Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 4 december 2019 (ABRvS 201904884/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning en schuren, drugs (Rb Zeeland-West-Brabant, bevoegdheid, bijzondere omstandigheden 19/2080 en 19/2011)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201904593/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, ruimtelijke inpassing (Rb Gelderland 18/6823)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201904572/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, woningen in kinderdagverblijf, wijziging parkeerbehoefte, beschikbare plaatsen (Rb Oost-Brabant 18/2616)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201904497/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen op parkeerterrein, bezonning, verkeer/CROW, waterparagraaf, bodem
  • 4 december 2019 (ABRvS 201904024/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein naar gemengd woon- en werkgebied, woonpanden, hoogbouweffecten, cultuurhistorische effectrapportage
  • 4 december 2019 (ABRvS 201903737/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen inrit/uitweg, weg/Wvw, APV (Rb Oost-Brabant 18/3080)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201902929/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, clubgebouw voor jeugdwerk, belanghebbenden (Rb Zeeland-West- Brabant 18/7497)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201902702/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanbouw woning/uitrit, verkeersveiligheid, school (Rb Rotterdam 17/5320)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201902621/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
  • 4 december 2019 (ABRvS 201902270/1/A1): Awb, Wm; maatwerkvoorschrift, geluid, nieuwe agrarische woning, windpark, bijzondere lokale omstandigheden, camouflage geluid door rijksweg (Rb Zeeland-West-Brabant 18/686)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201902205/1/R2): Awb, Wro; bpl, appartementen, parkeerplaatsen, bezonning, Ladder/Bro

# 4 december 2019 (ABRvS 201902171/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding, normaal maatschappelijk risico (Rb Limburg 16/2138)

  • 4 december 2019 (ABRvS 201901261/1/A1): Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijkend gebruik en milieu alsmede natuurvergunning, afvalverwerkend bedrijf (Rb Overijssel 18/846 en 18/868)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201900901/1/R1): Awb, Wro; bpl, paardenhouderij
  • 4 december 2019 (ABRvS 201900688/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, stedenbouwkundige aspecten (Rb Noord-Holland 18/1776)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201900647/1/A2): Awb, Wro; planschade, rondweg (Rb Gelderland 18/2287)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201900486/1/R1): Awb, Wro; bpl, functieveranderingsbeleid, woon- en leefklimaat
  • 4 december 2019 (ABRvS 201810247/1/A2): Awb, Wro; planschade, tankstation (Rb Gelderland 18/1851)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201809946/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Gelderland 17/6773)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201809311/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, woning, belanghebbende, geen vvgb nodig, bezonning, welstand, parkeren (Rb Den Haag 18/3253, 18/4228 en 18/4218)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201809159/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, gemeentelijk en provinciaal beleid, ecologie, parkeren
  • 4 december 2019 (ABRvS 201809109/1/A2): Awb, Wlv; schadevergoeding, toename geluidhinder, luchthavenbesluit, geen nadeligere positie (Rb Oost-Brabant 18/131)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201809057/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen pad, bevoegdheid, EVRM (Rb Den Haag 16/7223)

# 4 december 2019 (ABRvS 201808984/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, dammen/kavelpad, belanghebbende, planregels, vergunningplicht, toegangsweg, tussenuitspraak (Rb Den Haag 17/3205, 17/3089, 17/2911 en 17/2169)

  • 4 december 2019 (ABRvS 201808826/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, opslagruimte aan rijhal, belanghebbenden (Rb Zeeland-West-Brabant 18/1766) # 4 december 2019 (ABRvS 201808082/1/A2): Awb, Mnw; aanwijzing gemeentelijk monument, kostenaspect (Rb Den Haag 17/2179 en 17/2180)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201806788/1/A2): Awb; schadevergoeding, aanleg Polderbaan en verkeerswegen, toename geluidsbelasting, laagfrequent (grond)geluid, zelf in de zaak voorzien (Rb Noord Holland 17/2813)
  • 4 december 2019 (ABRvS 201803867/1/R1): Awb, Wro; bpl, supermarkten, Dienstenrichtlijn, dwingende redenen van algemeen belang, verkeer en parkeren, schaarse rechten, tussenuitspraak

* 4 december 2019 (ABRvS 201803520/1/A2 en 201803548/1/A2): Awb, Wro; planschade, belanghebbende, normaal maatschappelijk risico (Rb Noord-Holland 17/3006 en 17/3645)

