Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 8 januari 2020 (ABRvS 201907092/5/R3): Awb, Wro; bpl, ontvankelijkheid
* 8 januari 2020 (ABRvS 201904918/1/A3): Awb; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 18/4713)
* 8 januari 2020 (ABRvS 201903458/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, verplaatsing woonschip, geen strijd met bpl, geen vergunning nodig (Rb Amsterdam 18/3133)
* 8 januari 2020 (ABRvS 201902339/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, geen stedelijke ontwikkeling, behoefte, structuurvisie, welstand, archeologie/relativiteit, parkeren
* 8 januari 2020 (ABRvS 201900749/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, paardenhouderij, mestplaat
* 7 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/7360): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting perceel, drugs, lab
* 7 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2116T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, pluimveehouderij, vvgb/natuur, geur, Wgv, BREF, BBT, gezondheid, endotoxinen, tussenuitspraak
* 7 januari 2020 (Cbb 18/658, 18/2006, 18/2015, 18/2035, 18/2059, 18/2060, 18/2068, 18/2071, 18/2073, 18/2248, 19/607, 19/1107, 19/1209, 19/1375, 18/2287, 18/2315, 18/2332, 18/2365, 19/204, 19/775, 19/1233, 19/1301, 19/1306, 19/1380, 19/1418 en 19/1486): Awb, Msw; uitgesproken, maar (nog) niet gepubliceerd
* 3 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/7370): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 2 januari 2020 (Rb Limburg AWB 19/3400): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, oude garageboxen vervangen door nieuwe, afwijkende hoogte, geen bouwstop
* 30 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1682T): Awb. Wabo; omgevingsvergunning milieu en natuur, uitbreiding varkenshouderij, Natura 2000-gebied, Activiteitenbesluit, oude rechten/vervallen vergunning, PAS, BBT/BREF, geurrendementsmeting luchtwasser, ander veevoer, tussenuitspraak
* 30 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4430): Awb, Gmw; vovo, handhaving, geen vergunning voor carbid schieten, APV, uitblijven besluit
* 24 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/5381 en HAA 18/5219): Awb, Nbw; ontheffing, vangen en doden van de kauw en de zwarte kraai, noodzaak bescherming flora en fauna, onvoldoende info
* 24 december 2019 (CBb 18/987, 18/2017, 18/2046, 18/2223, 18/2310, 18/2314, 18/2328, 18/2333, 18/2339, 18/2348, 18/2349, 18/2352, 18/2353, 18/2357, 18/2370, 18/2483, 18/2514, 18/2536, 18/2572 en 19/1281): Awb, Msw; uitgesproken, maar (nog) niet gepubliceerd
* 23 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5954 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, in gebruik nemen nieuwe betonmengcentrale zonder vergunning, Natura 2000-gebied/Wnb, zicht op legalisatie
* 20 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1181): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en handelingen met gevolgen voor een beschermd rijksmonument, aanpassing badpaviljoen, onevenwichtig totaalbeeld, aantasting en onherstelbare schade aan de monumentale en cultuurhistorische waarden
* 19 januari 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3445): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, horeca, niet tijdig beslissen op bezwaarschriften, maximale dwangsom
# 18 december 2019 (Rb Den Haag SGR 17/6215): Awb, Wabo; ambtshalve aanpassing milieuvoorschriften, productie en opslag van vinylchloride en ‘high-pure’ ethyleendichloride, PGS 29, hittebelasting, blusinstallatie
* 18 december 2019 (Rb Den haag SGR 18/1704): Awb, Wnb; handhaving, illegaal aangelegde parkeervoorziening voor 270 parkeerplaatsen, Natura 2000-gebied, PAS, vergunningplicht, stikstof
* 18 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1751, 17/3271, 18/1198, 19/1276, 17/2017, 18/2780, 18/421, 18/422, 17/1149, 19/1460, 17/1731, 17/2634 en 18/491) Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, Natura 2000, Habitatrichtlijn, PAS, uitspraak RvS
* 17 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/355): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, productie oliën en vetten voor de voedingsindustrie, wijzigen van de transporttijden van vrachtwagens (zaterdagen), milieugevolgen, APV
* 16 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/2049): Awb, Wabo; handhaving, wateroverlast, bouw woning, ophogen grond, bpl, planregels, Bouwbesluit, rijdende rechter
* 13 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/6026  en AMS 19/5694): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, dwangsom, fietsenverhuurwinkel, strijd met bpl
* 13 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1392): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, Natura 2000, Habitatrichtlijn, PAS, uitspraak RvS
* 6 december 2019 (Conclusie PG HR 19/00250): BW; aansprakelijk voor schade die Ivoriaanse slachtoffers hebben geleden als gevolg van illegale storting van afvalstoffen, afkomstig van door Trafigura gecharterd zeeschip Probo Koala, in 2006; ongeoorloofde wisseling van partijhoedanigheid
* 3 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2541): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, opbrengstlimiet
* 29 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1791): Awb; invordering dwangsom, houtverwerking, melding/Activiteitenbesluit, strijd met bpl
* 28 november 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/7478): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, school, parkeernormen, geen strijd met bpl
* 27 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/1417): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tiny houses, tijdelijke situatie, leidingen
* 22 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/34): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning,  ROEB-lijst
* 20 november 2019 (Rb Oost-Brabant  SHE 19/672): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, Tarieven- en ROEB-lijst
* 21 oktober 2019 (Rb Noord-Holland HAA 19/1261): Awb, FHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, horeca, Wav
* 15 oktober 2019 (Rb Den Haag 7855442 RP VERZ 19-50375): Rv; wijkrechterzaak, burengeschil, klachten over en weer over overlast, geen onrechtmatige hinder
* 10 december 2018 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1869): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, Tarieven- en ROEB-lijst, begrippen

