Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 18 december 2019 (ABRvS 201905181/1/A2): Awb; herziening, planschade, geen evidente, niet voor rectificatie vatbare fouten van de rechter (Rb Den Haag 16/9653)
* 18 december 2019 (ABRvS 201904786/1/A1): Awb,    handhaving, lasten onder dwangsom, melkveehouderij en een co-/mestvergistingsinstallatie, geur (Rb Noord-Nederland 18/2715)
* 18 december 2019 (ABRvS 201904730/1/A1): Awb, Wabo, Wvwv; mededeling overgangsrecht, woonboten, ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3662)
* 18 december 2019 (ABRvS 201904456/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs (Rb Midden-Nederland 18/3300)
* 18 december 2019 (ABRvS 201903928/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Overijssel 18/1466)
* 18 december 2019 (ABRvS 201903466/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Rotterdam 17/6497)
* 18 december 2019 (ABRvS 201903380/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten woning, belanghebbende (Rb Amsterdam 18/4823)
* 18 december 2019 (ABRvS 201903348/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen strijd met bpl (Rb Rotterdam 19/811 en 19/319)
* 18 december 2019 (ABRvS 201903025/1/A1 en 201903033/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom/omgevingsvergunning voor bouwen, erker (Rb Oost-Brabant 18/3213 en 18/2945)
* 18 december 2019 (ABRvS 201902711/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6050)
* 18 december 2019 (ABRvS 201902701/1/A3): Awb; weigering bijschrijving op beheerdersbijlage van exploitatievergunning coffeeshop, levensgedrag, APV, omstandigheden van het geval, APV, Dienstenrichtlijn, voorzienbaarheid/willekeur (Rb Rotterdam 19/716 en 19/717)
* 18 december 2019 (ABRvS 201902411/1/A1 en 201902412/1/A1): Awb; invordering, dwangsommen, gebruik recreatiewoning, verjaring, aanmaning, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/1303 en 18/1304
* 18 december 2019 (ABRvS 201902187/1/A1, 201902188/1/A1 en 201902190/1/A1): Awb, Mnw; verlenging opsporingsvergunningen, termijnoverschrijding/ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/1615, 18/1607 en 18/1614)
* 18 december 2019 (ABRvS 201902178/1/R1): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling gronden, van kerk naar woningen
* 18 december 2019 (ABRvS 201902116/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, recreatief nachtverblijf op camping, strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2993)
* 18 december 2019 (ABRvS 201902003/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, parkeren, CROW
* 18 december 2019 (ABRvS 201901928/1/R1): Awb, Wro; bpl, belanghebbende, recreatieve stoomtrein, luchtkwaliteit, Activiteitenbesluit
* 18 december 2019 (ABRvS 201901922/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, functionele afscheiding voor bouwwerkzaamheden, hulpconstructie/Bor, geen vergunningplicht (Rb Midden-Nederland 18/1154)
* 18 december 2019 (ABRvS201901848/1/R1): Awb, Wro; bpl, zorgcomplex, beeldkwaliteitsplan/beleidsregel, Wnb
# 18 december 2019 (ABRvS 201901711/1/A3): Awb, Wm; handhaving, horecabedrijven, terrassen, Activiteitenbesluit (Rb Den Haag 17/4189)
* 18 december 2019 (ABRvS 201901501/1/A1, 201901653/1/A1, 201902813/1/A1, 201903183/1/A1, 201903214/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 18 december 2019 (ABRvS 201901442/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, invordering, dwangsom, bijgebouwen, oppervlak, vergunningplicht (Rb Midden-Nederland 18/1996)
* 18 december 2019 (ABRvS 201901331/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, bewoning/B&B, geen vergunning, strijd met bpl, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 17/4433 en 17/3829)
* 18 december 2019 (ABRvS 201901155/1/R1): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, woningen, geur, verdichting
* 18 december 2019 (ABRvS 201901121/2/A3): Awb, Gmw; wijziging exploitatievergunning, restaurant, APV, sluitingstijd, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 18 december 2019 (ABRvS 201900922/1/R1): Awb, Wro; uitwerkingsplan, bomenkap, woon- en leefklimaat
* 18 december 2019 (ABRvS 201900737/1/R1): Awb, Wro; bpl, gebouwencomplex korenmolen, detailhandel/structuurvisie, geluid, bakkerij/horeca/terras, parkeren, verkeersveiligheid
* 18 december 2019 (ABRvS 201900494/1/R3): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, stedelijke bebouwing op voormalige glastuinbouwgebieden, Wnb, m.e.r.-beoordelingsbesluit
* 18 december 2019 (ABRvS 201810323/1/R1): Awb, Wro; bpl, beperking bedrijfsvoering, milieucategorie, buitenopslag
