Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 5 februari 2020 (ABRvS 201906926/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementencomplex, Chw, vvgb, welstand (Rb Den Haag 19/213)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201904980/1/A3): Awb, Wvw; handhaving, verwijderen afzetpaal en keien, RVV, bpl (Rb Noord-Nederland 18/1717 en 18/1718)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201904029/1/R3): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, woningen
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903916/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs/hennepkwekerij (Rb Den Haag 18/5735)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903821/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning, tussenuitspraak
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903684/1/A1 en 201903713/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder, kostenverhaal
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903430/1/A3): Awb; afwijzing ontheffing herplantplicht, hoogspanningsverbinding, provinciale omgevingsverordening, Wnb (Rb Overijssel 18/1589 en 18/1590)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903354/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, staken bewoning voor logiesdoeleinden, brandveiligheid, Bouwbesluit (Rb Amsterdam 18/2390)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201903099/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Rotterdam 18/3630)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201810190/1/R2): Awb, Wro; bpl, doorsteek, motivering, tussenuitspraak
* 5 februari 2020 (ABRvS 201809176/1/R3 en 201905611/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/ omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, windpark, vervangen bestaande turbines door nieuwere met groter vermogen, nut en noodzaak, geluid, gezondheid, slagschaduw, horizonvervuiling, waterveiligheid, soortenbescherming /relativiteit (Rb Rotterdam 18/5957, 18/5959, 18/5891, 18/5899)
* 5 februari 2020 (ABRvS 201809061/1/R3): Awb, Wro; bpl
* 5 februari 2020 (ABRvS 201808246/1/A1): Awb, Wbb; verzoek tot gebruikmaking art. 33, bodemverontreiniging door ongewoon voorval, geen publiekrechtelijke handeling, geen besluit, ontvankelijkheid
* 5 februari 2020 (ABRvS 201804469/3/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, burgerbewoning, persoonsbonden overgangsrecht, tussenuitspraak
* 5 februari 2020 (ABRvS 201707144/2/R3): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, Ladder/Bro, locaties, ontsluiting, geluid, verkeer, tonaal karakter, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 4 februari 2020 (CBb 18/3000): Awb; waarschuwing, besluit of gelijk gesteld met een besluit, ontvankelijkheid
* 4 februari 2020 (CBb 18/2632, 18/2634, 18/2038, 18/2064, 18/2012 en 18/2004): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, startersregeling
* 4 februari 2020 (CBb 18/691): Awb, Msw; handhaving, boetes, vervoeren van dierlijke meststoffen, matiging (Rb Noord-Nederland 17/1272 en 17/1442)
* 4 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/116, 20/180 en 20/182): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl voor 10 jaar, 24-uursopvang voor uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen, veiligheid, woon- en leefklimaat
* 4 februari 2020 (ABRvS 201908484/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfshal/kantoor, Bor, bestaand/ nieuw gebouw (Rb Midden-Nederland 19/3017 en 19/3016)
* 3 februari 2020 (Rb Overijssel AWB 20/144): Awb, Wabo; opheffing vovo, omgevingsvergunning voor kappen van bomen, ziekte/onderzoek, APV, herplant
* 3 februari 2020 (ABRvS 202000658/3/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, geen nieuw besluit genomen, aardgasstation/ondergrondse leiding, geen vergunning/strijd met bpl, inmiddels nieuwe aanvraag ingediend (Rb Gelderland 19/1375 en 19/1376)
* 3 februari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5339): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, afschieten edelherten, ecologisch deskundigenrapport, draagkracht gebied, noodzakelijkheidsgrond, onderbouwing, onomkeerbaarheid
* 31 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 17/409): Awb, Waterwet; vergunning, wateronttrekking, Wbb/saneringsplan, omgevingsvisie
* 31 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 17/3771): Awb, Wm; maatwerkvoorschrift, lozing koelwater, Activiteitenbesluit, benzeen/bodemsanering, monitoring
* 31 januari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1274): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), wijzigen van kippen- naar geitenhouderij, gezondheid, Q-koorts, vormvrije m.e.r.-beoordeling
* 31 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2470, AWB 19/2472 en AWB 19/2474): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, illegaal innemen van een openbare parkeerplaats als standplaats voor (sta)caravans en woonwagens met de bedoeling om daar te wonen, strijd met bpl, betogen/Grondwet
