Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 15 januari 2020 (ABRvS 201906614/1/R3): Awb, Wro; bpl, huurwoningen, centrum, privaatrechtelijke belemmering
* 15 januari 2020 (ABRvS 201904719/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing kantoorgebouw tot woonappartementen, parkeren (Rb Noord-Holland 18/4289)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201904527/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, kunstwerken/turborotonde, privaatrechtelijke belemmering (Rb Limburg 18/1984)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903590/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen van (delen van bijbehorende) bouwwerken die niet vergunningvrij zijn (Rb Midden-Nederland  18/3152)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903554/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, aarden wal in afwijking vergunning, afvoeren van grond, begunstigingstermijn (Rb Gelderland 18/3068)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903506/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, gebruik als burgerwoning van agrarische bedrijfswoning (Rb Limburg 17/3026)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903433/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, voorgevellijn, geen strijd met bpl (Rb Limburg 18/679)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903239/1/A1): Awb, Wbr; vergunning, oplaadstation voor elektrische motorvoertuigen nabij benzinestation/restaurant, veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats (Rb Midden-Nederland 18/2323)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903038/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, bedrijventerrein, landschappelijke inpassing
* 15 januari 2020 (ABRvS 201903011/1/R1): Awb, Wro; bpl, woning, bedrijf, omgevingsvisie
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902907/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen, belanghebbende, strijd met bpl-en (Rb Noord-Nederland 18/1067)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902819/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, balkon en terras, strijd met bpl (Rb Amsterdam 18/4799)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902790/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, sluiting winkel, explosief, APV, redelijkheid sluiting, VWEU/Dienstenrichtlijn (Rb Amsterdam 18/4925)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902705/1/R2): Awb, Wro; bpl, plattelandswoning, bedrijfsvoering, Activiteitenbesluit
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902554/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering vrijhouden vluchtroute appartementencomplex, Bouwbesluit (Rb Oost-Brabant 18/2153 en 18/2900)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902376/1/A1): Awb, Wabo; aanpassing milieuvergunning/ weigering tot intrekking vergunning, varkenshouderij, geur/Wgv, rendement luchtwassers (Rb Limburg 18/3143, 18/3144, 18/3145 en 18/3148)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902355/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, kerk en congrescentrum, parkeren, strategische visie (Rb Overijssel 18/831)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902232/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwing woning en realiseren vakantiewoning, planregels/eigenaar (Rb Zeeland-West-Brabant 19/415 en 19/416)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902227/1/R1): Awb, Wro; bpl, agrarische functie/beweiden, PAS/Habitatrichtlijn, passende beoordeling
* 15 januari 2020 (ABRvS 201902024/1/A2): Awb; schadevergoeding, aanpassing Legger oppervlaktewaterlichamen en vaarwegen, onderhoud beschoeiing/damwand, normaal maatschappelijk risico (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2534)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901682/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, overlast van buren, houden van paarden, honden en katten, APV, geen strijd met bpl (Rb Limburg 18/1776)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901612/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, trimsalon voor honden en katten, verkeer/parkeren (Rb Limburg 18/1720)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901510/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, pluimveehouderij, geur, geluid, controlevoorschrift (Rb Gelderland 18/1215)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901439/1/R1): Awb, Wro; uitwerkingsplan, woningen, schootsveld, water, geluid, natuur, bodem
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901427/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woonhuis naar appartementen, strijd met bpl, leefbaarheidstoets (Rb Oost-Brabant 18/1794)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901410/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, schade woning, grondwaterstand, grondwatermodel/deskundigen (Rb Limburg 17/3675)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201901012/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor  boller leggen van bestaande akkers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, mitigerende maatregelen, Wnb/vvgb/Bor/i-vergunning (Rb Gelderland 18/3458)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201900993/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, aanzegging bestuursdwang, verwijderen bouwsels, boogkas/bouwwerk, schuilschuur, hoofdgebouw/bijbehorende bouwwerken (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2701)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201900785/1/R1): Awb, Wro; bpl, zonnepark, duurzaamheid, steenuil/quickscan
* 15 januari 2020 (ABRvS 201900705/1/A1): Awb, Ww, Wro; bouwvergunning/ontheffing, uitbouw met dakterras, ontvankelijkheid, geluid (Rb Amsterdam 17/6682)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201900194/2/A2): Awb, Wro; planschade, tussenuitspraak (Rb Rotterdam 18/941)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201900090/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, strijd met bpl, bouwvolume/ruimtelijke impact (Rb Rotterdam 17/6855)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201810191/1/R2): Awb, Wro; bpl, uitbreiding manege, woon- en leefklimaat, provinciale verordening, landschappelijke waarden/compenserende maatregel, tussenuitspraak
* 15 januari 2020 (ABRvS 201809408/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woongebouw, verschrijving in de digitaal te raadplegen planregels, privaatrechtelijke belemmering (Rb Amsterdam 18/3272)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201809029/1/R2): Awb, Wro; weigering bpl vast te stellen, vervangen veehouderij door tankstation en woningen, ruimtelijke aanvaardbaarheid
* 15 januari 2020 (ABRvS 201809007/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, belanghebbende, divers (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2750, 2751, 2752, 2756, 2758 en 18/4258)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201808913/1/R1): Awb, Wro; bpl, gemeenschapshuis, belanghebbenden, Natura 2000/relativiteit, maximale planologische mogelijkheden
* 15 januari 2020 (ABRvS 201808163/3/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijfswoning, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 15 januari 2020 (ABRvS 201807681/1/A2): Awb, Mnw; weigering tot doorhaling inschrijving pand in monumentenregister, beoordeling monumentwaardigheid, tussenuitspraak (Rb Amsterdam 17/4353)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201807663/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, exploitatie bedrijf aan huis, beleidsregels, geen bijzondere omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 17/8117)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201807355/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, strijd met bpl, onwenselijkheid stedenbouwkundig oogpunt, onderbouwing (Rb Noord-Holland 18/421)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201806861/1/A1): Awb; invordering dwangsom, bijgebouw stacaravan, geen bijzondere omstandigheden (Rb Overijssel 18/757)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201805246/2/R4): Awb, Wabo; handhaving, permanente bewoning van recreatiepark, inventarisatie, EVRM, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/34)
* 15 januari 2020 (ABRvS 201804031/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, bierbrouwerij/windturbine, afwijkingsbevoegdheid, Waddengebied/Barro/relativiteit, provinciale verordening, cultuurhistorie, woon- en leefklimaat, parkeren/verkeer/CROW, geluid, Natura 2000/relativiteit, tussenuitspraak
* 15 januari 2020 (ABRvS 201804019/1/R2): Awb, Wro; bpl, woonbestemmingen, reparatie
* 15 januari 2020 (ABRvS 201802998/2/R3): Awb, Wro; bpl, loods bebouwingspercentage, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak, m.e.r.-beoordeling, Ladder/Bro
* 15 januari 2020 (ABRvS 201709230/1/A1 en 201709235/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen chalet en staken permanente bewoning, geen vergunning, strijd met bpl, stacaravan/hoofdgebouw, hoogte dwangsom/matiging (Rb Overijssel 17/219 en 17/221)
* 14 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2354): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, bouwwerken, geen vergunning, strijd met bpl, nieuwe bpl, zicht op legalisatie
* 14 januari 2020 (CBb 18/1984, 18/2350, 18/1872): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling
* 13 januari 2020 (Rb Oost Brabant SHE 19/2943 en SHE 19/2970): Awb, Wnb; vovo, vergunning, aanleg en ingebruikname nieuwe verbindingsweg, stikstof, Natura 2000
* 13 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3009): Awb, Waterwet; vovo, vergunning, onttrekken en infiltratie grondwater, waterverontreiniging, onderzoek, Besluit lozen buiten inrichtingen, ordemaatregel
* 13 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3011): Awb, Waterwet; vovo, vergunning, beekdalbrug nabij watergang
* 13 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3406): Awb, Waterwet; vovo, vergunning verleend voor dempen oppervlaktelichaam en gebruik maken van beschermingszone in en nabij watergang
* 13 januari 2020 (Rb Limburg ROE 19/349): Awb; nadeelcompensatie, Luchtruimwijzigingsbesluit, normaal maatschappelijk risico, overlast laag en nabij overvliegende vliegtuigen, vergelijking Schiphol, zelf in de zaak voorzien

