Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 27 november 2019 (ABRvS 201904081/1/R3): Awb, Wro; bpl, woonzorgcomplex, Ladder/Bro, bestaand stedelijk gebied, tussenuitspraak
  • 27 november 2019 (ABRvS 201903229/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw achter woning, bezonning (Rb Den Haag 18/3477)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201902979/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl , turborotonde/gebruik van gronden als weg en bushalte, verkeersveiligheid (Rb Midden-Nederland 19/508 en 19/510)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201902945/1/A1): Awb, Wabo; niet tijdig bekend maken van besluit, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 18/2139)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201902756/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, geen vergunning, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 18/1909)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201902752/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen weg, APV (Rb Rotterdam 18/2167)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201901803/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid (Rb Limburg 19/2 en 19/7)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201901636/1/R1): Awb, Wro; bpl, horeca, procedure
  • 27 november 2019 (ABRvS 201901274/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijdere woonvoorzieningen, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 18/1731)

* 27 november 2019 (ABRvS 201901145/1/R2): Awb, Wro; bpl

  • 27 november 2019 (ABRvS 201900971/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, duivenhok, geen vergunning, zicht op legalisatie (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4142)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201900842/1/R1): Awb, Wro; bpl, belanghebbende
  • 27 november 2019 (ABRvS 201900692/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder

* 27 november 2019 (ABRvS 201900344/1/R2): Awb, Wro; bpl

  • 27 november 2019 (ABRvS 201900265/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding sauna, strijd met bpl (Rb Gelderland 18/3808)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201900152/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bouwwerken, Bor/vergunningsvrij, hoofdgebouw/aanbouw, oppervlak in achtererfgebied (Rb Oost- Brabant 18/1887)

* 27 november 2019 (ABRvS 201900141/1/A2 en 201900131/1/A2): Awb; kosten sanering asbestdaken scholen, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 17/6515 en 17/6514)

  • 27 november 2019 (ABRvS 201900137/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, staken permanente bewoning van recreatiewoning, strijd met bpl, overgangsrecht, bewijslast, belang opleggen last (Rb Zeeland-West-Brabant 18/797)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809984/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, staken bewoning deel tuinbouwloods, uitgewerkte bouwvergunning (Rb Limburg 17/2223)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809930/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, schuilstal, belanghebbenden, strijd met bpl (Rb Noord-Nederland 18/417)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809900/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, tankstation, belanghebbenden, concurrentie/relativiteit, planregels
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809741/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, paardenhouderij, bouwvlak, wijzigingsbevoegdheid
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809651/1/A3): Awb, Wnb; ontheffing, populatieomvang van het ree, verkeersveiligheid/valwildpercentage, andere bevredigende oplossingen (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6060 en 18/6061)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809518/1/R1): Awb, Wro; bpl, appartementenhotel in stolpboerderij, parkeren, planregels, tussenuitspraak
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809257/1/R1): Awb, Wro; wijzigingsplan, bedrijventerrein, groothandel, belanghebbende, ontvankelijkheid
  • 27 november 2019 (ABRvS 201809103/1/R2): Awb, Wro; bpl, ontvankelijkheid/zienswijzen, woningen
  • 27 november 2019 (ABRvS 201808938/1/R3): Awb, Wro; bpl, woning, bodemverontreiniging
  • 27 november 2019 (ABRvS 201808276/1/R1): Awb, Wgh; HGW, industrie- en wegverkeerslawaai, geluid/relativiteit
  • 27 november 2019 (ABRvS 201808220/1/A2): Awb, Wro; planschade, supermarkt (Rb Noord-Nederland 18/814)

* 27 november 2019 (ABRvS 201807776/1/A1 en 201807781/1/A1 en 201807782/1/A1): Awb, Waterwet; vergunning, handelingen in watersysteem, stuwen/dammen/waterpeil, belanghebbenden, termijnoverschrijding, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 17/1950, 17/5104 en 17/5105)

