Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 6 november 2019 (ABRvS 201904377/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kamergewijze verhuur van woning, beheersverordening, 15%-criterium, vergunningvrije situaties (Rb Gelderland 17/4955)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201903924/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen en herplanten, APV, bomenbeleidsplan(Rb Noord-Holland 19/1587 en 19/1550)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901794/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunning, geluidsnorm, beleidsregel, onduldbare hinder, dB(C), hoog maatschappelijk belang, geluidlocatieprofielen (Rb Amsterdam 18/5466)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901664/1/A3): Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, horeca, Wet Bibob, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/3053)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901611/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, be- en/of verwerken van mest en grond, strijd met bpl, overgangsrecht, bewijslast (Rb Oost-Brabant 17/3542E)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901297/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonwijk, MER, UNESCO- werelderfgoed, hoogbouwbeleid, windhinder, verkeer, parkeren
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901278/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, afsluiten dijk voor motorfietsen, belangenafweging (Rb Midden-Nederland 18/1936 en 18/1966)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201901063/1/A3): Awb, Wob; openbaarmaking gegevens beheer Waddenzee, geen milieu-informatie (Rb Noord-Nederland 17/4466)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900929/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiden winkelgedeelte en realiseren wooneenheden, privaatrechtelijke belemmeringen, privacy, parkeren/norm (Rb Midden-Nederland 18/878, 18/2788 en 18/4260)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900769/1/A1): Awb, Gmw; handhaving, aanzegging dwangsom, staken belhuis/internetcafé, overgangsrecht, bpl/Leefmilieuverordening (Rb Rotterdam 16/5884)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900762/1/A3): Awb, Gmw; vergunning, snuffelmarkt, Wet Bibob (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4482)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900730/1/A2): Awb, Wro; planschade, omzet horeca, causaal verband (Rb Gelderland 18/1731)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900630/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfspand, constructie-eis dak, sneeuwophoping, NEN-EN 1991- 1-3 (Rb Midden-Nederland 18/2189 en 18/481)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900589/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitweg, busstation, geluid/woon- en leefklimaat/bpl
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900543/1/A1): Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, handhaving, dwangsom, verwijderen steiger, vlot en berging, strijd met bpl, relatie Vhb (Rb Amsterdam 18/1455 en 18/1753)

* 6 november 2019 (ABRvS 201900449/1/A3, 201900456/1/A3, 201900462/1/A3, 201900546/1/A3, 01900658/1/A3 en 201900663/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunningen, coffeeshops, belanghebbende, beleid, bpl, APV, afstandseis tot scholen

