Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 12 februari 2020 (ABRvS 201905500/1/A1): Awb, Wabo, Ww; handhaving, dwangsom, houden van chihuahua’s, ruimtelijke uitstraling, onderbouwing (Rb Midden-Nederland 18/4750)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201904653/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning
# 12 februari 2020 (ABRvS 201903789/1/A2): Awb, Wro; planschade, windturbines, geluid, taxatie (Rb Gelderland 18/5902)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201903604/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, camping, gebruik van landbouwgrond om te parkeren/aantal standplaatsen, bpl/planregels (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6097)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902908/1/A2): Awb, Wro; planschade, woonboten (Rb Amsterdam 18/1835)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902774/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning, woon- en leefklimaat/relativiteit
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902441/1/R3): Awb, Wro; bpl, fastfoodrestaurant, belanghebbende, EV/gasleiding
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902295/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, bedrijf, VNG-brochure, Activiteitenbesluit
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902179/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Noord-Nederland 18/894)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201902020/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, rundveestal, grondgebondenheid, Nge, van rechtswege verleende vergunning (Rb Rotterdam 17/7178)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201901533/1/A1): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, beleid, seismisch risicobeheersplan, geluidhinder, schaderegeling, bodemdaling
* 12 februari 2020 (ABRvS 201901407/1/R3): Awb, Wro; bpl, woning, provinciaal beleid
* 12 februari 2020 (ABRvS 201901189/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, opslag materialen, stookhoutopslag, ruimtelijke uitstraling (Rb Oost-Brabant 18/1775 en 18/1803)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201901068/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, overschrijding van gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen (Rb Oost-Brabant 18/1776 en 18/1804)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201900772/1/R3): Awb, Wro; bpl, splitsing bedrijventerrein, landelijk gebied
# 12 februari 2020 (ABRvS 201810200/1/A2): Awb, Wro; planschade, gascompressorstation, geluid, veiligheidscontour, WOZ, normale maatschappelijk risico, EVRM (Rb Rotterdam 16/2694, 16/2697, 16/2698, 16/2700, 16/2705, 16/2706, 16/2708, 16/2709 en 16/2711)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201809014/1/R3): Awb, Wro; bpl, compensatiewoningen, kennisgeving, ontvankelijkheid
* 12 februari 2020 (ABRvS 201807105/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, bestuursdwang, staken verkoop, aflevering of verstrekking drugs (Rb Gelderland 17/3859)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201805779/4/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkelcentrum, woningen en fitnesscentrum, Ladder/Bro, geluid (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2645 en 18/1155)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201804397/1/R3): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, bouwvlak, aanlegsteiger, provinciale verordening, tussenuitspraak
* 12 februari 2020 (ABRvS 201804135/1/A1): Awb, Waterwet; vergunning voor lozen in oppervlaktewater, mestverwerking, IPPC, coördinatie met milieuvergunning, aanvraag bepalend, Kaderrichtlijn Water, Handboek immissietoets, omgekeerde osmose (Rb Oost-Brabant 17/1825)
# 12 februari 2020 (ABRvS 201804130/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, loonbedrijf, overtredingen milieuvergunning, hygiënisatie van mest, afval, IPPC, RIE, bevoegdheid, fysisch-chemische behandeling (Rb Oost-Brabant 17/914)
* 12 februari 2020 (ABRvS 201802281/3/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, stalderingsgebied/regeling, provinciale verordening, Chw, verbindendheid, cumulatie geurhinder, fijn stof, BZV, EP, evenredigheids-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel
* 11 februari 2020 (ABRvS 201805780/3/R2): Awb, Wro; opheffing vovo, bpl, landschapscamping, onderhandeling met pluimveebedrijf
* 11 februari 2020 (CBb 18/2653, 18/642, 18/2635, 18/2605 en 18/2360): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, dierziekte
* 11 februari 2020 (HR 18/02960): WSr, WED, Wm; overtreding, schadelijk stoffen in de lucht brengen, koolmonoxide, binnen/buitenlucht, Sr vs. milieuwetgeving
* 7 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/422): Awb, Gmw; vovo, aanwijzing plek betoging, intocht Sint Piter
* 7 februari 2020 (ABRvS 201909103/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen gebouwen, geen vergunning, strijd met bpl, toezeggingen (Rb Gelderland 19/5912 en 19/6044)
* 7 februari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/660): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, beschermd stadsgezicht, afhaalpizza, detailhandel i.p.v. horeca, zelf in de zaak voorzien
* 6 februari 2020 (Rb Den Haag 8108099 RP VERZ 19-50614): Rv; wijkrechterzaak, onrechtmatige geluidshinder, compressor van supermarkt gelegen naast slaapkamer, descente in de nachtelijke uren, lucht in tuin blazen
* 6 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 20/210): Awb, Gmw; vovo, definitieve inbeslagname hond, bijtincident, inbreuk op het eigendomsrecht, bevoegdheid
* 6 februari 2020 (ABRvS 201908317/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, speelpark, tijdelijk overloopterrein, aantasting natuur
* 6 februari 2020 (ABRvS 201908577/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, camping/sportpark, spoedeisend belang
* 6 februari 2020 (ABRvS 202000067/2/R1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, bestuursdwang, verwijderen objecten, bedrijfsvaartuigen uit openbare water, strijd met bpl, bouwwerken (Rb Amsterdam AMS 19/6134 en 19/6168)
* 6 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/4354): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, belanghebbenden, provinciale omgevingsverordening
* 5 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 20/12 en 20/13): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, staken bewoning deel woonzorgcentrum, strijd met bpl, zicht op legalisatie, begunstigingstermijn, ordemaatregel
* 5 februari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1145): Awb, Waterwet; nadeelcompensatie, verhoging grondwaterpeil, beekpeil, vernatting landbouwgronden, gesloten deuren, verordening, kapitalisatiefactor, belastingschade
* 4 februari 2020 (Rb Gelderland 20/494): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting winkel, drugs
* 4 februari 2020 (Rb Den Haag SGR 19/7947): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor tijdelijk aanbrengen van zandpakker, voorbelasting gronden woningbouw
* 3 februari 2020 (ROE 19/504 en ROE 19/505): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, leidinggevende
* 29 januari 2020 (Rb Amsterdam 13/994050-19 en 13/994028-19): WSr, WED, Msw; houden grote hoeveelheid pluimvee zonder pluimveerecht
* 27 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 19/493 en SGR 19/465): Awb, Gmw; terrasvergunning, belanghebbende, APV, beleidsregels, vrije doorgang
* 24 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2571T, SHE 19/1398 en SHE 19/1422): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en gevolgen natuur, pluimveehouderij, geluid, Handreiking, RBS/IBS, referentieniveau, motivering, tussenuitspraak
* 24 januari 2020 (Rb Midden-Nederland C/16/492307 / KG ZA 19-724): BW; kort geding, verwijdere baggerspecie van perceel, EVOA
#
23 januari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 16/3371): Awb, Waterwet; vergunning voor afkoppelen van een bestaand verhard oppervlak en de daarvoor benodigde ingrepen, hydrologische gevolgen, berekeningen/model
* 20 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4891): Awb, Gmw; handhaving, staken exploitatie eetcafé en intrekking vergunning, shisha i.p.v. gerechten, bevoegdheid, motivering
* 8 januari 2020 (Rb Overijssel C/08/239569 / KG ZA 19-287): BW; burengeschil, plaatsen tuinhek, geen onrechtmatige hinder, recht van overpad, onderhoud warmtepomp en dakgoten
* 16 december 2019 (Rb Midden-Nederland NL19.2869): BW; onrechtmatige overheidsdaad, bevoegdheid burgerlijke rechter, geen willekeur bij toetsing omgevingsvergunning
* 28 november 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/614): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, stallingsterrein voertuigen, strijd met bpl, parkeerbehoefte, motivering
* 8 augustus 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4417): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 14 augustus 2018 (Rb Den Haag SGR 18/4617): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, afvalverwerker, overtreding milieuvergunning, lozing afvalwater met PFOA en/of FRD-903