* 31 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3214, AMS 19/3276 en AMS 19/3277): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen i.v.m. woningbouw, bomenverordening, belangenafweging
* 30 januari 2020 (ABRvS 201803188/5/R3 ): Awb, Wro; vovo, bpl, horeca, studentenwoningen, woon- en leefklimaat, VNG-brochure, eerdere tussenuitspraak
* 30 januari 2020 (ABRvS 201908073/2/R3 en 201908074/2/R3); Awb, Wro, Wgh; vovo, bpl en HGW, woningen, Bro/kwalitatieve behoefte, onderbouwing, geluid/relativiteit
* 30 januari 2020 (ABRvS 201908982/2/R1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verhuur fietsen aan toeristen, strijd met bpl, planregels
* 30 januari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4474): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor een werk en afwijken van bpl, tijdelijk terrein met een voorziening voor het laden van elektrische bussen, ruimtelijke onderbouwing, alternatief, woon- en leefklimaat, verkeersveiligheid
* 29 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/882): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, rugzakwoningen, welstand, belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die bpl biedt
* 29 januari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1385): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, sportschool, Activiteitenbesluit, contactgeluid, RBS, piekgeluiden, komen en gaan bezoekers
* 28 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/2409): Awb; handhaving, invordering dwangsom, plaatsen menubord op terras café, strijd met exploitatievergunning, terrassenbeleid
* 24 januari 2020 (Rb Limburg AWB 17/2805, AWB 18/1762 en AWB 17/2802): Awb, AWR; rioolheffing, herstel bevoegdheidsgebrek, publicatie verordening, opbrengstlimiet, gelijkheidsbeginsel, Kaderrichtlijn Water
* 23 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/1708): Awb, Wabo; handhaving, beëindigen bewoning kantoorpand, geen vergunning, strijd met bpl en Wgh, geen akoestisch onderzoek, dove gevel
* 23 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/5643): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen, comfort box/dove gevel, Bor/Mor, brandveiligheid/compartimentering, geluid
* 23 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/5642): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, anti-kraakwoningen, geluidzones/Wgh
* 22 januari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2263 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel
* 21 januari 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 18/01000): Awb, AWR; legesheffing, omgevingsvergunning, opbrengstlimiet, onvoldoende inlichtingen verstrekt (Rb Overijssel Awb 18/591)
* 16 januari 2020 (Hof Amsterdam 18/00309): Awb, AWR; bouwleges, omgevingsvergunning brandveilig gebruik (Rb Noord-Holland HAA 17/1066)
* 14 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1841-T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning op andere plaats in bouwvlak dan gesloopte woning, varkenshouderij/bedrijfsvoering, tussenuitspraak
* 10 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1242): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen t.b.v. woning, APV, belangenafweging
* 9 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1296 en UTR 19/1513): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, winkel/kantoor naar kamerverhuur, stedenbouwkundige adviezen
* 8 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 18/6181): Awb, Ww; handhaving, dwangsom, brandveiligheid, WBDBO, kaasopslag, compartimentering/sprinkler, vuurlast, onbeheersbare brand, veilig heenkomen/kwetsbare gebruiksfunctie
# 7 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 16/1655): Awb, Wro; planschade, taxatierapport, normaal maatschappelijk risico/percentage, compensatie in natura, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2681): Awb, Wabo; vovo, pv, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en wijzigen rijksmonument, geen gevolgen van enige betekenis/belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 11 december 2019 (Rb Rotterdam 83/127572-18 en 83/217381-19): WSr, WED, Wm; overtreding, overbrenging van afvalstoffen, EVOA, oud papier, niet-OESEO-land
* 27 november 2019 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 17/3383 WABOM, BRE 18/6880 NATUUR, BRE 18/6878 NATUUR en BRE 18/6879 NATUUR): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, Natura 2000, passende beoordeling, PAS, Habitatrichtlijn
* 26 november 2020 (CBb 18/2317): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid
* 1 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1216-T en UTR 19/1228-T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen en bouwen, woningen, aantasting rijksmonument, bomenverordening, belangenafweging, tussenuitspraak
* 21 augustus 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3831): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, carport, berging en pergola, planregels

