Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 20 november 2019 (ABRvS 201904464/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs (Rb Oost-Brabant 19/1017 en 19/1019)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201901480/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, realisatie terras horeca, alternatieven, APV, verordening, behoud waardevolle boom, belangenafweging (Rb Zeeland-West-Brabant 18/1221)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201901402/1/A1); Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, vrijstaand bijgebouw, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 18/2054)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201901283/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
  • 20 november 2019 (ABRvS 201900765/1/A3): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, café met terras, geen strijd met bpl, woon- en leefsituatie, APV (Rb Rotterdam 18/1291)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201900123/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, hobbymatig houden van 2 paarden, woonfunctie perceel, stal en paardenbak niet vergunningvrij, Bor, procedure (Rb Noord-Holland 18/2317)

* 20 november 2019 (ABRvS 201900122/1/A1 en 201900124/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, stal en paardenbak, strijd met bpl/geen vergunning, twee brieven/één besluit (Rb Noord-Holland 18/2370 en 18/2316)

  • 20 november 2019 (ABRvS 201810349/1/R2): Awb, Wro; bpl, groepsaccommodaties en horeca, structuurvisie, geluid, terras/stemgeluid, parkeren

* 20 november 2019 (ABRvS 201810173/1/A2, 201810220/1/A2 en 201810398/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, milieuzone brom- en snorfietsen, bevoegdheid, rapporten TNO/GGD, luchtkwaliteit (Rb Amsterdam 18/124, 18/184 en 18/160)

  • 20 november 2019 (ABRvS 201809221/1/R1): Awb, Wro; bpl, uitbreiding varkenshouderij, voorwaardelijke verplichting, luchtwassers, tussenuitspraak
  • 20 november 2019 (ABRvS 201809013/1/R1): Awb, Wro; bpl, asielzoekerscentrum, locatieonderzoek, maximum aantal, stikstof/relativiteit, woon- en leefklimaat, tussenuitspraak
  • 20 november 2019 (ABRvS 201806927/1/A1): Awb; invordering dwangsom, strijd met verleende omgevingsvergunning, aantal woningen in pand (Rb Noord-Holland 18/344)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201806901/2/R1): Awb, Wro; bpl, woning, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 20 november 2019 (ABRvS 201806400/2/R2): Awb, Wro; bpl, aantal woningen, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 20 november 2019 (ABRvS 201804563/1/R2): Awb, Wro; bpl, hindercontour vuilstort, woningen, overgangsrecht, woon- en leefklimaat/relativiteit
  • 20 november 2019 (ABRvS 201800978/1/R2): Awb, Wro; bpl, detailhandel, provinciale verordening
  • 20 november 2019 (ABRvS 201709900/1/A3): Awb, Wok, Gmw; exploitatievergunning, speelautomatenhal, verordening, schaarse vergunning, objectieve waarderingsmethodiek, cashless systeem (Rb Midden-Nederland 17/426 en 17/2266)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201701594/2/R3): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, peildatum, inbrengwaarde, begrenzing gebied, schorsing bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 19 november 2019 (ABRvS 201907582/2/A3): Awb, Gmw; vovo, ontheffing sluitingstijden, snackbar, experiment, portier

* 19 november 2019 (CBb 18/2152, 18/1862, 18/2496, 18/2277, 18/1974, 18/2137, 18/2094 en 18/2259): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, grondgebruik, excretienormen, dierziekte