* 18 december 2019 (ABRvS 201809910/1/R2): Awb, Wro; bpl, verbindingsweg, belanghebbenden, Wnb, PAS/relativiteit, verkeersafwikkeling
* 18 december 2019 (ABRvS 201809725/1/R3): Awb, Wro; weigering vaststelling bpl, woningen
* 18 december 2019 (ABRvS 201809234/1/A1): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, opslag zand en grond bij veehouderij, geen melding Besluit bodemkwaliteit, wal/vermenging met ruwvoer, Activiteitenbesluit
# 18 december 2019 (ABRvS 201809023/1/R1): Awb, Wro; inpassingsplan, windpark, inspraak/Aarhus, nut en noodzaak, MER, natuur/omgevingsverordening, (laagfrequent) geluid, slagschaduw, gezondheid, externe veiligheid
* 18 december 2019 (ABRvS 201808868/1/R1): Awb, BP; gedogen, aanleg en instandhouding windturbines
* 18 december 2019 (ABRvS 201808678/1/R3): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, Ladder/Bro, verantwoording ligging buiten stedelijk gebied
* 18 december 2019 (ABRvS 201808262/2/R2): Awb, Wro; bpl, verbeelding kruising, ontsluiting, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 18 december 2019 (ABRvS 201807724/1/R1): Awb, Wro; bpl, uitbreiding varkensbedrijf/KI, provinciale verordening, overgangsrecht, bedrijfswoning, tussenuitspraak
* 18 december 2019 (ABRvS 201807200/1/R2): Awb, Wro; bpl, camping, agrarische bedrijven, onderzoek uitbreiding aantal standplaatsen, geluid/RBS, verkeer/parkeren, CROW, geur, spuitzone
* 18 december 2019 (ABRvS 201807048/1/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bedrijfsbestemmingen, VNG-brochure, Activiteitenbesluit
* 18 december 2019 (ABRvS 201806401/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, Ladder/Bro, milieuzonering, geluid, kerkgeluid, Activiteitenbesluit, bezonning, parkeren
* 18 december 2019 (ABRvS 201806028/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, detailhandel, provinciale verordening, supermarkten, structuurvisie, schaarse rechten/relativiteit
* 18 december 2019 (ABRvS 201805972/1/R1): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, windpark, informatie/draagvlak, onderbouwing, geluid, verbeteren ruimtelijke kwaliteit
* 18 december 2019 (ABRvS 201805289/1/R1): Awb, Wro; bpl, landgoed, omgevingsverordening, shortstay arbeidsmigranten/aantal, zelf in de zaak voorzien
* 18 december 2019 (ABRvS 201803820/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, evenementen, dynamische verwijzing in planregels naar evenementenbeleid, tussenuitspraak
* 18 december 2019 (ABRvS 201800956/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, herziening 3 beheersverordeningen, provinciale verordening, cultuurhistorische waarde stelpboerderij, woon- en leefklimaat/geluid/wegtracé
* 18 december 2019 (ABRvS 201800466/2/A2): Awb, Wro; planschade, hernieuwde tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 17/5219)
* 18 december 2019 (ABRvS 201710048/3/R3): Awb, Wro; bpl, moskee, methode verkeersgeneratie, parkeren, CROW, m.e.r.-procedure, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 18 december 2019 (ABRvS 201706998/2/R3): Awb, Wro; bpl, camping, VNG-brochure, milieuzone, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
# 18 december 2019 (ABRvS 201703495/1/A2, 201703542/1/A2, 201703635/1/A2, 201703658/1/A2, 201703674/1/A2, 201703746/1/A2, 201703750/1/A2, 201703758/1/A2, 201703807/1/A2, 201805414/1/A2, 201805416/1/A2, 201805422/1/A2, 201805423/1/A2, 201805427/1/A2, 201805428/1/A2, 201805437/1/A2, 201805439/1/A2, 201805442/1/A2, 201805443/1/A2, 201805447/1/A2, 201805618/1/A2, 201805620/1/A2, 201805623/1/A2, 201805645/1/A2, 201805656/1/A2, 201805657/1/A2, 201805670/1/A2, 201805671/1/A2, 201805707/1/A2, 201805723/1/A2, 201805740/1/A2): Awb, Wro; planschade, vergoeding in natura, proceskosten (Rb Noord-Holland 13/2105, 13/481, 13/2146, 13/2149, 13/2116, 13/2114, 13/2113, 13/2115, 13/2172, 15/5387, 14/5316, 17/473, 14/5312 en 15/5547, 16/83, 15/5545, 17/419, 15/5544, 15/5548, 15/5543, 17/420, 17/474, 16/85, 16/75, 17/1204, 14/5318, 16/109, 16/814 en 16/815, 14/5460 en 16/1811, 16/1809, 14/5321 en 15/5546)
* 17 december 2019 (Rb Overijssel AWB 19/2199): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, beschermd wonen, risico’s/overlast omgeving, onvoldoende in beeld gebracht
* 17 december 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/3627): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob, zakelijk samenwerkingsverband was verbroken, tussenuitspraak
* 17 december 2019 (CBb 18/2017, 18/2333, 18/2223, 18/2046, 18/2370, 18/2352, 18/2339, 18/2353, 18/2348, 18/2349, 18/2483, 18/987, 18/2514, 18/2310, 18/2328, 18/2314, 18/2536, 18/2357 en 18/2572): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, grondgebondenheid, grensboerregeling, uitscharingsregeling

