Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

  • 11 december 2019 (ABRvS 201904403/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen met ondergrondse parkeergarage, woon- en leefklimaat, bezonning, beschermd stadsgezicht, ontsluiting
  • 11 december 2019 (ABRvS 201903757/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, legaliseren bedrijfsactiviteiten, grenzen bedrijfsterrein, Natura 2000 (Rb Overijssel 18/845)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201903719/1/A1): Awb, Wabo; niet tijdig nemen nieuw besluit omgevingsvergunning milieu, dwangsom (Rb Den Haag 17/6877)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201903108/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen fiets, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/3003)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201902900/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, bewijslast (Rb Gelderland 18/4827)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201902833/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken bewoning bijgebouw en verwijderen woonvoorzieningen, rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel (Rb Midden-Nederland 19/866 en 19/863)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201902408/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, mantelzorgwoning/erfafscheiding, mantelzorg/Bor/Wmo, functionele verbondenheid (Rb Rotterdam 17/1978)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201902154/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen bomen, planregels (Rb Den Haag 18/4496)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201901892/1/R3): Awb, Wro; bpl, centrum, parkeren/CROW
  • 11 december 2019 (ABRvS 201901816/1/R2): Awb, Wro; bpl, ecologische verbindingszone
  • 11 december 2019 (ABRvS 201901542/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Limburg 18/1364)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201901406/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, diervoederfabriek, vervanging menger, vergunningplicht, capaciteit milieuvergunning (Rb Midden-Nederland 18/2014)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201901298/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, ontheffing betreding woning, drugs (Rb Limburg 18/1666)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201900853/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, woningen boven bedrijvenunits, woon- en leefklimaat (Rb Midden-Nederland 18/2641)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201900798/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, verkeersveiligheid (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4143)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201900656/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, herplantplicht na bomenkap, dwangsom/verjaring, afwijkende herplant, nieuwe beoordeling nodig (Rb Amsterdam 18/2800)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201900080/1/R1): Awb, Wro; bpl, bebossing van agrarisch gebied, belangenafweging
  • 11 december 2019 (ABRvS 201810341/1/A3): Awb, Wabo; handhaving, aanzegging bestuursdwang/sluiting woning, staken hotelmatig gebruik van woning, strijd met bpl, niet tijdig nemen besluit, dwangsom (Rb Amsterdam 18/2769)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201810184/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, minicamping, parkeren
  • 11 december 2019 (ABRvS 201810168/1/R2): Awb, Wro; bpl, wijzigingsbevoegdheid
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809953/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, woningen
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809877/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, strijdig gebruik pand/horeca (Rb Den Haag 18/1843 en 18/2712)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809837/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, strijdig gebruik perceel, caravanstalling, zicht op legalisatie (Rb Oost-Brabant 18/1299)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809239/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809104/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, afvoer van met en spuiwater/incidentele bedrijfssituatie, geluidvoorschriften, nachtperiode
  • 11 december 2019 (ABRvS 201809033/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, opslag kleurstoffen/brandcompartimentering, relatie bpl, milieucategorie, motivering (Rb Den Haag 17/6877)

* 11 december 2019 (ABRvS 201808816/1/A1, 201810378/1/A1, 201902233/1/A1, 201903898/1/A1 en 201905183/1/A1): Awb, Wm; plaatsingsplan, ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, locatie, bereikbaarheid, veiligheid