  • 19 november 2019 (CBb 18/2336): Awb; invordering dwangsom, Wet dieren, varkenshouderij, beschikbaar oppervlak van stal, netto-ruimte, voertrog telt niet mee
  • 18 november 2019 (Rb Gelderland AWB 18/6797): Awb; verlengen begunstigingstermijn dwangsom, volledige heroverweging in bezwaar ook al is termijn van verbeuren dwangsom verstreken
  • 14 november 2019 (Rb Gelderland AWB 19/6461 en AWB 19/6419): Awb, Gmw; vovo, handhaving, evenementenvergunning/ niet tijdig nemen besluit, intocht Sinterklaas, belanghebbende
  • 14 november 2019 (Rb Gelderland AWB 18/6622): Awb, Wnb; vergunning, vloeibare en vaste mest en berm-/natuurgras worden vergist en verwerkt tot (bio)gas en organische meststoffen, belanghebbenden, relativiteit, PAS, gebruik AERIUS Calculator, deposities, externe saldering, onduidelijkheid nieuw beleid
  • 14 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/640): Awb, Gmw; handhaving, sluiting bedrijfspand, openbare orde, bevoegdheid, sluiting voor onbepaalde tijd/motivering
  • 13 november 2019 (ABRvS 201907575/1/A3 en /2/A3): Awb, Gmw; vovo/kortsluiten, intrekking ontheffing voor verlengde openingstijden, horeca
  • 12 november 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/912): Awb, Gmw; verkeersbesluit, verkeersveiligheid
  • 12 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1544 en UTR 19/1619): Awb, Wnb; vergunning, afschot edelherten, Oostvaardersplassen, doelstand, ecologische onderbouwing, noodzaakscriterium
  • 12 november 2019 (Rb Limburg ROE 18/2282): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij met mestverwerkingsinstallatie, indienen zienswijzen, gewijzigde Rgv, relativiteit, beoordeling cumulatie van geur, tussenuitspraak
  • 12 november 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 19/00121): Awb, AWR; leges, vernietiging vergunning door RvS niet van belang, in behandeling nemen van aanvraag vormt belastbare feit voor heffing leges
  • 7 november 2019 (Rb Gelderland AWB 19/6175, 19/6261 en 19/6263): Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, intocht Sinterklaas, afwezigheid Zwarte pieten, openbare orde- begrip, belanghebbenden
  • 5 november 2019 (Rb Overijssel AWB 19/1696): Awb; vovo, handhaving, activiteiten op terrein voormalig tuincentrum, onduidelijk was is aangetroffen, duidelijkheid tijdens bezwaarprocedure, geen spoedig optreden aannemelijk
  • 31 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3199): Awb, Wro; planschade, geen sprake van actieve of passieve risicoaanvaarding, normaal maatschappelijk risico
  • 31 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/2590): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning met berging en carport, jachthaven, geluid, Bouwbesluit/relativiteit
  • 30 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/1332): Awb, Ww; handhaving, last onder bestuursdwang, bed en breakfast, brandveiligheid, Bouwbesluit, twee of drie kamers/logiesgebouw
  • 30 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/1191): Awb, Ww; handhaving, rookgasafvoer langs gevel, Bouwbesluit, patio, verdunningsfactor, cumulatieve bepalingen
  • 29 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/2481): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, wijzigen voorgevelpui/deur, vertrouwens-/gelijkheidsbeginsel
  • 28 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/819): Awb; vaststelling verbeurde dwangsommen, niet tijdig nemen van besluit, planschade, termijn van niet-tijdig beslissen was nog niet verlopen
  • 21 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/3817): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kapverdieping en dakterras, verdeling dwangsom wegens niet tijdig beslissen
  • 7 september 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/4725): Awb, Gmw; vovo, handhaving, preventieve last onder dwangsom, houden van evenement zonder vergunning
  • 17 juli 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/5111): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, bedrijfswoning naar een plattelandswoning, boeten van netten in garage/berging en uithangen van netten op erf, belanghebbende, Bor/vvgb, ruimtelijke onderbouwing, tussenuitspraak

10 april 2017 (Rb Gelderland AWB 16/5818): Awb, Waterwet; handhaving, dwangsom, brengen van ijzerhoudend water in een A-watergang, ongewoon voorval, oppompen grondwater/vervanging stro in ontijzeringscontainers, interventiematrix

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 20 november 2019 (ABRvS 201900122/1/A1 en 201900124/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, stal en paardenbak, strijd met bpl/geen vergunning, twee brieven/één besluit  (Rb Noord-Holland 18/2370 en 18/2316)
2. …………………………..
Voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt, is niet bepalend dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, maar is bepalend of het stuk gronden bevat die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank.

[wederpartij sub 2] reageert in zijn brief van 23 januari 2019 uitsluitend op het hoger beroep van [appellant] en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot de gegrondverklaring van zijn beroep. Hij voert echter geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief is dan ook geen incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet geheel worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting.
3.    De Afdeling overweegt ambtshalve dat de aan [wederpartij sub 2] gerichte brief van 13 november 2017, waarin zijn handhavingsverzoek gedeeltelijk wordt toegewezen en hem wordt meegedeeld dat aan [appellant] een last onder dwangsom wordt opgelegd, op zichzelf geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Deze mededeling is namelijk niet op enig rechtsgevolg gericht. De aan [appellant] gerichte brief van 13 november 2017, waarbij aan hem een last onder dwangsom wordt opgelegd, is dat wel. Deze twee brieven vormen daarmee samen het volledige besluit op het handhavingsverzoek van [wederpartij sub 2].