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 12 februari 2020 (ABRvS 201903789/1/A2): Awb, Wro; planschade, windturbines, geluid, taxatie (Rb Gelderland 18/5902)
4.4.    Uit het advies volgt dat bij de beoordeling van de geluidbelasting gebruik is gemaakt van de door de StAB berekende geluidbelasting. In het StAB-advies is uiteengezet op welke wijze de geluidbelasting is berekend. Ten eerste is de geluidbelasting voorafgaand aan de planologische wijziging bepaald. Het gaat hierbij om het geluid van de nabijgelegen snelweg. Vervolgens is de geluidbelasting als gevolg van de windturbines berekend aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift voor windturbines, zoals opgenomen in bijlage 4 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarna is de geluidbelasting die de snelweg tot gevolg heeft, gecumuleerd met de voor de windturbines berekende geluidbelasting. Hierbij is rekening gehouden met de dosis-effectrelatie van de verschillende geluidbronnen, waarbij voor het geluid van windturbines geldt dat dit geluid, bij gelijke geluidbelasting, hinderlijker is dan wegverkeersgeluid. Om de grotere hinderlijkheid van windturbinegeluid uit te drukken, is berekend welke geluidbelasting vanwege wegverkeer evenveel hinder veroorzaakt als de geluidbelasting vanwege de windturbines. Om de totale geluidhinder in de situatie na de planologische wijziging te bepalen is derhalve de berekende geluidbelasting van de windturbines verhoogd. Uit het voorgaande volgt dat in de berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellanten] tevens het specifieke karakter en de mate van hinderlijkheid van het geluid van windturbines is verdisconteerd. Voor het oordeel dat bij de kwalificatie van het berekende geluidniveau geen aansluiting gezocht mocht worden bij het Audiologieboek omdat daarin geen rekening is gehouden met het impulsachtige geluid van windturbines, bestaat dan ook geen aanleiding.