  • 4 december 2019 (ABRvS 201801105/1/R2): Awb, Wro; uitwerkingsplan/wijzigingsplan, wooncomplexen, belanghebbende, geluid/relativiteit, bouwhoogte, parkeren, verkeersontsluiting
  • 4 december 2019 (ABRvS 201800770/2/R2): Awb, Wnb; natuurbeheerplan, Natura 2000- gebied, maaien riet, einduitspraak na eerder tussenuitspraak (Rb Overijssel AWB 17/1485 t/m 17/1488)

* 4 december 2019 (ABRvS 201800154/1/R3 en 201800155/1/R3): Awb, Wro; bpl-en, verbindingsweg, nut, verkeerskundig rapport, fiets/busverbinding, geluid/cumulatie, cultuurhistorische waarden/Verdrag van Granada, molenbiotoop, luchtkwaliteit, ecologie

  • 4 december 2019 (ABRvS 201705424/4/R3): Awb, Wro; bpl, brug, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 4 december 2019 (ABRvS 201607306/2/A2): Awb, Wro; planschade, hernieuwde tussenuitspraak (Rb Noord-Holland 15/5877)

* 3 december 2019 (ABRvS 201906693/2/R1 en 201906695/2/R1): Awb, Wro, Wgh; vovo, bpl/HGW industrielawaai, school en kinderopvang, onomkeerbare situatie

  • 3 december 2019 (CBb 18/2067 en 18/2098): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling
  • 29 november 2019 (ABRvS 201908110/1/A3 en /3/A3): Awb, Opiumwet; hernieuwde vovo en kortsluiting, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, passende opvang (Rb Noord-Holland 19/4133 en 19/4134)

# 28 november 2019 (ABRvS 201907814/2/A1): Awb, Wm; vovo, handhaving, handhaving, Activiteiten met cokes, Activiteitenbesluit, bodembedreigende stof, verwaarloosbaar of aanvaardbaar bodemrisico, belangenafweging (Rb Noord-Nederland 19/2305)

  • 28 november 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/3761): Awb, Wabo; beplantingsplan, voorwaarde compensatie/herplantplicht na bomenkap, publicatie goedkeuring, belanghebbende, bomenprotocol, één-op-één-vervanging

* 28 november 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 17/4298, 19/2576, 19/2577, 19/2578, 19/2579, 19/2580, 19/2581, 19/2582, 19/2583, 19/2584, 19/2585, 19/2586, 19/2587, 19/2588, 19/2589,

19/2590, 19/2591, 19/2592, 19/2593, 19/2594, 19/2595, 19/2596 en 19/2597): Awb, Wnb; vergunningen, veehouderijen, PAS, passende beoordeling, Habitatrichtlijn, provinciale verordening/verbindendheid

  • 27 november 2019 (ABRvS 201906164/2/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, Namenmonument (Rb Amsterdam 19/139)
  • 27 november 2019 (ABRvS 201906608/1/A1 en /2/A1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiting, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, camperplaatsen, paardenhouderij, geen vergunning van rechtswege, vergoeding kosten deskundigenrapport (Rb Limburg 18/1672)

* 27 november 2019 (Hof Den Haag 22-005089-16, 22-005091-16 en 22-005092-16): WSr, WED, Wm; overbrenging ‘produced water’, olieplatform op zee, afvalstof, EVOA, Marpol, ontvankelijkheid OM/verjaring

  • 27 november 2019 (Rb Gelderland AWB 18/6075 en 18/6081): Awb, Wabo; handhaving, overtreding milieuvergunning, eendenslachterij, geluid, uitbreiding werktijden/aantal transportbewegingen, zicht op legalisatie, nog geen ontwerp-vergunning voor bouwen, milieu en afwijken bpl aan de orde

* 27 november 2019 (CBb 17/1424, 17/1412, 18/147, 17/1539, 17/1535 en 17/1772): Awb, Msw; vaststelling melkveefosfaatreferentie, Wvgm, individuele en buitensporige last/EP/Handvest, motivering

* 26 november 2019 (CBb 18/2286, 18/2515 en 18/2549): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, vleesvee

#! 25 november 2019 (Rb Den Haag SGR 17/6079 en 17/6102 en SGR 17/6077 en 6101): Awb, Wabo, Mnw; omgevingsvergunning verhogen gasproductie van inrichting en instemming gewijzigd winningsplan, m.e.r.-plicht/MER, natuurwaarden/Natura 2000, geluid/beschermde soorten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