  • 11 december 2019 (ABRvS 201808600/1/R3): Awb, Ontgrondingenwet; vergunning, toegangsgeulen tot haven, beperking visgebied, belangenafweging, natuur
  • 11 december 2019 (ABRvS 201808569/1/R3): Awb, Wro; bpl, woning, provinciale verordening, doorzichten, kwaliteitskaart, gemeentelijk beleid, parkeren, tussenuitspraak
  • 11 december 2019 (ABRvS 201808435/1/A1); Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, varkensstal, strijd met bpl/provinciale verordening, staldering, overgangsrecht
  • 11 december 2019 (ABRvS 201808315/1/A2): Awb, Tracéwet; schadevergoeding, aanleg provinciale weg, geluid, Onteigeningswet, planschaderecht
  • 11 december 2019 (ABRvS 201806868/1/A2): Awb, Tracéwet; nadeelcompensatie, bevoegdheid Rb, spoorverbreding, planschaderecht (Rb Gelderland 17/6362)
  • 11 december 2019 (ABRvS 201806521/2/R3): Awb, Wro; bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 11 december 2019 (ABRvS 201804331/2/R3): Awb, Wro; bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 11 december 2019 (ABRvS 201707646/1/R1): Awb, Wro; inpassingplan/ontheffing Barro, buitendijkse haven, ophoging oppervlakte, criteria Barro, Ladder/Bor, Natura 2000-gebied, PAS, passende beoordeling

* 10 december 2019 (Cbb 18/2287, 18/2315, 18/2332, 18/2365 en 18/2363): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling

  • 6 december 2019 (Rb Gelderland AWB 19/1228): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, minicamping op historische buitenplaats, noodzaak monumentenvergunning, aantasting cultuurhistorische waarden, motivering
  • 6 december 2019 (Rb Overijssel AWB 18/2127, AWB 18/2184 en AWB 18/2200): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen en afwijken bpl, zonepark, belanghebbenden, gevolgen van enige betekenis, ontvankelijkheid

* 6 december 2019 (ABRvS 201906145/3/A1, 201906438/3/A1 en 201907867/1/A1): Awb; vovo, invordering dwangsommen, toepassing staalslakken golfbaan/geluidwal, bodem/waterverontreiniging, milieuhygiënische en financiële belangen

  • 6 december 2019 (ABRvS 201907954/1/A1): Awb, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, samenvoegen partijen grond/baggerspecie, Bbk/Regeling bodemkwaliteit, erkenningsvereiste
  • 6 december 2019 (Rb Limburg AWB 18/2605 en AWB 19/199): Awb, Wabo; handhaving/(tijdelijke) omgevingsvergunning voor afwijken bpl, parkeerplaats, Natura 2000- gebied, belangenafweging
  • 5 december 2019 (ABRvS 201907694/2/A1): Awb; vovo, invordering dwangsom, permanent gebruik van recreatiewoning (Rb Midden-Nederland 19/2464 en 19/2687)
  • 5 december 2019 (ABRvS 201907833/2/A1): Awb, Wbr; vovo. vergunning, oplaadpalen voor elektrische motorvoertuigen op verzorgingsplaats, Dienstenrichtlijn, selectieprocedure, geen schaarse vergunning (Rb Noord-Holland 18/2075)
  • 5 december 2019 (EH C‑642/18): Niet-nakoming, verplichting tot herziening afvalbeheerplannen, aanmaning, ontvankelijkheid
  • 4 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/6353): Awb, Gmw; handhaving, intrekking exploitatievergunning/schrappen lijst gedogen voor één week, ongeoorloofd reclame maken/gedoogcriteria, stappenplan, ontvankelijkheid
  • 3 december 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/202): Awb, Wro; planschade, woningen en timmerfabriek, EVRM, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
  • 3 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5333): Awb, Gmw; vovo, weigering exploitatievergunningen/handhaving, horecabedrijven, woon- en leefklimaat, bedrijfsvoering, Dienstenrichtlijn
  • 2 december 2019 (Rb Overijssel AWB 19/855): Awb; geschil tussen familie en gemeente over kosten opruimen van sloopafval dat overbleef na sloop woning, geen bestuurlijk besluit, ontvankelijkheid, civiele rechter
  • 2 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5748 en 19/5749): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor kappen, komst ondergrondse parkeergarage, bpl onherroepelijk, bomenverordening
  • 2 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5042 WABOA VV en BRE 19/5043 WABOA, BRE 19/5083 WABOA VV en BRE 19/5065 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bouw moskee, behoefte, stedelijke ontwikkeling/Bro
  • 26 november 2019 (Hof Amsterdam 200.251.444/01 KG): BW; dakterras binnen twee meter van erfgrens, uitzicht, strijd met wet, verwijdering
  • 25 november 2019 (Rb Overijssel AWB 19/1920): Awb, Ww; vovo, handhaving, dwangsom, brandwerendheidseisen, doorvoeringen, nieuw/bestand, versie Bouwbesluit, concreetheid besluit
  • 21 november 2019 (Rb Limburg ROE 18/3183 en ROE 19/1310): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, logiesverblijven in pand, hotelbestemming, verblijfsduur, verbindendheid beheersverordening, rechtszekerheidsbeginsel
  • 19 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/722): Awb, Wm; energiebesparingsverplichting, Activiteitenbesluit, plan van aanpak, reactie geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, geen publiekrechtelijke handeling gericht op rechtsgevolg
  • 14 november 2019 (Rb Den Haag SGR 19/6234 en 19/6235): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, APV, slecht levensgedrag, Bibob/VOG, motivering
  • 24 september 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1962): Awb, Wabo; afwijzing verzoek om intrekking bouwstop, afwijking van verleende bouwvergunning, zicht op legalisatie
  • 28 augustus 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 16/2918): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, woonruimte in bedrijfspand, strijd met bpl, brandveiligheid/Bouwbesluit
  • 25 juli 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/7022): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en veranderen monument, woon- en leefklimaat, lichttoetreding, karakteristieke bebouwing