* 17 december 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.222.324/01 en 200.222.187/01): BW; schade door aardgaswinning,  vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en vergoeding immateriële schade
#! 13 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/733): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu/extra voorschriften, afvalverbrandingsinstallatie, belanghebbenden, bypass/doekfilterinstallatie, BREF/BBT, niet representatieve bedrijfsomstandigheden
* 13 december 2019 (Rb Overijssel AWB 19/1098): Awb, Wro; planschade, recreatiewoningen, bpl, omgevingsverordening, voorzienbaarheid, geen passieve risicoaanvaarding
* 13 december 2019 (Rb Overijssel AWB 19/640 en 19/641): Awb, Wabo, Wm; handhaving, ambachtelijke bierbrouwerij, geen strijd met bpl, Activiteitenbesluit/Obm/melding
* 13 december 2019 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3017): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, fitnesscentrum in kerk, ruimtelijke onderbouwing, geluid, verkeer, parkeren, CROW
* 13 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2366): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, veemarkt, bevoegdheid, VNG-brochure, verkeer
* 13 december 2019 (Rb Gelderland ARN 19/6147): Awb, Wabo; vovo, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl
* 12 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/913): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, café, drugshandel
* 11 december 2019 (ABRvS 201905993/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, recreatiechalets, woon- en leefklimaat, VNG-brochure, landschappelijke inpassing, brandveiligheid/zelfredzaamheid, Natura 2000/relativiteit
* 11 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4578): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, herinrichting recreatiepark, vleermuis/das en ringslang, belang is van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, motivering, bomenkap/veiligheid
* 11 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5271 en AMS 19/5363): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, APV, slecht levensgedrag/open norm, Dienstenrichtlijn, willekeur
* 10 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/6050 en AMS 19/6052): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, APV, slecht levensgedrag/open norm, Dienstenrichtlijn, willekeur
#! 10 december 2019 (Rb Den Haag SGR 17/4337): Awb, Wro; planschade, compensatie in natura, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 5 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 17/1951 en UTR 19/1394): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, motorcrosscircuit, m.e.r.-plicht/PAS, geluizone, zonebeheer, rekenmethode, omroepinstallatie, rekenpunt, tonaal karakter
* 4 december 2019 (Rb Midden-Nederland 7512893 UC EXPL 19-1258 BEv/35170): BW; onrechtmatige hinder, hoge boom in achtertuin, snoei
* 4 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2095, UTR 19/4018, UTR 19/2096 en UTR 19/4508): Awb; vovo, invordering, dwangsom, gebruik vakantiewoningen door arbeidsmigranten, strijd met bpl
* 22 december 2019 (Rb Den Haag SGR 19/2283 en SGR 19/4631): Awb, Gmw; muilkorf- en aanlijngebod/bestuursdwang, in beslag nemen hond, APV, openbare orde, blijvend beslag, bevoegdheid
* 8 november 2019 (Rb Rotterdam ROT 17/6356, ROT 17/6405 en ROT 17/6571): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, medisch centrum, ontsluiting, verkeersafwikkeling, parkeren/CROW, openingstijden, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 18 oktober 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3049 HOREC VV, BRE 19/3091 HOREC VV, BRE 19/3093 HOREC VV en BRE 19/3664 HOREC VV): Awb, DHW, Gmw; vovo, handhaving, intrekking DHW- en exploitatievergunning, horeca, Cash Center, openbare orde, APV
* 26 juli 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/546): Awb, Wm; handhaving, dwangsommen, jachthaven met een tankstation voor het afleveren van brandstof aan pleziervaartuigen, Activiteitenbesluit/-regeling, geen toezicht, mobiele tank/PGS 31, vullen draagbare opslagmedia

