Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 19 februari 2020 (ABRvS 201904242/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, verkeersdruk, parkeren, verkeersveiligheid, luchtkwaliteit
* 19 februari 2020 (ABRvS 201904152/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woonruimte boven bedrijfspand, deelstructuurvisie, gelijkheidsbeginsel (Rb Noord-Holland 18/3617)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201904090/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, rookgasafvoer, welstand (Rb Midden-Nederland 18/100)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201904067/1/A1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, overlast
* 19 februari 2020 (ABRvS 201903990/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, criminele context (Rb Oost-Brabant 18/2228 en 18/2229)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201903914/1/A1 en 201903915/1/A1): Awb; intrekking invorderingsbeschikkingen, bevoegdheid, ontvankelijkheid
* 19 februari 2020 (ABRvS 201903877/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, veehouderij, afwijking t.o.v. ontwerpbesluit (Rb Oost-Brabant 18/655 en 18/659)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201903570/1/R1): Awb, Wro; bpl, watersportvereniging/bedrijf
* 19 februari 2020 (ABRvS 201902881/1/A1 en 201902882/1/A1): Awb, Wm; handhaving, dwangsom en invordering, overbrenging sloopschip/duwbak, afval, certificaten, EVOA, interventieladder, verjaring, ontvankelijkheid
* 19 februari 2020 (ABRvS 201902867/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, in beslagname hond, eerdere bijtincidenten, niet aangelijnd/geen muilkorf (Rb Noord-Nederland 19/467 en 19/468)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201902211/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplan, woonzorglocatie
* 19 februari 2020 (ABRvS 201902195/1/R3): Awb, Wro; bpl, tuindorp/beschermd stadsgezicht
* 19 februari 2020 (ABRvS 201902019/1/R2): Awb, Wro; bpl, verkeersmaatregelen verkeerswegen, rotonde, geluid, soortenbescherming
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901997/1/R1): Awb, Wro; bpl, recreatie, overgangsrecht, bewijslast
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901980/1/A1): Awb, Wabo; verzoek om intrekking vergunning, zendmast, geen ontoelaatbare milieugevolgen (Rb Oost-Brabant 18/2022)
# 19 februari 2020 (ABRvS 201901837/1/R1 en 201901911/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, realiseren van woonruimten, bedrijfsactiviteiten, geluid, VNG-brochure, vergunningplicht/ Activiteitenbesluit, schroothandel, onderhoud aan schepen, geluidzone, detailhandel
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901747/1/A1 en 201901748/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, invordering, veehouderij, geen gronden in hoger beroep (Rb Oost-Brabant 18/77, 18/2604, 18/79 en 18/2605)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901691/1/R3): Awb, Wro; bpl, visvijver, horecavoorziening
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901184/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiten pand, drugs (Rb Limburg 18/526)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201901149/1/R3): Awb, Wro; bpl, bouwvlak, woningen, privacy, bezonning
* 19 februari 2020 (ABRvS 201900827/3/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen bijgebouw en tweede uitrit, geen vergunning, strijd met bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Oost-Brabant 18/1766)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201900706/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel/horeca en speelparadijs, planregels, Dienstenrichtlijn, exceptieve toetsing, evidentiecriterium (Rb Amsterdam 16/5543)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201900375/1/A1): Awb, Mnw; instemming gaswinningsplan, seismische meetstations, bouwkundige opname, zelf in de zaak voorzien
* 19 februari 2020 (ABRvS 201810282/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding, inkomensderving
* 19 februari 2020 (ABRvS 201809416/1/A1 en 201810036/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunningen voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, winkel en parkeerkelders in voormalig postgebouw, belanghebbenden, wijzigingen van ondergeschikte aard, vloeroppervlak supermarkt, NEN 2580,concurrentiebelang (Rb Noord-Holland 18/825, 17/3474 en 18/2806 )
* 19 februari 2020 (ABRvS 201808073/1/A1): Awb, Wbb; instemming wijzigingsplan bodemsanering, melding, besluit, ontvankelijkheid
* 19 februari 2020 (ABRvS 201807475/1/A3): Awb, Wegenwet; onttrekking aan de openbaarheid van onbewaakte spoorwegovergang, vervangende wegverbinding, veiligheid, belangenafweging (Rb Noord-Holland 17/2952)
* 19 februari 2020 (ABRvS 201801154/3/R3): Awb, Wro; bpl, bedrijfsactiviteiten, milieucategorie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
# 19 februari 2020 (ABRvS 201706783/4/R1): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, MER, Natura 2000, gebruiksverbod/afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid, PAS, passende beoordeling, weiden van vee, provinciale omgevingsverordening
* 19 februari 2020 (ABRvS 201600392/1/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, ammoniakemissie, passende beoordeling, geur/wassers, landschappelijke inpassing, gebiedsvisie
* 18 februari 2020 (CBb 18/2582 en 18/998): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, stalcapaciteit, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, geen nieuw gestart bedrijf
* 18 februari 2020 (HR 18/04438): WSr, WED, Wm; bedrijfsafvalstoffen (flessengas) vervoeren zonder vermelding als vervoerder op lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars, begaan door rechtspersoon (in Duitsland gevestigde onderneming), art. 10.55 Wm, registratie-eis/EU-Handvest, zelfstandig unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, conclusie PG
* 18 februari 2020 (Rb Oost Brabant SHE 19/1151): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bouw-/tuinmarkt, detailhandelsbeleid, Dienstenrichtlijn, verkeersdruk, verkeersveiligheid, parkeren
* 18 februari 2020 (ABRvS 202000034/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, verbouwen bankgebouw tot appartementencomplex, parkeren, CROW
* 17 februari 2020 (ABRvS 201909154/2/R1): Awb, Wro; vovo, reactieve aanwijzing, recreatiepark, provinciale verordening, buitendijkse ligging/landelijk gebied, overleg
* 17 februari 2020 (ABRvS 202000257/1/R1): Awb, Wbb; vovo, handhaving, dwangsommen, historische bodemverontreiniging, overtreder, motivering

