Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 22 januari 2020 (ABRvS 201905057/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, preventieve last onder dwangsom, aanlijn- en muilkorfgebod, bijtincident, APV (Rb Noord-Holland 18/5542)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201904645/1/A2); Awb, Wvw; verzoek om handhaving, verkeerd geparkeerd voertuig, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 19/782)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201904636/1/A2): Awb; mededeling over milieuzone, geen handeling waartegen beroep open staat, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 16/4657)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201904368/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Limburg 18/741)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201903689/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, invordering dwangsommen, milieu-inrichting, IPPC, diffuse stofemissie, ernstig verontreinigd hemelwater, Activiteitenbesluit (Rb Oost-Brabant 18/1808 en 18/2647)
# 22 januari 2020 (ABRvS 201903140/1/R1): Awb, Wro; inpassingsplan, provinciale weg, alternatief/MKBA, verkeersgegevens, geluid
* 22 januari 2020 (ABRvS 201902931/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 22 januari 2020 (ABRvS 201902880/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor seismisch onderzoek, aanvraagvereisten, Mor (Rb Noord-Nederland 18/238)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201902277/1/A1): Awb; invordering, dwangsom, handel in hondenpups, onrechtmatige gegevensverkrijging/AVG, bewijslast (Rb Oost-Brabant 18/1800)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201902142/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl (Rb Gelderland 18/4022)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201902034/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vlonders, UOV, strijd met bpl, nieuwe bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 16/347)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201901949/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, tijdelijke woonunit en kantoorgebouw, niet tijdig beslissen, verbeuring dwangsom (Rb Oost-Brabant 18/2741)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201901916/1/A1, 201902056/1/A1 en 201902191/1/A1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, hinder
* 22 januari 2020 (ABRvS 201901519/1/R1): Awb, Wro; bpl, begraafplaats, belanghebbenden, alternatieve locaties, ontsluiting, parkeren, groen/nutsvoorzieningen
* 22 januari 2020 (ABRvS 201901443/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, reconstructie wegen, omzetverlies restaurant, voorzienbaarheid (Rb Noord-Holland 18/2238)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201900483/1/A2): Awb, Wro; planschade, overlast eetcafé, normaal maatschappelijk risico (Rb Limburg 18/339 en 18/340)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201900142/2/A2): Awb, Wro; planschade, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Limburg 18/1012)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201810270/1/R3): Awb, Wro; uitwerkings- en wijzigingsplan, wonen, regels/belemmeringenstrook, meetmethode, wijzigen bestemmingsgrens