  • 6 november 2019 (ABRvS 201900445/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, schutting, bijgebouw, relatie bpl, geluid waterval, Bouwbesluit (Rb Oost-Brabant 18/1541)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900411/1/R1): Awb, Wro; bpl, carport
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900390/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, coffeeshop, Wet Bibob (Rb Gelderland 17/4025)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201900210/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor permanente bewoning van recreatiewoning, geen strijd met bpl (Rb Noord-Holland 18/3042)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201810352/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, beperking van lichttoetreding, NEN 2057:2011 (Rb Den Haag 18/1317)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201810234/1/A3): Awb, Gmw; kampeervergunning, toetsing kampeerverordening, misbruik van procesrecht (Rb Zeeland-West-Brabant 17/7865)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201810156/1/A1): Awb, Gmw, Wabo; vergunningen voor kampeerterrein, procesbelang, misbruik van procesrecht (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4023)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809998/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, bergingen en parkeerterrein, Ladder/Bro, geen stedelijke ontwikkeling, welstand, Wnb/ransuil (Rb Zeeland-West-Brabant 18/1833, 18/2026, 18/2061 en 18/2062)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809755/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, molenbiotoop, zelf in de zaak voorzien
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809720/1/A1): Awb; persoonsgebonden gedoogbeslissing, oppervlakteverharding voor kuilvoeropslag veehouderij, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Oost-Brabant 18/1665 en 18/2350)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809710/1/A1): Awb, Wabo; bekendmaking van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor bouwen, geen strijd met bpl (Rb Den Haag 17/4828)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809708/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, veehouderij, afwijking vergunning (Rb Limburg 17/332)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809678/1/R1): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, belanghebbende, motorclubhuis, parkeerterrein
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809566/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing winkel tot horeca, beleidsregels, specifieke ligging
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809482/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen chalets, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheden, verstrekkendheid last (Rb Gelderland 18/921)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809432/1/R1): Awb, Wro, Wabo; rijksinpassingsplan en omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, windpark, draagvlak, autonome ontwikkelingen/MER, geluid, gezondheid/laag frequent geluid/slagschaduw
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809306/1/R1): Awb, Wro; appartementen, woon- en leefklimaat, parkeren
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809204/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, zorgwoningen, bpl/zorgboerderij (Rb Overijssel 17/1981)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809154/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik en milieu, mobiele puinbreker, eerdere milieurechtelijke toestemming (Rb Midden-Nederland 18/2564 en 18/2934)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201809115/1/A2): Awb; schadevergoeding, Tracébesluit, verlegging Zuid-Willemsvaart, inkomstenderving, tussenuitspraak
  • 6 november 2019 (ABRvS 201808772/1/A2): Awb, Wro; planschade, windturbines, geluid, normaal maatschappelijk risico, zelf in de zaak voorzien (Rb Rotterdam 17/5439, 17/5440, 17/5441, 17/5442, 17/5443, 17/5444, 17/5445, 17/5913 en 17/5914)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201808549/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen met bijbehorende voorzieningen, parkeren, tussenuitspraak
  • 6 november 2019 (ABRvS 201807752/2/A1): Awb, Wm; locatie ondergrondse afvalcontainer, afvalstoffenverordening, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 6 november 2019 (ABRvS 201807636/1/R1): Awb, Wro; bpl-en, recreatieparken, aantallen (niet) permanent bewoonde woningen, uitsterfregeling
  • 6 november 2019 (ABRvS 201807035/1/R3): Awb, Wro; bpl, staken gaswinning, geen overleg, verkenningsonderzoek, geluid/trillingen, goede ruimtelijke ordening, belangenafweging
  • 6 november 2019 (ABRvS 201806980/1/A1): Awb, Mbw; instemming met gewijzigd gaswinningsplan, looptijd, bodemdaling en -trilling, schade
  • 6 november 2019 (ABRvS 201806567/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, EVRM, schadevergoeding (Rb Den Haag 17/8600)
  • 6 november 2019 (ABRvS 201806469/1/R2): Awb, Wro; bpl, vervangen kantoorgebouwen door woningen, belanghebbenden, behoefte, bouwvolume, vergunningvrij bouwen, parkeren, geluid, woon- en leefklimaat, archeologie/relativiteit, tussenuitspraak

# 6 november 2019 (ABRvS 201806217/1/A1): Awb, Wm; intrekking toestemmingen voor overbrenging van afvalstoffen, beeldbuizen/glas, EVOA, zorgplicht Wm/Abm, BRL 9322, vergunningvoorschriften, Kaderrichtlijn

# 6 november 2019 (ABRvS 201703740/7/R3): Awb, Wro; bpl, verhardingen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

  • 6 november 2019 (ABRvS 201608540/1/R2): Awb, Nbw; vergunning, voortzetting cementproductielocatie, belanghebbende, procesbelang, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling

* 5 november 2019 (CBb 18/1322, 18/1910, 18/1541 en 18/2261): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, jongvee

  • 4 november 2019 (Rb Overijssel AWB 19/1696 en AWB 19/1647): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, opslag van grond, puin en betonblokken op terrein voormalig tuincentrum, motivering
  • 1 november 2019 (CBb 19/1551): Awb, Wtw; vovo, intrekking ontheffing sluitingstijd, overlast omgeving, motivering
  • 1 november 2019 (ABRvS 201907415/1/A1): Awb, Wm; vovo, tijdelijke ontheffing naleving productieplafonds, HSL, 100 referentiepunten, testritten nieuw treinstel, bijzondere omstandigheid
  • 1 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3529 en UTR 19/3530): Awb, Wabo; vovo/ kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, bouwhoogte, verblijfplaatsen vleermuizen
  • 1 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/4779 en 19/4798): Awb, Wnb; vovo, werkzaamheden circuitterrein, dekkende onderliggende vergunningen, geen passende beoordeling nodig, verminderde stikstofemissies
  • 1 november 2019 (Rb Gelderland AWB 19/5588 en AWB 19/5595): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, project Ariadne
  • 31 oktober 2019 (ABRvS 201906735/1/A1 en /2/A1): Awb, Wabo; vovo/kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, woning/verblijfsaccommodatie, beleid, motivering, vertrouwensbeginsel (Rb Noord-Holland 19/225)
  • 31 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3218, LEE 18/3480 en LEE 18/3436): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl, uitvoeren werk en milieu, windturbinepark, belanghebbenden, structuurvisie, MER, gezondheid, kartbaan/gevoelig object