* 14 februari 2020 (ABRvS 201906949/3/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, geurreductie stallen, vergunningen op orde maken
* 14 februari 2020 (ABRvS 201908744/2/R1): Awb, Wm; vovo, aanwijzing clusterplaats voor minicontainers voor huishoudelijk afval, afvalstoffenverordening, mandatering
* 14 februari 2020 (ABRvS 201909100/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, bakkerij/appartementen, bezonning (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5458 en 19/2240)
# 14 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/92): Awb, Waterwet; vovo, goedkeuring monitoringsplan, rietproef, watersysteem, beheerprotocol, peilbuizen, grondwater, zoutgehalte
# 14 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/2919 en 18/3923): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, plaatsen overkapping bij strandpaviljoen, gebouw buiten bouwvlak, geen vergunning, Bor/zonwering, overtreder, zicht op legalisatie
* 14 februari 2020 (Rb Gelderland C/05/365062 / KG ZA 20-18): BW; onrechtmatige hinder, geuroverlast, winkel in geurproducten, bouwkundige maatregelen
* 13 februari 2020 (Rb Limburg AWB 18/1457): Awb, Wro; planschade, inkomens- en vermogensschade
* 13 februari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/131): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, opruimwerkzaamheden water, strijd met bpl, overgangsrecht, overtreder, motivering, geen acute gevaarlijke situatie
* 13 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/55): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, strijd met bpl, bewoning complex, planvoorschriften
* 13 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/125): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, BEA, bevoegdheid/mandatering
* 12 februari 2020 (Rb Limburg AWB 19/1071, 19/1072, 19/1073, 19/1074, 19/1075, 19/1084, 19/1092, 19/1088, 19/1086, 19/1085, 19/1089, 19/1083, 10/1081, 19/1090, 19/1093, 19/1096 en 19/1095) : Awb, AWR; waarde onroerende zaak, wegreconstructie, trillingen, geluidoverlast en scheurvorming, taxatiemethode
* 11 februari 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1339): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken en beperkte milieutoets, vervangen kippenstalinrichting, volière-huisvesting, aanhaken natuurvergunning, uitloopweide
* 11 februari 2020 (HR 18/05018): WSr, WED, Wvgs; incident met tankauto, lek uitstromen zoutzuur, overtreder, meldplicht, conclusie PG
* 11 februari 2020 (CBb 19/1855 en 19/1879): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen beëindigd bedrijf, bewijslast
* 11 februari 2020 (Rb Overijssel AWB 20/59): Awb, Gmw; vovo. extra voorschrift exploitatievergunning, café, sluitingstijden, APV, belangenafweging, motivering
* 11 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 18/6463): Awb, Gmw; standplaatsvergunningen, APV, beleidsregel/beperking aantal vergunningen, Dienstenrichtlijn/Dienstenwet
* 7 februari 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/1138): Awb; invorderingsbesluit, dwangsom, recreatiepark, huisvesting arbeidsmigranten, hoorplicht, verjaring
* 30 januari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1515 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kerk, VNG-brochure, luidklok, beperking, Grondwet
* 22 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1523): Awb, Wro; planschade, woningen, bedrijventerrein, normaal maatschappelijk risico
* 14 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 18/442): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, in openbare ruimte neerzetten van fietsen bij hotel, uitleg APV, bevoegdheid
* 3 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4414): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken van bpl, detailhandel, Dienstenrichtlijn, termijn vergunning
* 20 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/7680): Awb, Waterwet; vergunning voor insteekhavens en beschoeiingen, veranderen maaiveldhoogte/Keur, normaal onderhoud/ophoging, verlies aan waterberging
* 19 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/96): Awb, Gmw; intrekking/weigering exploitatievergunning, Wet Bibob, slechte levensgedrag
#
25 november 2019 (Rb Den Haag SGR 17/6079 en SGR 17/6102): Awb, Wabo, Mnw; omgevingsvergunning verhogen gasproductie van inrichting en instemming gewijzigd winningsplan, m.e.r.-plicht/MER, natuurwaarden/Natura 2000, geluid/beschermde soorten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
# 15 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/3428): Awb, Wro; planschade, windturbine, normaal maatschappelijk risico