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 7 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2116T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, pluimveehouderij, vvgb/natuur, geur, Wgv, BREF, BBT, gezondheid, endotoxinen, tussenuitspraak
5.2  Verweerder hanteert de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (endotoxine toetsingskader 1.0) als beoordelingskader voor de gezondheidsrisico’s in het bestreden besluit. In dit geval daalt de fijn stofemissie van het bedrijf van 2.420 tot 1.964 kg per jaar. De afstand waarbinnen niet voldaan wordt aan de advieswaarde voor endotoxinen daalt van 300 naar 251 meter. Hieruit volgt dat er geen sprake is van grotere risico’s voor de volksgezondheid dan het geval was bij de vergunning van 28 april 2012. Verweerder leest in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij geen mogelijkheid om verdergaande verplichtingen aan de derde-partij op te leggen dan door middel van het endotoxine toetsingskader 1.0.

5.3  De Gezondheidsraad heeft in een rapport van 30 november 2012 (“gezondheidsrisico’s rond veehouderijen”) geadviseerd over endotoxinen. Hierin is een advieswaarde genoemd: in het algemeen zouden mensen aan een concentratie van 30 EU (endotoxine-units)/m³ kunnen worden blootgesteld zonder onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In een vervolgadvies van de Gezondheidsraad van 14 februari 2018 is vermeld dat er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen die nadere informatie bieden over de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan endotoxinen, behoudens de hierna genoemde rapporten. In 2016 is een rapport uitgebracht van de Wageningen University & Research (“Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering”). Erbrink Stacks Consult heeft op 5 september 2016 het rapport “Endotoxineconcentraties rond stallen: indicatieve modelberekeningen” uitgebracht. Dit rapport is in combinatie met het “Onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden” (VGO-onderzoek) van het RIVM in een uitspraak van deze rechtbank van 30 mei 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2920, genoemd als een indicatie dat sprake kan zijn van een risico voor de volksgezondheid als gevolg van de verspreiding van endotoxinen voor de in het onderzoek van Erbrink Stacks Consult genoemde diersoorten. In de uitspraak van 12 april 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1974, oordeelde de rechtbank dat de grenswaarde voor de uitstoot voldoende is onderbouwd en dat verweerder gebruik mocht maken van de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid.