* 30 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant 01/997016-16 en 01/997017-16): WSr, WED, Msw; grootschalige mestfraude

  • 30 oktober 2019 (ABRvS 201907431/2/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen caravan, aantal standplaatsen, strijd met bpl (Rb Gelderland 19/3923 en 19/3922)
  • 29 oktober 2019 (Parket HR 18/02960): WSr, Wm, Wet luvo; levensgevaar, hoge CO- waarden, in trappenhuis plaatsen noodaggregaat
  • 28 oktober 2019 (Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten SXM201800794- LAR00056/2018): Lar; bouwvergunning, Bouw- en woningverordening, hoogte gebouw, afwijking beleid, motivering
  • 25 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/1572): Awb, Wabo; handhaving, schuur, Bor, vergunningvrij bouwen, schuur 1,3 cm te hoog door betonstorting, welstand, BW
  • 25 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/349): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veehouderij, hernieuwd besluit, Wgv/geurverordening, Besluit huisvesting, gezondheid, endotoxinen, VGO3-onderzoek
  • 25 oktober 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2844): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veehouderij, hernieuwd besluit, aanpassing Wgv/geurverordening, combiwassers
  • 24 oktober 2019 (Rb Overijssel AWB 18/244): Awb, Wnb, vergunning, veehouderij, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
  • 23 oktober 2019 (Rb Amsterdam 13/994057-18): WSr, WED, Wm; opslaan en voorhanden hebben professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit
  • 18 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3278): Awb, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, begunstigingstermijn, afvoer bodemassen, begrip afvalstof, verlopen certificering vloeistofdichte vloer
  • 15 oktober 2019 (Rb Den Haag SGR 19/5801): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, APV, omvang boom, herplantplicht
  • 26 september 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3858): Awb, Wob; openbaarmaking documenten, milieu-informatie
  • 12 september 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/4497): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand, hennepkwekerij
  • 16 augustus 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/5888): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, binnenterras, APV, stemgeluid, woon- en leefklimaat, gelijkheidsbeginsel, motivering, tussenuitspraak
  • 27 juni 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/3034): Awb, Ww; vovo, ontheffing, heiwerkzaamheden, Bouwbesluit, geluid

9 juni 2019 (Rb Rotterdam ROT 15/7028): Awb, Ww; handhaving, bestuurlijke boete, pand voldoet niet aan eisen Ww en Bouwbesluit, herhaling

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 6 november 2019 (ABRvS 201901664/1/A3): Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, horeca, Wet Bibob, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/3053)
2.2.    In een door [appellante] overgelegd uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 25 februari 2019 is vermeld dat [partij] op 1 september 2018 is ontbonden. Op 2 november 2018 is geregistreerd dat [partij] is opgehouden te bestaan omdat met ingang van 1 september 2018 geen bekende baten meer aanwezig zijn.

2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is [appellante] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Omdat [partij] is opgehouden te bestaan, kan het door [appellante] ingestelde hoger beroep niet aan haar worden toegerekend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1414, waarin een door een enig bestuurder en aandeelhouder ingesteld beroep is toegerekend aan de belanghebbende vennootschap.

Verder is [appellante] geen rechtsopvolger van [partij] Dat [appellante] enig bestuurder en aandeelhouder van [partij] was, betekent niet dat [appellante], zoals zij ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, met het ophouden te bestaan van [partij] van rechtswege haar rechtsopvolger is geworden. Het door [appellante] onder verwijzing naar haar nadere stukken ingenomen standpunt dat sprake is van rechtsopvolging, omdat zij aansprakelijk is voor de schulden van [partij], voortkomend uit twee in maart 2017 ten behoeve van het opstarten van het horecabedrijf aangegane geldleningen, kan evenmin worden gevolgd. Uit die stukken blijkt dat [appellante] die geldleningen samen met [partij] en twee andere besloten vennootschappen is aangegaan. De aansprakelijkheid van [appellante] voor die schulden is dus niet het gevolg van rechtsopvolging.