In artikel 7:11 van de Awb is bepaald dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Bij de twee besluiten van 19 april 2018 op de daartegen door [appellant] en [wederpartij sub 2] gemaakte bezwaren heeft het college niet onderkend dat de twee brieven van 13 november 2017 samen één besluit vormen, waardoor het college daarbij niet het volledige bestreden besluit heeft heroverwogen.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend en heeft ten onrechte twee verschillende uitspraken gedaan op de beroepen van [wederpartij sub 2] en [appellant] tegen de besluiten van 19 april 2018, die allebei strekken tot het in stand laten van het besluit van 13 november 2017. Door de uitspraak in zaak nr. 18/2370 is het besluit van 13 november 2017 in bezwaar in stand gebleven, terwijl in de uitspraak in zaak nr. 18/2316 het college is opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [wederpartij sub 2] te nemen, wat erop neerkomt dat het college het besluit van 13 november 2017 moet heroverwegen. Hiermee zijn deze uitspraken tegenstrijdig.

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van [appellant] gegrond en moeten de aangevallen uitspraken worden vernietigd.

* 20 november 2019 (ABRvS 201809221/1/R1): Awb, Wro; bpl, uitbreiding varkenshouderij, voorwaardelijke verplichting, luchtwassers, tussenuitspraak
6.2.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met artikel 4, lid 4.2.2, onder c, sub 2, van de planregels is beoogd om alle bestaande stallen te voorzien van luchtwassers die als een nieuw bedrijfsgebouw of uitbreiding wordt gebouwd, moeten voldoen aan de eisen van de best beschikbare technieken.

De Afdeling stelt vast dat deze planregel afwijkt van hetgeen in het vaststellingsbesluit is bepaald. In het vaststellingsbesluit staat dat de voorwaardelijke verplichting betrekking heeft op de al bestaande oude stal. Dit is, zoals ter zitting bevestigd, de stal die nog niet was voorzien van een luchtwasser. De in deze planregel neergelegde voorwaardelijke verplichting ziet op alle bestaande stallen, dus ook de stallen die reeds zijn voorzien van een luchtwasser. Voorts staat in deze planregel dat de luchtwassers van de bestaande stallen als een nieuw bedrijfsgebouw wordt gebouwd of een uitbreiding plaatsvindt, steeds – derhalve, naar ter zitting door de raad is erkend, ook vaker als gefaseerd wordt gebouwd – moeten voldoen aan de best beschikbare technieken, terwijl die eis niet uit het vaststellingsbesluit volgt. Artikel 4, lid 4.2.2, onder c, sub 2, van de planregels stemt niet overeen met het vaststellingsbesluit.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de rechtszekerheid.
8.    Met het oog op een finale geschilbeslechting, en mede gelet op het tijdverloop sinds het oorspronkelijke principeverzoek van de maatschap voor de uitbreiding van de varkensveehouderij dat is gedaan op 21 juni 2013, ziet de Afdeling aanleiding ter informatie van partijen overwegingen te wijden aan de voorwaardelijke verplichting zoals die in het plan is neergelegd.

8.1.    Voor zover de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het plan zonder de voorwaardelijke verplichting onvoldoende bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van de omgeving en dat de maatschap solitair deze kwaliteitsverbetering dient te realiseren, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 8 november 2017, waarin is overwogen dat van de maatschap niet mag worden gevergd om eigenstandig een verbetering van de kwaliteit van de omgeving te realiseren. Met de thans in het plan opgenomen voorwaardelijke verplichting lijkt aan dat oordeel voorbij te zijn gegaan. Wel kan van de maatschap worden gevraagd de bestaande kwaliteit niet te verslechteren. Dit is naar het oordeel van de Afdeling ook in lijn met wat daarover in de structuurvisie valt te lezen. In dit verband wordt opgemerkt dat uit de overgelegde berekeningen van de geurbelasting naar voren komt dat, ook indien de gewijzigde geurnormen voor gecombineerde luchtwassers in acht worden genomen, de geurnorm niet wordt overschreden.