  • 27 november 2019 (ABRvS 201807691/1/A2): Awb, Wro, Wnb; wijziging provinciale verordening, kaartaanpassingen en natuurbeheerplan, belanghebbende, algemeen verbindend voorschrift/ontvankelijkheid, (Rb Oost-Brabant 17/3165)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201805678/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerreinen, m.e.r.- plicht, Natura 2000-gebieden/relativiteit, VNG-brochure, inwaartse zonering, geur, geluid, zonebeheermodel, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, tussenuitspraak
  • 27 november 2019 (ABRvS 201709727/7/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, sneltreinverbinding, laagfrequent geluid, Vercammencurve, cumulatie met geluid, rattle- geluid, bomenkap/compensatie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

# 27 november 2019 (ABRvS 201706905/3/R1 en 201805064/2/R1): Awb, Wro, Wabo, Wnb; bpl/omgevingsvergunning/ontheffing, windpark, geluid, voorkeursalternatief MER, afbraakverplichting, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

  • 26 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5607): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, parkeervoorziening/boven en ondergronds, beleidsregels

* 26 november 2019 (CBb 18/1482, 18/1985, 18/2062, 18/2057, 18/2016, 18/2089, 18/2119, 18/2084, 18/2121, 18/2144, 18/2191, 18/2262, 18/2142, 18/2338, 18/2316, 18/2320, 18/2321,

18/2375, 18/2378, 18/2380, 18/2372, 18/2471, 18/2613, 18/2497 en 18/2876): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, grondgebruik, peildatum, omzetting varkensrechten, startersregeling, Nitraatrichtlijn

  • 22 november 2019 (ABRvS 201903823/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, recreatieboerderij/-park, recreatiewoningen, nog geen bouwvergunning aangevraagd
  • 21 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/4979): Awb, Gmw; vovo, sluitingsbevel, terrein en opstallen motorclub, openbare orde, verboden organisatie

* 21 november 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/6419, 18/6420 en 18/6421): Awb, Gmw, DHW; handhaving, sluiting/intrekking exploitatie- en DHW-vergunning, supermarkt/winkel/horeca, drugs, wapens, geld, APV, openbare orde, EVRM, Dienstenrichtlijn, slecht levensgedrag

  • 21 november 2019 (Rb Limburg AWB 19/524): Awb; verzet, buiten-zittingsuitspraak, klacht/verzoek om handhaving, lichthinder, zorgplicht, besluit, zitting

#! 20 november 2019 (Rb Den Haag SGR 17/7173): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, evenemententerrein, muziekgeluid, dB(A)/dB(C), Nota evenementen, geluidwering woningen, basgeluiden, meethoogte

  • 20 november 2019 (ABRvS 201905127/2/A1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, vergroten aanbouw en dakkapel (Rb Midden-Nederland 18/3548, 18/3554, 18/3792 en 18/3796)
  • 20 november 2019 (ABRvS 201907048/3/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, staken exploitatie winkel, strijd met bpl, toeristen/assortiment (Rb Amsterdam 18/7494)
  • 20 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3901): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten supermarkt, detailhandel
  • 19 november 2019 (Hof Den Bosch 200.251.654/01): BW: onrechtmatige hinder, vermindering van lichtinval, showroom op bedrijventerrein, nieuwbouw bedrijfsgebouw tot aan erfgrens
  • 19 november 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3858): Awb; vovo, noodbevel, staken zorgverlening, openbare orde, incidenten buiten instelling, motivering, ordemaatregel

* 19 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/3486, 18/3912 en 18/4419): Awb, Wvw; verkeersbesluit, weren vrachtverkeer, tijdvenster, verkeersveiligheid

  • 18 november 2019 (Rb Den Haag SGR AWB 19/6724): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
  • 14 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2671): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bijgebouw, drugs
  • 13 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/388): Awb, AWR; bouwleges, brutovloeroppervlak, Tarieventabel, NEN 2580/publicatie, verbindendheid verordening
  • 12 november 2019 (Rb Den Haag 8025399 RP VERZ 19-50527): Rv; wijkrechter, burengeschil, dwangsom, snoeiregels, pergola, onrechtmatige hinder, motivering, belangenafweging
  • 7 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/4318): Awb, Wob; e-mails uit een al opgeheven e-mailaccount, beoordeling per document of onderdeel daarvan
  • 5 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2545): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting restaurant, openbare orde, APV, beleid
  • 4 november 2019 (CBb 18/2340): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, aanpassing, griffierecht
  • 2 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/6846): Awb, Wabo; handhaving, last onder bestuursdwang, staken exploitatie winkel, strijd met bpl, overgangsrecht
  • 27 september 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/6115): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bunkerstation, strijd met bpl, planregels