#
22 januari 2020 (ABRvS 201809381/1/R1): Awb, Wro; inpassingsplan, herstelmaatregelen, Natura 2000-gebied, watergang/effectiviteit/locatie, PAS
* 22 januari 2020 (ABRvS 201809269/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, vakantiepark met camping, beheersverordening, kappen/snoeien, parkeerstroken, verblijfsaccommodaties, stacaravans, regels, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 17/4459 en 18/1830)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201807986/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs (Rb Limburg 18/841)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201807456/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, constructiebedrijf in havens, begrip inrichting, geluidzone, schepen aan kade (Rb Rotterdam 17/628 en 17/761)
# 22 januari 2020 (ABRvS 201806336/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, veehouderij/akkerbouw, beoordeling endotoxinen, geluid, maatregelen/voorzieningen, trillinghinder, geur (Rb Oost-Brabant 16/1400 en 16/1431)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201800747/1/R3): Awb, Wro; bpl, kamerverhuurpanden, beheersverordening, plangrens
* 22 januari 2020 (ABRvS 201708088/1/A1): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, geen passende verwerkingshandelingen met afgedankte elektrische/elektronische apparatuur, beeldbuizen, WEEELABEX Standard, bevoegdheid, afzondering van fluorescentiepoeder, kiepen
* 22 januari 2020 (ABRvS 201706777/3/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, regeling veehouderij, bemesten van gronden/passende beoordeling, beweiden
* 22 januari 2020 (ABRvS 201703044/3/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hotel, winkels en horeca, parkeren, verkeersveiligheid/onderzoek, motivering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Amsterdam 15/5541)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201701519/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, activiteiten met beperkte recreatief gebruik en ondersteunende horeca, geluidnota, Ffw/vleermuizen, PAS/Natura 2000/Habitatrichtlijn, passende beoordeling (Rb Overijssel  16/2127)
* 22 januari 2020 (ABRvS 201603843/3/R2): Awb, Wro; bpl, gasdistributiecentrum, externe veiligheid, QRA, groepsrisico/verantwoording, PGS 18, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 21 januari 2020 (CBb 18/959, 18/2630, 18/1019 en 18/2581): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling
* 17 januari 2020 (ABRvS 201906539/2/A3): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunningen, speelautomatenhallen, belanghebbenden, onderzoek, overbrugging (Rb Limburg 18/1964, 18/1978, 18/1979 en 18/1983)
* 17 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/2514): Awb; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, bevoegdheid, verjaring/stuiting
* 17 januari 2020 (Rb Limburg AWB 19/295 en AWB 19/297): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij, medische omstandigheden
* 17 januari 2020 (Rb Noord-Holland C/15/298371 / KG ZA 20-28): BW; kort geding, sluiting sportpark, bevoegdheid burgemeester/APV/openbare orde, witwassen, opschorting totdat bestuursrechter in vovo heeft geoordeeld
* 16 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1261): Awb, Wabo; handhaving, bedrijfsmatige activiteiten, strijd met bpl-en
* 15 januari 2020 (ABRvS 201907035/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, herinrichting perceel, huisvesting van arbeidsmigranten, overlast
* 14 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/1506): Awb; handhaving, overlast door geluid van kabelbaan in speeltuin, geen strijd met bpl/APV/Activiteitenbesluit, geen inrichting
* 14 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2682 en SHE 19/218 t/m SHE 19/247): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en handelingen monument, trampolinecentrum in voormalige kerk, parkeren, geluid, vergunning inmiddels ingetrokken
* 14 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 18/5518, AMS 18/5632 en AMS 18/5633): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, extra bouwlaag, belanghebbenden, evident privaatrechtelijke belemmering
* 10 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/952): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, typering bouwwerk
* 8 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 19/459 en SGR 19/460): Awb, Wabo; invordering dwangsom, op- en overslag van afvalstoffen, geur, overtreding milieuvoorschrift
* 8 januari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1232): Awb, Wlv; handhaving, omzettingsregeling luchthaven, afwijkend starts- en landingen, interventiebeleid, waarschuwing, taxiën
* 20 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1611): Awb; geplaatst matrixbord, verleende omgevingsvergunning, strijd met verordening natuur en landschap, provinciale landschapsverordening, vertrouwensbeginsel
* 18 december 2019 (Rb Gelderland ARN 19/5703, 19/5711 en 19/6159 en 19/6972): Awb, DHW, Gmw; vovo en kortsluiten, weigereng DHW- en exploitatievergunning, levensgedrag, Dienstenrichtlijn, gedragslijn/verstreken periode
* 4 december 2019 (Rb Overijssel C/08/215240 / HA ZA 18-122): Onteigeningswet; onteigening, schadeloosstelling, vrijkomende bodembestanddelen, wijze van realiseren meerwaarde, kosten winning
* 17 oktober 2019 (Rb Den Haag SGR 18/6153): Awb; schadevergoeding, woning/grond
* 14 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/2244): Awb, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, scheepswerf, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 14 oktober 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/2062): Awb, Wro; planschade, woonarken, geen onroerende zaak, basisregistratie kadaster

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 22 januari 2020 (ABRvS 201904645/1/A2); Awb, Wvw; verzoek om handhaving, verkeerd geparkeerd voertuig, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 19/782)
3.1………………………..

