn geanalyseerd waarvan er 59 na toepassing van de meetonzekerheid voldeden aan de norm van 100 ng/l. Uit de toelichting bij voorschrift 2.1.2 leidt de StAB af dat de meetonzekerheid (300-100 =) 200 ng/l bedraagt. Van de 62 geanalyseerde monsters voldeden 59 monsters, na aftrek van de meetonzekerheid van 200 ng/l, aan de norm van 100 ng/l. Uit de overwegingen ten aanzien van de lozingseisen blijkt dat de concentratie in de 62 monsters varieerde tussen 8 en 397 ng/l. Niet vermeld is hoeveel monsters zonder toepassing van de meetonzekerheid voldeden, maar uit de analyseresultaten en het feit dat deze eerst is toegepast voordat aan de norm is getoetst, leidt de StAB af dat bij toetsing zonder toepassing van de meetonzekerheid onzeker is dat ten tijde van de vergunningverlening voldaan kon worden aan de norm van 100 ng/l. Ook uit de reacties van verweerder van 5 februari 2019 en 12 augustus 2019 leidt de StAB in de verslagen van 8 maart 2019 en 3 september 2019 af dat verweerder in het kader van de vergunningverlening toetst aan een norm van 300 ng/l zijnde de vergunde PCB-norm van 100 ng/l verhoogd met de meetonzekerheid. Op grond van vergunningvoorschrift 2.1.2 geldt echter een norm van 100 ng/l. Blijkens de toelichting zal pas in het kader van de handhaving uitgegaan worden van een toetsingsnorm van 300 ng/l. De StAB constateert dat in het kader van de handhaving geconcludeerd kan worden dat drie batches niet voldeden, maar voor de toetsing in het kader van de vergunningverlening speelt de meetonzekerheid nog geen rol. Indien getoetst wordt aan de norm van 100 ng/l voldoen veel meer batches niet aan de norm. Bij de reactie van verweerder van 5 februari 2019 zijn nog analyseresultaten van het terreinwater die in opdracht van eiseres door Analytico zijn verricht en analyses van het Wetterskip Fryslân vanaf de ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie in februari 2016 tot en met januari 2019 gevoegd. In de verslagen van 8 maart 2019 en 4 september 2019 merkt de StAB dat hieruit blijkt dat na 4 augustus 2017 tot de datum van het bestreden besluit op verschillende data door Analytico analyses van het terreinwater met een PCB-concentratie boven de 100 ng/l zijn gerapporteerd. Ook na de datum van het bestreden besluit analyseresultaten van het terreinwater met een concentratie boven de 100 ng/l PCB zijn gerapporteerd.

5.2.  Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergunde norm van 100 ng/l bij de vergunde bedrijfssituatie redelijkerwijs kan worden nageleefd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk voorbereid. Het beroep is gegrond en vergunningvoorschrift 2.1.2 komt voor vernietiging in aanmerking.


* 30 oktober 2019 (
ABRvS 201804171/4/R3 en 201804172/4/R3): Awb, Wro; verzet, opnieuw uitspraak, PAS, geluidzones
4.    De Afdeling is van oordeel dat hetgeen de raad en Technology Base in verzet hebben aangevoerd, leidt tot de conclusie dat de uitspraak van 17 juli 2019, waarvan verzet, voor zover dat betrekking heeft op de vernietiging van het plan “Zones”, onjuist is. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat voortzetting van het onderzoek nodig was en dus geen sprake was van de voor de toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereiste kennelijkheid. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de Afdeling het beroep van StiL en anderen niet als kennelijk gegrond heeft mogen afdoen op de wijze waarop dit is gedaan in de uitspraak van 17 juli 2019.
34.2.  Het in 32-32.7 overwogene geldt onverkort voor toestemmingsbesluiten die op grond van de Wnb zijn verleend. Dat houdt kort gezegd in dat een Wnb-vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied dat in het PAS is opgenomen, niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Dat geldt zowel als de aangevraagde situatie op basis van de in de Rnb voorgeschreven wijze niet tot toename van depositie leidt, als in de gevallen waarin wel sprake is van een toename. Verder is niet relevant of de aanvraag betrekking heeft op een prioritair project (segment 1) of een overig project (segment 2). Het voorgaande geldt verder voor alle besluiten die genoemd zijn in artikel 2.7 van het Bnb, waaronder het tracébesluit of het wegaanpassingsbesluit.”