* 10 januari 2020 (HR 18/04045): BW; onrechtmatige overheidsdaad, omvang geding, vervolg op eerdere uitspraak, aanvraag bouwvergunning ten onrechte afgewezen, vergunning wel van rechtswege verleend wegens niet tijdig beslissen, schadeplichtigheid gemeente, conclusie PG
* 9 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 18/2006 en AWB 19/691): Awb, Nbw; vergunning verleend voor jaarrond doden van grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen met behulp van geweer in en rond Natura 2000-gebieden, belanghebbenden, activiteit is project en geen andere handeling
* 9 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/1522, 19/1532, 19/1557 en 19/5082): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en OBM, geluidscherm en weegbrug schrootbedrijf, belanghebbende, bevoegdheid
* 9 januari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4123): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor vestigen restaurant, geur, parkeerdruk, alleen op zaterdag en zondag open
* 8 januari 2020 (ABRvS 201907092/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, reeds uitspraak gedaan in bodemprocedure
* 7 januari 2020 (CBb 16/64, 18/658, 18/2015, 18/2035, 18/2059, 18/2066, 18/2068, 18/2071, 18/2073, 18/2248): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, grondgebondenheid, biologisch-dynamische bedrijfsvoering
* 7 januari 2020 (CBb 19/607): Awb, Msw; handhaving, overtredingen, vrachten mest (Rb Oost-Brabant 18/1514)
* 7 januari 2020 (CBb 19/1643): Awb, Msw; vovo, verzoek om herziening pluimveerecht
* 31 december 2019 (CBb 18/2274, 18/699, 18/700 en 18/907): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling
# 24 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 17/4656): Awb, Wro; planschade, school/kantoorgebouw, schikkingspoging, bepaling schadeomvang, normaal maatschappelijk risico
* 24 december 2019 (CBb 18/2522, 18/2683, 18/2569, 18/1977, 18/2547, 18/2561, 18/1964, 18/2555, 18/2559, 18/1444, 18/2560, 18/2322 en 18/2539): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, grondgebondenheid,
* 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/3178 en HAA 18/4571, HAA 18/3151 en HAA 18/3191 en HAA 18/3192 en HAA 18/3189): Awb, Wlv; weigering vvgb, bouwplan, LIB, geluid, Bro/bestaand stedelijk gebied
* 18 december 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/4788 WABOA, BRE 18/4841 WABOA, BRE 18/6116 WABOA, BRE 19/2964 WABOA, BRE 19/3016 WABOA en BRE 19/3017 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en afwijken bpl, recreatieappartementen, belanghebbenden, vvgb, beheersverordening, verkeer, parkeren
* 16 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/3428): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, lichtmasten rond verplaatste atletiekbaan, onlosmakelijke samenhang met andere activiteiten
* 12 december 2019 (Rb Den Haag SGR 18/7106): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw woning
* 4 november 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1532): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, tijdelijke wooneenheden, behoefte, m.e.r., VNG-brochure
* 10 september 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2020): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving sluiting woning, drugs
* 24 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/903): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleg geluidswallen rond motorcrosscircuit, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 2 juli 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/829): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken bewoning in de vorm van kamerverhuur, strijd met bpl, VNG-brochure, vertrouwensbeginsel