Het voorgaande betekent dat schriftelijke reacties van bestuursorganen op verzoeken om aanwending van een bepaalde bestuursbevoegdheid, inhoudende dat die bevoegdheid niet bestaat of zich niet uitstrekt tot het voorgelegde geval, als besluit worden aangemerkt. Dit is slechts anders indien in het geheel geen bevoegdheid voorhanden is waarop inwilliging van een verzoek gebaseerd zou kunnen worden.

3.3.    Gelet op het voorgaande ligt de vraag voor of voor het college in het geheel geen bevoegdheid voorhanden is waarop inwilliging van het verzoek tot handhaving van [appellant] van 10 december 2018 gebaseerd zou kunnen worden.
……………….
3.5.    Ingevolge artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 behoort tot de bevoegdheid van het college tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Ter uitvoering van die bevoegdheid is in de gemeente Súdwest-Fryslân de Wegsleepverordening Súdwest-Fryslân vastgesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 170 van de Wvw 1994 heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geoordeeld dat het college in het geheel geen bevoegdheid toekomt waarop inwilliging van het verzoek van [appellant] van 10 december 2018 zou kunnen worden gebaseerd. Derhalve moet de brief van het college van 24 januari 2019 worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoogt slaagt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201904636/1/A2): Awb; mededeling over milieuzone, geen handeling waartegen beroep open staat, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 16/4657)
4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1449, is een waarschuwing in beginsel geen besluit. Dit kan anders zijn als het gaat om een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing die een voorwaarde is voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid. Deze situatie is in dit geval niet aan de orde. In deze zaak is de waarschuwing gebaseerd op het verkeersbesluit “Milieuzone Rotterdam” (hierna: het Verkeersbesluit). Dat is geen wettelijke regeling. De waarschuwing is dus niet op de wet gebaseerd. De situatie in deze zaak is daarom niet vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in genoemde uitspraak van 2 mei 2018. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484) in navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249, zijn op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen geen besluiten in de zin van de Awb en kunnen daartegen in zoverre geen rechtsmiddelen worden aangewend.

4.1.    Er zijn situaties waarin op beleidsregels gebaseerde waarschuwingen of informele waarschuwingen voor de rechtsbescherming met een besluit moeten worden gelijkgesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden. Die situaties doen zich voor indien de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over die waarschuwingen te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is (vergelijk de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249, onderdeel 5.13). Geen van de in de conclusie genoemde situaties doet zich hier voor. Hierin bestaat dan ook geen aanleiding om de waarschuwing met een besluit gelijk te stellen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de brief van 11 februari 2016 niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

4.2.    Anders dan [appellante] betoogt, is de door het college in de brief van 11 februari 2016 opgenomen waarschuwing geen handeling waartegen ingevolge artikel 6:1 van de Awb bezwaar of beroep tegen openstaat, aangezien daartoe niet in een wettelijke regeling is voorzien. Evenmin wordt de brief van 11 februari 2016 ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb met een besluit gelijkgesteld, nu geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit of van een schriftelijke weigering een besluit te nemen.

4.3.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] tegen de brief van 11 februari 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201902880/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor seismisch onderzoek, aanvraagvereisten, Mor (Rb Noord-Nederland 18/238)
9.2.    Anders dan Vermilion in hoger beroep betoogt, kan uit de aanvraag en de daaraan ten grondslag gelegde stukken niet worden afgeleid dat de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van seismisch onderzoek met behulp van alle drie de technieken op alle percelen in de beide deelonderzoeksgebieden. Uit het rapport van Royal HaskoningDHV blijkt immers dat niet op alle percelen seismisch onderzoek zal worden gedaan en dat op de percelen waar wel onderzoek zal worden verricht niet alle technieken zullen worden toegepast. De keuze voor een bepaalde techniek is afhankelijk van het type gebied.Dit betekent dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het college aan Vermilion mocht verzoeken om gegevens over te leggen over de locatie van de werkzaamheden en het specifieke type werkzaamheden die daar zullen worden verricht. Het college heeft die informatie, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, immers nodig om te kunnen beoordelen of voor de werkzaamheden op die locatie dan wel dat perceel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b of c, van de Wabo nodig is, om te kunnen vaststellen wie er derde belanghebbenden zijn en, indien nodig, om hun belangen te kunnen afwegen tegen de belangen van Vermilion. Anders dan Vermilion verder betoogt, is die informatie ook nodig om de ruimtelijke effecten van de werkzaamheden te kunnen bepalen en te kunnen beoordelen. Het college heeft de aangeleverde informatie in het rapport van Royal HaskoningDHV, dat slechts in algemene bewoordingen ingaat op de ruimtelijke effecten van seismisch onderzoek, onvoldoende kunnen achten.