5 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1710E): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, cultureel centrum, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

  • 11 december 2019 (ABRvS 201903757/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, legaliseren bedrijfsactiviteiten, grenzen bedrijfsterrein, Natura 2000 (Rb Overijssel 18/845)
    • Het gebied De Wieden is al bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De Afdeling stelt vast dat het perceel binnen het op de kaart als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied ligt. In paragraaf 3.3 van de nota van toelichting die deel uitmaakt van dit aanwijzingsbesluit, is vermeld dat de begrenzing van het aangewezen gebied is aangegeven op de kaart die hoort bij het aanwijzingsbesluit, maar dat bestaande bebouwing, inclusief erven en tuinen, en verhardingen geen deel uitmaken van het aangewezen

Bij besluit van 25 november 2013 is het gebied De Wieden aangewezen als Natura 2000- gebied. De Afdeling stelt vast dat het achterste gedeelte van het perceel binnen het op de kaart als Natura 2000-gebied aangewezen gebied ligt. In paragraaf 3.4 van de nota van toelichting die deel uitmaakt van dit aanwijzingsbesluit, is vermeld dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied is aangegeven op de kaart die hoort bij het aanwijzingsbesluit, maar dat bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen geen deel uitmaken van het aangewezen gebied.

  • Naar het oordeel van de Afdeling lag het op de weg van het college om te onderbouwen dat het gedeelte van het perceel dat volgens de kaart binnen het Natura 2000-gebied De Wieden ligt, op de relevante peildatum bebouwd was of op zo’n manier werd gebruikt dat dit gedeelte van het perceel als gevolg van de in het aanwijzingsbesluit opgenomen algemene exclaveringsformule geen deel uitmaakt van het aangewezen gebied. Met de enkele stelling dat er al zeker vanaf 2012 opslag op het van belang zijnde deel van het perceel plaatsvond, heeft het college dit niet gedaan. Evenmin heeft het college gemotiveerd waarom voor de toepassing van de exclaveringsformule aangesloten wordt bij het aanwijzingsbesluit van 25 november 2013 en niet bij de eerste aanwijzing van het perceel als Vogelrichtlijngebied op 24 maart 2000. Dat het perceel ten tijde van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied een bedrijfsbestemming had, zoals het college ter zitting opmerkte, acht de Afdeling daarvoor

 

