Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 24 december 2019 (ABRvS 201905885/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, cultuurhistorische- en ruimtelijke waarden van beschermd gezicht
* 24 december 2019 (ABRvS 201904760/1/A3): Awb, Wnb; handhaving , preventieve last onder dwangsom, vissen op schubvis met staande netten, geen vergunning, uitzondering voor wolhandkrab (Rb Noord-Nederland 18/2551)
* 24 december 2019 (ABRvS 201904711/1/A1 en 201904803/1/A1): Awb, Wm; aanwijzing locaties ondergrondse afvalcontainers, afvalstoffenverordening
* 24 december 2019 (ABRvS 201904262/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, omzetting naar hotel, hotelstrategie/-ladder, bespreking tredes, opdracht aan bevoegd gezag
* 24 december 2019 (ABRvS 201904156/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunning en  ontheffing geluid, omroepinstallatie, belanghebbende, exces, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/5556)
* 24 december 2019 (ABRvS 201904110/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Zeeland-West-Brabant 18/8204)
* 24 december 2019 (ABRvS 201903519/1/A1, 201903520/1/A1, 201903690/1/A1 en ) 201904015/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, vuilniszak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 24 december 2019 (ABRvS 201903472/1/R2 en 201904557/1/R2): Awb, Wro; bpl-en, industrieterrein, koel- en vriesveem
* 24 december 2019 (ABRvS 201903390/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunning, APV, dierenwelzijn/zedelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3247)
* 24 december 2019 (ABRvS 201903331/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, terras bij horeca, woon- en leefklimaat, APV, Dienstenrichtlijn (Rb Amsterdam 18/3314)
* 24 december 2019 (ABRvS 201903189/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, stalling zeecontainers, verwijdering, APV, openbare weg (Rb Den Haag 18/4233 en 18/4683)
* 24 december 2019 (ABRvS 201902999/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor wijziging bouwplan/handhaving, ophoging terrein (Rb Gelderland 15/3473, 16/1758 en 17/790)
* 24 december 2019 (ABRvS 201902993/1/A3): Awb, Wob; milieu-informatie, asbestsanering (Rb Oost-Brabant 17/2682)
* 24 december 2019 (ABRvS 201902345/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, carwash/handelsreclame, VNG-brochure (Rb Midden-Nederland 18/1178)
* 24 december 2019 (ABRvS 201902175/1/R1): Awb, Wro; bpl, gebouwen met recreatie-eenheden, (Gelderse)Ladder/Bro, parkeren, geluid, VNG-brochure, stof, rookoverlast, Helofytenfilter/Activiteitenbesluit
* 24 december 2019 (ABRvS 201902101/1/A2): Awb; financiële tegemoetkoming, overlast Nood-Zuidlijn (Rb Amsterdam 18/306)
* 24 december 2019 (ABRvS 201901823/1/R1): Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl alsmede natuurvergunning en -ontheffing, windturbines, Chw/PAS, provinciale omgevingsvisie/vvgb, externe veiligheid, geluid, gezondheid, voorzorgsbeginsel, slagschaduw, ontvankelijkheid, tussenuitspraak
* 24 december 2019 (ABRvS 201901685/1/A2): Awb; schadevergoeding, windturbine, ontvankelijkheid
* 24 december 2019 (ABRvS 201901517/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kantoren/woonstudio’s, woon- en leefklimaat, welstand, bereikbaarheid hulpdiensten, natuur/Wnb (Rb Midden-Nederland 18/242 en 18/393)
* 24 december 2019 (ABRvS 201901336/1/R2): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, hotel, fastfoodrestaurants, en tankstation met ontsluitingsweg, Natura 2000-gebied, voortoets, stikstofdepositie, habitattypen/vogels, Wnb
* 24 december 2019 (ABRvS 201901139/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, veranderen en vergroten dakopbouw, geen strijd met bpl (Rb Amsterdam 17/7292)
* 24 december 2019 (ABRvS 201900295/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, lasten onder dwangsom, kap bomen/houtwal, verharding , bevoegdheid (Rb Limburg 16/3439)
# 24 december 2019 (ABRvS 201809924/1/A1): Awb, Gmw; wijzigingsvergunning, wijzigen monument, Erfgoedverordening, grotere dakpannen, ook bouwvergunning nodig (Rb Den Haag 17/5240)
* 24 december 2019 (ABRvS 201809466/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplan, aanpassing weg, verkeersveiligheid, CROW, APV
* 24 december 2019 (ABRvS 201809140/1/A1): Awb, Wm; maatwerkvoorschrift, hemelwater, riolering, bevoegdheid
* 24 december 2019 (ABRvS 201808892/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bedrijfsactiviteiten, groothandel, geen strijd met bpl, geluidzone, indirecte hinder (Rb Gelderland 17/5218, 17/5986 en 17/6338)
* 24 december 2019 (ABRvS 201808448/1/A1 en 201900638/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, groepsaccommodatie, muziekgeluid, terras (Rb Gelderland 18/1922 en 18/1785)
* 24 december 2019 (ABRvS 201808314/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, aanpassing midden- en laagspanningskabels, beleidsregel, normale maatschappelijke risico/het normale ondernemersrisico (Rb Noord-Holland 17/2866 en 17/2867)
* 24 december 2019 (ABRvS 201808271/1/R2): Awb, Wro; bpl, vergroting tuincentrum, behoefte/Bro, provinciale verordening, Natuur Netwerk Brabant, cultuurhistorie, Natura 2000, PAS, nieuwe beoordeling
* 24 december 2019 (ABRvS 201808096/1/A1 en 201808097/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken gebruik pand als horeca-1, strijd met bpl, fastfood (Rb Amsterdam 17/5727 en 17/6002)
* 24 december 2019 (ABRvS 201807930/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, invordering, staken kamerverhuur en naleven eisen Bouwbesluit, strijd met bpl, overtreder (Rb Noord-Holland 18/2797 en 18/1824)
* 24 december 2019 (ABRvS 201807760/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding hotel en graven watergangen, belanghebbende, Ladder/Bro, provinciale omgevingsverordening, vaarverordening/bootverkeer, vaarveiligheid, verkeer, parkeren, Natura 2000-gebied, stikstofdepositie, rapporten/uitgangspunten, soortenbescherming, tussenuitspraak