5.4  De rechtbank is van oordeel dat in dit geval verweerder de Notitie juist heeft toegepast. Gelet op de daling van de fijn stofemissie van het bedrijf en de verkorting van de afstand waarbinnen de grenswaarde wordt overschreden, leidt het bestreden besluit tot een vermindering van de volksgezondheidsrisico’s. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toetsingskader tekort schiet dan wel verkeerd is toegepast. Ook de rechtbank leest in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij geen mogelijkheid om verdergaande verplichtingen aan de derde-partij op te leggen in verband met de emissie van endotoxinen. Slechts in BBT 11 worden technieken genoemd ter voorkoming van de verspreiding van stof (zowel fijn stof als grof stof). Nu wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting heeft verweerder mogen aannemen dat wordt voldaan aan BBT 11.

* 30 december 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1682T): Awb. Wabo; omgevingsvergunning milieu en natuur, uitbreiding varkenshouderij, Natura 2000-gebied, Activiteitenbesluit, oude rechten/vervallen vergunning, PAS, BBT/BREF, geurrendementsmeting luchtwasser, ander veevoer, tussenuitspraak
5.5  Het bedrijf omvat, gelet op het aantal dieren, een IPPC-installatie en verweerder zal de BBT voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij in acht moeten nemen. Er wordt vergunning verleend met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat sprake is van een geval waar geurhinder kan worden verwacht. BBT 12 en BBT 26 zijn daarom onverkort van toepassing.

5.6  De Wgv is het exclusieve toetsingskader dat verweerder in acht dient te nemen bij vergunningverlening voor veehouderijen. De Wgv biedt geen rechtstreekse grondslag voor handhavend optreden jegens vergunninghoudster (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1094). Dit toetsingskader is gebaseerd op de aanname dat als een bepaald stalsysteem wordt toegepast, de bijbehorende geurreductiefactor in de bijlage bij de Rgv wordt gehaald en dat er een geuremissie optreedt die moet worden berekend met het programma V-Stacks. Dit gaat er wel vanuit dat het desbetreffende stalsysteem werkt. Om dit te borgen, bevat het Abm elektronische monitoringsverplichtingen voor stalsystemen met luchtwassers (artikelen 3.123 en verder). De Nederlandse wetgever heeft nog niet voorzien in een verplichting om de geuremissie van een veehouderij daadwerkelijk te meten en vervolgens te toetsen aan rechtstreeks werkende normen. Dit neemt echter niet weg dat verweerder bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de inrichting de BBT in acht zal moeten nemen.

5.7  Verplicht BBT 12, in combinatie met BBT 26, nu tot periodieke geurmetingen van de feitelijke geurimissies van een intensieve veehouderij? De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke verregaande verplichting niet in de BBT kan worden gelezen. Als BBT (te) letterlijk wordt gelezen, zou deze conclusie namelijk verplichten tot het volledig elimineren van elke geuremissie van een intensieve veehouderij in aanvulling op de verplichte beperking van geuremissie op grond van de Wgv. Dit is feitelijk onmogelijk en kan niet in redelijkheid van een veehouderij worden gevergd. Bovendien wordt in BBT 26 de mogelijkheid opengelaten voor alternatieve vormen van monitoring en niet alleen voor monitoring door middel van geurmetingen (dynamische olfactometrie). Het kan dus ook anders. Waartoe verplichten BBT 12 en BBT 26 dan wel? De rechtbank leest in deze BBT’s in ieder geval de verplichting om wat meer te doen in een overbelaste situatie. De rechtbank leest in BBT 28 de verplichting voor alle intensieve veehouderijen met luchtwassers tot electronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting. Het Abm voorziet reeds in de elektronische monitoring, zodat een geurbeheersplan hiervoor geen aanvullende verplichting behoeft te bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder bij intensieve veehouderijen met luchtwassers in een overbelaste situatie verlangen dat er wel periodieke geurrendementsmetingen worden uitgevoerd om nog beter te controleren of het stalsysteem de geur reduceert zoals het zou moeten doen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dergelijke metingen soms ook al in de stalbeschrijvingen worden genoemd en vervolgens kunnen worden opgelegd. Ook de Afdeling heeft een verplichting voor periodieke rendementsmetingen om die reden in het verleden geaccepteerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1828 overweging 2.26.2). Voorschrift 5.4.1 bij het bestreden besluit voorziet niet in de verplichting tot het opstellen van een geurbeheersplan met een dergelijke periodieke verplichting. In zoverre is het bestreden besluit onvolledig en in strijd met artikel 2.14, eerste lid onder c van de Wabo. Dit onderdeel van de beroepsgrond slaagt. Hieronder zal nog worden ingegaan op het voorstel van verweerder om voorschriften 5.4.3 en 5.4.4 op te nemen.