  • 11 december 2019 (ABRvS 201903108/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen fiets, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/3003)
  1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9037), is blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming (Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 6) met de in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb neergelegde bekendmakingsregeling, die een aanvulling vormt op de bekendmakingsregeling van het eerste lid van voormeld artikel, beoogd een regeling te geven voor het geval de gewone bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbende niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat zijn identiteit of adres onbekend is. Niet in geschil is dat de overtreder niet bekend was. Zoals het college ter zitting heeft

toegelicht, past het in dat geval een vaste lijn toe, waarbij een sticker op de fiets wordt aangebracht. Met het aanbrengen van de sticker heeft het college het besluit op een andere geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekendgemaakt. Zoals  het college terecht heeft betoogd, gaat de vergelijking van de rechtbank met de uitspraak van 9 februari 2005 niet op. Omdat de fiets in die zaak niet was gestickerd, was het besluit niet op deze wijze bekendgemaakt. [wederpartij] heeft zijn bezwaar later dan zes weken na 6 november 2017, en dus buiten de bezwaartermijn, ingediend. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

  • Uit jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:476) kan worden afgeleid dat een termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht, als een belanghebbende die niet schriftelijk op de hoogte is gesteld van een besluit dat niet is gepubliceerd in een huis-aan-huis blad, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt of had kunnen raken, zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt. [wederpartij] heeft gezien dat zijn fiets op 19 december 2017 werd verwijderd en heeft toen contact opgenomen met de politie, die hem doorverbond met de gemeente. Niet is gebleken dat hem op dat moment is verteld dat op 6 november 2017 een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang is genomen. Daarom kan niet worden aangenomen dat hij op dat moment van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt. Het moment waarop [wederpartij] in ieder geval op de hoogte is geraakt van het besluit, is toen hem de formulieren “kennisgeving besluit” en “constateringsformulier” zijn uitgereikt. Dit is gebeurd toen hij zijn fiets op kwam halen op 28 december 2017. Hij heeft vervolgens binnen twee weken bezwaar gemaakt. De termijnoverschrijding is derhalve verschoonbaar. Ook als overigens zou worden aangenomen dat [wederpartij] de sticker wel had gezien, zou de termijnoverschrijding in beginsel verschoonbaar kunnen zijn geweest, omdat de sticker geen rechtsmiddelenverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb bevat. Een verwijzing naar de website van de gemeente is daarvoor namelijk onvoldoende. Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:594. Het college heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is, hoewel op andere gronden, tot het juiste oordeel

 

  • 11 december 2019 (ABRvS 201902408/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, mantelzorgwoning/erfafscheiding, mantelzorg/Bor/Wmo, functionele verbondenheid (Rb Rotterdam 17/1978)

5.1.    De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat er een noodzaak tot mantelzorg bestaat en dat sprake is van daadwerkelijke verlening van mantelzorg. Uit de tekst van artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor volgt niet dat het een vereiste is om een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur over te leggen om de noodzaak voor mantelzorg aan te tonen. Ook volgt daaruit niet dat reeds voorafgaande aan de vergunningaanvraag de zorgbehoefte bij het college bekend moet zijn. Het college kan vragen om een dergelijke verklaring of om advies vragen, maar dat hoeft niet in alle gevallen.

Het college heeft in dit geval, gelet op het advies van de Wmo-adviseur van 2 april 2016, waarvan een samenvatting is opgenomen in Bijlage C van het besluit van 19 augustus 2016, voldoende gemotiveerd dat bij [appellant B] sprake is van medische zorg en ondersteuning, die de gebruikelijke hulp en zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en voorts dat sprake is van zorg die daadwerkelijk wordt verleend. In het Wmo-advies, dat ter zitting integraal is overgelegd, staat onder meer dat [appellant B] bekend is met degeneratieve afwijkingen aan het bewegingsapparaat en dat zij daadwerkelijke medische ondersteuning krijgt van haar dochter die in de woning op het perceel [locatie 2] woont. Mede gelet op de beoordelingsruimte die het college toekomt bij de vraag of sprake is van mantelzorg als

bedoeld in artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college onder verwijzing naar het advies van de Wmo- adviseur voldoende heeft gemotiveerd dat bij [appellant B] behoefte is aan mantelzorg als bedoeld in artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

Het betoog slaagt.