Ten slotte is niet gebleken dat [appellante] op andere wijze een eigen, rechtstreeks bij de aangevallen uitspraak betrokken belang heeft. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat [appellante] in haar financiële positie wordt geraakt door de met de intrekking van de vergunning verband houdende beëindiging van het horecabedrijf, maar dit is primair het gevolg van de wijze waarop destijds geldleningen zijn aangegaan. Het is voorts onduidelijk hoe reëel het is dat zij in haar financiële positie wordt geraakt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de aansprakelijkheid voor de hiervoor bedoelde schulden volgens de bij de nadere stukken gevoegde overeenkomsten tot hoofdelijke medeschuldverbintenis voor geldlening van 2 oktober 2018 mede is komen te rusten op vier natuurlijke personen, onder wie [leidinggevende] en [gemachtigde B], alsmede op een vennootschap onder firma, [appellante] genaamd. [appellante] is dus niet uit hoofde van deze overeenkomsten aansprakelijk voor de schulden van [partij]

  1. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.* 6 november 2019 (ABRvS 201901278/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, afsluiten dijk voor motorfietsen, belangenafweging (Rb Midden-Nederland 18/1936 en 18/1966)
    10. Met inachtneming van het hiervoor in punt 4 weergegeven toetsingskader is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het verkeersbesluit de hiervoor in punt 2.1 onder c en d vermelde belangen dient, namelijk het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van het gebied. KNMV en MAG betogen terecht dat hier ook het belang van de vrijheid van het verkeer speelt, dat dit ook voor motorrijders geldt en dat dit belang van motorrijders zich juist verzet tegen het verkeersbesluit. Het college heeft dat niet miskend, maar dat belang niet van doorslaggevende betekenis geacht. Het college heeft daarbij inzichtelijk gemaakt hoe de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. De uitkomst van de belangenafweging is voor motorrijders weliswaar nadelig, maar, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, niet onevenwichtig. De nadelige gevolgen van het verkeersbesluit zijn niet onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college de proportionaliteit in acht heeft genomen door de geslotenverklaring voor motorfietsen te laten gelden voor een beperkte periode en voor een beperkt deel van de Lekdijk. Ook is rekening gehouden met bestaande verkeersmaatregelen bij Schoonhoven en met alternatieve routes voor motorrijders, waarvan niet is gebleken dat die onveilig zijn. Dat tot nu toe niet actief op de naleving van het verkeersbesluit is toegezien en handhaving een punt van aandacht is, waar KNMV en MAG op hebben gewezen, leidt in dit geval niet tot de conclusie dat het college niet in redelijkheid tot de geslotenverklaring voor motorfietsen heeft kunnen komen. Het college heeft verklaard hierover in overleg te zijn met de politie om zonodig handhavingsmaatregelen te nemen

    * 6 november 2019 (ABRvS 201900445/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, schutting, bijgebouw, relatie bpl, geluid waterval, Bouwbesluit (Rb Oost-Brabant 18/1541)
    2.2.    Anders dan [appellante] betoogt, gelden er geen geluidgrenswaarden voor het geluid dat wordt veroorzaakt door de waterval in de vijver van [belanghebbende]. Omdat er geen geluidgrenswaarden gelden, kan er geen overschrijding daarvan plaatsvinden waartegen het college handhavend kon optreden. De rechtbank is daar terecht van uitgegaan en heeft terecht beoordeeld of het standpunt van het college, dat de geluidhinder door de waterval in de vijver geen overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 oplevert, in rechte stand kan houden.

In artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat het verboden is om in, op of aan een bouwwerk of een open erf of terrein voorwerpen te plaatsen of te hebben of handelingen te verrichten waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze overlast wordt veroorzaakt door geluid.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 7.22, gelet op de nota van toelichting bij dit artikel (Stb. 2011, 416, blz. 342-343), een restbepaling is die door het bevoegd gezag kan worden toegepast indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is op te treden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege, onder meer, overmatige hinder, en meer specifieke bepalingen geen mogelijkheid bieden op te treden. De rechtbank is vervolgens terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de waterval in de vijver geen overmatige hinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 veroorzaakt. Dit betekent dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen het geluid van water dat vanuit de waterval in de vijver valt.

Het betoog faalt.

* 6 november 2019 (ABRvS 201810352/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, beperking van lichttoetreding, NEN 2057:2011 (Rb Den Haag 18/1317)
4.2.    Tussen partijen is voorts niet in geschil dat voor het vaststellen van de mate van hinder van daglichttoetreding in woningen door bomen geen norm bekend is. Voor het analyseren van de beperking van de daglichttoetreding heeft de Adviescommissie Bomen gebruik gemaakt van de methode zoals omschreven in de “Opzet methodiek hinder daglichttoetreding door bomen”. Hierbij is aansluiting gezocht bij de norm voor daglichttoetreding van nieuwbouwwoningen, de NEN 2057 (NEN 2057:2011). Daarbij is in aanmerking genomen dat een boom of rij bomen met een dichte bladerkroon qua hinder van daglichttoetreding hetzelfde effect kan hebben als een gebouw van dezelfde afmetingen.