* 12 februari 2020 (ABRvS 201902020/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, rundveestal, grondgebondenheid, Nge, van rechtswege verleende vergunning (Rb Rotterdam 17/7178)
3.1.    Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellant] is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren, als bedoeld in artikel 1.9 van de planregels. Partijen zijn verdeeld over de vraag of en zo ja, in hoeverre gronden die niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 1.9.

In de definitie van grondgebonden veehouderij in artikel 1.9 ligt niet besloten dat het moet gaan om gronden die bij of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen. De toelichting op het bestemmingsplan noopt ook niet tot een dergelijke uitleg. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd is de ratio van deze regelgeving onder meer dat intensieve veehouderij wordt tegengegaan. Gelet op het voorgaande legt de Afdeling  deze bepaling grammaticaal uit. Een dergelijke uitleg miskent de ratio van de bepaling niet. Dat betekent voor dit geval dat het beweiden van vee in natuurgebieden die niet bij het bedrijf van [appellant] zijn gelegen, maar ook op aanzienlijke afstand daarvan, kan worden aangemerkt als het houden van vee op open grond, als bedoeld in artikel 1.9. De uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1982, waarnaar het college ter zitting heeft verwezen, doet aan dat oordeel niet af, reeds omdat het in die zaak gaat om een bestemmingsplan waarin een andere definitie van grondgebonden agrarisch bedrijf is opgenomen.

Blijkens het bedrijfsplan van 27 maart 2017, dat behoort bij het besluit van 15 november 2017, richt het bedrijf van [appellant] zich onder meer op het verhuren van runderen aan natuurbeherende organisaties en particulieren. De runderen worden ingezet voor het begrazen (beheer) van de natuurterreinen. De stal waarvoor vergunning is gevraagd, heeft een capaciteit voor het houden van 39 stuks vee en wordt gebruikt voor de huisvesting van runderen die uit de natuurgebieden komen. De stal wordt gebruikt in de periode van september/oktober tot en met maart/april. In de overige perioden weiden de runderen in de natuurgebieden. Zoals hiervoor is overwogen kan dit beweiden worden aangemerkt als het houden van vee op open grond. Gelet op het voorgaande is het project waarvoor vergunning is gevraagd in zoverre in overeenstemming met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 12 februari 2020 (ABRvS 201804135/1/A1): Awb, Waterwet; vergunning voor lozen in oppervlaktewater, mestverwerking, IPPC, coördinatie met milieuvergunning, aanvraag bepalend, Kaderrichtlijn Water, Handboek immissietoets, omgekeerde osmose (Rb Oost-Brabant 17/1825)
3.1.    Voor de vraag of tot de inrichting van [appellante] een IPPC-installatie als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet behoort, is het bewerkingsproces zoals beschreven in de aanvraag om watervergunning bepalend. Ter voorlichting merkt de Afdeling op dat dit anders is in de zaak met nummer 201804130/1/A1 waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan. Daarin is een aan [appellante] gericht handhavingsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de orde. In die zaak is niet het in de voorliggende vergunningaanvraag beschreven bewerkingsproces, maar de feitelijke situatie ten tijde van het handhavingsbesluit bepalend voor het antwoord op de vraag of tot de inrichting van [appellante] een IPPC-installatie behoort.
3.7.4.    Nu de winning van nutriënten uit de dunne fractie is aan te merken als handelingen van nuttige toepassing en categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE, mede betrekking heeft op een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, kan de vraag of en in hoeverre ook de omzetting van de dikke fractie naar groen gas en biochar kan worden aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing of als een verwijderingshandeling verder in het midden blijven.