* 24 december 2019 (ABRvS 201807168/1/R3): Awb, Wro; bpl, loswal, carport, rooilijn/Bouwverordening/reparatiewet
* 24 december 2019 (ABRvS 201807048/2/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, agrarische bedrijfsbebouwing
* 24 december 2019 (ABRvS 201806221/2/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, vleermuisonderzoek, Wnb, nieuwe ecologisch rapport, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 december 2019 (ABRvS 201806108/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, brood- en banketbakkerij met bakkerswinkel, bpl/overgangsrecht, bewijslast, intensivering, peildatum (Rb Den Haag 17/3994)
* 24 december 2019 (ABRvS 201805156/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, belanghebbenden, wijzigingsbevoegdheid, beeldkwaliteitsplan, behoefte, dorpsvisie, verkeersveiligheid, parkeren
* 24 december 2019 (ABRvS 201803712/1/R2): Awb, Wro; bpl, schaapskooi/woning, natuurtoets, NNN, provinciale verordening, geluid, kartcircuit, soortenbescherming
# 24 december 2019 (ABRvS 201802133/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonwijk, behoefte, landschappelijke waarden en de natuurwaarden, respectzone, natuurnetwerk, Natura 2000
* 24 december 2019 (ABRvS 201801850/4/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, agrarische bestemming, recreatie/trekkershutten
* 24 december 2019 (ABRvS 201801643/2/R1): Awb, Wro; bpl, chalets/vakantiewoningen, camping, geur, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 december 2019 (ABRvS 201800720/2/R3): Awb, Wro; bpl, industrieterrein, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 24 december 2019 (ABRvS 201800633/3/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bouwwerken/activiteiten, geluid/VNG-brochure, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Den Haag 17/433, 17/424 en 17/417)
# 24 december 2019 (ABRvS 201710175/1/R1 en 201801523/1/R1): Awb, Nbw, Wro; projectplan/bpl, belanghebbenden, CHW, ADC-toets, biodiversiteit, passende beoordeling, verstoring licht en geluid, visuele verstoring, beschermingsmaatregelen, cumulatie, stikstof
# 24 december 2019 (ABRvS 201709204/1/R3): Awb, Wro; bpl, overdekte markt, omgevingsverordening/wijziging/outlet center, behoefte, aantal bezoekers, Bro, detailhandelsbeleid
* 24 december 2019 (ABRvS 201704566/2/R2): Awb, Wro; bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 23 december 2019 (Rb Gelderland AWB 19/6470): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor aanleggen, transportleidingentracé, aantasting landgoed, archeologische waarden, ecologisch werkprotocol, stikstofdepositie
* 23 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 17/816T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en natuur, thermische reinigingsinstallatie, Natura 2000, PAS, passende beoordeling, Habitatrichtlijn, Spoedwet Stikstof, tussenuitspraak
* 23 december 2019 (ABRvS 201908048/2/A1): Awb, Mnw; vovo; instemming gaswinningsplan, bodemdaling, seismische risicoanalyse, coördinatie met omgevingsvergunning
* 20 december 2019 (ABRvS 201906104/2/A1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zand- en grindwinning, belanghebbende, Wnb/relativiteit, geluid
* 20 december 2019 (ABRvS 201907489/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, recreatieterrein, toename aantal woningen, ruimtelijk aanvaardbaarheid, motivering