De methodiek van de Adviescommissie Bomen houdt in dat de daglichttoetreding wordt bepaald aan de hand van een aantal parameters, waaronder een (verticale) belemmeringshoek ten gevolge van belemmeringen, binnen een bepaalde (horizontale) zichthoek. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat het moet gaan over de hinder van daglichttoetreding in de belangrijkste verblijfsruimte in de woning (de woonkamer en/of eventueel de woonkeuken). In het geval van een woning, waarbij de belangrijkste verblijfsruimte zowel aan de voor- als achterkant van de woning grenst, geldt dat de hinder van daglichttoetreding door bomen aan een van deze zijden gecompenseerd wordt indien er aan de andere zijde geen sprake is van hinder, aldus de “Opzet methodiek hinder daglichttoetreding door bomen”.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Adviescommissie Bomen, bij het ontbreken van bestaande normen, in het kader van het beoordelen van de mate van hinder een richtlijn heeft kunnen opstellen die gebruik maakt van een aantal uitgangspunten uit de NEN 2057. Dat deze NEN-norm niet gold ten tijde van de bouw van de woningen aan de Lissenvaart doet hier niet aan af, reeds omdat de Adviescommissie Bomen deze norm niet rechtstreeks heeft toegepast, maar is aangesloten bij de in die norm gebruikte rekenmethodiek.

Voorts heeft het college toegelicht dat de Adviescommissie Bomen omwonenden heeft gevraagd bouwtekeningen van hun woningen aan te leveren en schriftelijk te verklaren dat zij hun keuken gebruiken als woonkeuken en daarbij met betrekking tot de lichtinval hinder ondervinden van de populieren. Daarnaast is de Adviescommissie Bomen zowel voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning als na de tussenuitspraak van de rechtbank op locatie komen kijken. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de situatie ter plaatse niet is bekeken.

Hoewel ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de woonkeuken aan de [locatie 2], anders dan in het advies van de Adviescommissie Bomen van 17 september 2018 is vermeld, vanuit zowel de voor- als achterzijde en niet slechts van de kant van de populieren daglicht krijgt, heeft de Adviescommissie Bomen in het advies, dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 19 september 2018, terecht geconcludeerd dat sprake is van een overmatige beperking van daglichttoetreding tot de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de Adviescommissie Bomen overeenkomstig de NEN 2057 het criterium heeft gehanteerd dat sprake is van een ernstige belemmering indien sprake is van een belemmeringshoek van 63o. De Adviescommissie Bomen heeft vastgesteld dat bij de woning aan de [locatie 2] sprake is van een verticale belemmeringshoek van 65,9o waarmee sprake is van ernstige hinder. De situatie van [locatie 2] is volgens het college representatief voor de woningen aan de Lissenvaart 5, 6 en 8, omdat deze woningen dezelfde indeling hebben als de [locatie 2]. Ter zitting is in dit verband voorts komen vast te staan dat de hinder van daglichttoetreding door bomen aan de zijde waar het raam gericht is op de populieren onvoldoende wordt gecompenseerd door daglichttoetreding van de andere zijde van de woonkeuken. In dit verband is er ter zitting op gewezen dat sprake is van een omsloten ruimte met links en rechts bebouwing en dat ook gedurende de dag de verlichting in de woonkeuken aan moet zijn om een krant te kunnen lezen.

Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het college het advies van de Adviescommissie Bomen niet aan het besluit van 19 september 2018 ten grondslag heeft mogen leggen.

* 6 november 2019 (ABRvS 201810234/1/A3): Awb, Gmw; kampeervergunning, toetsing kampeerverordening, misbruik van procesrecht (Rb Zeeland-West-Brabant 17/7865)
4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

4.2.    De feiten en omstandigheden die het college heeft aangevoerd, zijn – ook wanneer ze in samenhang worden bezien – geen zwaarwichtige gronden in voormelde zin. Dat de beoogde kampeervergunning is verleend, maar [appellant] de procedure over de aanvankelijke weigering toch voortzet ter verkrijging van een proceskostenvergoeding, houdt op zichzelf nog geen misbruik van recht in. Dat kan anders zijn indien blijkt dat de betrokkene van meet af aan slechts uit was op het verkrijgen van proceskostenvergoedingen. Hoewel niet duidelijk is waarom [appellant] ook na het verkrijgen van de benodigde vergunningen niet is begonnen met de realisatie van het kleinschalige kampeerterrein, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat hij van meet af aan niet daadwerkelijk een kampeervergunning wilde verkrijgen. Dat [appellant] niet zelf is verschenen bij de hoorzitting in bezwaar en bij de zitting van de rechtbank, is in dit geval evenmin een indicatie van misbruik van recht. In beroep is wel de gemachtigde van [appellant] verschenen.