24 september 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/4333): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, horeca/toeristenwinkel, categorie, strijd met bpl, meerdere procedures, belangenafweging

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 27 november 2019 (ABRvS 201900141/1/A2 en 201900131/1/A2): Awb; kosten sanering asbestdaken scholen, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 17/6515 en 17/6514)
10.1.    Onder een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222) kan een beslissing van een bestuursorgaan die wordt genomen in het kader van een aan dat bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust, in zeer bijzondere gevallen toch als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt.

10.2.    Niet in geschil is dat aan de voorfinanciering geen besluiten inzake een publiekrechtelijke toekenningen ten grondslag lagen. In hoger beroep ligt de vraag voor of de beslissingen tot voorfinanciering van de kosten van vervanging van de daken zijn genomen in het kader van een aan het college toegekende publieke taak.

10.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit niet het geval is. In dat kader is allereerst van belang dat, anders dan het college heeft gesteld, het voorgefinancierde bedrag alleen betrekking heeft op de vervanging van de daken, en niet ook op de asbestsanering. Uit het verslag van het gesprek dat op 13 mei 2016 tussen beide stichtingen en het college heeft plaatsgevonden, volgt dat het college op dat moment al van mening was dat de kosten van de sanering voor zijn rekening zouden moeten komen. Omdat op dat moment de opdracht voor sanering en vervanging van de daken nog niet was gegeven en er dus ook nog niet voor die werkzaamheden was betaald, kan de uiteindelijke betaling van de saneringskosten door het college niet als voorfinanciering worden aangemerkt. Daarvan is namelijk alleen sprake als op het moment van het doen van de betalingen nog niet duidelijk zou zijn geweest welke partij die kosten voor zijn of haar rekening zou nemen.

Anders dan het college stelt kan de vervanging van de daken niet als noodzakelijk in het kader van de bescherming van de volksgezondheid en daarmee als een aan hem toegekende publieke taak worden aangemerkt. Niet is gebleken dat het vanwege de asbestsanering ook noodzakelijk was de daken te vervangen en dat bij die sanering niet, net als in 2012, had kunnen worden volstaan met het vervangen van alleen die delen van de daken waar de hechtgebonden asbest was aangetroffen. Dat het college en de schoolbesturen het – om op zich voorstelbare praktische redenen – opportuun achtten in dit geval direct ook tot vervanging van het gehele dak van ieder van de schoolgebouwen over te gaan, maakt het voorgaande niet anders.

Ook het standpunt van het college dat de voorfinanciering van de vervanging van de daken vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting als een aan hem toegekende publieke taak moet worden aangemerkt kan sinds de wijziging van de WPO per 1 januari 2015 niet worden gevolgd. Het betoog van het college faalt in beide zaken.

Conclusie

  1. Uit het voorgaande volgt dat het college niet uit hoofde van een aan hem toegekende publieke taak gehouden was de kosten van de vervanging van de daken van beide schoolgebouwen voor te financieren. Dit betekent dat noch de beslissing dat te doen noch de beslissing die bedragen vervolgens bij beide stichtingen in rekening te brengen als besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college de bezwaren tegen de brieven van16 december 2016 niet-ontvankelijk had moeten verklaren en dat zij aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen niet kan toekomen.

    * 27 november 2019 (ABRvS 201809651/1/A3): Awb, Wnb; ontheffing, populatieomvang van het ree, verkeersveiligheid/valwildpercentage, andere bevredigende oplossingen (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6060 en 18/6061)
    5.1. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wnb (TK 2011-2012, 33 348, nr. 3, blz. 147-149) is er in de Wnb voor gekozen voor bepaalde andere soorten dan de soorten die onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vallen, een eigen beschermingsregime op te nemen. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd en die daarom op de zogenoemde rode lijsten zijn geplaatst. Daarnaast gaat het – in het licht van hun intrinsieke waarde – om dieren, ongeacht of het om bedreigde soorten gaat of niet.