6.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het bouwwerk op het perceel niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk dat functioneel verbonden is met het hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, onderdelen 1 en 4, van bijlage II van het Bor. Zoals de Afdeling onder

5.1 heeft overwogen, is hier sprake van mantelzorg als bedoeld in artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Voor de toepassing van bijlage II van het Bor wordt op grond van artikel 1, onderdeel 4, van deze bijlage huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Gelet hierop is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college de mantelzorgwoning terecht heeft aangemerkt als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

Het betoog slaagt.

  • 11 december 2019 (ABRvS 201901406/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, diervoederfabriek, vervanging menger, vergunningplicht, capaciteit milieuvergunning (Rb Midden-Nederland 18/2014)

3.2. In een rapport van Bomatech B.V. van 3 maart 2018 wordt geconcludeerd dat met de nieuwe menger niet meer batches gemaakt kunnen worden dan met de oude menger, gelet op de capaciteiten van de totale fabriek lay-out. In een rapport van 29 maart 2018 van Van Rens wordt de juistheid van de conclusie van Bomatech bevestigd. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de rapporten van Bomatech en van Van Rens naar voren gebracht. Anders dan hij heeft aangevoerd, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de periode waarop het onderzoek van Van Rens betrekking heeft, namelijk drie werkweken, zodanig kort is, dat daaraan geen betekenis kan worden toegekend.

De rechtbank is er op grond van de rapporten van Bomatech en van Van Rens terecht van uit gegaan dat de nieuwe menger niet leidt tot een vergroting van de productie. Voorts is ter zitting bij de Afdeling gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat in de omgevingsvergunning van 20 juni 2011 ook geen directe grens is gesteld aan de productiecapaciteit. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de nieuwe menger niet in overeenstemming is met die vergunning. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vervanging van de menger niet vergunningplichtig is.

Voor zover [appellant] ervoor vreest dat stapsgewijs (kleine) wijzigingen van de fabriek plaatsvinden met als eindresultaat dat wel meer wordt geproduceerd, merkt de Afdeling op dat bij iedere wijziging zal moeten worden beoordeeld of deze vergunningplichtig is. Als zich een vergunningplichtige wijziging voordoet, kan [appellant] in die procedure naar voren brengen dat daarmee onaanvaardbare milieugevolgen voor de omgeving ontstaan. Het betoog faalt.

  • 11 december 2019 (ABRvS 201810168/1/R2): Awb, Wro; bpl, wijzigingsbevoegdheid
    • Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt: “Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.”

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt

begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

  • De Afdeling overweegt met betrekking tot de vraag of de in artikel 17, lid 17.2.1, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd het volgende. Uit de voorwaarde in artikel 17, lid 17.2.1, aanhef en onder b, waarin staat dat de woonbestemming inpasbaar is in het gemeentelijk woningbouwprogramma en – beleid, blijkt niet welk gemeentelijk woningbouwprogramma in acht moet worden genomen bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid en dat indien het gemeentelijk woningbouwprogramma gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening dient te worden gehouden met die wijziging. Verder overweegt de Afdeling dat artikel 17, lid 17.2.1, aanhef en onder b, uitsluitend verwijst naar het woningbouwprogramma en -beleid, maar geen regels bevat over de woningbouwmogelijkheden die de wijzigingsbevoegdheid toelaat. Dit klemt temeer nu het gebied met deze aanduiding in verhouding tot de kern van Genderen relatief groot is en door het ontbreken van regels over aantallen of woningdichtheid ook veel meer woningen kunnen worden gerealiseerd, als het woningbouwprogramma voor de hele gemeente dit toelaat, dan de 58 woningen waar in de plantoelichting vanuit is gegaan. Ruimtelijke randvoorwaarden die betrekking hebben op de inpassing van de woningen, waaronder de door de raad van belang geachte landschappelijke inpassing en de door de raad beoogde lage woningdichtheid, ontbreken. De wijzigingsvoorwaarden in artikel 17, lid 17.2.1, aanhef en onder a en f, dat de woonbestemming inpasbaar moet zijn vanuit ruimtelijk oogpunt en moet voldoen aan de regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap, zijn onvoldoende concreet en objectief begrensd. Naar het oordeel van de Afdeling is de aanduiding “wetgevingszone – wijzigingsgebied 2” dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3.6 van de Wro. Het betoog slaagt.
  • In hetgeen [appellant sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding “wetgevingszone – wijzigingsgebied 2” is genomen in strijd met artikel 3.6 van de Wro. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