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

Week 51 – Bijzondere overwegingen uit totale overzicht

* 18 december 2019 (ABRvS 201904730/1/A1): Awb, Wabo, Wvwv; mededeling overgangsrecht, woonboten, ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3662)
4.2.    De Afdeling is van oordeel dat de in de brief van 26 februari 2018 vervatte mededeling dat de in de Noorderhaven gelegen schepen niet onder artikel 8.2a van de Wabo vallen, een bestuurlijk rechtsoordeel is.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2554) is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In uitzonderingsituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet die situatie zich in deze zaak niet voor. [appellant A] en [appellant B] kunnen, anders dan zij stellen, een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning indienen. Dat zij menen dat zij die vergunning niet nodig hebben, maakt het indienen van de aanvraag niet onevenredig bezwarend. Hun vrees dat het college in het besluit op hun aanvraag niet op de toepasselijkheid van artikel 8.2a van de Wabo zal ingaan, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant A] en [appellant B] kunnen in de procedure naar aanleiding van hun aanvraag aanvoeren dat artikel 8.2a van de Wabo op hun situatie van toepassing is. De Afdeling overweegt in dit verband nog dat het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat het in die procedure ook over dit betoog een oordeel zal geven.

Het betoog faalt.

* 18 december 2019 (ABRvS 201902411/1/A1 en 201902412/1/A1): Awb; invordering, dwangsommen, gebruik recreatiewoning, verjaring, aanmaning, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/1303 en 18/1304)
4.4.    Vast staat dat het besluit van 24 april 2019 aangetekend is verzonden aan het adres in Nederland waar [wederpartij] op dat moment was ingeschreven en aldaar in ontvangst is genomen.

Nu bij het college bekend was dat [wederpartij] zich door een gemachtigde liet bijstaan, is de Afdeling van oordeel dat het college het besluit van 24 april 2019 in ieder geval ook aan de gemachtigde van [wederpartij] diende toe te zenden. Dat dit niet is gebeurd, maakt echter niet dat met het besluit van 24 april 2019 de verjaringstermijn, voor zover de invorderingsbevoegdheid van het college nog bestond na de uitspraak van de rechtbank, niet is verlengd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2080), zien artikel 2:1, eerste lid, en artikel 6:17 van de Awb op de procedurele belangen van een belanghebbende. De niet-correcte bekendmaking kan in voorkomend geval – als daardoor te laat een rechtsmiddel is aangewend tegen het desbetreffende besluit – wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1345), maar daaruit volgt niet dat, indien een bestuursorgaan bij besluit uitstel van betaling verleent zonder dit besluit tevens aan de gemachtigde te verzenden, dit besluit de verjaringstermijn niet verlengt.

De conclusie is dat het betoog van [wederpartij] niet wordt gevolgd en dat het college nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.

  1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verjaring niet is gestuit door de brief van 10 juli 2017. In die brief heeft het college niet vermeld dat eventuele invorderingsmaatregelen op kosten van [wederpartij] zullen plaatsvinden, maar een dergelijke vermelding is volgens het college niet noodzakelijk om een brief als aanmaning te kunnen aanmerken. Het college verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2405).