5.8  De rechtbank leest verder niet in de BBT-conclusie dat het bevoegd gezag een geurbeheersplan moet goedkeuren. Het geurbeheersplan moet in ieder geval voldoen aan de parameters in BBT 12 en verweerder kan toezien op de naleving van een vergunningvoorschrift dat hiertoe verplicht door middel van voorschrift 4.3.1 van het bestreden besluit. De rechtbank ziet evenmin in waarom een geurbeheersplan (of een ander onderdeel van het in BBT 1 verplichte milieubeheerssysteem) ter inzage zou moeten worden gelegd met de omgevingsvergunning zelf. De BBT 1 verplicht slechts om een dergelijk systeem te hebben als het bedrijf in werking is. Dit onderdeel van de beroepsgrond slaagt niet.

6.1  Eisers stellen verder dat er alleen een luchtwasser, maar geen combinatie van technieken is toegepast als voorgeschreven in BBT-conclusie 13.

6.2  Volgens verweerder wordt wel voorzien in een combinatie van technieken binnen stal 5, namelijk het extra verhogen van de uittreedsnelheid, het in achtnemen van een optimale afstand van emissiepunten en een verplichting tot het periodiek grondig reinigen van de stallen.

6.3  Op basis van BBT 13 van de BREF intensieve veehouderij is het een best beschikbare techniek om een combinatie van de technieken gebruiken die worden genoemd in BBT 13. De rechtbank stelt vast dat binnen stal 5 een combinatie van enkele technieken wordt gebruikt (het optimaliseren van de verwijdering van stallucht en het voldoende afstand in acht nemen tussen de boerderij/installatie en de gevoelige receptoren. Daarmee wordt voldaan aan BBT 13. Deze grond slaagt niet.

* 23 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5954 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, in gebruik nemen nieuwe betonmengcentrale zonder vergunning, Natura 2000-gebied/Wnb, stikstof, zicht op legalisatie

5.3 ………………………………….

De projectlocatie ligt op minder dan 10 kilometer van Natura 2000 gebieden [gebied A] ’, ‘ [gebied B] ’, ‘ [gebied C] ’, ‘ [gebied D] ’ en ‘ [gebied E] ’. Dit zijn stikstofoverbelaste Natura 2000 gebieden. De voorzieningenrechter stelt vast dat een betonmengcentrale gepaard gaat met stikstof uitstotend betonwagenverkeer en binnenscheepvaart en daarom kan leiden tot stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden.