 

  • 11 december 2019 (ABRvS 201809033/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, opslag kleurstoffen/brandcompartimentering, relatie bpl, milieucategorie, motivering (Rb Den Haag 17/6877)

4.3.  Zoals de Afdeling onder 2.2 heeft overwogen is het bouwplan in ieder geval in strijd met het bestemmingsplan indien het ten dienste staat van een bedrijf dat behoort tot een hogere milieucategorie dan 3.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat door de mengactiviteiten sprake is van een bedrijf dat behoort tot een hogere milieucategorie dan toegestaan. Volgens het college is het bedrijf door die activiteiten vergelijkbaar met een kleur- en verfstoffenfabriek dan wel verf-, lak en vernisfabriek. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een eerdere verklaring van Helion B.V. maar ook naar verschillende adviezen van onder andere de Veiligheidsregio Haaglanden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat om te bepalen tot welke milieucategorie het bedrijf behoort, onder meer is gekeken naar het gevaar als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. Op basis van de adviezen van onder andere de Veiligheidsregio Haaglanden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het mengen, bewerken en vermalen van gevaarlijke (kleur)stoffen in combinatie met de opslag van een grote hoeveelheid gevaarlijke (kleur)stoffen op het perceel grote risico’s heeft. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat die adviezen zodanig

gebrekkig zijn dat het college ze niet aan zijn standpunt ten grondslag mocht leggen. Anders dan Helion B.V. heeft betoogd, is in de adviezen ook beoordeeld welke veiligheidsrisico’s er zijn als gevolg van de mengactiviteiten. Ter zitting is namens het college toegelicht dat het mengen zelf niet zorgt voor de in de adviezen beschreven risico’s maar wel de bijkomende activiteiten en handelingen zoals het uit de verpakking halen van de stoffen.

Het betoog faalt.

  1. Tussen de aangevraagde activiteiten bestaat een onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. Het weigeren van een omgevingsvergunning voor een bepaalde activiteit heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning voor de andere activiteiten waarmee het onlosmakelijk samenhangt, eveneens moet worden geweigerd. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1841.

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het college de omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan terecht heeft geweigerd. Dit betekent dat het college reeds daarom de omgevingsvergunning voor de inrichting moest weigeren. Gelet daarop komt de Afdeling niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de overige in dit verband aangevoerde gronden.

  • 3 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5333): Awb, Gmw; vovo, weigering exploitatievergunningen/handhaving, horecabedrijven, woon- en leefklimaat, bedrijfsvoering, Dienstenrichtlijn
    • Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het hier niet om een vooraf aan de burger of ondernemer gestelde concrete norm, maar om een geformuleerde en geclausuleerde bevoegdheid van de burgemeester. De vergunningaanvrager kan daaruit niet vooraf direct afleiden of zijn aanvraag voldoet aan de voorwaarden of niet. Die duidelijkheid komt pas na verkrijging van het oordeel van de burgemeester, met de beslissing op de

Verweerder heeft, door te wijzen op ‘alle activiteiten die worden ondernomen (of juist nagelaten) in het kader van het exploiteren van een onderneming en die een negatief effect hebben op de openbare orde of het woon- en leefklimaat’, die duidelijkheid vooraf ook niet verschaft.