5.1.    Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door het college genoemde uitspraak van 18 juli 2018, betekent de omstandigheid dat het college in zijn brief van 10 juli 2017 niet heeft medegedeeld dat een eventuele dwanginvordering op kosten van de schuldenaar zal plaatsvinden, niet dat die brief geen aanmaning is als bedoeld in artikel 4:106, gelezen in samenhang met artikel 4:112, van de Awb. Wel dient uit het oogpunt van rechtszekerheid voor de aangeschrevene uit een aanmaning onmiskenbaar te blijken dat ingeval niet wordt betaald na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn dwanginvordering zal volgen. Deze informatie is opgenomen in de brief van 10 juli 2017, zodat [wederpartij] niet in een rechtsonzekere situatie omtrent de invorderingsmaatregelen is komen te verkeren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de brief van 10 juli 2017 niet kan worden aangemerkt als een aanmaning zoals bedoeld in de genoemde bepalingen.

Het voorgaande betekent dat het college de verjaring van zijn invorderingsbevoegdheid met de aanmaning van 10 juli 2017 heeft gestuit. Nu het college die verjaring opnieuw heeft gestuit met een aanmaning van 22 juni 2018, was die bevoegdheid ten tijde van de uitspraak van de rechtbank niet verjaard. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

* 18 december 2019 (ABRvS 201901922/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, functionele afscheiding voor bouwwerkzaamheden, hulpconstructie/Bor, geen vergunningplicht (Rb Midden-Nederland 18/1154)
3.2.    [bedrijf] is eigenaar van het perceel. Zij heeft ten behoeve van de bouw- en aanlegwerkzaamheden op het perceel een afscheiding geplaatst ter hoogte van de tuin van [appellant]. De werkzaamheden bestonden uit de bouw van woningen en het uitgraven van een sloot met een breedte van ongeveer 5 m om een eiland te kunnen realiseren, het ophogen van het aldus gevormde eiland, het aanplanten van bomen en het aanbrengen van beschoeiing. Deze werkzaamheden waren ten tijde van het primaire besluit en het besluit op bezwaar nog niet afgerond. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Gelet op de hiervoor weergegeven werkzaamheden die op het gehele perceel plaatsvonden, was de afscheiding functioneel en in de onmiddellijke nabijheid van die werkzaamheden geplaatst. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de afscheiding een hulpconstructie was als bedoeld in artikel 2, aanhef en twintigste lid, van bijlage II van het Bor en zonder omgevingsvergunning kon worden geplaatst.

Het betoog faalt.

* 18 december 2019 (ABRvS 201806401/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, Ladder/Bro, milieuzonering, geluid, kerkgeluid, Activiteitenbesluit, bezonning, parkeren
9.2  …………………..
Verder overweegt de Afdeling dat in de akoestisch onderzoeken is beschreven dat voor wat betreft de kerk de belangrijkste geluidrelevante activiteiten de kerkdiensten en mogelijk versterkte muziek tijdens de diensten zijn. Deze activiteiten vormen volgens deze onderzoeken de representatieve situatie en vinden plaats in de dag- en avondperiode. Voor de versterkte muziek is uitgegaan van een gemiddeld geluidniveau in de kerk van 75 dB(A), met een popmuziekspectrum. Voor de geluiduitstraling naar de omgeving van het plangebied zijn de raampartijen van de kerk bepalend. De representatieve situaties zijn worst-case opgesteld en geven een maatgevend beeld van het geluid naar de omgeving. In het geactualiseerde akoestisch onderzoek staat dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als gevolg van de activiteiten van de kerk ten hoogste 42 dB(A) bedragen in de dag- en avondperiode op de gevel van de voorziene woningen. Aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt derhalve ruim voldaan. Voor de maximale geluidniveaus geldt dat deze 30 dB(A) meer mogen bedragen dan de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de praktijk blijkt dat muziek- en stemgeluid pieken bevat van 6 tot 10 dB(A) en derhalve geen significante rol speelt, aldus het geactualiseerde onderzoek.