De Afdeling ziet dus geen grond om het hoger beroep wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk te verklaren.

* 6 november 2019 (ABRvS 201809720/1/A1): Awb; persoonsgebonden gedoogbeslissing, oppervlakteverharding voor kuilvoeropslag veehouderij, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Oost-Brabant 18/1665 en 18/2350)
5.    De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356, ambtshalve dat de gedoogbeslissing geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb omdat deze beslissing niet op rechtsgevolg is gericht. Naar het oordeel van de Afdeling is evenmin sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat noopt tot het gelijkstellen van de gedoogbeslissing met een besluit. Het college had het bezwaar van [appellant sub 1] tegen de gedoogbeslissing niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat dat rechtsmiddel, gelet op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van die wet, hier niet openstond. Gelet daarop had de rechtbank, na vernietiging van het besluit op bezwaar, zelf voorziend het bezwaar van [appellant sub 1] tegen de gedoogbeslissing niet-ontvankelijk moeten verklaren. Alleen al hierom kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

* 6 november 2019 (ABRvS 201809566/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing winkel tot horeca, beleidsregels, specifieke ligging
3.4.    Het pand grenst met een gevel aan de Schuithaven en een gevel aan de Mol. De voordeur van het pand bevindt zich op de hoek van deze twee straten.

Anders dan het college, is de Afdeling van oordeel dat het pand niet behoort tot het horecaontwikkelingsgebied Schuithaven. Gelet op de situatie ter plaatse die ter zitting van de Afdeling door partijen aan de hand van foto’s is toegelicht, is het pand hoofdzakelijk georiënteerd op de Mol. Niet alleen behoort het pand volgens het adres bij de Mol, maar ook is de begane grond van de winkel gelijk aan het straatniveau van de Mol, terwijl het pand in vergelijking met de Schuithaven hoger ligt. Daardoor kan de toegang van het pand vanuit de Schuithaven alleen kan worden bereikt via een trap. Aan de Schuithaven heeft het pand geen toegang. Ook is het grootste deel van de etalage van het pand gelegen aan de Mol. Gelet hierop is de Afdeling met [appellant A] en [appellant B] van mening dat het pand ligt aan de Mol en niet aan de Schuithaven. De Afdeling volgt niet het standpunt van het college dat de plek van het huisnummer en de brievenbus alsmede de zijde waar zich de hoofdingang bevindt en de plaats waar de hoofdontsluiting is in dit geval voor de oriëntatie beslissend zijn. Omdat de hoofdontsluiting zich op de hoek van de Mol en de Schuithaven bevindt komt aan deze ligging in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe. Daarbij komt dat het college niet inzichtelijk maakt waar in dit geval het huisnummer en de brievenbus zijn gesitueerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bevindt de hoofdontsluiting van het pand zich niet op de Schuithaven.

Hieruit volgt dat het pand niet ligt in een horecaontwikkelingsgebied als bedoeld in de Ontwikkelingsvisie en dat de aanvraag dus niet in het bestaande ruimtelijk beleid past, zodat daaraan volgens artikel 15, aanhef en onder twee, van de beleidsregels in principe geen medewerking zal worden verleend. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich specifieke omstandigheden als bedoeld in dat artikel voordoen die desondanks rechtvaardigen dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

Het betoog slaagt.