In zoverre faalt het betoog.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201902277/1/A1): Awb; invordering, dwangsom, handel in hondenpups, onrechtmatige gegevensverkrijging/AVG, bewijslast (Rb Oost-Brabant 18/1800)
3.3.    Het verwerkingsregister bevat een “beschrijving van de gegevensverwerking i.v.m. de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)” in het kader van het registeren en identificeren van honden. In het verwerkingsregister is onder meer opgenomen welke gegevens worden verwerkt, wat het doel van de gegevensverwerking is, aan wie gegevens worden verstrekt en wie verantwoordelijk zijn voor de gegevensverwerking. Volgens het verwerkingsregister worden gegevens verstrekt aan aangewezen databanken voor de registratie van gechipte honden, de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, de Landelijke inspectiedienst, de Auditdienst Rijk, degenen die binnen RVO.nl belast zijn met de werkzaamheden ten behoeve van de beschreven doelen van deze verwerking, en DICTU (Dienst ICT Uitvoering).

In I&R Hond worden persoonsgegevens van de houder van een hond en de geboortedatum van de hond geregistreerd. Wanneer de hond wordt overgedragen aan een andere houder is de opvolgende houder verplicht de hond op zijn naam te laten registreren en moet degene die de hond overdraagt zich als houder afmelden. Desgevraagd heeft de RVO aan het college een overzicht van in I&R Hond geregistreerde chipnummers en daaraan gekoppelde meldingen (afvoer-, export- en/of doodmelding) verschaft.

3.4.    De door RVO aan het college verschafte gegevens zijn geen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1, van de AVG, maar bedrijfsgegevens in de vorm van chipnummers en daaraan gekoppelde registratiemeldingen van honden die in eigendom aan Dutch Pet Farm toebehoorden. Voor het college waren deze gegevens niet herleidbaar tot natuurlijke personen. De aan deze chipnummers gekoppelde persoonsgegevens zijn niet door de RVO aan het college verstrekt, maar zijn door Dutch Pet Farm in haar bezwaarschrift aangehaald. Nu de RVO aan het college geen persoonsgegevens heeft verstrekt, heeft de rechtbank, wat er zij van de vraag of het college in het verwerkingsregister bij I&R Hond is opgenomen, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met de AVG.

Of de gegevens uit I&R Hond de door het college in het invorderingsbesluit getrokken conclusies kunnen dragen, zal hierna worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201901949/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, tijdelijke woonunit en kantoorgebouw, niet tijdig beslissen, verbeuring dwangsom (Rb Oost-Brabant 18/2741)
4.1 ……………………………………………………….

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4473) vloeit uit artikel 7:11 van de Awb voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het besluit waartegen het bezwaar is gericht, niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan, behoudens in het (zich hier niet voordoende) geval waarin enkele herroeping van dat besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen. De Afdeling heeft in de uitspraak in dat verband onder verwijzing naar de uitspraak van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8966, overwogen dat als van de door artikel 7:10 van de Awb geboden mogelijkheid van uitstel geen gebruik gemaakt wordt, de voor het besluit geldende beslistermijn dient te worden nageleefd. Uitstel kan gewenst zijn om bijvoorbeeld eerst een voornemen te kunnen sturen. Uit de uitspraak van 10 december 2014 volgt dat als geen gebruik van de uitstelmogelijkheid is gemaakt, het college gehouden is om een vervangend handhavingsbesluit te nemen binnen de voor de beslissing op bezwaar geldende termijn. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is het dus niet zo dat er nadat het bezwaar gegrond is verklaard en het besluit is herroepen voor het nemen van het vervangende handhavingsbesluit een nieuwe termijn om te beslissen op bezwaar, die volgens de rechtbank in dit geval zes weken bedraagt, is aangevangen. Het college heeft zich in het verweerschrift ten onrechte op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 4:13 van de Awb alsnog een termijn van acht weken geldt. Met het vervangende handhavingsbesluit wordt de besluitvorming vervolmaakt en dit besluit moet daarom binnen de termijn die geldt voor het nemen van een beslissing op bezwaar worden genomen.