#
= betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 15 januari 2020 (ABRvS 201902376/1/A1): Awb, Wabo; aanpassing milieuvergunning/ weigering tot intrekking vergunning, varkenshouderij, geur/Wgv, rendement luchtwassers (Rb Limburg 18/3143, 18/3144, 18/3145 en 18/3148)
8.2.    Zoals hierboven onder 6.1 is vastgesteld, heeft het college in het besluit van 1 november 2018 erkend dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal woningen zullen worden overschreden, indien de geurbelasting wordt berekend met toepassing van het vastgestelde lagere rendement van het vergunde luchtwassysteem. De vraag of de geurbelasting die zal optreden ontoelaatbaar is, heeft het college echter, gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen, nog niet kunnen beantwoorden. Het in de Rgv vermelde reductiepercentage van 45% is blijkens de toelichting (Stcrt. 2018, nr. 39679) een niveau dat minimaal kan worden gehaald, maar niet een algemeen aanvaard milieutechnisch inzicht dat geldt voor alle stallen met het vergunde luchtwassysteem.

8.3.    Het betoog faalt.
11.2.    Voorschrift 2.3, zoals opgenomen in het besluit van 21 januari 2014 en aangepast bij de onder 1 vermelde uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, bepaalt onder a dat de stallen moeten zijn uitgevoerd met een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2009.12 van oktober 2009) met voor ammoniak en geur een verwijderingsrendement van 85%.