Het ree is opgenomen op de lijst van zoogdieren in onderdeel A van de bijlage, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wnb. Vast staat dat het ree nooit op de rode lijst van zoogdieren heeft gestaan en dat het ook niet in zijn gunstige staat van instandhouding bedreigd wordt.
5.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kon het college er redelijkerwijs van uitgaan dat – zoals in het Faunabeheerplan is vastgelegd – de verkeersveiligheid in geding komt als het (gemiddelde) valwildpercentage van 5% wordt overschreden.

Voor de grens van 5% is in het Faunabeheerplan het landelijke valwildpercentage dat in de Leidraad is genoemd, als uitgangspunt genomen. In de Leidraad staat dat de geregistreerde aantallen aanrijdingen in Nederland rond 4.800 en 5.300 per jaar liggen terwijl de reeënpopulatie in Nederland mogelijk zo’n 100.000 behelst. De jaarlijkse sterfte in het verkeer bedraagt daarmee ongeveer 5% van de landelijke populatie, aldus de Leidraad. Daargelaten of dat landelijke percentage juist is berekend, omdat een absoluut aantal reeën in Nederland niet kan worden vastgesteld, en ook verondersteld wordt dat er meer aanrijdingen plaatsvinden dan er daadwerkelijk worden geregistreerd, acht de Afdeling het niet onredelijk dat het college dat percentage als aanknopingspunt heeft gehanteerd, teneinde te oordelen dat er in de geografische eenheden in Zeeland risico’s bestaan voor de verkeersveiligheid. Nu er geen beter alternatief voor het aannemen van een grenswaarde voorhanden is, en de berekening van het landelijke valwildpercentage is gebaseerd op feiten en niet op schattingen, heeft het college aansluiting kunnen zoeken bij het landelijke valwildpercentage. Voor de geografische eenheden heeft het college meer zekerheid over de populatieomvang ingebouwd door niet uit te gaan van absolute aantallen reeën, maar van het zogenoemde ‘Minimum Number Alive’. Ook wordt uitgegaan van gemiddelde aantallen over een periode van drie jaar. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aan het Faunabeheerplan in zoverre niet dusdanige gebreken kleven, dat het college dat plan niet aan de ontheffing ten grondslag had mogen leggen.

Ten aanzien van de stelling van de stichtingen dat zich tussen 2010 en 2012 in Schouwen en tussen 2013 en 2015 in De Gouwe, tussen 2013 en 2016 in Walcheren en tussen 2014 en 2016 in Tholen & Sint Philipsland trendbreuken hebben voorgedaan omdat er geen direct verband tussen de aantallen reeën en het aantal aanrijdingen viel vast te stellen, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in het Faunabeheerplan staat, volgt uit alle onderzoeken die zijn beoordeeld – waarvoor naar de literatuuropgave bij het Faunabeheerplan wordt verwezen – dat er een relatie is tussen de ‘dichtheid’ van het aantal reeën versus het aantal aanrijdingen in een gebied. Wat er derhalve ook zij van de genoemde trendbreuken, gelet op de literatuur is aannemelijk dat indien het aantal reeën afneemt, het aantal aanrijdingen ook zal afnemen. Het college heeft dit vanwege de verkeersveiligheid van belang mogen achten, nu het gemiddelde valwildpercentage in de genoemde geografische eenheden over de afgelopen drie jaar varieert van 10% tot 20% en daarmee het valwildpercentage van 5% ruimschoots overschrijdt.

Het betoog faalt.