3.7.5.    Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat de mestverwerkingsinstallatie zoals beschreven in de aanvraag om watervergunning voorziet in een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE. Nu, zoals hiervoor is overwogen, niet in geschil is dat in de aanvraag geen sprake is van enige vorm van behandeling die onder b is vermeld, vormt de beschreven mestverwerkingsinstallatie geen IPPC-installatie.

3.8.    Het voorgaande betekent dat artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet [appellante] er niet toe verplichtte om haar aanvraag om een watervergunning gelijktijdig in te dienen met een aanvraag tot verlening of wijziging van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

# 12 februari 2020 (ABRvS 201804130/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, loonbedrijf, overtredingen milieuvergunning, hygiënisatie van mest, afval, IPPC, RIE, bevoegdheid, fysisch-chemische behandeling (Rb Oost-Brabant 17/914)
3.7.    De RIE en de Kaderrichtlijn afvalstoffen bevatten geen omschrijving van het begrip “fysisch-chemische behandeling”. Wel kan voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij bijlage I van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Daarin is onder D 9 als verwijderingshandeling opgenomen: “fysisch-chemische behandeling op een niet elders in deze bijlage aangegeven wijze waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd op een van de onder D 1 tot en met D 12 vermelde methoden (bv. verdampen, drogen, calcineren, enz.)”.

3.8.    In het deskundigenverslag van de StAB is beschreven en niet in geschil is dat ten tijde van het handhavingsbesluit binnen de inrichting van [appellante] een bewerkingsproces plaatsvond, waarbij de mest werd gescheiden in een dunne fractie en een dikke fractie. Om dit scheidingsproces te bevorderen werd polymeer aan de mest toegevoegd. In het deskundigenverslag staat dat dit een fysisch-chemische behandeling is. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank tot een andere conclusie had moeten komen. [appellante] beroept zich in dit verband tevergeefs op de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1878). In die uitspraak was een situatie waarin mestkorrels werden geproduceerd aan de orde, die viel onder categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE. Daarom was, zo heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen, niet meer van belang of sprake is van een fysisch-chemische behandeling.

Voor zover [appellante] in reactie op het deskundigenverslag in beroep naar voren heeft gebracht dat de toevoeging van polymeer geen chemische omzetting van stoffen tot gevolg heeft, overweegt de Afdeling dat uit de beschrijving van fysisch-chemische behandeling onder D 9 van bijlage I van de Kaderrichtlijn afvalstoffen niet kan worden afgeleid dat dit een vereiste is om van fysisch-chemische behandeling te kunnen uitgaan. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 16 januari 2018 hebben medewerkers van de StAB naar voren gebracht dat de toevoeging van polymeer aan de mest door de chemische eigenschappen van de stoffen leidt tot een interactie, waardoor vaste deeltjes worden verwijderd, hetgeen als zodanig niet door [appellante] is bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling kan de toevoeging van polymeer daarom als fysisch-chemische behandeling als bedoeld in categorie 5.3, onder a en onder ii, van bijlage I van de RIE worden aangemerkt.