Ter bepaling van de termijn die gold voor het nemen van de beslissing op bezwaar, overweegt de Afdeling het volgende. Omdat het college ten behoeve van het nemen van beslissingen op bezwaar een adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld, gold ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb voor het beslissen op bezwaar een termijn van twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Deze beslistermijn is door het college eenmalig met zes weken verdaagd. De termijn om te beslissen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 23 april 2018 eindigde op 8 oktober 2018. Het college heeft bij brief van 3 december 2018 geschreven de beslistermijn met ingang van 4 december 2018 te verlengen. Omdat op dat moment de beslistermijn echter al verstreken was, komt aan deze brief geen betekenis toe. Omdat het college niet op uiterlijk 8 oktober 2018 een vervangend besluit over handhaving heeft genomen, heeft het niet tijdig beslist.

[appellant] heeft het college bij brief van 19 oktober 2018, dit is na het verstrijken van de termijn, in gebreke gesteld. In artikel 4:17, derde lid, van de Awb is bepaald dat de eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een ingebrekestelling heeft ontvangen.

Pas met de besluiten van 11 en 17 januari 2019 heeft het college de aangekondigde handhavingsbeslissing genomen. Er zijn na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen verstreken na de eerste dag waarop ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb, zoals dat gold ten tijde van belang, de dwangsom is verschuldigd. Daarom is de maximale dwangsom van € 1.260,00 verbeurd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201807456/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, constructiebedrijf in havens, begrip inrichting, geluidzone, schepen aan kade (Rb Rotterdam 17/628 en 17/761)
6.4.    Met verwijzing naar de uitspraak van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1817, overweegt de Afdeling dat het aan de aanvrager is om te bepalen voor welke (veranderingen van de) inrichting hij een vergunning wenst te verkrijgen. Het college dient op de grondslag van die aanvraag te beoordelen of deze vergunning kan worden verleend.

6.5.    In de aanvraag, zoals deze is gewijzigd op 7 oktober 2015, is de  grens van de inrichting weergegeven op de kade. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat [bedrijf] expliciet heeft beoogd géén vergunning te vragen voor het gedeelte van het water waar de aan de kade afgemeerde schepen kunnen liggen. Daar staat tegenover dat in dezelfde wijziging van de aanvraag is vermeld dat de inrichting onder meer onder categorie 13.3, onder b, van onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht valt en dus een inrichting is voor het bouwen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van metalen schepen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer. Onderdeel van de aanvraag is verder het rapport “Beschrijving van de inrichting van [bedrijf] Equipment b.v. te Schiedam” van Peutz van 29 november 2012, waarin bij de beschrijving van de aangevraagde situatie is vermeld dat binnen de inrichting de activiteiten montage, testen en bevestiging van installaties op de kade en op schepen en pontons aan de kade plaatsvinden. In het geluidrapport van Peutz van 3 december 2012, dat eveneens onderdeel van de aanvraag is, is de representatieve bedrijfssituatie (RBS) van de inrichting omschreven. Ook daarbij is vermeld dat de in de productiehallen geassembleerde constructies op pontons of schepen worden gehesen en worden bevestigd op het schip. De daarbij behorende werkzaamheden betreffen allerhande metaalbewerking op verschillende hoogtes op het dek van het schip, zoals lassen, slijpen en hameren en bijkomende werkzaamheden zoals hijsen, verven en schoonmaken. Het testen van installaties na plaatsing op het schip behoort volgens het geluidrapport eveneens tot de RBS van de inrichting.