  • Verweerder heeft ook en met nadruk gewezen op de ervaringen die hij in het verleden heeft opgedaan met [naam] in drie horecabedrijven, welke ervaringen hebben geleid tot sluiting van die drie bedrijven, en het vertrouwen in [naam] dat hersteld moet

Dan gaat het echter niet om een algemene norm die valt binnen artikel 10 van de Dienstenrichtlijn, maar om een concreet element in de specifieke situatie van verzoekster. Voor zover verweerder meent dat (juist of bij uitstek) verzoekster niet in haar belang is of kan zijn getroffen door verweerders handelwijze, gelet op de voorgeschiedenis, ligt de vraag voor of en in hoeverre verweerder die ervaringen uit het verleden thans onder de Dienstenrichtlijn bij een preventieve toets van een vergunning als hier aan de orde mag stellen, of dat daarvoor bijvoorbeeld het instrument van controle achteraf meer geëigend is te achten. Op die Dienstenrichtlijn is door verzoekster uitdrukkelijk een beroep gedaan, maar verweerder is daar niet inhoudelijk op ingegaan. De omstandigheid dat de door verweerder gevolgde werkwijze in het verleden niet op juridische problemen is gestuit, vormt geen argument tegen het door verzoekster inroepen van de Dienstenrichtlijn in de situatie nu.

  • Tot slot is ter zitting is onbetwist gesteld dat verzoekster heeft kunnen functioneren onder het overgangsrecht in de APV. Van urgente belangen die zich verzetten tegen een voortgaan van die exploitatie is niet

 

hotelbestemming, verblijfsduur, verbindendheid beheersverordening, rechtszekerheidsbeginsel

  • Uit vaste rechtspraak (zie ook de conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557, betrokken in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016) volgt dat exceptieve toetsing van een besluit van algemene strekking inhoudt dat het besluit onverbindend moet worden verklaard of buiten toepassing blijft indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het bevoegd gezag om de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden, die bij het nemen van een besluit van algemene strekking zijn betrokken, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft daarbij ook overigens terughoudendheid te betrachten. Het betreft dus een (zeer) terughoudende toets waarbij de rechtbank met name beoordeelt of de beheersverordening in strijd is met hogere wetten of algemene
  • Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.38 van de Wro (Kamerstukken II, 2005-2006, 28 916, nr. 26, blz. 4) is het instrument van de beheersverordening bedoeld om voor gebieden met een lage ruimtelijke dynamiek te kunnen voorzien in een passende planologische bescherming. Dit betekent, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2972), niet dat er geen enkele ontwikkeling in een dergelijk gebied mag plaatsvinden, maar dat ten opzichte van het bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening in beperkte mate ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan die ook reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan. Het beperken van gebruiks- en bebouwings- mogelijkheden is toegestaan, maar daarbij moet het gaan om in het bestemmingsplan opgenomen, onbenutte uitbreidings- en gebruiksmogelijkheden (Staatsblad 2014, nr. 333, blz. 65). Daarbij wijst de Afdeling er, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006-2007, 30 938, nr. 7, blz. 11-12) in voornoemde uitspraak op dat de gemeenteraad hiervoor kan kiezen als deze planologische mogelijkheden jarenlang niet zijn benut en deze niet langer in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat onder het bestemmingsplan 2007 het pand was gelegen binnen een bedrijfsbestemming met de aanduiding ‘horecadoeleinden 2’, meer in het bijzonder ‘hotel’. In artikel 44 van de regels van dit plan werd ‘hotel’ gedefinieerd als “een verblijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is”. Nu, zoals onder 5.2 is geoordeeld, de begrippen ‘logies’ en ‘nachtverblijf’ dezelfde betekenis hebben, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is van een beperking of een uitbreiding van het gebruik in de beheersverordening ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan 2007. De enkele toevoeging ‘(per nacht)’ in de definitie van ‘hotel’ in de beheersverordening maakt dat niet anders, nu die toevoeging niet kan worden gerelateerd aan een verblijfsduur. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de beheersverordening op dit punt de aan de rechtbank toekomende terughoudende toets niet kan doorstaan en onverbindend is te achten.