* 20 december 2019 (ABRvS 201908381/1/A1 en/2/A1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijderen was- en ontsmettingsruimte bij slachterij, geen vergunning, geen zicht op legalisatie, geen bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 19/2200 en 19/1766)
* 20 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5832 HOREC VV en BRE 19/5833 HOREC, BRE 19/5834 HOREC VV en BRE 19/5835 HOREC, BRE 19/5836 HOREC VV en BRE 19/5837 HOREC): Awb, DHW, Gmw; vovo en kortsluiten, sluiting horeca/intrekking DHW- en exploitatievergunning, Cash Center/munitie/vechtpartijen, APV, openbare orde
* 20 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4213): Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, muziek, APV, locatieprofielen, binnenniveau meer dan 55 dB(A), ééndaags en éénmalig evenement, in de avondperiode, met een charitatief karakter en van maatschappelijke waarde, belangenafweging
* 20 december 2019 (HR 19/00135): BW; klimaatzaak, mensenrechten/EVRM, VN-Klimaatverdrag, bevel aan Staat om maatregelen te nemen tegen klimaatverandering, gevaar klimaatverandering, beschermingsomvang, positieve verplichtingen effectieve rechtsbescherming, reductie van de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak daarvan,  Internationaal draagvlak daarvoor, binding Nederland aan deze doelstelling, politiek domein
* 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/242): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieuneutraal veranderen, cacaofabriek, extra verpakkingslijn, geluid, onduidelijkheid, tussenuitspraak
* 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/241): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vergroten inpandige vloer, cacaofabriek, geen onlosmakelijke samenhang met andere vergunning
#! 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/11576 en 19/659): Awb, Wro; planschade
* 19 december 2019 (ABRvS 201907250/2/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, terugbrengen in originele staat, verwijderen gebouwen e.d., mondelinge uitspraak (Rb Oost-Brabant 19/796)
* 19 december 2019 (ABRvS 201908400/2/A1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, terugbrengen aantal wooneenheden, mondelinge uitspraak (Rb Rotterdam 18/4121)
* 19 december 2019 (Rb Gelderland AWB 19/6442, 19/6443, 19/6243 en 19/6244): Awb, Wvw; vovo en kortsluiten, verkeersbesluiten, verkeersveiligheid
* 19 december 2019 (Rb Gelderland AWB 19/6959): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, staken verhuuractiviteiten van dieren, strijd met bpl
( 19 december 2019 (Rb Gelderland AWB 19/2260): Awb, Gmw; evenementenvergunning, Carbidschieten, procesbelang, afstandseisen
* 19 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3963): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, uitvoeren werk en afwijken bpl, zonnepark, vermogen meer dan 50 MW, bevoegdheid, Rijkscoördinatieregeling/Minister van Economische Zaken
* 19 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/3077): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakterras, beleidsregel
* 18 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/5111): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, bedrijfs- naar plattelandswoning, boeten van netten, vvgb overlegd, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 18 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3019): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, APV, openbare orde, horecastappenplan
* 18 december 2019 (Rb Noord-Nederland C/19/116699 / HA ZA 16-229): BW; aardbevingszaak, eigenaar woonboerderij, (im)materiele schade als gevolg van bodembeweging door aardbevingen, toepassing beantwoording van prejudiciële vragen aan HR, vorderingen niet (voldoende) onderbouwd
* 18 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2115): Awb, Wnb; handhaving, weiden van vee en het uitrijden van mest, geen vergunning, provinciale omgevingsverordening, PAS, Habitatrichtlijn, verbindendheid
* 18 december 2019 (Rb Rotterdam ROT 18/5888): Awb, Gmw; exploitatievergunning, terras bij café, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 18 december 2019 (Rb Noord-Nederland C/19/114009 / HA ZA 16-63): BW; schadevergoeding, waardedaling woning/boerderij als gevolg van gaswinning, executoriale verkoop, taxatie, deskundige, geen reden voor voorschrot, tevens eis materiële schade aan de boerderij en winstderving, NAM/Root Cause Analysis (RCA)
* 17 december 2019 (Parket HR 18/04438 E): WSr, WED, Wm; bedrijfsafvalstoffen laden en lossen Duitse vervoer in Nederland, geen registratie van vervoer in Nederland, Wm/Grondvesten van de EU, Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel
* 17 december 2019 (Parket HR 18/05018 E): WSr, WED, WVGS; lossen tankwagen, lek in tankwand, zoutzuur, meldingsplicht, overtreding
# 11 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 15/5821): Awb, Wro; planschade, maximaal toegestane milieucategorieën
* 10 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2636 VEROR): Awb, Gmw; herplantplicht na vellen boom, APV
* 10 december 2019 (Rb Den Haag SGR 19/2744): Awb, Natuurschoonwet; intrekking rangschikking, belanghebbende
* 29 november 2019 (Rb Limburg 03/124560-19): WSr, WED, Wm; voorhanden hebben en tot ontploffing brengen illegaal vuurwerk, Vuurwerkbesluit, levensgevaar, contact- en locatieverbod
* 31 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/379): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, strijd met bpl
* 21 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/1261): Awb, DHH, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, horeca, slecht levensgedrag
* 18 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/1777 en 19/2136): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, geen vvgb nodig, ruimtelijke beoordeling

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 24 december 2019 (ABRvS 201903390/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunning, APV, dierenwelzijn/zedelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3247)
5.1  …………………………….
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4117 bestaat volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 172 van de Gemeentewet de handhaving van de openbare orde door de burgemeester uit het feitelijk herstellen en bewaren van de openbare orde (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 49). Die openbare orde wordt beheerst door een complex van rechtsregels, dat betrekking heeft op het gewenste niveau van orde en rust in het openbare leven (Kamerstukken II 1988/89, 19 403, nr. 10, p. 88-89; Kamerstukken II 1989/90, 19 403, nr. 16, p. 38). Met het begrip “openbare orde” wordt derhalve in het kader van de bevoegdheden van de burgemeester gedoeld op het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse. Ook de uitvoering van het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, waaronder mede begrepen de in het derde lid genoemde uitvoering van verordeningen – bijvoorbeeld het beoordelen van aanvragen voor evenementenvergunningen – dient plaats te vinden binnen de marges van dit beperkte “openbare orde”-begrip (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 148-149, en Kamerstukken II 1989/90, 19 403, nr. 16, p. 39).

De bepalingen waarop het Comité zich beroept gaan over het voorkomen van aantasting van dierenwelzijn. Gelet op de beperkte reikwijdte van het begrip “openbare orde” hebben die belangen onvoldoende relatie met de openbare orde. Ook zijn die belangen niet zo nauw verweven met de belangen die artikel 2:14 van de APV beoogt te beschermen dat de burgemeester reeds daarom gehouden was die belangen bij de beoordeling van de aanvraag om een evenementenvergunning mee te wegen. Eventuele aantasting van het dierenwelzijn, kan daarom niet tot het weigeren van de vergunning leiden. Ook het specialiteitsbeginsel, neergelegd in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, noopt tot een dergelijk oordeel. Op grond van dat beginsel mag een bestuursorgaan slechts de belangen waarvoor de desbetreffende regeling in het leven is geroepen bij zijn afweging betrekken.

Het betoog van het Comité dat de vergunning in strijd met de zedelijkheid is en deze daarom geweigerd had moeten worden, slaagt niet omdat zedelijkheid niet als weigeringsgrond in artikel 1:8 of artikel 2:14 van de APV is opgenomen.

De burgemeester heeft zich gelet op het voorgaande op het standpunt mogen stellen dat het door de stichting aangevoerde geen grond oplevert voor weigering van de vergunning.

* 24 december 2019 (ABRvS 201903189/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, stalling zeecontainers, verwijdering, APV, openbare weg (Rb Den Haag 18/4233 en 18/4683)
5.2 ………………………….
In de uitspraak van 27 april 2000 heeft de Afdeling overwogen dat ondanks de aanwezigheid ter plaatse van borden met de tekst “Verboden toegang”, ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift feitelijk geen belemmeringen bestonden om de parkeerterreinen te betreden en voor het algemeen verkeer om daarvan gebruik te maken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994.