3.9.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college ervan mocht uitgaan dat ten tijde van het handhavingsbesluit in de inrichting van [appellante] verwijdering van mest met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van onder meer een fysisch-chemische behandeling plaatsvond, zodat tot de inrichting van [appellante] een IPPC-installatie behoort. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

* 12 februari 2020 (ABRvS 201802281/3/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, stalderingsgebied/regeling, provinciale verordening, Chw, verbindendheid, cumulatie geurhinder, fijn stof, BZV, EP, evenredigheids-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel
13.5.    De artikelen 5.6 en 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer vallen onder titel 5.2 van die wet. Artikel 5.6 bepaalt dat ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend titel 5.2, bijlage 2 en de op die titel berustende bepalingen gelden. In artikel 5.16, tweede lid, is limitatief opgesomd bij welke besluiten het bevoegd gezag de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit moet betrekken. Het besluit waarbij een bestemmingsplan wordt vastgesteld, is er daar een van. De luchtkwaliteitseisen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormen dus het toetsingskader voor het bestemmingsplan en ook voor de daarin opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. In dit geval is in het bestemmingsplan in een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden de voorwaarde opgenomen dat wanneer gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid moet zijn aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 microgram per m3. Deze grenswaarde heeft de raad één op één overgenomen uit de artikelen 6.3, eerste lid en onder e, 6.3, tweede lid, sub a onder IV, 7.3, eerste lid en onder e, en 7.3, tweede lid, sub a onder IV, van de Verordening.

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer bevat een regeling voor luchtkwaliteit waaronder voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) en dat is een uitputtende regeling. Dit betekent dat een regel in de Verordening over de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) de sectorale milieuregelgeving voor luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer doorkruist. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of de norm van maximaal 31,2 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie overeenkomt met of verschilt van de grenswaarde die is opgenomen in het voorschrift 4.1, aanhef en onder a, van bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De Afdeling merkt hierbij op dat deze situatie verschilt met de regels in de Verordening over cumulatieve geurbelasting. De Wgv biedt immers geen wettelijk kader voor de cumulatieve geurbelasting.

Het betoog slaagt.
27.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 7l van het Besluit uitvoering Chw onverbindend is wegens strijd met artikel 2.4 van de Chw. Daarnaast is de norm voor cumulatieve geurhinder in de Verordening niet vastgesteld in strijd met de Wgv. Ook zijn de voorwaarden in de Verordening over een zorgvuldige veehouderij en een zorgvuldige dialoog, de norm voor cumulatieve geurhinder en de stalderingsregeling niet in strijd met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Verder zijn de voorwaarden van een zorgvuldige veehouderij en een zorgvuldige dialoog, de norm voor cumulatieve geurhinder en de stalderingsregeling niet vastgesteld in strijd met de door POV aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Anders dan POV meent, bestond voor de raad dus geen aanleiding de regels in artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder a, d en g, artikel 6.3, tweede lid, aanhef, sub a onder I, III en V, artikel 6.3, derde lid, artikel 7.3, eerste lid, aanhef en onder a, d en g, artikel 7.3, tweede lid, aanhef, sub a onder I, III en V, artikel 7.3, derde lid, en artikel 26.1 van de Verordening niet in het plan op te nemen.

* 11 februari 2020 (HR 18/02960): WSr, WED, Wm; overtreding, schadelijk stoffen in de lucht brengen, koolmonoxide, binnen/buitenlucht, Sr vs. milieuwetgeving
2.4.3  De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 19 januari 1989 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen tegen ernstige verontreinigingen van het milieu, Stb. 1989, 7, waarbij art. 173a Sr is gewijzigd, houdt onder meer het volgende in:

“Par. 3. Afzonderlijke strafbaarstelling ernstige milieucriminaliteit

Nadere bezinning op de verschillende vraagstukken die naar aanleiding van de recente gifvondsten naar voren zijn gekomen, hebben tot de conclusie geleid dat de bestaande strafbepalingen ontoereikend zijn voor het tegengaan van milieucriminaliteit van een zodanige ernst als thans is geconstateerd. Bij de totstandbrenging van de verschillende sectorale milieuwetten in de afgelopen decennia heeft de wetgever kwalijk kunnen bevroeden dat de daarin strafbaar gestelde gedragingen tot zulke ernstige bedreigingen voor de gezondheid van de mens hebben kunnen leiden. De bestaande bepalingen in het Wetboek van Strafrecht over de algemene veiligheid van personen (Titel VII van het Tweede Boek) zijn evenmin voldoende toegesneden op deze situaties. Qua ernst en strafwaardigheid van het delict lijken de gesignaleerde gevallen echter thuis te horen in deze categorie van strafbare feiten. Opmerkelijk is dat tot twee maal toe bij de invoering van een sectorale milieuwet aan de betreffende titel van het Wetboek van Strafrecht nieuwe strafbare feiten zijn toegevoegd. Bij de invoering van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) zijn de artikelen 161 quater en 161 quinquies toegevoegd. Bij de invoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536) zijn de bestaande artikelen 173a en 173b toegevoegd, nadien opnieuw vastgesteld bij de Wet van 5 juni 1975 (Stb. 353). Het lijkt thans wenselijk, los van een van de deelgebieden van de milieuwetgeving, overkoepelende bepalingen in te voeren die ernstige vormen van milieuverontreiniging strafbaar stellen. Deze bepalingen komen er op neer dat het opzettelijk of op nalatige wijze een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, wordt strafbaar gesteld, indien hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is. Indien bovendien hierdoor iemand sterft, kan een zwaardere straf worden opgelegd. Bij de formulering van de thans voorgelegde bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de eerdere, reeds genoemde bepalingen die tegelijk met bijzondere milieuwetten in het Wetboek van Strafrecht zijn ingevoerd. Slechts is getracht thans de bepalingen zodanig te formuleren dat elke vorm van verontreiniging van het milieu waardoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, daaronder wordt gevat. Zo zullen onder meer gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarbij mogelijk eerst op lange termijn het gevaar voor de openbare gezondheid zich verwezenlijkt, door de voorgestelde bepalingen worden bestreken. Voor zover schade aan het milieu wordt toegebracht, zonder dat de mens rechtstreeks als gevolg daarvan kan worden geschaad, blijven de bepalingen van de afzonderlijke milieuwetten van toepassing.” (Kamerstukken II, 1984/85, 19 020, nrs. 1-3, p. 7-8)

2.5.1  Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte liet een noodaggregaat plaatsen bij de ingang van zijn restaurant en gaf zijn personeel opdracht het aggregaat aan te zetten. Nadat het aggregaat in werking was gezet, kwamen grote hoeveelheden koolmonoxide vrij en werden in het restaurant en in de gangen, de trappenhuizen en de appartementen van het appartementencomplex dat boven het restaurant was gelegen, zeer hoge, respectievelijk aanzienlijke concentraties koolmonoxide gemeten. Mede op basis van deze vaststellingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht heeft gebracht als bedoeld in art. 173a Sr.

2.5.2  Het Hof heeft, in reactie op het in het middel bedoelde verweer, overwogen dat “- anders dan de raadsman stelt – geen aansluiting [dient] te worden gezocht met de definitie van ‘lucht’ in de (sectorale) milieuwetten”. Hierin ligt als het oordeel van het Hof besloten dat onder “lucht” niet alleen “buitenlucht” maar ook “binnenlucht” dient te worden verstaan, aangezien de term “lucht” in art. 173a Sr een andere betekenis heeft dan de term “lucht” in de (sectorale) milieuwetgeving. Dat oordeel is onjuist, omdat mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis en in het licht van het systeem van de wet, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 en 18, onder de term “lucht” in art. 173a Sr uitsluitend “buitenlucht” dient te worden verstaan.

2.6  Het middel slaagt.

* 6 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 20/210): Awb, Gmw; vovo, definitieve inbeslagname hond, bijtincident, inbreuk op het eigendomsrecht, bevoegdheid
4.1.  Anders dan de rechtbank Midden-Nederland overwogen heeft in de uitspraak van 18 december 2017, heeft deze rechtbank in een uitspraak van 20 februari 2018 geoordeeld dat de bevoegdheid van de burgemeester, in verband met de reikwijdte van de zogenoemde ‘lichte’ bevelsbevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, niet zo ver gaat dat de burgemeester na inbeslagname van een hond zonder toestemming van de eigenaar tot herplaatsing van een hond kan overgaan. Het besluit tot definitief in beslag nemen heeft tot gevolg dat verzoekers definitief de beschikkingsmacht over [hond] verliezen en maakt inbreuk op het eigendomsrecht van verzoekers. De burgemeester is niet bevoegd om een dergelijke inbreuk te maken met toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Dit vereist een meer specifieke grondslag.

4.2.. De voorzieningenrechter volgt de uitspraak van deze rechtbank. Dat betekent dat de burgemeester [hond] niet op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet definitief in beslag had mogen nemen.