Nu in de te realiseren situatie ter plaatse van de woningen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat bij de voorziene woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet onredelijk. De bevindingen van bureau Peutz en zijn kanttekeningen bij het akoestisch onderzoek geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling overweegt daartoe dat volgens Peutz en het parochiebestuur hogere geluidniveaus optreden tijdens grote kerkconcerten, het gelijktijdig oefenen van koren in zowel de kerk als de pastorie en huwelijken en recepties. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze incidentele, dan wel gelijktijdige, activiteiten niet behoren tot de representatieve situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hoewel het geluidniveau ter plaatse van het orgel en tijdens koorconcerten tijdelijk hoger kan zijn, de raad in redelijkheid heeft kunnen uitgegaan van het gemiddelde geluidniveau in een representatieve situatie. Ook neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat de raad terecht heeft gesteld dat het oproepen met klokgelui voor het belijden van godsdienst volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing mag worden gelaten. Daarbij komt dat er bestaande woningen dichterbij de kerk liggen, waardoor de in het plan voorziene woningen wat betreft het Activiteitenbesluit milieubeheer niet tot verdergaande beperkingen leiden. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat incidentele activiteiten, zoals grote kerkconcerten, geen deel uitmaken van de representatieve situatie. Over de recepties in de tuin en koorrepetities in het parochiehuis, overweegt de Afdeling voorts dat deze activiteiten niet onder de bestemming voor tuin en bedrijfswoning vallen en derhalve terecht buiten beschouwing zijn gelaten. Ten slotte heeft de raad het klokgelui in het kader van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten gezien de ligging in het centrum, waar de kerk deel van uitmaakt, en de stedelijke uitstraling daarvan.

* 18 december 2019 (ABRvS 201805972/1/R1): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, windpark, informatie/draagvlak, onderbouwing, geluid, verbeteren ruimtelijke kwaliteit
23.1.     De Afdeling heeft eerder overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2015:1702, dat de omstandigheid dat geen maatschappelijk draagvlak bestaat, niet betekent dat een bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De enkele omstandigheid dat in dit geval draagvlak voor het windpark zou ontbreken, wat daar ook van zij, kan derhalve geen dragend argument zijn voor het weigeren van de planologische medewerking. Over de verwijzing van de raad in zijn verweerschrift naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7603, wordt overwogen dat uit die uitspraak volgt dat aan de afwijzing van de aanvraag mede ten grondslag is gelegd de aantasting van de individuele belangen van omwonenden en de inbreuk op de woon- en leefomgeving.

23.2.    Het vorenstaande neemt niet weg dat, bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3580. Etriplus heeft onweersproken gesteld dat er geen gemeentelijk beleid is, waarin is vastgelegd dat een onderzoek naar de omvang van het draagvlak verricht dient te worden en dat ook anderszins niet bekend is (gemaakt) wat een dergelijk onderzoek zou moeten inhouden. Ook heeft Etriplus onweersproken toegelicht dat zij inspanningen heeft verricht die gericht waren op het peilen en vergroten van draagvlak onder omwonenden. Zij wijst in dit verband op onder meer de omstandigheid dat in samenspraak met omwonenden financiële middelen zijn gereserveerd voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving van het plangebied, omwonenden de mogelijkheid is geboden economisch te participeren in het project en dat buitenwettelijke informatie- en inspraakmogelijkheden zijn georganiseerd. Het standpunt van de raad dat Etriplus zich in dit verband onvoldoende heeft ingespannen, volgt de Afdeling daarom niet. Het betoog slaagt.

* 17 december 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.222.324/01 en 200.222.187/01): BW; schade door aardgaswinning,  vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en vergoeding immateriële schade
7.36  Uit wat in het vorige punt is vermeld, volgt dat in een situatie waarin een woning meer dan eenmaal schade (het gaat ook hier om vastgestelde A- schade of B-schade) heeft opgelopen kan worden aangenomen dat de bewoners van die woning op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op immateriële schade. In die situatie brengen de aard (concrete en potentieel beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer) en de ernst (geen incident maar een herhaling) van de gebeurtenis mee dat de nadelige gevolgen daarvan voldoende voor de hand liggen. Buiten deze situatie dient van geval tot geval te worden afgewogen of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