Aan het in dit voorschrift vermelde rendement komt geen zelfstandige betekenis toe, zoals de rechtbank heeft overwogen. Die vermelding is bedoeld als nadere beschrijving van het vergunde type luchtwasser, dat destijds in de Rgv werd beschreven als een systeem met 85% geurreductie. Anders dan het college stelt, was voorschrift 2.3, onder a, overigens in zoverre niet van rechtswege vervallen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer regelen niet welk type luchtwasser moet worden gebruikt, maar bevatten rechtstreeks werkende regels ter waarborging van de goede werking van luchtwassystemen. De verleende omgevingsvergunning, noch het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Activiteitenregeling milieubeheer bepaalt welk geurverwijderingsrendement het vergunde luchtwassysteem moet hebben.

Hieruit volgt dat het schrappen van de vermelding van het verwijderingsrendement geen gevolgen voor het milieu heeft. De geurbelasting die de vergunde inrichting mag veroorzaken, wijzigt hierdoor niet.

11.3.    Het betoog faalt.
12.2.    Het voorschrijven van een geurreductierendement van 85% of het stellen van een geurgrenswaarde gebaseerd op dit rendement zou, gelet op de rendementen die in de praktijk zijn gebleken, erop neer kunnen komen dat de inrichting niet in werking kan zijn overeenkomstig de verleende vergunning. Het college heeft dit, gelet op de belangen van [belanghebbende], in redelijkheid kunnen weigeren, zoals de rechtbank heeft overwogen. De Afdeling is verder met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opgelegde streefnormen, samen met de opgelegde meetverplichtingen, vooralsnog toereikend zijn ter bescherming van het milieu. De Afdeling begrijpt de vrees van de maatschap en anderen voor ernstige geurhinder, maar ziet in hetgeen zij hebben aangevoerd onvoldoende aanwijzingen dat [belanghebbende] er niet voor zou kunnen zorgen, eventueel met extra maatregelen, dat aan de streefnormen wordt voldaan. Indien blijkt dat [belanghebbende] niet aan de inspanningsverplichting voldoet en de streefnormen worden overschreden, kan dat aanleiding voor het college zijn om de omgevingsvergunning alsnog geheel of gedeeltelijk in te trekken of om voorschriften te wijzigen. De maatschap en anderen kunnen daar eventueel om verzoeken.

12.3.    Het betoog slaagt niet.

* 15 januari 2020 (ABRvS 201902232/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwing woning en realiseren vakantiewoning, planregels/eigenaar (Rb Zeeland-West-Brabant 19/415 en 19/416)
2.2.    Anders dan [appellant] en anderen betogen, heeft de rechtbank noch het college artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.2, onderdeel f en g, van de planregels buiten toepassing gelaten. Zij hebben het in deze planregels opgenomen begrip “eigenaar” uitgelegd overeenkomstig de door de Afdeling gegeven uitleg van dit begrip in haar uitspraak van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6667, over een aan artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.2, onderdeel g, gelijkluidende bepaling in een ander bestemmingsplan binnen de gemeente Veere. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de uitleg van het begrip “eigenaar” heeft kunnen aansluiten bij de ruimere uitleg van dit begrip die de Afdeling in haar uitspraak van 19 december 2012 heeft gegeven. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening als zodanig niet van belang is dat de eigenaar een woning zelf permanent bewoont in geval van verblijfsrecreatie in een bij de woning behorende aan- of uitbouw of een bijgebouw. De Afdeling ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de ruimere uitleg van het begrip “eigenaar” in strijd is met artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.2, onderdeel f, van de planregels omdat de aanvrager in dit geval weliswaar eigenaar is van het pand, maar geen bewoner, geldt ook hierbij dat uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening als zodanig niet van belang is dat de aanvrager/eigenaar tevens bewoner is van de woning.

Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het woonhuis en de vakantiewoning in de garage anders zullen worden gebruikt dan waarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd. Uit de door [belanghebbende] bij de aanvraag overgelegde huurovereenkomst blijkt dat een huurder het woonhuis permanent gaat bewonen. De juistheid van de huurovereenkomst is tussen partijen niet betwist. Dat de huurovereenkomst tijdelijk is, maakt niet dat geen sprake is van permanente bewoning. Bovendien hebben het college en [belanghebbende] ter zitting toegelicht dat de bewoners op het adres staan ingeschreven in de basisregistratie personen en dat zij verantwoordelijk zijn voor het gebruik van de vakantiewoning en dat zij het aanspreekpunt zijn als er sprake is van overlast. Dat het college volgens [appellant] en anderen rekening had moeten houden met de geldstromen tussen de eigenaar en huurders van het woonhuis en de vakantiewoning in de garage, overweegt de Afdeling dat niet ruimtelijk relevant is wie de huuropbrengsten ontvangt.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het realiseren van de vakantiewoning in het bijgebouw niet in strijd is met artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.2, onderdelen f en g, van de planregels.
Het betoog faalt.