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 19 februari 2020 (ABRvS 201903877/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, veehouderij, afwijking t.o.v. ontwerpbesluit (Rb Oost-Brabant 18/655 en 18/659)
2.2.    Een bestuursorgaan kan tot het standpunt komen dat een besluit moet worden genomen dat afwijkt van het ontwerpbesluit. De bepalingen van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verplichten het bestuursorgaan er niet toe om in dat geval een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen, alvorens het een definitief besluit neemt. Belanghebbenden die bezwaar hebben tegen de in een besluit ten opzichte van het ontwerpbesluit aangebrachte wijzigingen, kunnen daartegen beroep instellen.

Het voorgaande doet er evenwel niet aan af dat indien het college voornemens is een definitief besluit te nemen dat afwijkt van het ontwerpbesluit met als gevolg dat de te vergunnen inrichting op wezenlijke onderdelen afwijkt van de aangevraagde inrichting, het zorgvuldigheidsbeginsel met zich kan meebrengen dat de aanvrager vóór het nemen van het definitieve besluit op de hoogte wordt gesteld van dat voornemen, zodat de aanvrager de gelegenheid heeft om de aanvraag desgewenst in te trekken of aan te passen. Aldus wordt voorkomen dat de aanvrager, die in beginsel zelf bepaalt wat hij wil aanvragen, een vergunning krijgt die hij niet wil.

In dit geval was de uitbreiding van het aantal vleesvarkens van 2603 naar 3070 een belangrijke aanleiding voor het indienen van de aanvraag. De uitbreiding betreft voorts een wezenlijk deel van de aanvraag en is in haar geheel geweigerd. Gelet hierop en op de omstandigheid dat in het ontwerpbesluit alle door [appellant] aangevraagde vleesvarkens nog werden vergund, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat het college [appellant] vóór het nemen van het definitieve besluit op de hoogte had moeten stellen van zijn voornemen om de vergunning voor de gevraagde uitbreiding met 467 varkens alsnog te weigeren.

Het betoog slaagt.

* 19 februari 2020 (ABRvS 201902867/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, in beslagname hond, eerdere bijtincidenten, niet aangelijnd/geen muilkorf (Rb Noord-Nederland 19/467 en 19/468)
9.1.    De Afdeling is van oordeel dat de inbeslagname niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de emotionele impact van de inbeslagname op hem en zijn gezin en het gedragsonderzoek uit 2016, biedt geen grondslag voor het oordeel dat het college met het opleggen van een preventieve last had moeten volstaan. De Afdeling acht daarbij van belang de herhaalde bijtincidenten ná 2016 ondanks het opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod.

9.2.    Dit betoogt slaagt evenmin.

Conclusie

  1. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Wat betekent dit nu?