8.2.    De Afdeling wijst voorts erop dat uit een oogpunt van rechtszekerheid op voorhand niet een toereikende grondslag is te zien om in een nieuw bestemmingsplan voor bestaande, vergunde stallen een voorwaardelijke verplichting op te leggen zoals in het bestreden plan is gedaan

* 20 november 2019 (ABRvS 201701594/2/R3): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, peildatum, inbrengwaarde, begrenzing gebied, schorsing bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
13.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 9.2 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 26 februari 2019 tot vaststelling van het exploitatieplan “Centrumplan Den Hoorn 2016” is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van Plus en anderen tegen dit besluit is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

  1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3699) bestaat in de samenhang tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan op zichzelf geen aanleiding vanwege de vernietiging van het exploitatieplan eveneens het bestemmingsplan te vernietigen. In die uitspraak is overwogen dat de wet daartoe niet verplicht en bovendien ingevolge artikel 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang bezien met artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo, een aanhoudingsverplichting geldt wat betreft het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen ten behoeve van een activiteit waarop een exploitatieplan van toepassing is, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en het exploitatieplan, dat voor de in de aanvraag begrepen grond is vastgesteld, nog niet onherroepelijk is. De Afdeling overweegt dat in dit geval vanwege de begrenzing van het exploitatiegebied het exploitatieplan wordt vernietigd. Voor de percelen in het bestemmingsplan waarop de supermarkt met appartementen is voorzien is geen exploitatieplan vastgesteld, zodat de hiervoor genoemde aanhoudingsverplichting niet van toepassing is op deze percelen. Voor deze bouwplannen kunnen derhalve omgevingsvergunningen voor het bouwen worden verleend zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden zonder dat hieraan de betaling van een exploitatiebijdrage als voorschrift is verbonden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om in dit geval vanwege de vernietiging van het exploitatieplan het bestemmingsplan te schorsen.* 14 november 2019 (Rb Gelderland AWB 18/6622): Awb, Wnb; vergunning, vloeibare en vaste mest en berm-/natuurgras worden vergist en verwerkt tot (bio)gas en organische meststoffen, belanghebbenden, relativiteit, PAS, gebruik AERIUS Calculator, deposities, externe saldering, onduidelijkheid nieuw beleid
    Zoals overwogen onder 39.2 en 39.7 van de PAS-uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, heeft de onverbindendheid van bijlage 2 van het PAS, voor zover hier van belang, tot gevolg dat het verbod op extern salderen, dat is opgenomen in artikel 5.5, derde lid, van de Wnb, niet meer geldt.

Met het besluit van 13 mei 2019 is een geactualiseerde berekening met AERIUS Calculator van 25 april 2019 aan de Wnb-vergunning ten grondslag gelegd. Hoewel AERIUS Calculator niet langer wettelijk voorgeschreven is, sluit dat, zoals overwogen onder 39.3 van de PAS-uitspraak, niet uit dat AERIUS Calculator wel kan worden gebruikt voor het bepalen van de stikstofdepositie door een project. Wel moet dan eerst worden ingegaan op de bezwaren dat AERIUS Calculator niet of minder geschikt is voor depositieberekeningen op korte afstand van de bron. Dit omdat in AERIUS Calculator de uittreedsnelheid en brondiameter niet kunnen worden ingevoerd, en een gebouwmodule ontbreekt. Kort na de PAS-uitspraak is AERIUS Calculator buiten werking gesteld.

Gelet op wat in de PAS-uitspraak onder 39.3 is overwogen en de daarop volgende buitenwerkingstelling van AERIUS Calculator, is de rechtbank van oordeel dat de aan de externe saldering ten grondslag gelegde berekening van 25 april 2019 met AERIUS Calculator ontoereikend is. De besluiten van 7 november 2018 en 13 mei 2019 voldoen daarom niet aan de op grond van artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en te stellen zorgvuldigheids- en motiveringseisen.