* 27 november 2019 (ABRvS 201809103/1/R2): Awb, Wro; bpl, ontvankelijkheid/zienswijzen, woningen
6.1.        [appellant] en anderen hebben geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Hun beroep steunt derhalve niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Wat betreft de omstandigheid dat het bestemmingsplan het realiseren van woningen op het perceel mogelijk maakt, kan het [appellant] en anderen niet worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend. Het bestemmingsplan is op dit punt gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerp. Naar aanleiding van een zienswijze van [belanghebbende] is de voor het perceel bestaande mogelijkheid van het realiseren van woningbouw die in het ontwerpbestemmingsplan was komen te vervallen, alsnog gehandhaafd. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

Voor zover het beroep is gericht tegen de vaststelling van het plan in zoverre dit de vestiging van een supermarkt mogelijk maakt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het [appellant] en anderen niet kan worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan voorzag reeds in deze mogelijkheid en het plan is op dit punt ongewijzigd vastgesteld. Dit betekent dat [appellant] en anderen daartegen niet in beroep kunnen komen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Dit betekent dat hierna uitsluitend het beroep zal worden behandeld voor zover gericht tegen de mogelijkheid tot het realiseren van woningen op het perceel.

* 27 november 2019 (ABRvS 201805678/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerreinen, m.e.r.-plicht, Natura 2000-gebieden/relativiteit, VNG-brochure, inwaartse zonering, geur, geluid, zonebeheermodel, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, tussenuitspraak
6.2.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

De kortste afstand tussen het perceel van [appellant A] en het Natura 2000-gebied “Polder Westzaan” bedraagt ongeveer 900 m. In het tussenliggende gebied liggen verschillende bedrijven, de in het plan voorziene woningbouwlocatie en de Zaan. De kortste afstand tot het gebied “Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder” bedraagt ruim 1 km. In het tussenliggende gebied bevindt zich onder meer de bedrijfsvestiging van Cargill. Deze afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om (delen van) de Natura 2000-gebieden te kunnen rekenen tot de directe woon- en leefomgeving van [appellant A]. Voorts kunnen de belangen van de stichting en van The Mac Group reeds naar hun aard niet geacht worden te zijn gemoeid met het beschermen van de natuurwaarden in deze gebieden. Gezien het voorgaande kan het betoog over de passende beoordeling, gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.
7.5.    Het industrieterrein valt onder de activiteit als bedoeld in categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Volgens de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het bedrijventerrein Wormerland ongeveer 41 ha en blijft de oppervlakte daarmee ruim onder de drempelwaarde van 75 ha van categorie D 11.3. Voor zover de stichting en anderen erop wijzen dat de geluidzone een oppervlak van 75 ha beslaat en daarmee de drempelwaarde wordt gehaald, overweegt de Afdeling dat bij de berekening van de oppervlakte van een bedrijventerrein in het kader van de m.e.r.(beoordelings)-plicht slechts de oppervlakte van een bedrijventerrein zelf in aanmerking moet worden genomen en niet een eventuele geluidzone rondom dat terrein, nu deze geen deel uitmaakt van het bedrijventerrein (uitspraak van 15 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7341). Verder overweegt de Afdeling dat de door de stichting en anderen genoemde aspecten zoals de aanwezigheid van bedrijven met een hoge milieucategorie, de aanwezigheid van risico’s, de hinder die al aanwezig is, de ontwikkelingen die negatieve milieugevolgen kunnen veroorzaken en de omliggende woningen, de nabijgelegen natuurgebieden, de cumulatie met de nabijgelegen industrie en woningbouwprojecten, aspecten zijn die meegenomen kunnen worden bij de beoordeling, maar niet bij de berekening van de oppervlakte van het bedrijventerrein. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat sprake is van een plan dat plan-m.e.r.-plichtig is.
10.2.    In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is in categorie 18.1 bepaald dat beoordeeld dient te worden of een milieueffectrapport dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7, in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer.

10.3.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat aan Drada een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend. Hieruit blijkt dat de maximale capaciteit 10.000 kg per dag is. Volgens de raad wordt deze capaciteit feitelijk niet gehaald. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad, gelet op artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder b, van de planregels en op zijn toelichting ter zitting, aldus dat hij heeft willen uitsluiten dat ter plaatse een bedrijf wordt gerealiseerd met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met het voorliggende plan niet geregeld wat hij heeft beoogd te regelen, omdat enkel het gestelde maximum bedrijfsvloeroppervlak van 150 m2 nog niet uitsluit dat een capaciteit van 50 ton per dag of meer wordt gehaald. De Afdeling overweegt derhalve dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid.