5.3.     Uit de hiervoor besproken uitspraken kan worden afgeleid dat het terrein, in ieder geval ten tijde van belang in die procedures, dient te worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de WVW 1994. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het plaatsen van containers op die weg. De rechtbank heeft, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2914, terecht overwogen dat het college slechts tot handhavend optreden jegens rechthebbenden op de weg wegens door hen aangebrachte belemmeringen bevoegd is indien daarmee het stelsel van de Wegenwet en de daarin vervatte waarborgen voor de rechthebbenden niet worden doorkruist. Dat betekent dat als de containers op de eigen grond van Staedion staan en het terrein geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen Staedion. Voor de vaststelling dat een weg openbaar is in de zin van de Wegenwet is dus, anders dan [appellant] betoogt, niet voldoende dat het terrein voor het openbaar verkeer toegankelijk is, zoals bedoeld in de WVW 1994. Staedion is eigenaar van en daarmee rechthebbende op het terrein. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet wordt een weg geen openbare weg als tenminste een jaar kenbaar is gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Volgens het derde lid kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen. Niet in geschil is dat op het terrein een bord is geplaatst waarop staat: “particulier terrein”, “verboden toegang” en “wegsleepregeling van kracht”. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanwezigheid van dat bord voldoende indicatie is dat het terrein geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet en dat het college daarom niet tot handhavend optreden tegen Staedion bevoegd was. Het betoog faalt.

* 24 december 2019 (ABRvS 201902993/1/A3): Awb, Wob; milieu-informatie, asbestsanering (Rb Oost-Brabant 17/2682)
5.1.    De minister betwist niet dat de op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob geweigerde passages en afbeeldingen milieu-informatie bevatten. In geschil is of deze milieu-informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

……………………………………..

5.2.    Uit de arresten van het Hof volgt dus weliswaar dat het begrip “informatie die betrekking heeft op uitstoot in het milieu” niet restrictief moet worden uitgelegd, maar het Hof overweegt tevens dat dit niet betekent dat alle informatie die in wat voor verband ook staat met emissies in het milieu onder dat begrip valt. Dat laatste zou de nuttige werking ontnemen aan de mogelijkheid om openbaarmaking van milieu-informatie te weigeren ter bescherming van commerciële belangen.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte passages en afbeeldingen. De op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob geweigerde onderdelen van de documenten betreffen termen, omschrijvingen, foto’s en afbeeldingen van de werkwijze en gebruikte materialen bij de asbestsanering. Deze onderdelen bevatten geen gegevens die de daadwerkelijke uitstoot betreffen en ook geen gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu. Ook zijn het geen gegevens die het publiek in staat stellen de juistheid te controleren van de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies, die aan de besluitvorming door een bestuursorgaan ten grondslag heeft gelegen. De gegevens geven geen informatie over de aard, de samenstelling, de hoeveelheid, de datum en de plaats van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies. De gegevens geven ook geen informatie over de beoordeling van de emissies door de Inspectie SZW. De gegevens over de wijze van beoordelen van de emissies van asbest in het milieu en de resultaten van die beoordeling zijn openbaar gemaakt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de geweigerde onderdelen geen gegevens zijn die betrekking hebben op emissies in het milieu. Het betoog faalt.

* 24 december 2019 (ABRvS 201902101/1/A2): Awb; financiële tegemoetkoming, overlast Nood-Zuidlijn (Rb Amsterdam 18/306)
6.2.    Uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt dat zij vanaf de eerste helft van 2009 aanvragen heeft ingediend voor een tegemoetkoming voor de overlast als gevolg van de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Voorts heeft zij ter zitting gesteld dat haar aanvragen de eerste jaren alleen telefonisch zijn afgewezen en dat zij niet wist wat zij daartegen kon doen.

Ter zitting heeft het college erkend dat uit het dossier niet blijkt dat op alle aanvragen van [appellante] een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is genomen. Volgens het college is het evenwel niet logisch dat op die aanvragen geen besluiten zouden zijn genomen en ligt het voor de hand dat die aanvragen zijn afgewezen.

6.3.    Niet is komen vast te staan dat het college op alle aanvragen van [appellante] om een tegemoetkoming een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft genomen. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellante] om tegemoetkomingen over de periode 2009 tot en met 2013 onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft mogen afwijzen, voor zover het om de aanvragen gaat waarop niet eerder is besloten. Voorwaarde om deze bepaling te kunnen toepassen is immers dat er eerder een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking op de aanvragen van [appellante] is genomen. Nu dit voor in ieder geval een deel van de aanvragen van [appellante] niet het geval is, had het college alsnog op die aanvragen moeten beslissen.

6.4.    Het betoog slaagt.

* 24 december 2019 (ABRvS 201809140/1/A1): Awb, Wm; maatwerkvoorschrift, hemelwater, riolering, bevoegdheid
3.2.    Anders dan in de artikelen 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en 1.1 van het Besluit lozen buiten inrichtingen, is in artikel 1, eerste lid, van het Besluit lozing afvalwater huishoudens niet bepaald dat onder maatwerkvoorschrift ook moet worden verstaan een voorschrift als bedoeld in artikel 10.32 van de Wet milieubeheer. Een maatwerkvoorschrift in de zin van het Besluit is ingevolge die bepaling een voorschrift krachtens de Wet bodembescherming of de Waterwet, maar niet een voorschrift krachtens de Wet milieubeheer. Het ontbreken van de vermelding van artikel 10.32 is niet een kennelijke omissie, aangezien artikel 4, tweede lid, van het Besluit tot 1 maart 2014 bepaalde dat het bevoegde gezag maatwerkvoorschriften kan stellen met het oog op de bescherming van de kwaliteit van de bodem en het oppervlaktewater (Stb. 2007, 468). Uit de wijziging van artikel 4 bij Besluit van 6 januari 2014 (Stb. 2014, 20) en de toelichting bij die wijziging blijkt niet dat daarmee is beoogd de grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften te verruimen. Dit betekent dat artikel 4, derde lid, van het Besluit geen grondslag biedt voor het stellen van maatwerkvoorschriften met het oog op de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Dit neemt niet weg dat de in het eerste lid opgenomen zorgplicht van de lozer wel mede betrekking heeft op de bescherming van de doelmatige werking van die voorzieningen.

Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om een maatwerkvoorschrift te stellen voor de lozing van afvalwater van het perceel [locatie] op de riolering.