  1. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 20 mei 2019 een voorlopige voorziening getroffen, waarbij de besluiten van 4 september 2018 en 27 december 2018 zijn geschorst. Als gevolg hiervan is [hond] teruggegaan naar [appellant]. De uitspraak van 20 mei 2019 komt met deze bodemuitspraak te vervallen, zodat het college de hond desgewenst opnieuw kan meevoeren en opslaan. Het college zal dan moeten bepalen wat er met de hond gaat gebeuren. Een beslissing daarover, dan wel het uitblijven daarvan, kan [appellant] desgewenst bij de civiele rechter aanvechten.

    * 19 februari 2020 (ABRvS 201900706/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel/horeca en speelparadijs, planregels, Dienstenrichtlijn, exceptieve toetsing, evidentiecriterium (Rb Amsterdam 16/5543)
    5.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling over deze exceptieve toets, onder meer kenbaar uit haar uitspraak van 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4266), volgt dat de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover strekt dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In een procedure als deze waarin wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.

De Afdeling hanteert bij de hier aan de orde zijnde toets dus het evidentiecriterium. Dit houdt in dit geval in dat alleen indien sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn een planregel onverbindend wordt verklaard of buiten toepassing wordt gelaten. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval als iedere motivering ontbreekt. Indien beargumenteerd strijd met artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn wordt aangevoerd en een motivering dat aan de in dat artikellid genoemde vereisten is voldaan ontbreekt, kan desondanks geen evidente strijd met de Dienstenrichtlijn worden aangenomen indien het college (alsnog) een  onderbouwing geeft dat aan de vereisten van artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. Dit vergt echter geen onderbouwing die voldoet aan de in de uitspraak van 24 juli 2019 neergelegde toetsingsmaatstaf. Dit betekent dus dat de onderbouwingsplicht van het college in deze procedure niet zo ver gaat dat het de beperking dient te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. Geeft het college niet alsnog een onderbouwing dan zal de planregeling buiten toepassing worden gelaten of onverbindend worden verklaard. Degene die zich op strijd met de Dienstenrichtlijn beroept staat het overigens vrij om een verzoek tot herziening van het bestemmingsplan bij de gemeenteraad in te dienen. Bij de beoordeling van een besluit van de raad naar aanleiding van een dergelijk verzoek zal het evidentiecriterium niet worden gehanteerd, omdat dan immers geen sprake is van exceptieve toetsing. De rechter toetst dan op de wijze zoals aan de orde in de voormelde uitspraak van 24 juli 2019.

* 19 februari 2020 (ABRvS 201808073/1/A1): Awb, Wbb; instemming wijzigingsplan bodemsanering, melding, besluit, ontvankelijkheid
9.1.    Het verzoek om wijziging van het saneringsplan van [verzoekster] van 21 september 2017 is gericht op een wijziging van de saneringsdoelstelling van het grondwater die in het saneringsplan is opgenomen. Daarbij heeft [verzoekster] aan het college gevraagd om in te stemmen met de voorgestelde wijziging van de saneringsdoelstelling.

Gelet op de aard en strekking van dit verzoek, hetgeen onder meer blijkt uit de bewoordingen, waarbij niet alleen wordt gesproken over een verzoek om wijziging van het saneringsplan maar uitdrukkelijk om de instemming van het college is gevraagd, gaat het hier niet om een melding in de zin van artikel 39, vierde lid, van de Wbb, maar had het college dit verzoek moeten aanmerken als het indienen van een wijziging van het saneringsplan die valt onder de werking van artikel 39, eerste lid, van de Wbb, waarbij de wijziging de instemming van het college behoeft als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb. Deze uitleg van een verzoek om wijziging van het saneringsplan, waarbij uitdrukkelijk wordt gevraagd om de instemming van het bevoegd gezag, is wenselijk vanuit een oogpunt van rechtsbescherming.

9.2.    Op 2 oktober 2017 is het college schriftelijk akkoord gegaan met de door [verzoekster] voorgestelde wijziging van het saneringsplan. Gezien het voorgaande moet dit akkoord worden aangemerkt als een instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb en niet – zoals het college in het bestreden besluit heeft overwogen – als een reactie op een melding in de zin van artikel 39, vierde lid, van de Wbb. De instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hiertegen kunnen belanghebbenden rechtsmiddelen aanwenden.