  • 25 november 2019 (Rb Oost-Brabant 82.087782.19): WSr, WED, Wm; opzettelijke overtreding, Asbestverwijderingsbesluit, verwijderen asbestplaten en deze kapot maken/breken, verspreiding asbestvezels, openbare gezondheid
  • 25 november 2019 (Rb Overijssel AWB 19/1982): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, verlenging schorsing
  • 22 november 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 18/2898): Awb, Ww; handhaving, dwangsom, keermuur, gronddruk, Bouwbesluit, NEN 8700, bouwpatholoog
  • 22 november 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 19/274): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor in/uitweg, belanghebbenden, APV, verkeersafwikkeling
  • 20 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/784): Awb, Ww; handhaving, bouwstop, dwangsom, vervangen stucwerk door nieuw met dezelfde kleur, gewoon onderhoud, geen vergunningplicht
  • 19 november 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/697 GEMWT): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verhoging dak, Wet Bibob/relativiteit

# 15 november 2019 (Rb Den Haag SGR 17/7173): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, evenemententerrein, muziekgeluid, dB(A)/dB(C), Nota evenementen, geluidwering woningen, basgeluiden, meethoogte

  • 5 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/5077): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanbouw, evidente privaatrechtelijke belemmering, burgerlijke rechter
  • 1 oktober 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/354 en LEE 19/1492): Awb, Wabo; Ww; handhaving, dwangsom/invordering, opslag afval/keerwand, strijd met bpl, geen vergunning
  • 18 september 2019 (Hof Amsterdam 23-000245-18): WSr, WED, Wm; vrijspraak, auto met tweedehandsartikelen elektronica en huishoudelijke apparaten, Nigeria, geen afvalstoffen
  • 10 september 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2258 en SHE 19/2260): Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning/handhaving, motorcrossevenement, ontbreken Wnb-vergunning
  • 4 september 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/1731 en BRE 18/1735): Awb, AWR, rioolheffing, rioolaansluiting op Belgisch grondgebied, indirecte afvoer via riolering gemeente, bevoegdheid
  • 27 augustus 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1187): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwen kantoor naar wooneenheden jongeren met licht verstandelijke beperking en zorgkantoor, woon- en leefklimaat, geluid, privacy
  • 26 augustus 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2835): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij, vormverandering bouwblok/luchtwassers en brandcompartimentering, aantal dieren, transportbewegingen, ammoniak, geluid
  • 13 augustus 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3200): Awb, Wro; planschade
  • 1 augustus 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/857 T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tuinhuisje, overkapping en schutting, welstand, tussenuitspraak
  • 30 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1590MUSP en SHE 19/1592): Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning voor afwijken bpl/evenementenvergunning, festival, belanghebbende, ontvankelijkheid
  • 29 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1429): Awb, Mnw; niet tijdig beslissen op verzoek tot aanwijzing gemeentelijk monument, ontvankelijkheid
  • 24 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1609): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
  • 23 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1189): Awb; invordering dwangsom, achtergebleven asbestrestanten bij veehouderij
  • 23 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2278): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl en verruiming openingstijden, restaurant, procesbelang, motivering
  • 18 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3228): Awb; handhaving, geluidsoverlast van feesten in loods, APV, gebruik van loods, ruimtelijk uitstraling
  • 12 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1582): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en uitvoeren werk en werkzaamheden, bruggen/veldpoorten en realiseren van een vochtiger en ecologisch rijker gebied, relatie bpl, verleende watervergunning
  • 12 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1660 en SHE 19/1772): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfspand, parkeerbehoefte, geen strijd met bpl
  • 8 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/261): Awb, Wabo; handhaving, bouwstop/dwangsom, aanleg luchtkanaal en luchtwasser, geen vergunning, vervallen bouwvergunning eerste fase, milieuvergunning
  • 5 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/5): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijk bouwwerk, containers voor berging op stadsstrand

#! 30 oktober 2018 (Rb Den Haag SGR 17/5240): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanpassen monument, vervangen dakpannen, welstand, erfgoedverordening, ontsiering monument, originele/tweedehands dakpannen

2 oktober 2018 (Rb Midden-Nederland UTR 17/4874): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen buiten behandeling laten, fruitboomgaard, onvoldoende gegevens, geen locatiespecifiek onderzoek o.b.v. Nota gewasbescherming

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 4 december 2019 (ABRvS 201902929/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, clubgebouw voor jeugdwerk, belanghebbenden (Rb Zeeland-West-Brabant 18/7497)
2.3.    Vast staat dat de afstand tussen het perceel van [appellant] en anderen en het clubgebouw ongeveer 150 m bedraagt en dat vanuit dat perceel geen zicht op het clubgebouw bestaat. In geschil is of ter plaatse van het perceel van [appellant] en anderen gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden door geluid van de activiteiten vanwege het clubgebouw.