Hieruit volgt dat de aanvraag niet eenduidig is over de omvang van de inrichting. Enerzijds heeft de aanvraag, gelet op de daarin weergegeven begrenzing, geen betrekking op een inrichting waarvan afgemeerde schepen onderdeel uitmaken en anderzijds heeft deze, gelet op de daarin beschreven activiteiten, daarop juist wel betrekking.

6.6.    Het college heeft geen aanleiding gezien om [bedrijf] in de gelegenheid te stellen de aanvraag aan te vullen en te verduidelijken. Het heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend en bepaald dat de hierboven vermelde stukken deel uitmaken van de vergunning. Hierdoor is ook de omgevingsvergunning niet eenduidig over de omvang van de inrichting. De motivering van het besluit tot vergunningverlening geeft de vereiste duidelijkheid evenmin. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1220, liggen de afgemeerde schepen ofwel binnen ofwel buiten de grenzen van de inrichting. Het ontbreken van duidelijkheid daarover staat aan een goede beoordeling van de milieugevolgen in de weg. Het besluit van 23 december 2016 is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

6.7.    Het betoog slaagt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201706777/3/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, regeling veehouderij, bemesten van gronden/passende beoordeling, beweiden
8.2. ……………………………………………..

In haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, onder 20.2, heeft de Afdeling ten aanzien van de vergunningverlening overwogen dat bemesten op zich zelf een project of andere handeling is en dat de gevolgen daarvan, anders dan bij beweiden, niet in samenhang met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van een agrarisch bedrijf worden beoordeeld, maar op zich zelf. Dit betekent dat bij een aanvraag voor een natuurvergunning voor het oprichten, wijzigen of exploiteren van een veehouderij de gevolgen van bemesten niet beoordeeld hoeven te worden. Dit mag wel, maar voor bemesten kan ook afzonderlijk een natuurvergunning worden aangevraagd, aldus de uitspraak van 29 mei 2019.

Naar het oordeel van de Afdeling betekent het gegeven dat in het kader van vergunningverlening de gevolgen van bemesten niet in samenhang met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van een agrarisch bedrijf hoeven te worden beoordeeld, dat in het kader van bestemmingsplannen de gevolgen van bemesten niet kunnen worden toegerekend aan de bestemmingsregeling die voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen voor agrarische bedrijfsgebouwen, zoals het houden van vee in stallen. Dat is gerechtvaardigd, omdat met het toestaan van meer vee in stallen niet vaststaat dat de daardoor (mogelijk) veroorzaakte extra mest ook op gronden binnen het plangebied wordt uitgereden. Dat kan ook op andere gronden buiten het plangebied zijn terwijl de mest ook kan worden afgevoerd naar een mestverwerkingsinstallatie.

8.3.    Anders ligt het bij de bestemmingsregeling die voorziet in ontwikkelingsmogelijkheden op onbebouwde agrarische gronden. De vraag die voorligt is dan ook in welke gevallen een bestemmingsregeling voor onbebouwde agrarische gronden voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling inclusief nog niet bestaande bemestingsmogelijkheden, waarvan de gevolgen voor Natura 2000-gebieden voor de vaststelling van het plan moeten worden onderzocht. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer het vorige plan voor onbebouwde gronden niet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzag en het nieuwe plan daar voor diezelfde onbebouwde gronden wel in voorziet. Van een ruimtelijke ontwikkeling is ook sprake wanneer zowel het vorige als het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzien, maar die bestemming onder het vorige plan niet is verwezenlijkt omdat die onbebouwde gronden onder het vorige plan niet voor agrarisch grondgebruik werden gebruikt. Wanneer de bestemming voor agrarisch grondgebruik van onbebouwde gronden in het vorige plan wel is verwezenlijkt in die zin dat de gronden agrarisch werden gebruikt, en het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden eveneens voorziet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik is géén sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. In dat geval bestaat er voor de raad geen aanleiding om de gevolgen van de bestemmingsregeling voor de onbebouwde agrarische gronden, inclusief het bemesten, voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken. Het voorgaande laat onverlet dat het bemesten in die gevallen wel vergunningplichtig kan zijn op grond van artikel 2.8 van de Wnb.