7.37  De Hoge Raad geeft de rechter de mogelijkheid om wanneer hij een aantasting in de persoon op andere wijze aanneemt voor een bepaalde categorie, voor die categorie ook aannemelijk te achten dat de schade tenminste een bepaald bedrag is. De Hoge Raad noemt zelf geen bedrag. Over de hoogte van zo’n bedrag kan heel verschillend worden gedacht. De situatie in Groningen is in de Nederlandse rechtspraktijk uniek, zodat geen aanknopingspunt kan worden gevonden in vergelijkbare situaties. In zijn algemeenheid geldt dat in situaties waarin geen sprake is van lichamelijk of geestelijk letsel het smartengeld in Nederland beperkt is. Al met al is naar het oordeel van het hof in dit geval een minimumbedrag van

€ 2.500,- redelijk. In individuele gevallen kan het bedrag worden verhoogd, bijvoorbeeld wanneer meer dan tweemaal A- of B-schade is vastgesteld (uitgangspunt is dat per extra schadegeval aanspraak bestaat op € 1.250,-), of ten gevolge van de aardbevingen ernstige (psychische) gezondheidsklachten zijn ontstaan of de woning onbewoonbaar is verklaard of langdurig niet bewoond kon worden.

9.5  Een aantal eisers heeft ook aangevoerd dat bij hen geestelijk letsel is ontstaan door de aardbevingen. Wanneer hun vordering tot immateriële schade toch al toewijsbaar is omdat hun woning twee of meermalen is beschadigd, is een onderzoek naar het bestaan van psychisch letsel niet nodig. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft de advocaat van eisers aangegeven dat de grondslag geestelijk letsel de subsidiaire grondslag is voor de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Als de primaire grondslag al tot toewijzing leidt, hoeft de subsidiaire grondslag niet besproken te worden. Bij de vraag hoe hoog het smartengeld moet zijn, kan het natuurlijk wel een rol spelen of geestelijk letsel is ontstaan. De vraag naar de omvang van de schade wordt in deze procedure niet definitief beantwoord.

Wanneer iemand die stelt geestelijk letsel te hebben opgelopen niet in een woning woont die minstens tweemaal fysieke schade heeft opgelopen, moet in deze procedure wellicht alsnog worden onderzocht of sprake is van geestelijk letsel.

#! 13 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/733): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu/extra voorschriften, afvalverbrandingsinstallatie, belanghebbenden, bypass/doekfilterinstallatie, BREF/BBT, niet representatieve bedrijfsomstandigheden
3.5  De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling of eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, de werking van de gehele inrichting, inclusief de wijziging van de werking van de inrichting als gevolg van de geactualiseerde voorschriften, als uitgangspunt dient te worden genomen. In dit verband stelt de rechtbank vast dat het met de actualisatie van de vergunning en de daarmee gepaard gaande wijziging van de voorschriften van de vergunning mogelijk is dat de opstartleiding, die als noodvoorziening de rookgassen om het doekenfilter heen kan geleiden, mag worden gebruikt wanneer de rookgastemperatuur hoger is dan 210 graden Celsius. Dit brengt met zich dat, indien de in het voorschrift omschreven omstandigheid zich voordoet, er sprake is van uitstoot door de inrichting zonder enige vorm van filtering. Gelet op deze in de vergunning gereguleerde mogelijkheid dat ongereinigde rookgassen worden uitgestoten die zeer zorgwekkende stoffen kunnen bevatten en nu gelet op de overgelegde rapporten aannemelijk is dat deze kunnen neerdalen op de percelen van de appellanten, is de rechtbank van oordeel dat alle eisers rechtstreeks feitelijke gevolgen (kunnen) ondervinden van het besluit en daarom als belanghebbenden in vorenbedoelde zin dienen te worden aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het criterium “gevolgen van enige betekenis” aldus moet worden begrepen dat het in geval van twijfel aan de belanghebbendheid fungeert als correctie op het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – in dit geval de gewijzigde vergunning – toestaat, belanghebbende is. In dit geval is de afstand van de woningen en percelen van eisers tot de inrichting,-gerelateerd aan de aard van de ondervonden milieugevolgen, te weten depositie van zeer zorgwekkende stoffen – waaronder dioxine – in de omgeving, naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat aanleiding bestaat voor het toepassen van de correctie.