Nu onzeker is of de in de externe saldering betrokken saldogevende veehouderijbedrijven binnen het beperkte toepassingsbereik van AERIUS Calculator 2019 vallen en onduidelijk is welk beleid in de provincie Gelderland zal gaan gelden voor externe saldering, ziet de rechtbank geen mogelijkheid de zaak finaal te beslechten en laat de rechtbank de overige beroepsgronden om proces-economische redenen thans buiten bespreking. Ook leent het geconstateerde gebrek zich niet voor het doen van een tussenuitspraak. Verweerder moet dus een nieuw besluit nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

* 12 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1544 en UTR 19/1619): Awb, Wnb; vergunning, afschot edelherten, Oostvaardersplassen, doelstand, ecologische onderbouwing, noodzaakscriterium
26. De doelstand van 490 herten is ten onrechte niet ecologisch onderbouwd, en de ecologische onderbouwing van de drie noodzaakscriteria is niet voldoende. Daarom bespreekt de rechtbank niet meer of er andere bevredigende oplossingen zijn en wat De Faunabescherming en Dierbaar Flevoland en Fauna4Life verder nog hebben aangevoerd. De alternatieven voor het afschot van edelherten zijn nu dus niet in beeld.

  1. De beroepen zijn gegrond. De beslissingen op bezwaar zijn genomen in strijd met het motiveringsbeginsel uit artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.18 van de Wet natuurbescherming. De opdracht tot afschot kan dus niet in stand blijven.
  2. De rechtbank heeft aan gedeputeerde staten gevraagd wat ze zouden doen als de opdracht van tafel gaat. Zij wensen in dat geval de mogelijkheid te krijgen om de gebreken in (de onderbouwing van) de opdracht te herstellen. De rechtbank geeft die mogelijkheid echter niet. De opdracht loopt tot 1 januari 2020 en het is nu half november 2019. De aard van de gebreken is zodanig dat het niet realistisch is dat zij binnen anderhalve maand hersteld kunnen zijn, dat alle partijen daarop kunnen reageren en dat de rechtbank er dan nog een oordeel over kan geven. Een andere mogelijkheid zou zijn geweest dat de rechtbank zelf een deskundige benoemt. Ook daar is geen tijd voor.
  3. Daarom vernietigt de rechtbank de beslissingen op bezwaar van 6 maart 2019 en 22 maart 2019 en herroept zij de opdracht tot afschot. Dat betekent dat de opdracht is vervallen. Er mogen dus geen edelherten meer worden afgeschoten op grond van die opdracht. Voor nu is nog wel geldig de ontheffing uit 2015, die is afgegeven met als doel zieke en lijdende dieren af te schieten.
  4. De rechtbank maakt hiermee geen keuze voor het beheer of beleid van de Oostvaardersplassen. Misschien kan met de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan worden volstaan, of misschien zijn er toch andere maatregelen nodig.
  5. Er zijn tot vandaag al veel herten op grond van de nu vernietigde opdracht afgeschoten. Dat valt niet terug te draaien.* 12 november 2019 (Rb Limburg ROE 18/2282): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij met mestverwerkingsinstallatie, indienen zienswijzen, gewijzigde Rgv, relativiteit, beoordeling cumulatie van geur, tussenuitspraak
    9.2 De rechtbank is van oordeel dat in de bestreden revisievergunning een beoordeling ontbreekt van de cumulatie van geurhinder vanwege de dierenverblijven en de mestverwerkingsinstallatie, terwijl juist door de inwerkingtreding per 20 juli 2018 van de gewijzigde rendementen van luchtwassystemen die cumulatie een bijzondere motivering behoeft. Verweerder heeft immers als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat nieuwe hinder wordt voorkomen, terwijl er met het bestreden besluit wel nieuwe hinder, tegen de achtergrond van behoorlijke overschrijdingen van de geldende geurnormen waarvan ten tijde van het ontwerpbesluit nog geen sprake was, wordt toegestaan. In het verweerschrift en ter zitting is verweerder wel ingegaan op de gevolgen van cumulatie van geur, maar slechts ter plekke van de woning van eisers. Met de stelling dat ter plekke van de woning van eisers geen sprake zou zijn van een onaanvaardbaar geurhinderniveau is niet toereikend gemotiveerd dat bij de vergunningverlening in voldoende mate is beoordeeld of de geurbelasting vanwege de gehele inrichting op de omgeving aanvaardbaar is. De rechtbank stelt dan ook vast dat de motivering van het bestreden besluit niet voldoet aan artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo.
  6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:80a van deze wet, verweerder in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek met betrekking tot de geurbelasting vanwege de gehele inrichting te herstellen. Dat kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Indien verweerder een nieuw besluit neemt, hoeft bij de voorbereiding ervan afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.* 30 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/1191): Awb, Ww; handhaving, rookgasafvoer langs gevel, Bouwbesluit, patio, verdunningsfactor, cumulatieve bepalingen
    6. Anders dan [eiseres] stelt, is de rechtbank van oordeel dat artikel 3.51 van het Bouwbesluit in dit geval wel van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank mondt de rookgasafvoer van [naam] niet uit in een patio. De rookgasafvoer mondt namelijk uit op de bovenste bouwlaag en niet in een volledig omsloten patio. Er liggen weliswaar schuine daken vlakbij en hoger dan de afvoer, maar dit is niet aan alle kanten het geval. Naast schuine daken zijn er ook open stukken in de omliggende bebouwing. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat in deze situatie onderdruk zou heersen waardoor de rookgassen onvoldoende kunnen verdunnen.
  7. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat is voldaan aan artikel 3.51, derde lid, van het Bouwbesluit. Daarin staat dat een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie (niet zijnde het dak), op een afstand van ten minste één meter van de perceelgrens moet liggen. Aan deze afstand is in dit geval voldaan, omdat de uitmonding van de rookgasafvoer langszij gemeten op minstens 1,55 meter afstand is gelegen van de balkonrand van [eiseres] . De afstand tot de achtergevel van [eiseres] is ongeveer 2,60 meter.
  8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer is voldaan aan de vereisten van artikel 3.51, derde lid, van het Bouwbesluit, ook is voldaan aan de vereisten die in het Bouwbesluit worden gesteld met betrekking tot de verdunningsfactor voor zover het aanvoervoorzieningen van luchtverversing op het perceel van [eiseres] betreft.