…………………………….
Het college heeft ter zitting weersproken dat in het clubgebouw luide muziek zal worden afgespeeld. De Afdeling stelt echter vast dat de omgevingsvergunning dat gebruik niet uitsluit. Ook anderszins is niet gebleken dat de toegelaten activiteiten in het clubgebouw zijn beperkt in die zin dat geen luide muziek mag of kan worden afgespeeld, of dat het clubgebouw slechts op bepaalde dagen en/of tijden mag worden gebruikt. De activiteiten die in het akoestisch rapport als uitgangspunt zijn genomen, zijn dus niet uitgesloten op basis van de omgevingsvergunning. Gelet hierop en op de bevindingen in het akoestisch rapport, kan niet worden uitgesloten dat [appellant] en anderen ter plaatse van hun perceel gevolgen van enige betekenis wat betreft het geluid kunnen ondervinden van de activiteiten in het clubgebouw. [appellant] en anderen zijn daarom – anders dan rechtbank heeft geoordeeld – belanghebbenden bij de besluiten van 6 en 7 november 2018. Het betoog slaagt.

* 4 december 2019 (ABRvS 201902270/1/A1): Awb, Wm; maatwerkvoorschrift, geluid, nieuwe agrarische woning, windpark, bijzondere lokale omstandigheden, camouflage geluid door rijksweg (Rb Zeeland-West-Brabant 18/686)
7.    Gelet op de overwegingen 3 tot en met 6, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat zich geen bijzondere lokale omstandigheden voordoen in verband waarmee normen met een hogere waarde vastgesteld konden worden voor het windpark. Het college heeft zich in de besluiten van 6 februari 2017 en 19 december 2017 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen. De situering van de windturbine, bedrijfswoning en snelweg, die door een samenloop van omstandigheden is ontstaan en waarbij windturbine 3 de gehele avond- en nachtperiode stil zou moeten staan om aan de geluidgrenswaarden van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit te voldoen, de camouflage van het geluid van het windpark door het geluid vanwege de A58 en de aan de bedrijfswoning vereiste geluidsisolatie vanwege de ligging langs de A58 zijn in samenhang met elkaar terecht door het college als zodanig aangemerkt. Daardoor kon het college met toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit bij maatwerkvoorschrift normen met een hogere waarde vaststellen voor het windpark.

Het betoog van het college en Innogy slaagt.

# 4 december 2019 (ABRvS 201902171/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding, normaal maatschappelijk risico (Rb Limburg 16/2138)
14.2.    De StAB heeft ten aanzien van de vraag of de ontwikkeling tot het normaal maatschappelijk risico behoort uiteengezet dat het een landelijke trend is om detailhandel meer te concentreren en geen nieuwe detailhandel buiten de concentratiegebieden mogelijk te maken, zodat in zoverre gesproken kan worden van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de vraag of deze ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag heeft de StAB uiteengezet dat het in dit geval niet gaat om een nieuwe stedenbouwkundige ontwikkeling. Ook is de structuur van de omgeving niet dermate veranderd dat een supermarkt op het perceel naar aard en omvang niet in deze structuur zou passen. Verder past de ontwikkeling niet in een reeks van jaren gevoerd beleid, nu het oude bestemmingsplan het meest recente beleid weergeeft en hierin detailhandel op het perceel nog was toegestaan. Ook uit de omstandigheid dat op de buurpercelen detailhandel nog mogelijk is, ook vanwege de oppervlakte van het daarop gelegen bouwvlak, kan niet worden afgeleid dat het schrappen van de detailhandelsbestemming op het perceel in een reeks van jaren gevoerd beleid en daarmee in de lijn der verwachting lag, aldus de StAB. Het criterium van de afstand van de ontwikkeling tot de onroerende zaak is niet aan de orde, nu het om directe planschade gaat. Wat betreft de aard van de schade heeft de StAB ten slotte uiteengezet dat het hier om het wegbestemmen van de gebruiksmogelijkheid gaat die het perceel zijn hoogste waarde gaf, zodat het om een ingrijpende ontwikkeling gaat.

Gelet op het voorgaande komt de StAB tot de conclusie dat er geen reden bestaat een deel van de schade voor rekening van [wederpartij] te laten.