Zoals de AbRvS in de uitspraak van 23 augustus 2017 heeft overwogen, is het bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of-er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden. Eisers hebben gemotiveerd gesteld dat zij feitelijke gevolgen ondervinden als gevolg van de door de gewijzigde voorschriften gereguleerde uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de verwijzing naar de rapporten van Witteveen en Bos en Arcadis niet aannemelijk gemaakt dat de uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen alsdan zodanig gering is, dat de gevolgen van de gewijzigde werking van de inrichting die eisers op hun percelen en rondom hun woningen ondervinden niet van enige betekenis zijn. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn betoog dat eisers in dit geval geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

* 11 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5271 en AMS 19/5363): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, APV, slecht levensgedrag/open norm, Dienstenrichtlijn, willekeur
* 10 december 2019 (
Rb Amsterdam AMS 19/6050 en AMS 19/6052): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, APV, slecht levensgedrag/open norm, Dienstenrichtlijn, willekeur
6.2.  De voorzieningenrechter stelt vast dat het begrip ‘levensgedrag’ uit artikel 3.11 van de APV een open norm is. Die is ingevuld door de formulering van het tweede en derde lid van artikel 3.11 van de APV, in samenhang met de toelichting. Gelet daarop lijkt het met deze invulling van het begrip ‘levensgedrag’ in die huidige APV-bepaling dus te gaan om activiteiten in de inrichting die de openbare orde of de kwaliteit van woon- en leefklimaat in een buurt bedreigen. Het volgens verweerder doorslaggevende feit – het feit waar de heer [vennoot 1] van wordt verdacht – valt daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onder. Alleen al omdat dit feit niet in of vanuit het café is gepleegd en ook anderszins niet is gesteld of gebleken dat dit feit in verband staat met de bedrijfsvoering van het café. Dit laatste lijkt overigens ook voor de andere strafbare feiten die de heer [vennoot 1] op zijn naam heeft staan te gelden, nog daargelaten dat deze, op de snelheidsovertreding na, een geruime tijd geleden zijn gepleegd.

6.3.  Door het levensgedrag van de heer [vennoot 1] negatief te beoordelen hoofdzakelijk op basis van het feit waarvan de heer [vennoot 1] wordt verdacht, kan niet meer gesproken worden van een criterium dat, conform artikel 10 van de Dienstenrichtlijn, vanuit het oogpunt van de burger of beoogde dienstverrichter duidelijk en ondubbelzinnig, objectief en transparant en toegankelijk is. Voordat zij de aanvraag deed, had verzoekster namelijk uit de betreffende bepaling in de APV of uit de toelichting niet kunnen of moeten begrijpen dat de enkele verdenking die op de heer [vennoot 1] rust, al zou leiden tot een negatief oordeel over zijn levensgedrag en daarmee tot afwijzing van de verlengingsaanvraag.

6.4.  De totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.11 van de APV, waar namens de burgemeester op de zitting op werd gewezen, maakt evenmin dat het begrip ‘levensgedrag’ aan de criteria uit artikel 10 van de Dienstenrichtlijn voldoet. Nog los van het feit dat de voorzieningenrechter het met partijen eens is dat het Gemeenteblad waarin die geschiedenis is gepubliceerd moeilijk vindbaar is, is het raadplegen van de totstandkomingsgeschiedenis in de regel geboden als een term op zichzelf onduidelijk is. Dit laatste is bij het begrip ‘levensgedrag’ niet het geval. In deze zaak speelt alleen de vraag of gewaarborgd is dat de burgemeester artikel 3.11 van de APV niet willekeurig toepast. De voorzieningenrechter laat de totstandkomingsgeschiedenis dan ook buiten beschouwing.

6.5.  Door de wijze waarop de burgemeester het begrip ‘levensgedrag’ in het geval van verzoekster heeft gebruikt, valt niet uit te sluiten dat artikel 3.11 van de APV in haar geval willekeurig is toegepast. Met de strafrechtelijke feiten van [vennoot 1] en de huidige toelichting, behorend bij artikel 3.11 van de APV, mag de burgemeester het begrip ‘levensgedrag’ niet op deze wijze aan verzoekster tegenwerpen. Het bestreden besluit is om die reden in strijd met artikel 7:12 van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.