9. Uit de nota van toelichting bij de wijziging van het Bouwbesluit volgt dat het nieuwe derde lid van artikel 3.51 in samenhang met het eerste lid van artikel 3.51 en het tweede lid van artikel 3.33 van het Bouwbesluit de positie van een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ten opzichte van de perceelgrens regelt.1 Het eerste lid van artikel 3.51 en het tweede lid van artikel 3.33 houden geen rekening met de gebruiksfunctie op een ander perceel. Het nieuwe derde lid van artikel 3.51 regelt daarom dat de uitstroom van rookgas niet te dicht bij een ander perceel plaatsvindt, zodat dit rookgas slechts in beperkte mate naar binnen kan worden gezogen via de aanvoervoorzieningen voor luchtverversing op dit andere perceel.2 Anders dan het college stelt, kan hieruit worden afgeleid dat de eisen uit artikel 3.33, tweede lid, artikel 3.51, eerste lid en artikel 3.51, derde lid, van het Bouwbesluit cumulatief gelden. Alleen wanneer aan ieder van deze eisen is voldaan, kan er van worden uitgegaan dat de verdunningsfactor in relatie tot de rookgasafvoer van [naam] ter plaatse van de aanvoervoorziening voor luchtverversing in de woning van [eiseres] aan de gestelde eisen voldoet. De rechtbank is echter van oordeel dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet zou zijn voldaan aan de eisen van artikel 3.33, tweede lid, en artikel 3.51, eerste lid, van het Bouwbesluit. Zoals de rechtbank in overweging 6 heeft geoordeeld is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een patio-situatie waardoor de rookgassen onvoldoende kunnen verdunnen. Een andere concrete onderbouwing voor de stelling dat niet aan de verdunningsfactor zou zijn voldaan, heeft [eiseres] niet gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in dit geval geen onderzoek had hoeven doen naar de verdunningsfactor op het perceel van [naam] .
12. In dit geval biedt artikel 3.51 van het Bouwbesluit soelaas voor zover het eventuele hinder of gezondheidsschade betreft die [eiseres] ondervindt door de afvoer van rookgassen door de afvoervoorziening van [naam] . [eiseres] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake zou zijn van overmatige hinder of gezondheidsschade. Zij heeft enkel gesteld dat zij last heeft van astma en dat de verdunningsfactor niet voldoende zou zijn. Dit heeft zij echter niet met concrete stukken of onderzoeken onderbouwd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen sprake is van overmatige hinder of gezondheidsschade.