* 27 november 2019 (ABRvS 201709727/7/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, sneltreinverbinding, laagfrequent geluid, Vercammencurve, cumulatie met geluid, rattle-geluid, bomenkap/compensatie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
15.2.    In de uitspraak van 20 februari 2019 heeft de Afdeling in 31.5 overwogen dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] in de toekomstige situatie door het treffen van maatregelen zal afnemen van 53,6 dB tot 52,93 dB en dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] kan worden voldaan aan de geldende voorkeurswaarde van 55 dB. Dit betreft de geluidhinder op de gevel van de woning als gevolg van passerende, rijdende treinen. Deze geluidhinder is berekend met toepassing van het RMG 2012.

Uit de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport komt naar voren dat de beoordeling voor het toekomstige laagfrequent geluid is gebaseerd op metingen in de woningen, met toepassing van de zogenoemde LF check dB(C)-dB(A)>20 en aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, omdat het niet mogelijk is om het laagfrequent geluid te bepalen met toepassing van het RMG 2012.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen in zijn standpunt dat het om twee verschillende grootheden gaat, zodat de verwachte toename van laagfrequent geluid niet kan worden gecumuleerd met de geluidbelasting die is berekend met toepassing van het RMG 2012.

Het betoog faalt.
19.1.    De staatssecretaris stelt dat schade aan gebouwen als gevolg van laagfrequent geluid niet kan optreden. Laagfrequent geluid kan wel zogenoemde “rattle” veroorzaken. “Rattle” is volgens de deskundige die ter plaatse van de woningen de metingen heeft verricht het hoorbaar trillen van voorwerpen in een woning door laagfrequent geluid. Ook ramen in sponningen kunnen hoorbaar trillen. Dit geluid komt niet door de gevel, maar ontstaat bij de gevel. Deze “rattle” is bij het onderzoek echter niet waargenomen. Laagfrequent geluid kan echter geen trillingen veroorzaken.

19.2.    [appellant sub 1] keert zich met deze beroepsgrond tegen de overwegingen over trillinghinder en mogelijke schade als gevolg daarvan aan zijn woning. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat geen schade aan de woning van [appellant sub 1] te verwachten valt als gevolg van trillinghinder. De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. [appellant sub 1] stelt dat hij trilling van zijn ramen waarneemt bij vertrekkende treinen en plaatst dit nu in het kader van laagfrequent geluid, maar concretiseert dit niet. Een zeer uitzonderlijk geval om terug te komen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over trilling moet worden uitgegaan.