14.3.    Uit de toelichting van de StAB blijkt dat zij alle aspecten die van belang zijn voor de vraag of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico van [wederpartij] valt bij de beoordeling heeft betrokken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat deze beoordeling van de StAB onjuist is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de StAB terecht heeft geconstateerd dat de ontwikkeling niet past in een reeks van jaren gevoerd beleid, nu het oude bestemmingsplan het meest recente beleid weergeeft en voorts op de buurpercelen detailhandel nog is toegestaan. Dat, naar het college stelt, de StAB hiermee zou hebben miskend dat op die percelen geen grote supermarkten konden worden opgericht omdat er niet mocht worden gebouwd ten behoeve van detailhandel kan niet worden gevolgd. Uit overweging 12.4 volgt dat de planregels van het oude bestemmingsplan er niet aan in de weg stonden dat er op percelen met de aanduiding detailhandel gebouwen konden worden gerealiseerd ten behoeve van detailhandel.

14.4.    Het betoog faalt.

# 4 december 2019 (ABRvS 201808984/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, dammen/kavelpad, belanghebbende, planregels, vergunningplicht, toegangsweg, tussenuitspraak (Rb Den Haag 17/3205, 17/3089, 17/2911 en 17/2169)
13.4.    De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de door [appellant sub 3] genoemde omstandigheden, mede gelet op het Mantovanelli-arrest, maken dat hij in strijd met artikel 6 van het EVRM niet in de gelegenheid is geweest effectief te reageren op het ingebrachte deskundigenbericht van de StAB.

13.5.    In een brief van de rechtbank van 21 november 2017 aan de StAB staat onder meer: “Partijen zijn verdeeld over de vraag of de 20 meter onderbreking in het pad ongeschikt is gemaakt als weg. Tijdens de behandeling ter zitting op 24 oktober 2017 is het onderzoek ter zitting geschorst en is besloten […] een onderzoek ter plaatse in te stellen teneinde vast te stellen of de 20 meter onderbreking in het pad ongeschikt is gemaakt als weg. De rechtbank verzoekt u te adviseren met betrekking tot dit aspect.”

13.6.    Anders dan [appellant sub 3] aanvoert, is deze vraag voldoende concreet en feitelijk van aard en niet identiek aan de door de rechtbank te beantwoorden vraag of de bestreden besluiten in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden in overeenstemming zijn met het recht en of het college in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunningen heeft kunnen verlenen. De situatie zoals aan de orde in het Mantovanelli-arrest doet zich hier niet voor. Daarbij betrekt de Afdeling ook de volgende relevante omstandigheden.

13.7.    Ingevolge artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb hebben partijen na het uitbrengen van het deskundigenverslag de gelegenheid hun zienswijzen daarop naar voren te brengen. In dit geval heeft [appellant sub 3] ook gebruik gemaakt van deze gelegenheid en zijn zienswijze naar voren gebracht. Over de klacht van [appellant sub 3] dat ten onrechte geen gelegenheid wordt geboden een zienswijze over het concept-deskundigenbericht naar voren te brengen, overweegt de Afdeling het volgende. De deskundige is op grond van artikel 4.12, aanhef en onder b, van de gedragscode gehouden partijen in de gelegenheid te stellen op- en aanmerkingen op het concept-verslag te maken. De StAB heeft dat niet gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven zien om te concluderen dat het verslag om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven, kan de rechtbank de zienswijzen naar aanleiding van het rapport van de deskundige alsnog voorleggen aan de deskundige met het verzoek daarop te reageren of een aanvullend deskundigenrapport uit te brengen en/of ter zitting inlichtingen te verstrekken.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 3] in de onderhavige procedure in de gelegenheid is geweest effectief zijn inbreng te leveren in het kader van het onderzoek door de deskundige en dat hij op de resultaten van dat onderzoek adequaat tegenspraak heeft kunnen leveren.

* 4 december 2019 (ABRvS 201803867/1/R1): Awb, Wro; bpl, supermarkten, Dienstenrichtlijn, dwingende redenen van algemeen belang, verkeer en parkeren, schaarse rechten, tussenuitspraak
13.6.    In de plantoelichting is opgenomen dat de gemeente wenst te sturen op de ruimtelijke gevolgen van supermarkten, zoals verkeer en parkeren. Supermarktontwikkelingen hebben, zo vermeldt de plantoelichting, invloed op de algehele werking van het centrum en daarmee op het woon- en leefklimaat ter plaatse. In dat verband heeft de raad toegelicht dat supermarkten voor grote bezoekersstromen zorgen. De bezoekersstromen met bijkomende planologische afwegingen op het gebied van verkeer en parkeren in combinatie met de kansen en bedreigingen die gepaard gaan met de vestigingsmogelijkheden van supermarkten noodzaken tot planologische sturing, aldus de raad.