* 15 januari 2020 (ABRvS 201901012/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor  boller leggen van bestaande akkers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, mitigerende maatregelen, Wnb/vvgb/Bor/i-vergunning (Rb Gelderland 18/3458)
3.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld en tussen partijen niet in geschil is, is een aanlegvergunning vereist voor het ophogen van het perceel. Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo volgt dat een dergelijke vergunning alleen mag worden geweigerd indien de aanleg in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Het toetsingskader wordt in dit geval gevormd door artikel 6.6.3 van de planregels. Gelet op dat artikel kan de aanlegvergunning alleen worden verleend indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de ophoging landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan het perceel, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

3.2.    Het perceel behoort tot een weidevogelgebied. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen die strekken tot bescherming van plant- en diersoorten waaronder weidevogels. In bepaalde gevallen is een ontheffing op grond van de Wnb vereist. Vast staat dat de maatschap een dergelijke ontheffing niet heeft aangevraagd. Nu er geen ontheffingsprocedure loopt, is mogelijk ook een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo (hierna: i-vergunning). Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo zou de aanvraag dan ook betrekking op de i-vergunning moeten hebben.

Als de werkzaamheden voor de op het perceel aanwezige weidevogels leiden tot het overtreden van één van de verboden genoemd in artikel 3.1 van de Wnb, dan is op grond van artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor een i-vergunning vereist. In dat kader moet er een verklaring van geen bedenkingen worden afgeven door gedeputeerde staten voordat het college tot verlening van die vergunning over kan gaan. Het is aan het college om te beoordelen of een i-vergunning is vereist. Daarbij hoeft het college, indien het tot de conclusie komt dat een i-vergunning niet is vereist, niet eerst de aanvraag aan de gedeputeerde staten voor te leggen. Dit betekent echter niet dat voor gedeputeerde staten geen mogelijkheid bestaat om de vergunningverlening tegen te houden dan wel zijn standpunt hierover naar voren te brengen. Gedeputeerde staten kunnen, zoals hier ook is gebeurd, in een dergelijk geval rechtsmiddelen aanwenden tegen verlening van de aanlegvergunning. In dat kader kan aan de orde worden gesteld of een i-vergunning met de daarbij behorende verklaring van geen bedenkingen is vereist. Anders dan gedeputeerde staten lijken te stellen, is er dus wel een mogelijkheid om te voorkomen dat het weidevogelgebied negatief wordt beïnvloed door allerlei ten onrechte vergunde werkzaamheden.
3.5.    De rechtbank heeft gelet op de hiervoor genoemde onderzoeken terecht overwogen dat het in artikel 3.1 van de Wnb opgenomen storingsverbod niet wordt overtreden. Er is derhalve geen i-vergunning vereist. De rechtbank heeft daarbij terecht verwezen naar de quickscan waaruit valt af te leiden dat de verhoging geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de weidevogels kievit en scholekster, mits geen werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen. Daaruit volgt ook dat de aanlegvergunning, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in zoverre terecht is verleend. In hetgeen gedeputeerde staten over de quickscan hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Hoewel het wenselijker was om een onderzoek te starten voordat de werkzaamheden, die zijn stilgelegd, waren aangevangen, bleek het na aanvang van die werkzaamheden nog steeds mogelijk om te onderzoeken welke weidevogels voor de werkzaamheden op het perceel aanwezig zouden kunnen zijn geweest en wat voor gevolgen de werkzaamheden zullen hebben voor die vogels, hetgeen hier ook is gebeurd. In het rapport van Altenburg & Wymenga wordt gesteld dat de werkzaamheden gevolgen hebben voor de grutto en tureluur maar gelet op de door het college en de maatschap overgelegde onderzoeken was het perceel al voor de werkzaamheden niet geschikt voor deze vogels. Deze vogels komen, gelet op die onderzoeken en het verhandelde ter zitting weliswaar wel voor elders in het weidevogelgebied maar niet op het perceel waar de werkzaamheden plaats zullen vinden. De Afdeling is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag die hier aan de orde is, slechts van belang is of de werkzaamheden van invloed zijn op de weidevogels die zijn te verwachten op het perceel en niet voor het gehele weidevogelgebied.