3.3.    Het betoog slaagt.

* 24 december 2019 (ABRvS 201808096/1/A1 en 201808097/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken gebruik pand als horeca-1, strijd met bpl, fastfood (Rb Amsterdam 17/5727 en 17/6002)
7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

  1. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 12 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3651, het besluit van het college van 6 april 2017 met terugwerkende kracht geschorst tot zes weken na de datum van de uitspraak op het hoger beroep. Gelet op artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb vervalt deze voorlopige voorziening met deze uitspraak. De bevestiging van de aangevallen uitspraak heeft tot gevolg dat het besluit van 6 april 2017 herleeft en dat, aangezien de gestelde begunstigingstermijn van zes weken inmiddels is verstreken, de dwangsommen onmiddellijk worden verbeurd. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven opnieuw een termijn van zes weken passend te achten. De Afdeling ziet dan ook aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het besluit van 6 april 2017 wordt geschorst tot zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat ST Maria na het verstrijken van deze periode de gestelde dwangsom verbeurt indien zij niet aan de opgelegde last voldoet.* 24 december 2019 (ABRvS 201807168/1/R3): Awb, Wro; bpl, loswal, carport, rooilijn/Bouwverordening/reparatiewet
    6.2. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen bestemmingsplan gold als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), maar slechts de Bouwverordening 1992 van de gemeente Leiden (hierna: de Bouwverordening).

6.3.    Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Deze wet strekt tot het herstel van wetstechnische gebreken en leemten in een aantal wetten op het terrein van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst en op enkele aanverwante terreinen.

Ingevolge artikel XXIII, onder c, is het vijfde lid van artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen. Dit artikel voorzag in de mogelijkheid om in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals voorschriften over de ligging van de rooilijnen, op te nemen.

Artikel 133, tweede lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014 luidt: “Voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 geen bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van het van toepassing worden van een bestemmingsplan voor dat gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.”

6.4.    Het voorgaande betekent dat de bepalingen over de rooilijnen uit de Bouwverordening ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op 12 juli 2018 niet langer golden. Gelet hierop overschrijdt de berging met carport geen voorgevelrooilijn en is in zoverre sprake van een vergunbare situatie.

* 23 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 17/816T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en natuur, thermische reinigingsinstallatie, Natura 2000, PAS, passende beoordeling, Habitatrichtlijn, Spoedwet Stikstof, tussenuitspraak
7.1  De eerste mogelijke oplossing is voorgesteld door vergunninghoudster. Zij heeft aangevoerd dat, gelet op de geringe toename van stikstofdepositie zoals vastgesteld in de passende beoordeling van 6 oktober 2014, op voorhand overduidelijk is dat er geen vergunning op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is vereist.

7.2  De rechtbank gaat hier niet in mee en ziet in dit argument geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten om meerdere redenen.

  • In de eerste plaats zal op basis van de kennis van dit moment moeten worden beoordeeld of op voorhand overduidelijk is dat er geen vergunningsplicht op basis van de Wnb bestaat. De rechtbank kan niet zonder meer uitsluiten dat in de afgelopen 5 jaar zich ontwikkelingen hebben voorgedaan die van invloed zijn op de juistheid van de uitkomst van de passende beoordeling van 6 oktober 2014.
  • In de tweede plaats voert eiseres terecht aan dat enkele Natura 2000-gebieden een achtergronddepositie hebben waarbij de kritische depositiewaarde wordt overschreden. Eiseres noemt met name de gebieden ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ en ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Uit de passende beoordeling van 6 oktober 2014 blijkt dat op deze gebieden een toename van stikstofdepositie plaatsvindt van 0,16 respectievelijk 0,23 Mol (N/ha/j/). Deze toename zou als zodanig gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende Natura 2000-gebieden de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

Daarom kan nu niet worden uitgesloten dat er geen vergunningplicht op basis van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb (in dit geval artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa onder a, van het Bor) bestaat. Dat weet de rechtbank dus niet zeker en daarom laat zij de rechtsgevolgen niet in stand. De rechtbank gaat hier van uit van de tekst van artikel 2.7 ten tijde van deze uitspraak.

7.3  De rechtbank is van oordeel dat niet iedere toename van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied waar de kritische depositiewaarde wordt overschreden zonder meer moet leiden tot weigering van de toestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa van het Bor omdat niet vaststaat dat het project de natuurlijke kenmerken van de nabij gelegen Natura 2000 gebieden niet zal aantasten. In lijn met rechtsoverwegingen 14.5 en 16.6 van de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2019 ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde geldt voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn wel belangrijke indicatoren, evenals de omvang en de duur van de toename van stikstofdepositie als gevolg van het betrokken project. Dit kan dus per Natura 2000 gebied verschillen. De rechtbank ziet in de overschrijding van de kritische depositiewaarde daarom niet op voorhand aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de aanvraag van vergunninghoudster af te wijzen.

8.1  De rechtbank vindt dat verweerder eerst zelf een standpunt moet innemen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen door middel van een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder de aan de aanvraag gehechte passende beoordeling met de latere aanvullingen daarop onderzoeken en een nieuw besluit nemen op de aanvraag van vergunninghoudster. Hierbij geeft de rechtbank de volgende aanwijzingen:

  • Verweerder moet in de eerste plaats niet alleen kijken naar de passende beoordeling van 6 oktober 2014 maar ook naar de staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen in de relevante natuurgebieden op dit moment (althans ten tijde van het nemen van het herstelbesluit).
  • Verweerder zal verder moeten nagaan of een vergunning nodig is en (indien dit het geval is) of een vergunning kan worden verleend. De rechtbank merkt ten overvloede op dat verweerder zal moeten beoordelen of een natuurvergunning nodig is en of deze kan worden verleend op basis van de Wet natuurbescherming zoals deze luidt ten tijde van het herstelbesluit, mede gelet op het wetsvoorstel 35347.
  • Zo nodig zal verweerder vergunninghoudster in de gelegenheid moeten stellen de aanvraag aan te passen, bijvoorbeeld door andere stikstofemissies binnen de inrichting te reduceren.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes maanden na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 afdeling 3.4 van de Awb moet worden doorlopen. De rechtbank geeft geen verdere aanwijzingen voor het herstelbesluit.