De Afdeling stelt vast dat de raad zijn stelling over de effectiviteit van de regeling bezien vanuit een oogpunt van het voorkomen van ongewenste verkeers- en parkeergevolgen niet heeft onderbouwd aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. Er zijn geen onderzoeksgegevens of andere gegevens overgelegd waarmee de verkeersaantrekkende werking van supermarkten en beweerdelijke negatieve ruimtelijke effecten wat betreft verkeer en parkeren aannemelijk worden gemaakt. Dit betekent dat de Afdeling ook hier nog niet kan beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat het plan in zoverre geschikt is om de nagestreefde doelen te bereiken.

13.7.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan thans ook niet worden beoordeeld of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat het plan in zoverre niet verder gaat dan nodig is om de beoogde doelen te bereiken en die doelen niet met andere, minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt.

Het betoog slaagt in zoverre.

* 4 december 2019 (ABRvS 201800154/1/R3 en 201800155/1/R3): Awb, Wro; bpl-en, verbindingsweg, nut, verkeerskundig rapport, fiets/busverbinding, geluid/cumulatie, cultuurhistorische waarden/Verdrag van Granada, molenbiotoop, luchtkwaliteit, ecologie
15.    Verder betogen [appellant sub 2] en anderen dat de artikelen 2.2.1 en 2.3.4 van de Verordening Ruimte in strijd zijn met de Overeenkomst inzake het behoud van het architectonisch erfgoed van Europa (Trb 1985, 163; hierna: het Verdrag van Granada). In de Verordening wordt volgens hen miskend dat een ontwikkeling volgens het Verdrag van Granada aan twee cumulatieve voorwaarden moet voldoen. De ontwikkeling (1) mag geen aantasting vormen van de waarden van de landgoedbiotoop en (2) moet gericht zijn op versterking van de waarden van de landgoedbiotoop. De Verordening gaat er ten onrechte vanuit dat het voldoende is als aan één voorwaarde wordt voldaan. Het plan is volgens [appellant sub 2] en anderen in strijd met het Verdrag van Granada, omdat volgens de planregels gebouwd mag worden als sprake is van een bestaande aantasting. Op grond van het Verdrag van Granada geldt een verplichting tot behoud met verbetering van architectonisch erfgoed en biedt geen ruimte tot het nog verder aantasten daarvan, aldus [appellant sub 2] en anderen. Verder betogen [appellant sub 2] en anderen dat zowel artikel 2.3.3 van de Verordening als de planregels over de vrijwaringszone – molenbiotoop in strijd zijn met het Verdrag van Granada. In plaats van het hele landgoed en de verbinding met de molen integraal te verbeteren is gekozen voor een onomkeerbare aantasting van het architectonisch erfgoed.

15.1.    De Afdeling overweegt met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2797, dat toetsing aan een artikel van een verdrag alleen kan plaatsvinden als dit artikel rechtstreekse werking heeft. Artikel 7 van het Verdrag van Granada richt zich tot de lidstaten en bevat, gelet op de formulering, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, aangezien deze bepaling niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. De Afdeling overweegt dat het voorgaande ook geldt voor artikel 12 van het Verdrag van Granada.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen wijzen op artikel 10 van het Verdrag van Granada, overweegt de Afdeling dat dit artikel, kort weergegeven, bepaalt dat partijen bij het verdrag in alle stadia van de ruimtelijke ordening rekening moeten houden met de doelstelling om het architectonisch erfgoed te beschermen en in stand te houden en dit tot een onderdeel moeten maken van hun beleid. Ook bepaalt artikel 10 van het Verdrag van Granada dat elke partij beleid vaststelt dat het behoud bevordert en het gebruik vergemakkelijkt van bepaalde gebouwen die van belang zijn door hun ligging in een stedelijke of landelijke omgeving en voor de kwaliteit van het bestaan. Hierin valt, anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen, niet te lezen dat het de verdragsluitende partijen in geen geval is toegestaan om over te gaan tot een aantasting van architectonisch erfgoed, daargelaten of deze norm door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is.

Het betoog faalt.