8.4……………………………………….

Omdat de stichtingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan binnen de agrarische bestemming voor onbebouwde gronden in ruimtelijke ontwikkelingen voorziet bestond er voor de raad geen aanleiding om de bestaande stikstofdepositie als gevolg van het bemesten van gronden in het plan vast te leggen.

Conclusie bemesten

8.5.    Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen de stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voor de onbebouwde agrarische gronden voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling, waarvan de gevolgen voor Natura 2000-gebieden, inclusief het bemesten, hadden moeten worden onderzocht. Gelet hierop heeft de raad op grond van de Wnb terecht geen aanleiding gezien de gevolgen van het bemesten van gronden te betrekken in de passende beoordeling voor het plan. Het betoog slaagt niet.

9.2.    In haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417 (Halderberge), overweging 17.2, heeft de Afdeling overwogen dat het gegeven dat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden, betekent dat de gevolgen van het weiden van vee bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld als een bestemmingsplan voorziet in de (nieuw)vestiging of uitbreiding van een melkveehouderij waarin het weiden van het melkvee onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering.

9.3.    Zoals onder 7 is overwogen, voorziet het plan in uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen van grondgebonden veehouderijen. Vast staat dat daaronder melkrundveehouderijen zijn begrepen met een stalsysteem dat beweiden impliceert. De stikstofregeling verbindt aan het benutten van die uitbreidingsmogelijkheden de voorwaarde dat de stikstofdepositie niet mag toenemen.

De stikstofregeling is opgenomen omdat uit het Plan-MER en de bijbehorende passende beoordeling volgt dat elke toename van stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor de al overbelaste Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Niet in geschil is dat het beweiden van gronden tot stikstofdepositie leidt en daarmee significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden.

9.4.    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het plan door de stikstofregeling voorziet in een toename van de stikstofdepositie als gevolg van beweiden ten opzichte van de referentiesituatie die passend moet worden beoordeeld. De stikstofregeling bepaalt dat in twee situaties van een toename sprake is.

Ten eerste is sprake van een toename als de stikstofdepositie méér bedraagt dan de stikstofdepositie als gevolg van het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezig planologisch legaal gebruik van de gronden en bouwwerken van dat agrarisch bedrijf (de eerste referentiesituatie). Het beweiden is aan te merken als het gebruik van gronden van een agrarisch bedrijf. De Afdeling stelt dan ook vast dat ook de stikstofdepositie als gevolg van het beweiden onder de eerste referentiesituatie valt, zodat het plan in zoverre niet voorziet in een toename van beweiden ten opzichte van die referentiesituatie.

Ten tweede is er volgens de stikstofregeling sprake van een toename wanneer de stikstofdepositie méér bedraagt dan de stikdepositie die in overeenstemming is met de natuurvergunningen die in de bijlagen bij de planregels zijn opgenomen (de tweede referentiesituatie). Door deze verwijzing heeft de raad de bedrijfssituatie waarvoor een natuurvergunning is verleend planologisch mogelijk gemaakt. Voor zover een natuurvergunning is verleend voor het houden van melkrundvee in een stalsysteem dat beweiden impliceert en die natuurvergunning wat dieraantallen betreft nog niet volledig is benut, maakt het plan een uitbreiding van die melkrundveehouderij mogelijk. Als gevolg daarvan neemt het aantal dieren dat wordt beweid ten opzichte van het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezig planologisch legaal gebruik van de gronden ook toe. De gevolgen van die toename moeten in een passende beoordeling worden betrokken. Vaststaat dat de gevolgen van beweiding voor de stikstofdepositie niet zijn betrokken in de Plan-MER en passende beoordeling die aan het plan ten grondslag ligt. Ook heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat de activiteit beweiden is betrokken in de passende beoordelingen die ten grondslag liggen aan de natuurvergunningen voor het houden van melkrundvee in een stalsysteem dat beweiden impliceert, waarbij de raad heeft willen aansluiten. Daarmee heeft de raad niet aangetoond dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.