9.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tegen het besluit van 2 oktober 2017 geen rechtsmiddelen openstaan. Gelet hierop heeft het college het bezwaar van [appellanten] bij besluit van 24 april 2018 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt

# 19 februari 2020 (ABRvS 201706783/4/R1): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, MER, Natura 2000, gebruiksverbod/afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid, PAS, passende beoordeling, weiden van vee, provinciale omgevingsverordening
11.2.    Voor zover GNMF en VBN betogen dat de onder 4 genoemde bouw- en gebruiksmogelijkheden en afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in strijd met de Wnb zijn, overweegt de Afdeling als volgt.

In de uitspraak Weststellingwerf heeft de Afdeling onder 49.8 overwogen dat als de raad in het plan een gebruiksverbod wenst op te nemen waarmee, zonder dat daaraan een nader onderzoek ten grondslag ligt, is verzekerd dat als gevolg van de in het plan (…) geboden maximale planologische mogelijkheden geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden, het gebruiksverbod voor de referentiesituatie zal moeten uitgaan van de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan.

In dit geval heeft de raad een dergelijk gebruiksverbod neergelegd in artikel 3, lid 3.5.1, artikel 4, lid 4.5.1, en artikel 5, lid 5.5.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 150, onder a tot en met d en e, sub 2, van de planregels. Het gebruiksverbod is daarmee van toepassing op alle onder overweging 4 genoemde bouw- en gebruiksmogelijkheden en afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat de raad bij alle in overweging 4 genoemde wijzigingsbevoegdheden eveneens de voorwaarde heeft gesteld dat wordt aangetoond dat door de uitvoering van het initiatief geen toename van stikstofemissie en stikstofdepositie plaatsvindt zoals bedoeld in lid 1.150. Voorts is deze regeling betrokken bij de effectbeoordeling in § 4.6.4 van het MER. Het betoog faalt in zoverre.

* 19 februari 2020 (ABRvS 201600392/1/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, ammoniakemissie, passende beoordeling, geur/wassers, landschappelijke inpassing, gebiedsvisie
4.4.    Over de regeling in het plan die ertoe strekt te voorkomen dat de ammoniakemissie toeneemt, overweegt de Afdeling dat in de omschrijving van de ammoniakemissie in artikel 1, lid 1.10, van de planregels als de bestaande situatie is omschreven: de vergunde of gemelde aantallen en soorten dieren. Daarmee heeft de raad niet onderkend dat die vergunde situatie gecorrigeerd moet worden voor de feitelijke stalbezetting zoals die volgt uit CBS-gegevens (vergelijk overweging 39.5 van de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). Voor zover de raad heeft gesteld dat als bijlage 8 van de plantoelichting een lijst met agrarische bedrijven en de daarvan afkomstige emissies is opgenomen, overweegt de Afdeling dat geen van de planregels naar deze lijst verwijst en daar dus geen bindende betekenis aan kan worden toegekend. Voorts blijkt uit de lijst niet van welke datum de emissies dateren en of de emissies zijn gebaseerd op de feitelijke stalbezetting of vergunde, dan wel gemelde aantallen vee.

Over de volledigheid van de passende beoordeling overweegt de Afdeling dat de raad ten behoeve van het plan uit 2013 een passende beoordeling heeft laten opstellen van de gevolgen van de ammoniakemissies vanuit de agrarische bedrijven binnen het plangebied. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport van Arcadis, gedateerd 20 december 2012. Dezelfde passende beoordeling is ten grondslag gelegd aan het nu voorliggende plan. De Afdeling stelt vast dat ten opzichte van het plan van 2013 enkele percelen een bestemming hebben gekregen waar agrarische activiteiten mogelijk zijn. Blijkens de lijst in bijlage 8 behorende bij de plantoelichting treden op deze percelen ook emissies van stikstof op. De raad heeft dit ook niet weersproken en hij heeft evenmin inzichtelijk gemaakt dat significante gevolgen van deze nieuwe ontwikkelingen op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten. Door de passende beoordeling van 20 december 2012 aan het nu vastgestelde plan ten grondslag te leggen, zijn de effecten van de ammoniakemissies van deze nieuw agrarisch bestemde percelen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden derhalve niet passend beoordeeld. Het voorgaande brengt met zich dat het plan niet in overeenstemming met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is vastgesteld. Het betoog slaagt.
5.2.    De Afdeling overweegt dat de raad zijn standpunt over de geurreducerende werking van de luchtwassers niet toereikend heeft onderbouwd. Over het toetsingskader van de Wgv overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat de normen voor de voorgrondgeurbelasting bij woningen niet worden overschreden niet betekent dat de achtergrondgeurbelasting aanvaardbaar zal zijn. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de achtergrondgeurbelasting op het moment van het vaststellen van het plan aanvaardbaar is en welke gevolgen de uitbreidingsmogelijkheden die het plan bieden hebben voor de achtergrondgeurbelasting.