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 5 februari 2020 (ABRvS 201904980/1/A3): Awb, Wvw; handhaving, verwijderen afzetpaal en keien, RVV, bpl (Rb Noord-Nederland 18/1717 en 18/1718)
4.3 ……………………………
Het RVV 1990 kent een ander toetsingskader dan een bestemmingsplan, omdat het strekt ter bescherming van de verkeersbelangen, waaronder de verkeersveiligheid. De Afdeling wijst er daarbij op dat bestuurders ingevolge artikel 10 van het RVV 1990 slechts van de rijbaan gebruik mogen maken. Het bestemmingsplan brengt niet met zich dat het pad als rijbaan in de zin van het RVV 1990 kan worden aangemerkt. Zonder ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990 is het door een bestuurder gebruik maken van een trottoir of voetpad niet mogelijk.

Voor zover het betoog van het college en het oordeel van de rechtbank aldus moet worden gelezen dat het RVV 1990 in dit geval niet van toepassing is, omdat het pad in dit geval geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, kan dat geen stand houden. De vragen of het pad op de wegenlegger voorkomt en of het pad een doorgaande verbinding vormt naar wegen of paden gelegen achter het pad en of het een algemene verkeersfunctie vervult, zijn relevant om vast te stellen of sprake is van een openbare weg in de zin van de Wegenwet en kunnen in dit geval niet aan de orde komen. Gelet op de bezwaren van [appellant] gaat het hem immers niet om een wijziging in de openbaarheid van het pad. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de WVW 1994 en daarmee het RVV 1990, wel op het pad van toepassing. Er is immers sprake van een “weg” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Hierbij is van belang dat het pad, ook voordat de feitelijke maatregelen werden getroffen, voor het openbaar verkeer openstond. Dat het pad doodloopt en enkel ter ontsluiting van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] dient, neemt niet weg dat het pad voor eenieder toegankelijk was. Dat het pad niet voor auto’s of andere grote motorvoertuigen open stond, doet aan de kwalificatie als weg in de zin van de WVW 1994 niet af (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2627, en van 19 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0542). De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande ten onrechte geoordeeld dat het college terecht tot intrekking van de ontheffingen is overgegaan.

Het betoog slaagt.

* 5 februari 2020 (ABRvS 201904029/1/R3): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, woningen
10.2.    De wet stelt niet als vereiste dat bij het opstellen van het exploitatieplan en de taxatie die daar deel van uitmaakt van de maximale planologische invulling moet worden uitgegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6839) is de exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wro een rekenkundig model, op basis waarvan de geraamde en daadwerkelijk gerealiseerde kosten naar rato van de te verwachten opbrengsten worden omgeslagen door het overeenkomstig artikel 6.17 van de Wro opleggen van een exploitatiebijdrage door middel van een voorwaarde verbonden aan een omgevingsvergunning voor bouwen. De kosten en opbrengsten die in de exploitatieopzet zijn opgenomen kunnen, zeker waar het de vaststelling van een exploitatieplan of de eerste herziening daarvan betreft, ramingen zijn en kunnen mogelijk afwijken van de daadwerkelijk te realiseren kosten en opbrengsten. De ramingen kunnen daarom worden uitgewerkt, gedetailleerd, aangepast of gewijzigd bij een herziening van het exploitatieplan. Niettemin dienen de in een exploitatieplan opgenomen kosten en opbrengsten met de vereiste zorgvuldigheid te worden geraamd. Daartoe is van belang dat de exploitatiebijdrage die bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen verschuldigd is, in het begin van het exploitatietijdvak veelal op basis van ramingen van kosten en opbrengsten wordt vastgesteld, terwijl slechts onder de voorwaarden van artikel 6.20 van de Wro aanspraak bestaat op terugbetaling van hetgeen te veel is betaald. Voorts dienen de ramingen van de kosten en opbrengsten te voldoen aan de eisen die de Wro en het Bro daaraan stellen.