9.5.    Het voorgaande betekent dat het plan voorziet in een toename van beweiden ten opzichte van de eerste referentiesituatie die passend moet worden beoordeeld, voor zover in de bijlagen van de planregels natuurvergunningen zijn opgenomen voor het houden van melkrundvee in een stalsysteem dat beweiden impliceert en voor zover die natuurvergunningen wat dieraantallen betreft nog niet volledig zijn benut ten tijde van de vaststelling van het plan.

Conclusie beweiden

9.8.    Gelet op het voorgaande voorziet het plan door het opnemen van de hierna genoemde 19 Nbw/Wnb-vergunningen in bijlage 6 bij de planregels en één geregistreerde PAS-melding in bijlage 8 van de planregels in een uitbreiding van de desbetreffende melkrundveehouderij en daarmee ook in een toename van beweiden. Omdat niet uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan door die mogelijke toename van beweiden de natuurlijke kenmerken van nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zal aantasten, is het plan in zoverre in strijd met artikel 2.8, eerste en derde lid, van de Wnb is vastgesteld. Het betoog slaagt.

* 22 januari 2020 (ABRvS 201603843/3/R2): Awb, Wro; bpl, gasdistributiecentrum, externe veiligheid, QRA, groepsrisico/verantwoording, PGS 18, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
7.2.1.    Gelet op pagina 16 van de concept-QRA heeft de raad er vanuit mogen gaan dat de populatiegegevens van de wijken De Hoge Wal en De Groote Akkers in de berekening zijn betrokken.

Naar het oordeel van de Afdeling had de raad evenwel niet kunnen volstaan met het in de verantwoording betrekken van de feitelijke personendichtheid, aangezien die feitelijke situatie voortdurend aan verandering onderhevig is en de feitelijke personendichtheid vermoedelijk kleiner is dan de planologisch toegelaten personendichtheid.

Uitgegaan dient te worden van een personendichtheid die is gebaseerd op de representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. Indien, zoals in dit geval, de planwetgever de bestemming niet langer realistisch acht, dient de raad te bezien of een nieuw bestemmingsplan dient te worden vastgesteld.

Het betoog slaagt.

7.2.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat in strijd met de Handreiking groepsrisico bij de verantwoording van het groepsrisico in de concept-QRA geen rekening is gehouden met de verkeersdeelnemers die zich in het invloedsgebied van Gasdistributiestation bevinden, overweegt de Afdeling dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de berekening van het groepsrisico en een verantwoording van het groepsrisico.

In de Handreiking verantwoording groepsrisico staat dat verkeersdeelnemers niet hoeven te worden betrokken bij de berekening van het groepsrisico ten behoeve van ijking aan de oriëntatiewaarde. Uit de concept-QRA blijkt ook niet dat in de berekening van het groepsrisico rekening is gehouden met de verkeersdeelnemers die zich in het invloedsgebied van de inrichting bevinden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat zich hier een zodanig geval voordoet dat de raad de Handreiking groepsrisico op dit punt in redelijkheid niet had kunnen volgen.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de verantwoording van het groepsrisico meer omvat dan de berekening van het groepsrisico en de ijking aan de oriëntatiewaarde. De verantwoording van het groepsrisico moet zich richten op alle personen die binnen een gebied verblijven, waarbij het ook gaat om personen die zich in de openbare ruimte bevinden, zoals verkeersdeelnemers. De Afdeling is niet gebleken dat deze verkeersdeelnemers in de verantwoording van het groepsrisico zijn betrokken. Het betoog slaagt.