* 6 november 2019 (ABRvS 201808772/1/A2): Awb, Wro; planschade, windturbines, geluid, normaal maatschappelijk risico, zelf in de zaak voorzien (Rb Rotterdam 17/5439, 17/5440, 17/5441, 17/5442, 17/5443, 17/5444, 17/5445, 17/5913 en 17/5914)
10.2.    De SAOZ heeft in het advies over geluidhinder uiteengezet dat de woningen zijn gelegen in een bedrijfsmatig aan te wenden gebied met potentiële grote geluidsbronnen, waardoor voorheen al sprake was van een potentiële akoestische belasting van de woningen van aanvragers. Blijkens het uitgevoerde akoestische onderzoek ondervinden woningen in Heenvliet en Geervliet zonder maatregelen als gevolg van de windturbines een mate van geluidhinder die uitstijgt boven de wettelijke normen. Hierdoor is het noodzakelijk dat enkele turbines in de nachtperiode in een stillere modus draaien, waardoor de geluidhinder wordt teruggebracht tot de wettelijke maximale geluidnormen. Dat de geluidhinder binnen de wettelijke grenzen blijft, betekent evenwel niet dat zich geen relevant nadeel zou kunnen voordoen. Er kan sprake zijn van een toename van geluid. Dit leidt tot een zekere planologische verslechtering met betrekking tot het aspect geluid.

10.3.    In hetgeen [appellant sub 2] en anderen en [partij C] hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het advies van de SAOZ over het aspect geluidhinder onjuist of onvolledig is. Daartoe is van belang dat de SAOZ bij de vaststelling van de door de windturbines veroorzaakte geluidhinder is uitgegaan van de maximale normen die voor windturbines zijn neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en daarbij het omgevingsgeluid buiten beschouwing heeft gelaten. Indien de SAOZ rekening zou hebben gehouden met de omstandigheid dat bij zuidelijke winden het geluid van de windturbines in de nacht niet wordt gemaskeerd door het omgevingsgeluid, zou dit derhalve niet tot een sterkere mate van geluidshinder hebben geleid. Voor zover als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1689), waarbij een voor het windturbinepark vastgesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit is vernietigd, de geluidsuitstraling van de windturbines gedurende de nacht de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen overstijgt, vormt dit geen grond voor een tegemoetkoming in planschade.

* 6 november 2019 (ABRvS 201807035/1/R3): Awb, Wro; bpl, staken gaswinning, geen overleg, verkenningsonderzoek, geluid/trillingen, goede ruimtelijke ordening, belangenafweging
Smallingerland wil inzetten op duurzame energiebronnen. Ook vreest Smallingerland voor aardbevingen door nieuwe gaswinningsactiviteiten. Daarom vindt zij meer gaswinningsprojecten binnen de gemeentegrenzen niet gewenst. Met het oog daarop heeft de gemeenteraad in juli 2018 het bestemmingsplan gewijzigd om nieuw verkennings- en opsporingsonderzoek naar gas niet meer toe te staan.

Voor de Afdeling bestuursrechtspraak was de centrale vraag in deze procedure of de gemeente ‘een ruimtelijk relevant doel nastreeft’ met het uitsluiten van verkenningsonderzoek en het verbieden van opsporingsonderzoek. Is dat namelijk niet het geval, dan kan en mag de gemeente dit niet regelen via een (wijziging van het) bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak streeft de gemeente Smallingerland met het uitsluiten van beide onderzoeken ‘ruimtelijk niet-relevante doelen’ na. De gemeente mag voor het voeren van een energiebeleid niet het bestemmingsplan inzetten. Daarnaast is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aannemelijk dat beide onderzoeken op zichzelf niet leiden tot de aardbevingen die de gemeente vreest. Voor het tegengaan van geluid- en trillinghinder bij het verkenningsonderzoek zou de gemeente nog wel een regeling kunnen opnemen in een bestemmingsplan. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de gemeenteraad zich in dit geval “niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een algemeen verbod op verkenningsonderzoek in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.”

Dit betekent dat het beroep van de minister van Economische Zaken en Klimaat tegen het besluit van de gemeenteraad van Smallingerland om het bestemmingsplan te wijzigen gegrond is.

* 6 november 2019 (ABRvS 201806469/1/R2): Awb, Wro; bpl, vervangen kantoorgebouwen door woningen, belanghebbenden, behoefte, bouwvolume, vergunningvrij bouwen, parkeren, geluid, woon- en leefklimaat, archeologie/relativiteit, tussenuitspraak
12.    Volgens [appellant sub 2] en anderen heeft de raad ten onrechte de mogelijkheden om vergunningvrij te bouwen op grond van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) niet beperkt. Hierdoor bestaat volgens hen de kans dat de percelen zullen worden volgebouwd.