10.3.    Dat in dit geval bij het opstellen van het exploitatieplan en de taxatie die daarvan deel uitmaakt niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, maar van de door de raad beoogde invulling van de planologische mogelijkheden biedt geen grond voor het oordeel dat de in het exploitatieplan opgenomen kosten en opbrengsten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn geraamd, zoals hiervoor bedoeld.

Het betoog faalt.

* 5 februari 2020 (ABRvS 201903430/1/A3): Awb; afwijzing ontheffing herplantplicht, hoogspanningsverbinding, provinciale omgevingsverordening, Wnb (Rb Overijssel 18/1589 en 18/1590)
3.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wnb (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 190-192) volgt dat alle houtopstanden samen het bosareaal vormen. Uit de tekst van de Wnb noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet volgt dat een houtopstand die al dan niet natuurlijk is ontstaan op een perceel waarvan de houtopstand eerder is geveld en elders is herplant, niet tot het bosareaal is gaan behoren. Afgezien van de uitzonderingen die zijn genoemd in artikel 4.1 van de Wnb, vallen alle houtopstanden daarom onder het beschermingsbereik van de Wnb. Omdat de uitzondering genoemd in artikel 4.1 van de Wnb zich hier niet voordoet, vallen de houtopstanden in Dalfsen en Lonneker onder het beschermingsbereik van hoofdstuk 4 van de Wnb. Volgens de veiligheidseisen die Tennet hanteert, is onder de hoogspanningsverbindingen laagblijvende begroeiing tot maximaal 1,75 m hoog mogelijk. Laagblijvende begroeiing en begroeiing die door beheer laag wordt gehouden, zoals hakhout, zijn eveneens houtopstanden. De belangen van bescherming van het bosareaal en de leveringszekerheid hoeven elkaar niet in de weg te staan. In de Wnb is geen uitzondering gemaakt voor de gronden onder hoogspanningsverbindingen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de herplantplicht ook geldt voor de gronden onder de hoogspanningsverbindingen.

3.2.    Het betoog faalt
5.1.    Zoals hiervoor, onder 3.1 en 4.1, is overwogen, is volgens de veiligheidseisen van Tennet onder de hoogspanningsverbindingen laagblijvende begroeiing tot 1,75 m hoog mogelijk. Hakhout is een houtopstand die laag kan worden gehouden. Niet is gebleken dat de draden van de hoogspanningsverbindingen zo laag hangen, dat geen hakhout onder de hoogspanningsverbindingen kan staan en geen bosontwikkeling mogelijk zou zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen ontheffing van de herplantplicht te verlenen.