* 27 november 2019 (ABRvS 201906608/1/A1 en /2/A1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiting, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, camperplaatsen, paardenhouderij, geen vergunning van rechtswege, vergoeding kosten deskundigenrapport (Rb Limburg 18/1672)
5.2.    Het college heeft bij besluit van 29 december 2017 tijdig op de aanvraag beslist, zodat in zoverre geen sprake kan zijn van een vergunning van rechtswege. Het college heeft dat besluit in het besluit op bezwaar herroepen. Het college heeft alleen nagelaten om in het besluit op bezwaar van 9 juli 2018 nogmaals een beslissing te nemen op de aanvraag. Het besluit van 9 juli 2018 is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in strijd met artikel 7:11 van de Awb genomen, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het gevolg daarvan echter niet dat er een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan indien het college niet binnen de termijn genoemd in artikel 3.9 beslist. Op het nemen van een besluit op bezwaar zijn immers de bepalingen uit Hoofdstuk 7 van de Awb van toepassing en niet die van de Wabo. Dit is zelfs het geval als het college in een geval zoals hier aan de orde, in bezwaar opnieuw op een aanvraag moet beslissen nadat het tijdig een primair besluit op de aanvraag heeft genomen. Het bestuursorgaan dient binnen de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gestelde termijn op het bezwaar te beslissen. Overschrijding van die termijn betekent niet dat een vergunning van rechtswege is ontstaan maar dat er rechtsmiddelen kunnen worden aangewend om het verkrijgen van een besluit te bespoedigen. In hoofdstuk 7 van de Awb is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Bovendien kan uit de tekst van artikel 3.9 van de Wabo en paragraaf 4.1.3.3 van de Awb alsmede uit de daarbij behorende memorie van toelichting niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd het stelsel van vergunning van rechtswege ook van toepassing te achten in de situatie dat het bestuursorgaan, na het nemen van een tijdig besluit op de aanvraag, een besluit dient te nemen op het tegen dat tijdig genomen primaire besluit gemaakte bezwaar. Het betoog slaagt.

* 27 november 2019 (Rb Gelderland AWB 18/6075 en 18/6081): Awb, Wabo; handhaving, overtreding milieuvergunning, eendenslachterij, geluid, uitbreiding werktijden/aantal transportbewegingen, zicht op legalisatie, nog geen ontwerp-vergunning voor bouwen, milieu en afwijken bpl aan de orde
7.3.  Tussen partijen is niet in geschil dat naast een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo) ook een omgevingsvergunning voor de activiteiten “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo) en de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo) is vereist. Er zijn namelijk bouwwerken geplaatst zonder bouwvergunning, en het gebruik is voor een deel in strijd met het bestemmingsplan. Deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan uitsluitend worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo. Daarvoor is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist.

Ook is niet in geschil dat deze onlosmakelijk samenhangende activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo betreffen. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht het bedrijf verzocht om de aanvraag aan te vullen met deze activiteiten, en op 25 april 2018 heeft het bedrijf ook voor de activiteiten “bouwen” en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” een aanvraag ingediend.

7.4.  De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of voor de onlosmakelijk samenhangende “c-activiteit” het indienen van een aanvraag voldoende is voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie. Zoals eiseres terecht heeft aangevoerd bestaat op grond van jurisprudentie van de Afdeling voor deze activiteit, indien deze slechts kan worden vergund met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo, pas concreet zicht op legalisatie als een ontwerp-omgevingsvergunning is verleend, en dus niet – zoals bij de activiteit “milieu” – als een aanvraag is ingediend welke voldoende gegevens bevat en geen beletselen bestaan voor vergunningverlening. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:228).

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze jurisprudentie van de Afdeling, een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo onvoldoende was om ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht op legalisatie aan te kunnen nemen. Voor concreet zicht op legalisatie had een ontwerp-omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen terinzage moeten zijn gelegd.

De beroepsgrond slaagt.

* 20 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/784): Awb, Ww; handhaving, bouwstop, dwangsom, vervangen stucwerk door nieuw met dezelfde kleur, gewoon onderhoud, geen vergunningplicht
15.  De rechtbank toetst dus of eiser een vergunning nodig had voor het verwijderen van het bestaande stucwerk en het aanbrengen van het nieuwe stucwerk, en voor het verwijderen en terugplaatsen van de muurankers. De rechtbank vindt dat deze werkzaamheden vallen onder de categorie bouwactiviteiten, omdat de werkzaamheden constructief van aard zijn. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:162) van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, de hoogste rechter in zaken over omgevingsvergunningen. In die uitspraak gaat de Afdeling er ook van uit dat het aanbrengen van stucwerk op de gevels van een woning een bouwactiviteit is.