Omdat voor het plan “Voormalige vliegbasis Twenthe – Midden” ontwikkelingsruimte is toegedeeld die in het PAS is gereserveerd, berust het mede op de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Gelet op hetgeen is overwogen in de hiervoor aangehaalde uitspraak is dit echter niet mogelijk. Daarom heeft de raad niet de zekerheid verkregen dat het plan “Voormalige vliegbasis Twenthe – Midden” de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Dit plan is dan ook vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming.”

De Afdeling ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling onder de overwegingen 7 en 8 van de vervallen uitspraak van 17 juli 2019 heeft gedaan. Het plan “Midden” is gelet hierop vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming.

Conclusie

  1. Gelet op het voorgaande is het beroep van StiL en anderen wederom gegrond. Het plan “Midden” moet, gelet op de samenhang tussen de verschillende plandelen, in zijn geheel worden vernietigd.
    Anders dan in de vervallen uitspraak van 17 juli 2019, ziet de Afdeling aanleiding om slechts een deel van het plan “Zones” te vernietigen, namelijk dat deel van het plan “Zones” dat samenhang heeft met het plan “Midden” en waartegen het beroep van StiL en anderen zich richt, te weten de aanduiding “geluidzone – industrie” die het plan “Zones” toekent rondom de gronden met de bestemming “Cultuur en ontspanning – Leisurepark” van het plan “Midden”.

Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat de aanduiding “geluidzone – industrie” die het plan “Zones” toekent rondom de gronden van het plan “Noord”, de aanduiding “vrijwaringszone – radar” en de aanduiding “overige zone – vervallen zones” van het plan “Zones” in stand blijven. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat namens StiL en anderen is bevestigd dat hun beroep zich niet richt tegen deze plandelen van het plan “Zones”.

* 22 oktober 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-005622-18): WSr, WED, Wm; opslaan en bewaren professioneel vuurwerk, particulier/geen gespecialiseerde kennis, art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit. In het derde lid van dit artikel is het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk ook verboden, maar dan voor een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis. Uit de Nota van Toelichting, behorend bij het besluit van 9 december 2009 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit (Stb. 2009, 605), blijkt dat het eerste lid van deze bepaling zich richt tot de fabrikant, de importeur en de distributeur van professioneel vuurwerk, terwijl het derde lid ziet op particulieren. Het derde lid van dit artikel is gelet hierop, waar het gaat om het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, als systematische specialis ten opzichte van het eerste lid te beschouwen. Verdachte is een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, hij heeft het vuurwerk als particulier en voor eigen gebruik (binnen zijn gezin) opgeslagen en voorhanden gehad. Dat brengt gelet op artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht mee dat alleen het derde lid van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit als strafbepaling in aanmerking komt. Het bewezenverklaarde kan echter niet worden gekwalificeerd als een overtreding van het derde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, nu het voor die overtreding vereiste bestanddeel ‘als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis’ niet in de tenlastelegging is opgenomen.

Een en ander leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.

* 22 oktober 2019 (CBb 19/1481): Awb, Wtw; intrekking ontheffing openingstijden, avondwinkel, verkoop lachgas, aantasting woon-en leefklimaat, overlast
5.5  Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het bestreden besluit vooral steunt op overlast die het gevolg is van het in de directe omgeving van de winkel gebruiken van lachgas door vooral jongeren die dit middel in de winkel kopen.

5.5.1  Vast staat dat tussen november 2018 en eind januari 2019 tot driemaal toe lachgascilinders zijn aangetroffen, namelijk in november 2018 32 stuks, bij de controle op 10 januari 2019 29 stuks en vervolgens op 26 januari nog eens 18. Tevens werden bij de controle op 10 januari 2019 ongeveer 72.000 patronen lachgas aangetroffen. Daaruit blijkt dat in ieder geval tot dan toe structureel en op grote schaal verkoop van lachgas vanuit de winkel plaatsvond. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat deze grote voorraad lachgas in een (wat omvang betreft bescheiden) avond- en nachtwinkel bestemd was voor gebruik in slagroomspuiten.