* 5 februari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1145): Awb, Waterwet; nadeelcompensatie, verhoging grondwaterpeil, beekpeil, vernatting landbouwgronden, gesloten deuren, verordening, kapitalisatiefactor, belastingschade
13.2. Over het geschilpunt ten aanzien van de gehanteerde kapitalisatiefactor oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door het Waterschap aangehaalde jurisprudentie van de HR, maar ook uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8139, komt naar voren dat bij de schadeberekening in onteigeningzaken en nadeelcompensatiezaken een kapitalisatiefactor kan worden gehanteerd als op de in aanmerking te nemen peildatum sprake blijkt te zijn van permanente dan wel qua duur onbepaalde jaarlijks optredende bedrijfs- of inkomensschade. Gelet op de (onbetwiste) schadeoorzaak in dit geval (de herinrichting van de Eckeltsebeek) dient in deze zaak uitgegaan te worden van een (weliswaar niet exact vast te stellen) datum in 2005 als peildatum. Uit voormelde rechtspraak is voorts af te leiden dat in geval de schade wordt geleden in de hoedanigheid van eigenaar van een onroerend goed, de gekapitaliseerde toekomstige schade wordt bepaald door de jaarlijkse schade te vermenigvuldigen met de factor 10. Dat betekent dat, afhankelijk van de renteopbrengst van de vergoeding, de geraamde jaarlijkse schade over een periode van ongeveer 10 tot 13 jaar wordt gedekt. Indien bij het besluit op een aanvraag blijkt dat sinds de peildatum gedurende een bepaalde periode de schade niet is geleden dan wel had kunnen worden beperkt, is dat echter reden om een lagere kapitalisatiefactor toe te passen.

* 24 januari 2020 (Rb Midden-Nederland C/16/492307 / KG ZA 19-724): BW; kort geding, verwijdere baggerspecie van perceel, EVOA
2.14.  De voorzieningenrechter volgt Sagro hierin niet. Aan de EVOA komt directe werking toe, in die zin dat het daarin bepaalde zonder omzetting in nationale wetgeving van toepassing is in Nederland en direct moeten worden nageleefd door de betrokken partijen. Dit betekent echter niet dat de EVOA ook directe horizontale werking heeft, in die zin dat de bepalingen ook doorwerken in (rechts)verhoudingen tussen particuliere partijen. In de EVOA zijn de procedures en controleregelingen geregeld voor de overbrenging van afvalstoffen met als hoofddoel de bescherming van het milieu. De EVOA is publiekrechtelijk van aard en de handhaving daarvan gaat via bestuursrechtelijke en strafrechtelijke weg. Sagro kan daarom niet rechtstreeks naleving vorderen van bepalingen uit de EVOA door [gedaagde sub 1] . Het is aan de bevoegde autoriteiten, voor Nederland de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en voor België de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), om al dan niet handhavend op te treden.

2.15.  Verder staat, anders dan het geval is in de door Sagro aangehaalde jurisprudentie, nog niet vast dat [gedaagde sub 1] in strijd handelt met de EVOA. De bevoegde autoriteiten zijn het niet eens over de vraag of [gedaagde sub 1] de baggerspecie terug moet nemen naar België. Er is nog geen terugnamebesluit genomen door de bevoegde instantie. Laat staan dat er sprake is van een (na een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure) onherroepelijk geworden besluit daarover. In deze kort gedingprocedure kan niet op de uitkomst van dat bestuursrechtelijk traject worden vooruitgelopen. Daarbij geldt dat áls zou komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] verplichtingen uit de EVOA heeft geschonden, dat nog niet zonder meer een onrechtmatige daad jegens Sagro oplevert. De geschonden norm strekt namelijk tot bescherming van het milieu en het belang dat Sagro hier nu inroept staat in een ver verwijderd verband met dat doel. De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] verplichtingen uit de EVOA heeft geschonden, weegt wel mee bij de beantwoording van de vraag of door haar een zorgvuldigheidsnorm is geschonden, maar hoeft daarvoor niet doorslaggevend te zijn.

2.16.  [gedaagde sub 1] kan ook niet op grond van bewaarneming worden aangesproken tot terugname van de baggerspecie, omdat het opslaan van de baggerspecie op het terrein van Sagro niet in haar opdracht is gebeurd.