* 20 december 2019 (HR 19/00135): BW; klimaatzaak, mensenrechten/EVRM, VN-Klimaatverdrag, bevel aan Staat om maatregelen te nemen tegen klimaatverandering, gevaar klimaatverandering, beschermingsomvang, positieve verplichtingen effectieve rechtsbescherming, reductie van de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak daarvan,  Internationaal draagvlak daarvoor, binding Nederland aan deze doelstelling, politiek domein

-Gevaarlijke klimaatverandering

Urgenda en de Staat onderschrijven beide het klimaatwetenschappelijke inzicht dat een reële dreiging bestaat van een gevaarlijke klimaatverandering in de komende decennia. Over die dreiging bestaat in de klimaatwetenschap en de internationale gemeenschap een grote mate van overeenstemming. Het gaat daarbij, kort gezegd, om het volgende.

De uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2, leidt tot een steeds hogere concentratie van die gassen in de atmosfeer. Deze broeikasgassen houden de door de aarde uitgestraalde warmte vast. Doordat de laatste anderhalve eeuw (sinds het begin van de industriële revolutie) steeds meer broeikasgassen worden uitgestoten, warmt de aarde steeds verder op. De opwarming in die periode bedraagt ongeveer 1,1 oC, waarvan het grootste deel (0,7 oC) in de laatste veertig jaar heeft plaatsgevonden. In de klimaatwetenschap en binnen de internationale gemeenschap bestaat een grote mate van overeenstemming over het uitgangspunt dat de opwarming van de aarde beperkt moet blijven tot maximaal 2 oC, en volgens de meest recente inzichten zelfs tot maximaal 1,5 oC. Een grotere opwarming van de aarde kan zeer schadelijke gevolgen hebben, zoals extreme hitte, extreme droogte, extreme neerslag, verstoring van ecosystemen waardoor onder meer de voedselvoorziening in gevaar komt, en stijging van de zeespiegel doordat het ijs van gletsjers en van de poolkappen smelt. Ook kan die opwarming leiden tot klimaatomslagen, waarbij het klimaat op aarde of gebieden op aarde abrupt en ingrijpend verandert (zogeheten ‘tipping points’). Door dit alles worden de levens, het welzijn en de woonomgeving van velen bedreigd, wereldwijd en ook in Nederland. Die gevolgen doen zich voor een deel nu al voor.

-Bescherming van mensenrechten op grond van het EVRM

Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verplicht de staten die bij het verdrag zijn aangesloten ertoe om voor hun ingezetenen de rechten en vrijheden te verzekeren die in het verdrag zijn vastgesteld. Art. 2 EVRM beschermt het recht op leven, en art. 8 EVRM het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een verdragsstaat op grond van deze bepalingen verplicht om passende maatregelen te treffen, indien een ‘real and immediate risk’ voor het leven of het welzijn van personen bestaat en de staat daarvan op de hoogte is.

De verplichting om passende maatregelen te treffen geldt ook als het gaat om milieugevaren die grote groepen of de bevolking als geheel bedreigen, en eveneens als de gevaren zich pas op langere termijn kunnen realiseren. De art. 2 en 8 EVRM mogen niet ertoe leiden dat een onmogelijke of onevenredige last op een staat wordt gelegd. Maar die bepalingen verplichten wel tot het treffen van maatregelen die daadwerkelijk geschikt zijn om het dreigende gevaar zoveel als redelijkerwijs mogelijk is af te wenden. Het nationale recht moet volgens art. 13 EVRM een effectief rechtsmiddel bieden om tegen een schending of dreigende schending van de door het EVRM gewaarborgde rechten op te komen. Dat brengt mee dat de nationale rechter moet kunnen voorzien in effectieve rechtsbescherming.

-Wereldwijd probleem en nationale verantwoordelijkheid

Het risico van een gevaarlijke klimaatverandering heeft een mondiaal karakter: de uitstoot van broeikasgassen vindt niet alleen plaats vanaf Nederlands grondgebied, maar wereldwijd. Ook de gevolgen daarvan worden wereldwijd ondervonden.

Nederland is partij bij het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VN-Klimaatverdrag). Dat verdrag heeft tot doel om de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau te houden waarop een door menselijk handelen veroorzaakte verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Het verdrag berust op het uitgangspunt dat alle aangesloten landen maatregelen moeten treffen om klimaatverandering te voorkomen, in overeenstemming met ieders specifieke verantwoordelijkheden en mogelijkheden.

Ieder land is dus voor zijn deel verantwoordelijk. Daarom kan het argument dat de eigen uitstoot, op wereldschaal bezien, een relatief geringe omvang heeft en dat een reductie van de eigen uitstoot op wereldschaal slechts een gering effect heeft, een land niet ontslaan van de op hem rustende deelverantwoordelijkheid om maatregelen te nemen. De Staat is dan ook verplicht om, overeenkomstig zijn aandeel, de uitstoot van broeikasgassen vanaf zijn grondgebied te verminderen. Deze verplichting voor de Staat om ‘het zijne’ te doen berust op de art. 2 en 8 EVRM, omdat een ernstig risico bestaat dat een gevaarlijke klimaatverandering plaatsvindt die het leven en het welzijn van velen in Nederland bedreigt.

-Wat houdt de verplichting voor de Staat om ‘het zijne’ te doen, concreet in?

Bij de invulling van de positieve verplichtingen die de Staat op grond van de art. 2 en 8 EVRM heeft, moet worden gelet op breed gedragen inzichten in de wetenschap en internationaal aanvaarde standaarden. In dit verband zijn onder meer de rapporten van het IPCC van belang. Het IPCC is een in het verband van de Verenigde Naties opgerichte wetenschappelijke en intergouvernementele organisatie op het gebied van de klimaatwetenschap en klimaatontwikkelingen. In zijn rapport van 2007 heeft het IPCC een scenario opgenomen waarin de opwarming van de aarde naar redelijke verwachting beperkt zal blijven tot maximaal 2 oC. Om deze doelstelling te halen, moeten de zogenoemde Annex I-landen (dat zijn de ontwikkelde landen, waaronder Nederland) hun uitstoot in 2020 hebben gereduceerd met 25-40% ten opzichte van 1990, en in 2050 met 80-95%.