Het voorgaande brengt de Afdeling tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:46 van de Awb tot stand is gekomen. Het betoog slaagt.

* 13 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/125): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, BEA, bevoegdheid/mandatering
3.4  In de uitspraak van 3 juli 2013 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 februari 2004 in zaak nr. 200303658/1 overwogen dat wil een algemeen mandaat volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10:5 van de Awb (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, hierna: de MvT) zeggen het verschaffen van de bevoegdheid om een bepaalde categorie van besluiten namens het bestuursorgaan te nemen. Bij het algemeen mandaat is het ter wille van de duidelijkheid van bevoegdheidsverdeling nodig de eis te stellen dat de bevoegdheid om krachtens mandaat besluiten te nemen uit een schriftelijk stuk blijkt. Degenen die betrokken zijn bij besluiten van een bestuursorgaan moeten immers, volgens de MvT, kunnen nagaan of mandaat is verleend.

Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE4636) dat het in strijd met de rechtszekerheid is indien in een mandaatregeling aan de gemandateerde wordt overgelaten te beoordelen of een zaak bestuurlijk gevoelig is.

3.5  De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit blijkens de ondertekening is genomen door de teamleider, namens de concerndirecteur, namens verweerder. Dit is ter zitting namens verweerder bevestigd, waarbij is aangegeven dat de teamleider hierover overleg heeft gevoerd met de betreffende portefeuillehouder.

Uit artikel 2, eerste en tweede lid, van het Algemeen Mandaatbesluit volgt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het aan de door verweerder (gemandateerde) concerndirecteur zelf is overgelaten om te beoordelen of overleg dient plaats te vinden met de portefeuillehouder, immers, uit artikel 2, tweede lid, onder b en c, Algemeen Mandaatbesluit is neergelegd dat de concerndirecteur moet beoordelen of te verwachten valt dat de burgemeester of het college of een portefeuillehouder op zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken danwel of uit het besluit financieel, juridisch, organisatorisch, politiek/bestuurlijk en/of publicitair belangrijke consequenties kunnen voortvloeien.

Voorts is in het Algemeen Deel van de Ondermandaatbesluiten geregeld dat bij gevoelige zaken (politiek, bestuurlijk, publicitair etc.) alvorens te besluiten er overleg met de betreffende directeur of met de Concerndirecteur Groningen dient plaats te vinden. Deze kan dan besluiten of er in mandaat besloten kan worden of dat het een burgemeesters of collegebesluit dient te worden.

Gelet op deze bepalingen zijn aan de (onder) gemandateerden geen concrete bevoegdheden (onder) gemandateerd maar zijn deze bevoegdheden nog afhankelijk van een nadere beoordeling door de (onder)gemandateerden. In het geval van het mandaat betreft dat de beoordeling door de gemandateerde van de vraag of het college op zijn verantwoordelijkheid zal worden aangesproken danwel of anderszins sprake is van een zaak waaruit eerdergenoemde belangrijke consequenties kunnen voortvloeien en in het geval van het ondermandaat betreft dat de beoordeling door de ondergemandateerde van de vraag of sprake is van een gevoelige zaak. Gesteld noch gebleken is dat er zodanige instructies of criteria zijn gegeven voor de beoordeling van deze bevoegdheid dat kan worden geoordeeld dat geen nadere beoordeling door de (onder)gemandateerde meer is vereist. Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling is dat in strijd met de rechtszekerheid.

2.6  Gelet op het voorgaande bieden het Algemeen Mandaatbesluit en het daarmee samenhangende ondermandaatbesluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grondslag om het bestreden besluit te nemen. Hetgeen namens verweerder hieromtrent is aangevoerd, doet daaraan niet af.