Uit de quickscan volgt dat overtreding van artikel 3.1 van de Wnb kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Om te bereiken dat de ophoging buiten het broedseizoen plaatsvindt, heeft de rechtbank de drie mitigerende maatregelen, genoemd in het besluit van 16 mei 2018, als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Gedeputeerde staten hebben niet aannemelijk gemaakt waarom daarmee niet voldoende is gewaarborgd dat artikel 3.1 van de Wnb niet wordt overtreden.

Het betoogt faalt.

* 15 januari 2020 (ABRvS 201900785/1/R1): Awb, Wro; bpl, zonnepark, duurzaamheid, steenuil/quickscan
3.    De vereniging betoogt dat het plan leidt tot een lagere vermindering van de CO2 uitstoot dan de raad veronderstelt. Hierbij voert zij aan dat de gehanteerde emissiefactor voor CO2 uit 2015 achterhaald is. Doordat grijze stroom minder CO2-intensief geworden, kan de beoogde mate van uitstootreductie niet worden gehaald. Daarom acht de vereniging het plan onvoldoende gemotiveerd.

3.1.    In de plantoelichting zijn de landelijke, de provinciale en de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid beschreven. Daartoe behoort de ambitie om het aandeel hernieuwbare energieopwekking te vergroten. Voorts stelt de raad zich in het verweerschrift op het standpunt dat het evident is dat het vaststellen van een bestemmingsplan voor het zonnepark meer bijdraagt aan het halen van de klimaatdoelen, dan het niet vaststellen daarvan. De Afdeling ziet in de stellingen van de vereniging over de beperkte reductie van de uitstoot van CO2 geen grond voor het oordeel dat de raad aanvullend onderzoek had moeten verrichten naar het nut en de noodzaak van zonne-energie. Daartoe acht de Afdeling van belang dat het aangevoerde geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de stellingen van de raad dat de opwekking van grijze energie gepaard gaat met een zekere CO2-emissie en dat zonne-energie een effectieve wijze is om duurzame energie te produceren. De Afdeling stelt vast dat dat past in de gemeentelijke ambities en dus in de beleidsdoelstellingen van de raad. De raad heeft in dat licht naar haar oordeel in redelijkheid een belangrijk gewicht kunnen toekennen aan de doelstelling om de productie van duurzame energie te verhogen. Ook als de vermindering van de CO2 uitstoot kleiner zou zijn dan de raad veronderstelt is de motivering daarmee voldoende draagkrachtig. Het betoog faalt.

* 15 januari 2020 (ABRvS 201804031/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, bierbrouwerij/windturbine, afwijkingsbevoegdheid, Waddengebied/Barro/relativiteit, provinciale verordening, cultuurhistorie, woon- en leefklimaat, parkeren/verkeer/CROW, geluid, Natura 2000/relativiteit, tussenuitspraak
11.1.    Primair stelt de raad zich ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] op het standpunt dat de beroepsgronden over het Barro, gelet op het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb, buiten beschouwing dienen te blijven. De raad wijst op een uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1316.

11.2.    In de uitspraak waar de raad naar verwijst wordt overwogen dat de in het Barro opgenomen normen weliswaar gericht zijn tot de raad als bevoegd bestuursorgaan, maar dat hieruit niet zonder meer volgt dat deze normen niet mede strekken ter bescherming van de belangen van individuele burgers. Uit de nota van toelichting bij het Barro (nota van toelichting blz. 42; Stb. 2001, 391) blijkt dat het rijksbeleid voor de Waddenzee, invulling geeft aan de hoofddoelstelling voor de Waddenzee, te weten duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap. Titel 2.5 van het Barro ziet niet alleen op de Waddenzee, maar op het Waddengebied als geheel. Nu de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] liggen in het Waddengebied is het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving voldoende verweven met het algemene belang dat titel 2.5 beoogt te beschermen.