Het is aan verzoekster om aan te tonen dat significante gevolgen als gevolg van het in gebruik nemen van de nieuwe betonmengcentrale zijn uitgesloten (voortoets). Verzoekster heeft daartoe twee Aerius stikstofberekeningen overgelegd, die zijn opgemaakt op 22 maart 2019 respectievelijk 22 oktober 2019. De stikstofberekening van 22 maart 2019 concludeert dat de uitoefening van het bedrijf na het in gebruik nemen van de nieuwe betonmengcentrale zal leiden tot een stikstofdepositie van 0,09 mol/ha/jaar op [gebied A] en 0,06 mol/ha/jaar op de [gebied B] . De stikstofberekening van 22 oktober 2019 concludeert dat het gebruik van de nieuwe betonmengcentrale niet leidt tot een additionele stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster door middel van die berekeningen niet aannemelijk gemaakt dat significante gevolgen voor de stikstofoverbelaste Natura 2000 gebieden [gebied A] en [gebied B] zijn uitgesloten. Er is immers sprake van stikstofdepositie, ook al is de omvang zeer gering. Aan de hand van de stikstofberekening van 22 oktober 2019 kan de voorzieningenrechter niet met zekerheid vaststellen dat geen stikstofdepositie zal plaatsvinden op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. In die berekening is immers verzuimd bronnen mee te nemen, die in de eerdere berekening wel zijn opgenomen (binnenvaart en mobiele werktuigen).

Dit betekent dat voor de ingebruikname van de nieuwe betonmengcentrale een natuurvergunning of verklaring van geen bedenkingen (vvgb) vereist is. Uit de controlerapporten van het college blijkt dat 14 oktober 2019 is geconstateerd dat de nieuwe betonmengcentrale in gebruik was, zonder omgevingsvergunning en zonder natuurvergunning. Verzoekster heeft voor de activiteit een omgevingsvergunning aangevraagd, maar daar is nog niet op beslist. Dat betekent dat verzoekster het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Bor heeft overtreden.

Naar aanleiding van de stelling van verzoekster dat de stikstofdepositie van het bedrijf hoger was toen de oude betonmengcentrale in werking was en voor zover verzoekster op die wijze een beroep wil doen op de mogelijkheid van interne salderen, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit de op 11 december 2019 vastgestelde Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen (hierna: Beleidsregels) blijkt dat positieve effecten van ‘intern salderen’ onder bepaalde voorwaarden kunnen worden betrokken bij de verlening van een natuurvergunning (zie artikel 1, onder c, en artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels). Dat impliceert dat positieve effecten van interne saldering door Gedeputeerde Staten niet in de voortoets worden meegenomen, maar door hen pas worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning kan worden verleend.

5.5  Kort samengevat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in gebruik nemen van de nieuwe betonmengcentrale in ieder geval een handeling is die in strijd is met het verbod (behoudens omgevingsvergunning) artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a en 2.2aa van het Bor. Verzoekster heeft de nieuwe betonmengcentrale in gebruik genomen zonder omgevingsvergunning en heeft voornoemde bepalingen daarom overtreden. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college op grond van artikel 5.1, 5.2, eerste lid, onder a, en 2.4, eerste lid, van de Wabo bevoegd is om handhavend op te treden tegen een dergelijke overtreding.

* 20 december 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1181): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en handelingen met gevolgen voor een beschermd rijksmonument, aanpassing badpaviljoen, onevenwichtig totaalbeeld, aantasting en onherstelbare schade aan de monumentale en cultuurhistorische waarden
Bij brief van 24 juni 2018 heeft verweerder aan eiser een ontwerpbeschikking gestuurd over het Badpaviljoen Hindeloopen. Het ontwerp is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag van eiser van 7 juli 2017 om omgevingsvergunning voor:

  • het bouwen van een bouwwerk;
  • het verrichten van handelingen met gevolgen voor een beschermd rijksmonument.

Bij besluit van 19 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat door de uitgevoerde werkzaamheden alsnog te vergunnen het rijksmonument zou worden aangetast en onherstelbare schade zou worden toegebracht aan de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksmonument. Evenzeer heeft hij in redelijkheid kunnen besluiten dat het algemeen belang dat is gediend bij het behoud van de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermde monument dient te prevaleren boven het (financiële) belang van de aanvrager en dat, mede gelet op de ernstige aantasting van het rijksmonument, de monumentale waarden die daarbij verloren zijn gegaan zoals blijkt uit de bouwhistorische verkenning en de zeer negatieve adviezen van beide deskundige instanties, het legaliseren van de werkzaamheden, zoals aangevraagd, niet mogelijk is.