5.2.    Het betoog faalt.

* 5 februari 2020 (ABRvS 201808246/1/A1): Awb, Wbb; verzoek tot gebruikmaking art. 33, bodemverontreiniging door ongewoon voorval, geen publiekrechtelijke handeling, geen besluit, ontvankelijkheid
3.1.    De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de brief van 12 februari 2018 geen publiekrechtelijke rechtshandeling is vervat. De brief betreft immers de weigering om de door [appellant] en anderen verlangde feitelijke handeling te verrichten, namelijk aan het college van gedeputeerde staten vragen om toepassing te geven aan de in artikel 30, eerste lid, van de Wet bodembescherming bedoelde maatregelen. Een dergelijk verzoek van de burgemeester is geen handeling die is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg, maar een verzoek aan het college van gedeputeerde staten om een besluit in de zin van de Awb te nemen. Door de weigering gebruik te maken van de in artikel 33 van de Wet bodembescherming gegeven bevoegdheid worden evenmin rechten, plichten, bevoegdheden of een juridische status gecreëerd of teniet gedaan. Het is ook niet zo dat het college van gedeputeerde staten slechts de maatregelen als bedoeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming kan nemen na een verzoek daartoe van de burgemeester. Het college van gedeputeerde staten kan ook zonder diens verzoek toepassing geven aan die bepaling. Belanghebbenden kunnen het college van gedeputeerde staten daarom ook zelf verzoeken. De conclusie is dan ook dat de brief van de burgemeester van 12 februari 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft de burgemeester het bezwaar van [appellant] en anderen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

* 4 februari 2020 (CBb 18/3000): Awb; waarschuwing, besluit of gelijk gesteld met een besluit, ontvankelijkheid
4.4.1  Er zijn situaties waarin op beleidsregels gebaseerde waarschuwingen of informele waarschuwingen voor de rechtsbescherming met een besluit moeten worden gelijkgesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden. Die situaties doen zich voor indien de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over die waarschuwingen te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3984 en de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249). Dit is onder meer het geval als appellante in een onmogelijke positie wordt gebracht door de negatieve gevolgen die een sanctiebesluit met zich mee zal brengen. Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Appellante heeft weliswaar een aantal mogelijke gevolgen benoemd die een toekomstige bestuurlijke sanctie met zich mee kan brengen, namelijk dat sprake kan zijn van acties van dierenrechtenactivisten, dat reputatieschade kan ontstaan en dat er mogelijk gevolgen kunnen zijn voor haar positie bij aanbestedingen en voor verleende subsidies, maar appellante heeft haar stellingen niet met feiten geconcretiseerd. Evenmin heeft appellante concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de door haar geschetste gevolgen zich zullen voordoen. Het College ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de waarschuwing gelijk moet worden gesteld met een besluit omdat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de vanwege een tweede overtreding opgelegde bestuurlijke sanctie voor appellante onevenredig bezwarend is.

4.4.2  Appellante heeft onder verwijzing naar de reeds genoemde conclusie van advocaat-generaal Widdershoven aangevoerd dat de waarschuwing gelijk moet worden gesteld met een besluit omdat sprake is van een zogenoemde ‘normconcretiserende waarschuwing’. Appellante heeft hierbij gewezen op de omschrijving van dit begrip in punt 5.13 van deze conclusie. Daarin staat dat van een dergelijke waarschuwing sprake is als het bestuursorgaan in de waarschuwing een wettelijke norm, waarvan de inhoud op grond van de wet(sgeschiedenis) en rechtspraak nog niet kan worden vastgesteld, heeft geconcretiseerd of rechtens had moeten concretiseren en deze concretisering alleen in rechte aan de orde kan worden gesteld door het riskeren van een bestraffende bestuurlijke sanctie. Het College laat hier uitdrukkelijk in het midden of de visie van advocaat-generaal Widdershoven dat in deze door hem genoemde situatie de waarschuwing met een besluit gelijk moet worden gesteld, moet worden gevolgd en rechtens geldt, omdat die situatie zich in dit geval hoe dan ook niet voordoet. Nu de waarschuwing appellante geen rechtens bindende verplichting oplegt, appellante niet enig recht onthoudt en haar evenmin anderszins direct of indirect in haar rechtspositie raakt, brengt artikel 47 van het Handvest, anders dan appellante kennelijk meent, niet mee dat de waarschuwing met een besluit gelijk moet worden gesteld. Er is geen sprake van schending van door de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden.