Het betoog van de raad over relativiteit faalt.
19.    De Afdeling merkt op dat de beroepsgronden van [appellant sub 4] over de stikstofdepositie en de omliggende Natura 2000-gebieden, niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op artikel 8:69a van de Awb. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 4] en het Natura 2000-gebied “Waddenzee” bedraagt ongeveer 600 m. In het tussenliggende gebied liggen verschillende bedrijven en de haven. De kortste afstand tot Natura 2000-gebied “Duinen en Lage Land Texel” bedraagt meer dan 1 km. De afstanden zijn naar het oordeel van de Afdeling te groot om de Natura 2000-gebieden te kunnen rekenen tot de directe woon- en leefomgeving van [appellant sub 4]. De omstandigheid dat tussen de woning van [appellant sub 4] en Natura 2000-gebied “Duinen en Lage Land Texel” open agrarische gronden liggen doet aan dit oordeel, gelet op de afstand, niet af.

* 13 januari 2020 (Rb Limburg ROE 19/349): Awb; nadeelcompensatie, Luchtruimwijzigingsbesluit, normaal maatschappelijk risico, overlast laag en nabij overvliegende vliegtuigen, vergelijking Schiphol, zelf in de zaak voorzien
Betreft beroep tegen besluit over nadeelcompensatie (toegekend is een bedrag van €5.285,75 waarbij verweerder, in afwijking van het advies van de Commissie die hem heeft geadviseerd over het toe te kennen bedrag, een drempel heeft toegepast van 5% voor het normaal maatschappelijk risico). De rechtbank stelt vast dat de jurisprudentie waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd betrekking heeft op woningen in de omgeving van luchthaven Schiphol. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Eijsden sprake zou zijn van vergelijkbare omstandigheden nu het onderhavige schadeveroorzakende besluit geen betrekking heeft op de uitbreiding van een luchthaven maar op de herindeling van het luchtruim. Bovendien is de woning van eisers op een (veel) grotere afstand gelegen van het vliegveld Luik dan de woning in de door verweerder genoemde uitspraak die op het vliegveld Schiphol betrekking heeft. Ook het feit dat het percentage van 5% is opgenomen in het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet en in de Wet Luchtvaart acht de rechtbank een onvoldoende motivering om van het advies van de Commissie af te wijken (toepassing drempel van 3%), aangezien de Commissie, naar het oordeel van de rechtbank terecht, benadrukt dat een Luchtruimwijzigingsbesluit (zeer) uitzonderlijk is. Met een toename van het vliegverkeer en een routewijziging voor vliegtuigen naar het vliegveld in Luik heeft de Commissie in haar advies rekening gehouden. In het kader van een definitieve geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en eisers, conform het advies van de Commissie, op grond van de Beleidsregel een schadevergoeding toe te kennen van € 13.000,- alsmede de wettelijke rente. Beroep gegrond.

* 9 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 18/2006 en AWB 19/691): Awb, Nbw; vergunning verleend voor jaarrond doden van grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen met behulp van geweer in en rond Natura 2000-gebieden, belanghebbenden  activiteit is project en geen andere handeling
9.2.  De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de aangevraagde activiteit een project betreft in de zin van artikel 2.7, derde lid, onder a, van de Wnb, zoals eisers betogen, of dat sprake is van een andere handeling in de zin van artikel 2.7, derde lid, onder b, van de Wnb.

De Afdeling is in de tussenuitspraak van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1260) ingegaan op de vraag wanneer sprake is van een project in de zin van de Wnb. Samenvattend volgt uit deze uitspraak dat voor de uitleg van het begrip ‘project’ als bedoeld in de Habitatrichtlijn aansluiting wordt gezocht bij de omschrijving van dit begrip in de MER-richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie daarover. Een activiteit is gelet hierop in ieder geval een project als de activiteit het oprichten van een bouwwerk of de totstandbrenging van een installatie of een andere ingreep in het natuurlijk milieu of landschap betreft, waardoor de materiële toestand van de plaats wijzigt (fysieke ingreep). De Afdeling kent daarbij geen betekenis toe aan de plaats waar de activiteit wordt verricht en de gevolgen die de activiteit kan hebben. Maar de Afdeling vraagt zich hierbij af of voor de uitleg van het begrip ‘project’ ook de gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied van belang kunnen zijn. Daarom heeft de Afdeling hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie:

“Kan een activiteit die niet valt onder het begrip project als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a, van Richtlijn 2011/92/EU (…) omdat het geen fysieke ingreep in het natuurlijk milieu is, een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn zijn omdat de activiteit significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben?”

Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Uit het arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, volgt dat MER-projecten altijd projecten in de zin van de Habitatrichtlijn zijn. Er is echter nog een tweede categorie activiteiten die als project onder de Habitatrichtlijn moet worden beschouwd: activiteiten die kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Van een project in de zin van de Habitatrichtlijn is sprake als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden, ook als geen sprake is van een project in de zin van de MER-richtlijn, omdat het niet zou gaan om een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu.

Het voorgaande betekent volgens de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, dat de rechtspraak van de Afdeling over de uitleg van het begrip project in de Nbw 1998 en de Wnb bijstelling behoeft. Voor de uitleg van dit begrip is relevant of de activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

9.3.  De rechtbank stelt vast dat verweerder in de verleende vergunning op grond van de Wnb overwogen heeft dat door de afschot van ganzen significant negatieve effecten op enkele Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten en dat daarom sprake is van een vergunningplichtige activiteit. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de activiteit waar vergunning voor is aangevraagd als een project moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onder a, van de Wnb. De activiteit kan immers significante gevolgen hebben voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een activiteit die direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aangevraagde activiteit ten onrechte aangemerkt als een andere handeling in de zin van de Wnb. Dat betekent dat verweerder bij zijn beoordeling ten onrechte artikel 2.7, derde lid, onder b, juncto artikel 2.8, negende lid, van de Wnb heeft toegepast. Verweerder onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning had een passende beoordeling in de zin van artikel 2.8 van de Wnb moeten maken. Deze passende beoordeling ontbreekt. De beroepen zijn reeds om die reden gegrond.

* 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/3178 en HAA 18/4571, HAA 18/3151 en HAA 18/3191 en HAA 18/3192 en HAA 18/3189): Awb, Wlv; weigering vvgb, bouwplan, LIB, geluid, Bro/bestaand stedelijk gebied
4.5  Met name gelet op de hiervoor laatst aangehaalde zin uit de Nota van Toelichting bij het LIB is de overzichtsuitspraak van de Afdeling niet één-op-één toepasbaar voor de situatie waarin het LIB van toepassing in. De overzichtsuitspraak van de Afdeling behoeft naar het oordeel van de rechtbank voor die situatie nuancering nu in de Nota van Toelichting bij het LIB uitdrukkelijk is benadrukt dat met het begrip bestaand stedelijk gebied de fysiek bestaande situatie wordt geduid en niet de (nog niet gerealiseerde) bestemming. Gelet op deze bewuste keuze van de LIB-wetgever en nu het LIB op de gronden in geding van toepassing is, neemt de rechtbank de eerste alinea, tweede zin, van overweging 10.2 uit de overzichtsuitspraak niet over. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank uitgaan van de fysieke – met het plan in overeenstemming zijnde – situatie ter plaatse en niet van de – niet gerealiseerde – mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan biedt aan de gronden waarop de woningbouw is beoogd.

4.6  In de besluitvorming, nader toegelicht in het verweerschrift, stelt verweerder dat uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling volgt dat om aan te kunnen nemen dat sprake is van bestaand stedelijk gebied, is vereist dat de voorgenomen woningbouw (ter vervanging van de oude tuinbouwkassen) reeds moest zijn voorzien in het geldende bestemmingsplan. In deze lezing van de overzichtsuitspraak en daarmee in verweerders uitleg van het begrip bestaand stedelijk gebied volgt de rechtbank verweerder niet. Daartoe is redengevend dat in het LIB en de Nota van Toelichting op het LIB een directe koppeling is gelegd met de definitie van het begrip bestaand stedelijk gebied in het Bro. Deze definitie beperkt zich, anders dan verweerder stelt, niet tot woningbouw, maar is ruimer, in die zin dat ook sprake kan zijn van bestaand stedelijk gebied indien fysiek sprake is van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare en sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
4.8  Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat op de gronden waarop de woningbouw is beoogd thans geen bebouwing meer aanwezig is en de gronden niet worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bestemming, maar ook niet voor niet-agrarisch gebruik. Gelet daarop is ter plaatse van het beoogde bouwplan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bestaand stedelijk gebied. De rechtbank overweegt verder, onder verwijzing naar rechtsoverweging 10.2, tweede alinea, in de overzichtsuitspraak, dat de omstandigheid dat de betreffende gronden aansluitend aan bebouwing zijn gesitueerd en in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming wonen is opgenomen, er in beginsel niet aan kan afdoen dat de voor woonbebouwing beoogde locatie niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt.
4.9  Het betoog van eisers faalt derhalve.