Nu het gaat om een kapvergunning, welke onomkeerbare gevolgen heeft, en verweerder heeft aangegeven zo spoedig mogelijk na de uitspraak te willen beginnen met de kapwerkzaamheden, ziet de voorzieningenrechter in het bevoegdheidsgebrek aanleiding om het besluit te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen

* 30 januari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1515 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kerk, VNG-brochure, luidklok, beperking, Grondwet
5.3  De vraag die beantwoord dient te worden is of het toekomstige klokgelui op deze wijze, middels een voorschrift, door het college aan banden mag worden gelegd. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het klokgelui door het betreffende voorschrift illusoir zou worden gemaakt en dat het daarom leidt tot een inperking van haar grondrecht die niet is toegestaan. De rechtbank overweegt dat het klokgelui om kerkgangers op te roepen voor de dienst aangemerkt moet worden als een door artikel 6 van de Grondwet beschermde uiting tot het belijden van godsdienst. (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS) van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448). In het Activiteiten besluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) is dan ook bepaald dat geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of het bijwonen van godsdienstige bijeenkomsten buiten beschouwing wordt gelaten bij de in het besluit opgenomen geluidsniveaus.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat het college met het voorschrift een te vergaande beperking geeft aan het (toekomstige) klokgelui, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van de Grondwet. Het college heeft daarbij gerefereerd aan de VNG-uitgave, terwijl het aanbrengen van de klok in de toekomst vergunningvrij zou zijn en, zoals gezegd, het luiden ter oproeping van de kerkgangers niet ingeperkt zou worden door geluidsnormen in het Activiteitenbesluit. De wetgever heeft verder in de Wet openbare manifestaties (WOM) aan de gemeenteraad de bevoegdheid gegeven om klokgelui te reguleren. Daarbij mag het klokgelui echter niet dusdanig worden ingeperkt, dat het illusoir zou worden.

Het voorschrift dat het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, waarbij de geluidsniveaus van de VNG-uitgave als leidraad worden gehanteerd, geeft een verdergaande beperking dan de regulering in het Activiteitenbesluit en op grond van de WOM. Het argument dat het college op voorhand moet toetsen aan een goede ruimtelijke ordening maakt dat niet anders. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

* 20 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 18/7680): Awb, Waterwet; vergunning voor insteekhavens en beschoeiingen, veranderen maaiveldhoogte/Keur, normaal onderhoud/ophoging, verlies aan waterberging
7. [eiser] vindt allereerst dat de vergunningplicht van artikel 4.13 van de Keur niet van toepassing is, omdat de werkzaamheden vallen onder gewoon onderhoud. Sinds 1973 is er sprake van achterstallig onderhoud door verzakking van het perceel. [eiser] wil alleen die verzakking ongedaan maken en het waterschap heeft dit volgens hem ten onrechte gekwalificeerd als ophoging. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2000.1 Het waterschap wil alleen toestaan dat de verzakking van de afgelopen twintig jaar ongedaan wordt gemaakt. [eiser] vindt deze beperking willekeurig en een schending van zijn eigendomsrecht.

8. De rechtbank oordeelt anders. De rechtbank kan niet aanvaarden dat de gehele bodemdaling die er ooit is geweest ongedaan mag worden gemaakt als normaal onderhoud. De rechtbank volgt het standpunt van het waterschap dat compensatie van de bodemdaling tot twintig jaar geleden valt onder normaal onderhoud en van bodemdaling van langer dan twintig jaar geleden onder ophoging. Het waterschap heeft aansluiting gezocht bij de periode van vijftien jaar die gehanteerd wordt bij herstel van een oorspronkelijke oeverlijn.2 Het waterschap heeft toegelicht dat maaivelddaling minder zichtbaar en doorgaans een langzamer proces is dan herstel van een oorspronkelijke oeverlijn. Dat het waterschap daarom heeft aangesloten bij de algemene termijn van twintig jaar voor het verjaren van rechtsvorderingen3, vindt de rechtbank redelijk. Zoals het waterschap op de zitting nader heeft toegelicht, moet het kunnen rekenen op een bepaalde waterbergingscapaciteit en moet er dus een grens worden getrokken. De rechtbank verwerpt het voorstel van [eiser] om de bodemdaling sinds 1973 ongedaan te mogen maken. Die datum is voor [eiser] relevant omdat zijn ouders toen eigenaar van het perceel zijn geworden, maar uit het oogpunt van waterbeheer geheel willekeurig.
13. De rechtbank concludeert dat de vergunningplicht op grond van artikel 4.13 van de Keur geldt.