Op de jaarlijkse klimaatconferenties die in het kader van het VN-Klimaatverdrag zijn gehouden, is vanaf 2007 met regelmaat door vrijwel alle landen gewezen op de noodzaak om het scenario van het IPCC te volgen en om in 2020 een reductie van de uitstoot van broeikasgassen met 25-40% te bereiken. Door en in de EU is diverse malen uitgesproken dat op wetenschappelijke gronden in 020 een beperking van de uitstoot met 30% ten opzichte van 1990 noodzakelijk is.

Bovendien is in de jaren na 2007 het eveneens breed gedragen inzicht gegroeid dat een veilige opwarming van de aarde niet tot maximaal 2 oC beperkt moet blijven, maar tot maximaal 1,5 oC. In het Akkoord van Parijs van 2015 is dan ook uitdrukkelijk opgenomen dat de staten ernaar streven de opwarming tot 1,5 oC te beperken. Dat noodzaakt dus tot een nog grotere reductie van de uitstoot dan eerder werd aangenomen.

Al met al bestaat dus een grote mate van consensus over de dringende noodzaak van een reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 van minimaal 25-40% door de Annex I-landen. Met de consensus over deze doelstelling moet bij de uitleg en toepassing van de art. 2 en 8 EVRM rekening worden gehouden. De dringende noodzaak van een reductie in 2020 van 25-40% geldt ook voor Nederland individueel.

-Het beleid van de Staat

De Staat en Urgenda zijn beide van mening dat het noodzakelijk is om de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer te beperken teneinde de 2 oC-doelstelling, dan wel de 1,5 oC-doelstelling, te kunnen behalen. Maar zij verschillen van mening over het tempo waarin de uitstoot van broeikasgassen moet worden verminderd.

Het beleid van de Staat was tot 2011 erop gericht om in 2020 een reductie van de uitstoot van 30% te behalen ten opzichte van 1990. Dat was volgens de Staat nodig om op een geloofwaardig traject te blijven om de 2 oC-doelstelling binnen bereik te houden.

Na 2011 heeft de Staat zijn reductiedoelstelling voor 2020 echter verlaagd van 30% reductie door Nederland naar 20% reductie in EU-verband. De Staat heeft het voornemen om de reductie na 2020 in een versneld tempo op te voeren tot 49% in 2030 en 95% in 2050. Die doelen voor 2030 en 2050 zijn inmiddels vastgelegd in de Klimaatwet. De Staat heeft echter niet toegelicht dat en waarom een reductie van slechts 20% in 2020 in EU-verband verantwoord is te achten, dit in afwijking van de internationaal breed gedragen en noodzakelijk geachte reductie in 2020 van 25-40%.

In de klimaatwetenschap en binnen de internationale gemeenschap bestaat een brede consensus dat naarmate reductiemaatregelen later worden getroffen, deze ingrijpender en kostbaarder moeten zijn om het beoogde einddoel te halen. Ook bestaat dan een groter risico op een abrupte klimaatverandering omdat een omslagpunt (‘tipping point’) wordt bereikt. In het licht van dat algemeen onderschreven inzicht lag het op de weg van de Staat om toe te lichten dat de voorgenomen versnelling van de reductie na 2020 praktisch haalbaar en voldoende effectief zal zijn om de doelen voor 2030 en 2050, en daarmee de 2 oC- en de 1,5 oC- doelstelling, binnen bereik te houden. Dat heeft de Staat echter niet gedaan.

Het hof heeft dan ook kunnen oordelen dat de Staat zich in elk geval aan de internationaal noodzakelijk geachte doelstelling van minimaal 25% reductie in 2020 moet houden.

Rechter en politiek domein

De Staat heeft aangevoerd dat het niet de taak van de rechter is om politieke afwegingen te maken die nodig zijn voor de besluitvorming over reductie van broeikasgassen.

In het Nederlandse staatsbestel komt de besluitvorming over de reductie van uitstoot van broeikasgassen toe aan de regering en het parlement. Zij hebben een grote mate van vrijheid om de daarvoor vereiste politieke afwegingen te maken. Het is aan de rechter om te beoordelen of de regering en het parlement bij hun besluitvorming zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan zij zijn gebonden. Die grenzen vloeien onder meer voort uit het EVRM. De Grondwet schrijft voor dat de Nederlandse rechter de bepalingen van dit verdrag toepast. Dat moet de rechter doen overeenkomstig de uitleg daarvan door het EHRM. Deze opdracht aan de rechter tot het bieden van rechtsbescherming, ook tegen de overheid, is een wezenlijk onderdeel van de democratische rechtsstaat.

Het oordeel van het hof is met het voorgaande in overeenstemming. Het hof heeft immers geoordeeld dat het beleid van de Staat met betrekking tot de reductie van de uitstoot van broeikasgassen evident achterblijft bij de uit de art. 2 en 8 EVRM voortvloeiende verplichting om passende maatregelen te nemen voor de bescherming van de ingezetenen van Nederland tegen een gevaarlijke klimaatverandering. Verder heeft het hof het aan de Staat gegeven bevel beperkt tot de ondergrens (25%) van de internationaal onderschreven, minimaal noodzakelijke reductiedoelstelling voor 2020 van 25-40%.

Het gegeven bevel laat het aan de Staat over om te bepalen met welke concrete maatregelen hij zal voldoen aan dat bevel. Als daarvoor wetgevende maatregelen nodig zijn, is het aan de Staat om te beoordelen welke specifieke wetgeving wenselijk en noodzakelijk is.

-Conclusie

Samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat het door de rechtbank gegeven en door het hof bekrachtigde bevel aan de Nederlandse Staat om de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met minstens 25% terug te brengen ten opzichte van 1990, in stand blijft. Het hof heeft op grond van de art. 2 en 8 EVRM kunnen en mogen oordelen dat de Staat verplicht is die reductie te behalen, vanwege het risico van een gevaarlijke klimaatverandering die ook de ingezetenen van Nederland ernstig kan treffen in hun recht op leven en welzijn.