* 4 februari 2020 (ABRvS 201908484/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfshal/kantoor, Bor, bestaand/ nieuw gebouw (Rb Midden-Nederland 19/3017 en 19/3016)
4.2.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor een vergunning kan worden verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een gebouw dat niet feitelijk aanwezig en vergund is. In het negende lid staat namelijk dat het afwijkende gebruik alleen vergund mag worden als dat niet gepaard gaat met bouwactiviteiten die ertoe leiden dat de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume worden vergroot. In geval van nieuwbouw is dat echter per definitie het geval. Anders dan het college heeft aangevoerd, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat deze zinsnede uit het negende lid alleen betrekking heeft op het vergroten van bestaande gebouwen en dat daarom het gebruik van te realiseren nieuwe gebouwen op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor wel vergund mag worden. Bij haar beoordeling betrekt de voorzieningenrechter ook de Nota van toelichting bij het Bor (Stb. 2014, 333, blz. 54), waarin staat dat het negende lid ziet op de mogelijkheid om aan bestaande gebouwen een andere functie te geven.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning had mogen verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van de eerste verdieping als zelfstandige kantoorruimte.

Het betoog slaagt.

* 29 januari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/882): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, rugzakwoningen, welstand, belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die bpl biedt
8. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling), bij voorbeeld de uitspraak van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3860, volgt dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemene karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college – met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan – meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is – met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven – vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

  1. De rechtbank is van oordeel dat de welstandsbeoordeling in de adviezen van de Stadsbouwmeester de bedoelde grens overschrijdt. Het stedenbouwkundig argument dat gebouwd moet worden langs de weg hoort thuis in het bestemmingsplan en gaat de welstandstoets te buiten. De rechtbank is niet gebleken dat het bestemmingsplan beperkingen ten aanzien van de positionering van de bouwblokken binnen het bouwvlak kent. Dan kan uit oogpunt van welstand niet een zo vergaande voorwaarde aan de positie van de bebouwing worden gesteld als verweerder doet.* 8 januari 2020 (Rb Gelderland AWB 18/6181): Awb, Ww; handhaving, dwangsom, brandveiligheid, WBDBO, kaasopslag, compartimentering/sprinkler, vuurlast, onbeheersbare brand, veilig heenkomen/kwetsbare gebruiksfunctie
    Last onder dwangsom opgelegd aan kaasveredelingsbedrijf, aangezien er in het bedrijfspand dusdanig veel kaas wordt opgeslagen, dat bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt. De last is gebaseerd op artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit 2012 en strekt tot het aanbrengen van een sprinklerinstallatie.

Reikwijdte artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de tekst van artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit niet af te leiden dat het enkel betrekking kan hebben op een gevaarlijke situatie voor personen. Het in de toelichting bij onderdeel b van dit artikel genoemde voorbeeld sluit niet uit dat het ook kan gaan om een gevaarlijke situatie voor omliggende (bedrijfs)gebouwen als door verweerder omschreven.

Is in dit concrete geval sprake van overtreding van artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit?

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit weliswaar niet uitsluit dat daaraan toepassing wordt gegeven om te voorkomen dat brand zou kunnen overslaan naar (bedrijfs)gebouwen zonder kwetsbare gebruiksfunctie, maar dan moeten wel hogere eisen aan de motivering worden gesteld, dan in het geval van bijvoorbeeld een aangrenzende of nabij gelegen woning, ziekenhuis of andere kwetsbare gebruiksfunctie. In dat licht bezien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in dit concrete geval met de adviezen van de brandweer en ook overigens ontoereikend gemotiveerd dat er door eiseres handelingen worden verricht of nagelaten waardoor bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt, zoals bedoeld in artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit.

Staan de geëiste maatregelen in verhouding tot het te bestrijden risico?

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, zo er sprake zou zijn van overtreding van artikel 7:10, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit, niet inzichtelijk gemaakt dat het (rest)risico in verhouding staat tot de voorgeschreven maatregelen, dat het (rest)risico van een onbeheersbare brand alleen door het treffen van de in de last voorgeschreven maatregelen voldoende kan worden beperkt en of eventuele andere oplossingen wellicht minder bezwarend voor eiseres zouden kunnen zijn.