* 21 november 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/6419, 18/6420 en 18/6421): Awb, Gmw, DHW; handhaving, sluiting/intrekking exploitatie- en DHW-vergunning, supermarkt/winkel/horeca, drugs, wapens, geld, APV, openbare orde, EVRM, Dienstenrichtlijn, slecht levensgedrag
6.3.3.  Partijen zijn het er over eens dat de besluitvorming van verweerder voldoet aan artikel 9 van de Dienstenrichtlijn, maar verschillen van mening over de vraag of het vergunningstelsel voor de uitoefening van de horeca-activiteiten voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Daarbij gaat het in het bijzonder om de beoordeling van de in de APV en de DHW neergelegde eis dat de exploitant c.q. de leidinggevende ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is’. Het niet voldoen aan deze eis is al bij de inwerkingtreding van de APV op 1 januari 2013 en de DHW op 1 november 2000 als intrekkingsgrond opgenomen. Aan de in artikel 10, tweede lid, onder f van de Dienstenrichtlijn gestelde eis dat de voorwaarden die aan de vergunning worden gesteld vooraf openbaar kenbaar zijn gemaakt, is dan ook voldaan.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1931, overwogen dat het criterium ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’ op zichzelf niet tot willekeur en rechtsonzekerheid leidt. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019 volgt dat met die toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel in de kern ook de toetsing aan artikel 10, tweede lid, onder d, e, en f, van de Dienstenrichtlijn is verricht. Verder is in die uitspraak ten aanzien van het criterium ‘ernstig gevaar’ uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) overwogen dat het bestaan daarvan door het betrokken bestuursorgaan per geval moet worden onderbouwd. Het zal dan ook van geval tot geval verschillen onder welke omstandigheden en na welke termijn een verbroken zakelijk samenwerkingsverband nog tot een ‘ernstig gevaar’ kan leiden. Dat hiervoor geen nadere regels zijn vastgesteld, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat daarom de bepaling onvoldoende duidelijk of objectief is. De Afdeling ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 3, vierde lid, onder c, van de Wet bibob in strijd is met artikel 10, tweede lid, onder d, e, en f, van de Dienstenrichtlijn. In het licht van deze beide uitspraken van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat het criterium ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’ weliswaar een open norm is die van geval van geval door het bestuursorgaan moet worden ingevuld, maar niet onvoldoende duidelijk of objectief is. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd wat aan de intrekking van de vergunningen ten grondslag ligt. Het betreft een samenstel van feiten die maken dat er sprake is van het niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, in dit geval het strafbare feit van het in bezit hebben van vuurwapens en munitie die een gevaar opleveren voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat en het hebben van grote hoeveelheden contant geld die het risico op overvallen en ripdeals en daarmee ook een gevaar voor de openbare orde vergroten. Verweerder heeft zich op grond van deze motivering, en dan met name vanwege de aangetroffen vuurwapens en munitie, op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan het criterium ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’. Het feit dat het niet verboden is om contanten voorhanden te hebben en dat eiser niet vervolgd is voor witwassen, maakt niet dat verweerder niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is op grond waarvan verweerder tot de intrekking heeft besloten. Aan de intrekking ligt niet ten grondslag dat eiser vervolgd is voor witwassen. Het betoog dat de intrekkingen in strijd met artikel 10, tweede lid, onder d en e van de Dienstenrichtlijn zijn slaagt niet.

#! 20 november 2019 (Rb Den Haag SGR 17/7173): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, evenemententerrein, muziekgeluid, dB(A)/dB(C), Nota evenementen, geluidwering woningen, basgeluiden, meethoogte
10.4 Eisers hebben de rechtbank verzocht om te bewerkstelligen dat verweerder voldoende aanknopingspunten heeft om bij een nieuw te nemen besluit binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening te blijven, met inachtneming van de grenzen die onder meer direct werkende verdragsbepalingen stellen aan de beleidsvrijheid. Dit verzoek komt er in de kern op neer dat eisers vragen om een declaratoire uitspraak te doen over de wijze waarop verweerder in een nieuw te nemen besluit de ruimtelijke ordening op en rond het terrein invult. De rechtbank overweegt daarover dat de bestuursrechter enkel oordeelt over de rechtmatigheid van besluiten. De Awb kent in artikel 8:70 vier mogelijkheden om een uitspraak te doen, waar dat artikel bepaalt dat de uitspraak strekt tot onbevoegdverklaring van de bestuursrechter, niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, ongegrondverklaring van het beroep, of gegrondverklaring van het beroep. Zoals in 2.2 overwogen, komt verweerder in dit geval beleidsruimte toe. Er zal aan de hand van de door de STAB geformuleerde conclusies akoestisch onderzoek moeten plaatsvinden, waarvan de uitkomsten niet tevoren vaststaan, zodat ook nog geen sprake kan zijn van concrete voorschriften. De rechtbank acht zich daarom in dit geval niet bevoegd een algemeen rechterlijk oordeel te geven met betrekking tot een nieuw te nemen besluit en daaraan volgens eisers te verbinden voorschriften en voorwaarden. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken en het voorgaande, ook geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal, gelet op het te verrichten akoestisch onderzoek voor de nieuw te nemen beslissing geen termijn stellen, maar brengt uitdrukkelijk onder de aandacht dat verweerder blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 8:72 van de Awb gehouden is de nieuwe beslissing zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te nemen en dat daarbij in elk geval met voortvarendheid dient te worden gehandeld.