5.5.2  Uit de in het dossier aanwezige politierapportages blijkt dat de klachten over overlast, met inbegrip van overlast ten gevolge van gebruik van lachgas, duidelijk toegenomen zijn na opening van de avondwinkel in september 2016. Dit is niet gemotiveerd weersproken door verzoekster. Vervolgens blijkt uit de door verweerder in geding gebrachte gegevens dat na de controle op 10 januari 2019, na inbeslagname van de aanwezige lachgasflessen en nadat het aantal lachgaspatronen in de winkel en de opslag is teruggebracht en nadat op 26 januari 2019 opnieuw de aangetroffen flessen in beslag zijn genomen, de overlast is beginnen terug te lopen. Zowel de meldingen als de constateringen door de politie van overlast zijn verminderd. In deze zelfde periode heeft verzoekster een toezichthouder ingezet tussen middernacht en 06:00 uur, als uitvloeisel van overleg tussen verzoekster en verweerder naar aanleiding van het primaire besluit. Ten slotte is gebleken dat na de effectuering van de intrekking de overlast nog beduidend minder geworden is.

5.5.3  Nu zowel het aantal meldingen van overlast als het aantal waarnemingen van overlast door de politie zelf correspondeert met de verkoop van lachgas door verzoekster heeft verweerder voorshands een verband tussen de verkoop en de overlast aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat uit de getuigenverklaring blijkt dat de overlast zich vooral voordeed tegenover de winkel of de direct aangrenzende percelen en niet aan het andere uiteinde van het blok met winkels en galerij. Het restaurant [naam 8] is in het weekend open tot 03:00 uur, maar dat restaurant zit aan de andere kant van het blok. Andere horecagelegenheden in het blok sluiten eerder. De stelling van verzoekster dat de geconstateerde overlast (mede) is toe te rekenen aan de horecagelegenheden is daarmee ontkracht. Verzoekster heeft zelf geen onderbouwing voor deze stelling geleverd en uit de in het dossier aanwezige meldingen zijn daarvoor geen aanknopingspunten te putten.

5.5.4  De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verkoop van lachgas vanuit de avondwinkel [naam 1] voor zodanige mate van overlast zorgt dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving wordt aangetast. Verweerder beroept zich daarom terecht op artikel 2, vierde lid, onder c, van de Verordening. De omstandigheid dat verkoop van lachgas op zichzelf is toegestaan maakt dit niet anders. De melding van 9 juli 2019 speelt in dit verband geen beslissende rol, zodat een eventuele schending van artikel 7:9 Awb door deze melding bij het bestreden besluit te betrekken geen doorslaggevende betekenis toekomt.

* 18 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/818): Awb, Wm; overdracht rioolstelsel VVE, inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, zorgplicht, particulier terrein, brief niet op rechtsgevolg gericht, geen besluit
6.1  Op grond van artikel 10.33 van de Wm dragen de gemeenteraad of burgemeester en wethouders zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.

6.2  Het gaat bij deze bepaling dus om de zorgplicht voor elke gemeente om stedelijk afvalwater in te zamelen en te transporteren. Deze zorgplicht omvat twee elementen, namelijk enerzijds de feitelijke aanleg van riolering of passende alternatieven daarvoor en anderzijds een adequaat beheer daarvan. De zorgplicht strekt zich echter niet uit tot percelen die in eigendom van particulieren zijn (particulier terrein). De eigenaar of de gebruiker van een perceel moet er zelf voor zorgen dat vrijkomend afvalwater naar het aansluitpunt van de riolering op de perceelgrens wordt geleid. Ter onderbouwing hiervan wijst de rechtbank op de Memorie van Antwoord bij de Wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de Waterhuishouding en de Wm in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en grondwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken), Eerste Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 578, C. Uit deze Memorie van Antwoord blijkt dat de gebiedsbegrenzing voor stedelijk afvalwater geldt voor het hele grondgebied van de gemeente, waarbij verder geldt dat de gemeente géén verplichting heeft om in het kader van de zorgplicht voorzieningen of maatregelen te treffen op particulier terrein.

6.3  Nu het verzoek van eiseres van 7 september 2017 betrekking heeft op het hoofdriool dat is gelegen op het perceel van eiseres en/of haar leden, dus op particulier terrein, moet worden vastgesteld dat de zorgplicht van verweerder zich niet daarover uitstrekt.

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de brief van verweerder van 11 december 2017 slechts een informatieve mededeling bevat, die geen verandering teweeg brengt in de rechtspositie van eiseres of rechten van eiseres vaststelt. Dat betekent dat deze brief niet is gericht op enig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de brief van 11 december 2017 dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.