* 19 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3963): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, uitvoeren werk en afwijken bpl, zonnepark, vermogen meer dan 50 MW, bevoegdheid, Rijkscoördinatieregeling/Minister van Economische Zaken
4.3.3.  Een productie-installatie is in de Elektriciteitswet gedefinieerd als: een installatie, bestaande uit één of meer productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit. Uit de stukken betreffende de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met toepassing van de rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten blijkt dat er sprake is van één productie-installatie indien eenheden zodanig geografisch, technisch, functioneel en organisatorisch met elkaar samenhangen dat sprake is van één productie-installatie (Kamerstukken II 2007/08, 31326, 6, p. 5). Deze criteria gelden niet cumulatief.
4.3.4.  In het onderhavige geval is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval sprake van geografische, gelet op de ligging, en organisatorische samenhang, de omgevingsvergunning wordt immers voor beide fasen aangevraagd en aanleg van beide fasen wordt verzorgd door vergunninghouder. De ter zitting geponeerde stellingen van vergunninghouder, namelijk dat er geen sprake is van technische samenhang en dat exploitatie door verschillende partijen zal plaatsvinden, zijn niet nader onderbouwd en daarom van weinig gewicht. De voorzieningenrechter kan daardoor -voorlopig- niet anders oordelen dan dat er sprake is van één productie-installatie.
4.3.6.  Uit de Memorie van Toelichting bij de Elektriciteitswet (Kamerstukken II 2007/08, 31326, 3, p. 3-5) blijkt dat de grens van 50 MW aansluit bij de grens uit de subsidieregeling Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie voor grootschalige installaties. In deze MEP-regeling werd de subsidie gekoppeld aan de productie-installaties waarbij uitgegaan werd van een nominaal vermogen. Het begrip “nominaal vermogen” is in deze regeling niet gedefinieerd. Uit openbare bronnen blijkt echter dat “nominaal vermogen” feitelijk hetzelfde is als opgesteld vermogen. In de opvolger van de MEP-regeling, Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie, wordt het begrip nominaal vermogen gedefinieerd: het is het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in dit geval het begrip anders te moeten toepassen. Uit de aanvraag, zie ruimtelijke onderbouwing pagina 4, blijkt dat het nominale vermogen van de 2e fase een capaciteit van tenminste 49,5 MWp omvat. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding om aan te nemen dat het zonnepark/de productie-eenheid in totaal minder dan 50 MW produceert.

  1. Vorenstaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de coördinatie-regeling van toepassing is. Daarmee ligt de bevoegdheid om te beslissen over een dergelijk project bij de Minister van Economische Zaken. Dat deze, zoals vergunninghouder stelt, vaak gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 9b, vierde lid van de Elektriciteitswet af te zien van het voorbereiden van een inpassingsplan en het coördineren van andere besluiten, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter komt tot een voorlopig oordeel dat het bestreden besluit onbevoegd genomen is.* 18 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2115): Awb, Wnb; handhaving, weiden van vee en het uitrijden van mest, geen vergunning, provinciale omgevingsverordening, PAS, Habitatrichtlijn, verbindendheid
    5. Uit de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1604, volgt dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland en de Omgevingsverordening Limburg 2014 onverbindend is, omdat deze in strijd is met hoger recht, namelijk artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Gelet op voormelde uitspraak van de AbRvS is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 3.1 van de POV opgenomen uitzondering op de vergunningplicht onverbindend is omdat deze in strijd is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn.
    9. In voormelde uitspraak van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1604, is overwogen dat Nbw-vergunningen voor melkrundveehouderijen met een stalsysteem dat beweiden impliceert, aanpassing behoeven. Voor de activiteit weiden van vee is alsnog een vergunning vereist. Zolang die vergunning niet is verleend, vindt het weiden plaats zonder de daarvoor benodigde vergunning.

Verder volgt uit voormelde uitspraak van de AbRvS, dat agrarische bedrijven voor het op of in de bodem brengen van meststoffen een vergunning nodig hebben, als het bemesten – kort gezegd – een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

  1. Uit rechtsoverweging 9. volgt dat de betrokken melkrundveehouderij in strijd met – thans – artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb handelt door zonder vereiste vergunning vee te weiden en gronden te bemesten. De reden waarom het betrokken bedrijf geen vergunning heeft voor deze activiteiten is dat verweerder zich jarenlang op het standpunt heeft gesteld dat deze activiteiten niet vergunningplichtig waren. Toen duidelijk werd dat deze activiteiten wel vergunningplichtig waren, werd bovendien voorzien in een wettelijke uitzondering op de vergunningplicht. De betrokken melkrundveehouderij kan derhalve geen verwijt worden gemaakt dat hij geen vergunning heeft gevraagd voor het weiden van vee en het bemesten van gronden. De rechtbank acht dit van belang voor de totstandkoming van het alsnog te nemen besluit op bezwaar. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
  2. Verweerder is bevoegd om tegen de overtreding van de bepalingen van de Wnb door de betrokken melkrundveehouderij op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom en dient in beginsel van deze bevoegdheid gebruik te maken, tenzij concreet zicht op legalisering bestaat. Voor concreet zicht op legalisering is vereist dat er een ontvankelijke aanvraag voor een Wnb-vergunning voor de betrokken activiteiten is ingediend, op basis waarvan verweerder kan beoordelen of een vergunning kan worden verleend.

12. Omdat er voor de betrokken melkrundveehouderij tot deze uitspraak geen aanleiding bestond om (i) een aanpassing van de Wnb-vergunning te vragen voor het weiden van vee en (ii) een Wnb-vergunning te vragen voor het bemesten van gronden, dient de betrokken melkrundveehouderij, voordat opnieuw beslist wordt of handhavend wordt opgetreden, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om dergelijke aanvragen te doen. Een termijn van drie maanden is daarvoor redelijk. Die termijn vangt aan nadat verweerder deze gelegenheid heeft geboden, waarbij het tevens aangeeft welke gegevens de melkrundveehouderij bij de aanvraag voor de vergunningen dient te overleggen, zodat de melkrundveehouderij ook daadwerkelijk de gelegenheid krijgt om een ontvankelijke vergunningaanvraag te doen.