12.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:571, heeft overwogen acht de Afdeling het niet aanvaardbaar dat een planregel in zijn algemeenheid, dus zonder acht te slaan op de locatie-specifieke omstandigheden, vergunningvrij bouwen aan banden legt. Daarmee zou de uitdrukkelijk in het Bor gemaakte keuze om vergunningvrij bouwen mogelijk te maken, op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. De raad moet deugdelijk motiveren dat een dergelijke planregeling, gelet op de locatie-specifieke omstandigheden, strekt tot een goede ruimtelijke ordening. In dit geval heeft de raad het niet nodig geacht een dergelijke bepaling in het plan op te nemen. [appellant sub 2] en anderen hebben niet nader onderbouwd waarom het in dit geval vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk zou zijn om – in weerwil van de regeling in het Bor – vergunningvrij bouwen te beperken. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad terecht de mogelijkheden om vergunningvrij te bouwen op grond van het Bor niet heeft beperkt. Het betoog slaagt niet.

* 6 november 2019 (ABRvS 201608540/1/R2): Awb, Nbw; vergunning, voortzetting cementproductielocatie, belanghebbende, procesbelang, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
Heeft SES nog belang bij de behandeling van haar beroep?

5.2.    De vraag of SES nog belang heeft bij de behandeling van haar beroep wordt beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van deze uitspraak. De vergunning voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten van ENCI tot 1 juli 2019 is inmiddels geëxpireerd. Dit betekent dat SES in beginsel geen belang meer heeft bij de behandeling van haar beroep. Dit kan anders zijn als het belang bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van een verleende vergunning is gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de Afdeling kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan. Voorts kan een belang bij een beoordeling van een beroep bestaan indien de belanghebbende stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het door hem bestreden besluit heeft geleden.

Belang in verband met verzoek krachtens titel 17.2 Wet milieubeheer?

5.4.    Uit artikel 17.15 van de Wet milieubeheer volgt dat een belanghebbende het bevoegd gezag kan verzoeken een beschikking te nemen die ertoe strekt dat degene die een activiteit verricht waardoor zich milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan voordoet, wordt verplicht tot (onder meer) het treffen van de nodige herstel- of preventieve maatregelen. Uit artikel 17.16 volgt dat de kosten voor de getroffen preventieve of herstelmaatregelen in beginsel worden gedragen door degene die de activiteit verricht waardoor milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt. Onder milieuschade wordt – voor zover hier relevant – verstaan: ‘elke vorm van schade aan beschermde soorten of natuurlijke habitats die, gelet op de referentietoestand en de criteria van bijlage I bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid, aanmerkelijke negatieve effecten heeft op het bereiken of handhaven van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten of habitats’. Onder degene die de activiteit verricht wordt verstaan: “de […] persoon die de activiteit verricht of heeft verricht, regelt of heeft geregeld, met inbegrip van de houder van een vergunning [..] voor het verrichten van de activiteit”.

Deze bepalingen maken deel uit van titel 17.2 van de Wet milieubeheer. Uit artikel 17.8, onder b, van de Wet milieubeheer volgt dat deze titel niet van toepassing is op milieuschade aan beschermde soorten of natuurlijke habitats bestaande uit de vooraf vastgestelde negatieve effecten van activiteiten waarvoor door het bevoegd gezag vergunning is verleend in overeenstemming met bepalingen ter uitvoering van artikel 6, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Dit betekent dat titel 17.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op milieuschade door activiteiten waarvoor een Nbw-vergunning is verleend. SES stelt derhalve terecht dat zij een verzoek tot het treffen van herstelmaatregelen vanwege milieuschade die door de activiteiten waarvoor de tijdelijke vergunning is verleend zou zijn veroorzaakt, alleen kan doen als de tijdelijke vergunning alsnog wordt vernietigd. Zij heeft derhalve belang bij de behandeling van haar beroep.
7.4.    De Afdeling leidt uit de slotpassage van paragraaf 5.4.2 af dat bij de beoordeling van de effecten van de stikstofdepositiebijdrage van ENCI op de drie nabijgelegen Natura 2000-gebieden het PAS en de passende beoordeling die daaraan ten grondslag is gelegd, zijn betrokken. Het PAS is verder zoals uit paragraaf 5.5 volgt betrokken bij de cumulatietoets. De Afdeling volgt het college dan ook niet in het ter zitting ingenomen standpunt dat de verwijzingen naar het PAS slechts illustratief zijn en geen rol hebben gespeeld in de conclusies van de passende beoordeling. Voor de beoordeling van de depositie die onderdeel uitmaakt van de achtergronddepositie wordt naar het oordeel van de Afdeling geleund op de passende beoordeling van het PAS.