  1. Verweerder heeft de werkzaamheden getoetst aan het bestemmingsplan Buitengebied 2015. In dat bestemmingsplan zijn specifieke regels opgenomen om bouwwerken die als ‘karakteristiek’ aangeduid zijn te beschermen. Verweerder vindt dat eiser op basis van die planregels een vergunning nodig had.
  2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de werkzaamheden eerst had moeten toetsen aan artikel 2 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). In dat artikel is een lijst opgenomen van vergunningvrije projecten. Voor die projecten is niet alleen geen vergunning nodig voor bouwen, maar ook geen vergunning voor gebruik (waaronder bouwen) in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent dat als artikel 2 van Bijlage II Bor van toepassing is, helemaal niet aan het bestemmingsplan getoetst hoeft te worden.
  3. In artikel 2 onder 1 van Bijlage II Bor staat als vergunningvrij project omschreven: ‘gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen’. In de Nota van toelichting (Staatsblad 2010, 143, bladzijde 140) staat dat met gewoon onderhoud de werkzaamheden worden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is. In rechtspraak van de Afdeling wordt dat ook als maatstaf aangehouden. Bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 maart 2013 (ECLI:NL RVS:2013:BZ4953) en in de al eerder aangehaalde uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:162).
  4. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van gewoon onderhoud. Niet de omvang van de werkzaamheden, maar het doel ervan is bepalend. Het bestaande stucwerk wordt vervangen door nieuw stucwerk met precies dezelfde kleur. En de muurankers die worden verwijderd worden ook weer teruggeplaatst. De werkzaamheden zijn dus gericht op het behoud van de bestaande situatie. Dat betekent dat de werkzaamheden op grond van artikel 2 onder 1 van Bijlage II Bor vergunningvrij zijn.
  5. Omdat de werkzaamheden vergunningvrij waren, heeft eiser geen vergunningplicht overtreden. Dat betekent dat er geen sprake was van een overtreding. Het college had dus geen grondslag om handhavend op te treden.#! 30 oktober 2018 (Rb Den Haag SGR 17/5240): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanpassen monument, vervangen dakpannen, welstand, erfgoedverordening, ontsiering monument, originele/tweedehands dakpannen
    5.2 ………………….
    In zijn rapport van 19 maart 2018 heeft de deskundige geconcludeerd dat ondanks dat verweerder heeft gesteld dat uit het oogpunt van redelijke eisen van welstand, zoals geformuleerd in de gemeentelijke welstandsnota, het uiterlijk van het voordakvlak meer invloed heeft op het straatbeeld dan het achterdakvlak, dit onderscheid op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening niet te maken is. De wijziging van beide dakvlakken dient dan ook op dezelfde wijze beoordeeld te worden. Voor het standpunt van verweerder dat de wijziging van het achterdakvlak buiten beschouwing kan worden gelaten omdat dat dakvlak vanaf openbaar toegankelijk gebied minder zichtbaar is, ziet de deskundige dan ook geen reden. Voorts is door de deskundige geconstateerd dat de overgangen tussen de bestaande dakdelen en het vernieuwde dakdeel duidelijk zichtbaar zijn door het kleurverschil en de verschuiving in het stramien, waardoor het nieuwe dakvlak 24 regels met dakpannen heeft en het oorspronkelijke dak 25 regels met dakpannen. Hierdoor ontstaat visueel een horizontale verspringing van de nieuwe dakpannen met de oude dakpannen. Daarnaast zijn er duidelijke verticale overgangen te zien tussen het nieuwe dakvlak en de bestaande dakvlakken vanwege de extra waterkerende voorzieningen die ertussen aangebracht zijn omdat de profielen tussen nieuwe en oude dakpannen niet op elkaar aansluiten. Naar de mening van de deskundige is sprake van herstel van een gemeentelijk monument op een wijze dat het wordt ontsierd, hetgeen op grond van artikel 10, lid a, onder 3, van de Verordening is verboden. Vanwege de monumentale status van de woning, hadden ook op het achterdakvlak originele, tweedehands dakpannen moeten worden gebruikt, aldus de deskundige.

5.4. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die ertoe aanleiding geven om de door haar aangewezen deskundige niet in zijn oordeel te volgen dat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen de vergunningverlening zoals deze thans ter beoordeling voor ligt. De deskundige heeft een zorgvuldig onderzoek verricht en zijn standpunt toereikend

en inzichtelijk gemotiveerd. De deskundige is voorts gemotiveerd ingegaan op de reacties van partijen en heeft daarin geen aanleiding gezien zijn standpunt te verlaten. De rechtbank overweegt met de deskundige dat de door verweerder aangekaarte praktische bezwaren tegen het gebruik van oorspronkelijke tweedehands dakpannen voor het achterdakvlak niet doorslaggevend in deze beoordeling zijn.