Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 26 februari 2020 (ABRvS 201907187/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting pand, tuincentrum, materialen opzetten hennepkwekerij (Rb Zeeland-West-Brabant 19/4211, 19/4240, 19/4430 en 19/4431)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201906821/1/R1): Awb, Wro; bpl, huurwoningen, Chw/bezwaren
* 26 februari 2020 (ABRvS 201906246/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, appartementen als hotel (Rb Amsterdam 18/4231)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201905707/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen/groepswoning met zorgfunctie, verkeer
* 26 februari 2020 (ABRvS 201905411/1/A3): Awb, Gmw; melding/kapverbod, APV, motivering (Rb Noord-Nederland 18/4067)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201904673/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken houtbewerking en opslag hout, strijd met bpl (Rb Overijssel 18/1862)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201904313/1/A1): Awb; invordering dwangsom, gebruik van woning met garage als fietsenhandel met werkplaats, strijd met bpl (Rb Overijssel 18/937 en 18/2236)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201904197/1/A1): Awb, Wabo; niet tijdig bekendmaken van omgevingsvergunning van rechtswege voor bouwen, supermarkt, strijd met bpl, UOV, geen vergunning van rechtswege(Rb Noord-Nederland 18/3690)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201904172/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, renoveren schuur in het achtererfgebied, hoogte (Rb Rotterdam 18/3124)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201904092/1/R1): Awb, Wro; bpl, aantal woningen/motivering, beperking woonvormen
* 26 februari 2020 (ABRvS 201903779/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen schuilstal voor paarden, beleidsregel, geen vergunning, geen zicht op legalisatie (Rb Oost-Brabant 18/1319)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201902911/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, welstand/beschermd stadsgezicht, parkeren, bodem/relativiteit, luchtkwaliteit/geluid schepen (Rb Rotterdam 17/6672, 17/6668, 17/6647 en 17/6342)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201902793/1/A1 en 201902795/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen, belanghebbende,/vereniging, parkeren (Rb Gelderland 18/39 en 18/40)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201902354/1/A3): Awb; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, ontmanteling hennepkwekerij, verhaal kosten (Rb Rotterdam 18/2205)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201902045/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen, hoofdgebouw/Bor (Rb Limburg 18/1262)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201901952/1/R2): Awb, Wro; bpl, appartementsgebouw, woon-, structuur en toekomstvisie
* 26 februari 2020 (ABRvS 201901738/1/R3): Awb,, Wro; bpl, recreatiewoningen, permanente bewoning, omgevingsverordening
* 26 februari 2020 (ABRvS 201901705/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, lunchroom, theesalon en proeflokaal met terrassen, APV,  (Rb Midden-Nederland 18/209 en 18/356)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201900931/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor inrichten en gebruiken perceel voor camperplaatsen, belanghebbende, verkeer (Rb Midden-Nederland 17/1765)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201900716/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij (Rb Midden-Nederland 18/2717 en 18/2718)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201900213/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplan, vergroting bouwvlak agrarisch bedrijf, landschappelijke waarden/inpassing, stikstof/relativiteit
* 26 februari 2020 (ABRvS 201900070/1/R3): Awb, Wgh; HGW, verkeer, sanering, reconstructie, saneringsmaatregelen, Bgh, cumulatie
* 26 februari 2020 (ABRvS 201810005/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, detailhandel met groot opp., belanghebbende, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium, brancheringsregeling (Rb Overijssel 18/684)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201809236/1/A1): Awb, Wm, Wbb; handhaving, last onder bestuursdwang/verhaal kosten, lekkage olie, failliet bedrijf, overtreder
* 26 februari 2020 (ABRvS 201808323/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor functiewijziging, detailhandel, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium (Rb Gelderland 17/5107)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201808166/5/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, provinciale verordening, landschappelijke inpassing, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 26 februari 2020 (ABRvS 201807382/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, staken gebruik appartementen als hotel/short stay appartementen, strijd met bpl (Rb Amsterdam 17/7382)
* 26 februari 2020 (ABRvS 201806009/1/R3): Awb, Wro; bpl, verplaatsing supermarkt, detailhandelsstructuurvisie, Dienstenrichtlijn, noodzakelijkheid/evenredigheidseis, geschiktheid maatregel, tussenuitspraak
* 26 februari 2020 (ABRvS 201804924/2/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, intrekking vergunning, procesbelang, ontvankelijkheid, proceskosten
* 26 februari 2020 (ABRvS 201803354/3/R1): Awb, Wro; bpl, oude raadhuis, horeca, verkeer, CROW, einduitspraak na eerdere tussenuitspraken
* 26 februari 2020 (ABRvS 201803156/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, verplaatsing stallen pluimveehouderij, belanghebbende, provinciale verordening/stalderingseis, gezondheid/woon- en leefklimaat!
* 26 februari 2020 (ABRvS 201802930/2/R3): Awb, Wro; bpl, woningen/historische haven, parkeerdrukonderzoek, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 26 februari 2020 (ABRvS 201801853/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerreinen, milieucategorie, bedrijfswoningen/kantoren, bedrijfsvloeroppervlakte/NEN, detailhandel, Dienstrenrichtlijn, Wet verduidelijking voorschriften woonboten, persoonsgebonden overgangsrecht
* 26 februari 2020 (ABRvS 201801850/3/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, plattelandswoning, provinciale verordening, omvorming LOG naar kleinere Primag, tussenuitspraak
* 25 februari 2020 (ABRvS 202000454/3/R1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, sluiting minisupermarkt, eerdere ordemaatregel, strijd met bpl, schorsing sluiting (Rb Amsterdam 19/5923 en 19/5591)
* 25 februari 2020 (CBb 18/2270): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, overzichtsuitspraak, geen buitensporige last, EP
* 25 februari 2020 (CBb 18/2804, 18/911, 18/671, 18/2534, 18/973, 18/652, 18/522 en 18/2810): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, geen starter, peildatum
* 25 februari 2020 (ABRvS 202000750/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen panden, evidente privaatrechtelijke belemmering (Rb Amsterdam 18/5518, 18/5632 en 18/5633)
* 24 februari 2020 (ABRvS 201903763/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, glastuinbouw, VNG-brochure, gewasbeschermingsmiddelen, geluid, verkeer
* 21 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1109): Awb, Gmw; vovo, handhaving, preventieve last onder bestuursdwang, kinderfestijn in sporthal, geen evenementenvergunning
* 21 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/407 en LEE 19/409 en LEE 19/408): Awb, Wom, Gmw; verbod demonstratie/noodbevel, intocht Sinterklaas, openbare orde, alternatieven, geen bevel maar noodverordening/geen besluit, ontvankelijkheid
* 20 februari 2020 (Rb Den Haag SGR 20/362): Awb, DHW, Gmw; vovo, intrekking DHW- en exploitatievergunning, café/restaurant en discotheek, Wet Bibob
* 20 februari 2020 (Rb Limburg AWB 19/2543): Awb, Ww, Wm; handhaving, houtkachel, Bouwbesluit/Activiteitenbesluit, mediation, omgevingsverordening, filter, geurhinder, onderbouwing, STAB
* 19 februari 2020 (ABRvS 202000416/2/R1): Awb, Wm; vovo, plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, overlast
* 19 februari 2020 (ABRvS 201908860/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, geen spoedeisend belang
* 18 februari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/126 WET VV en BRE 20/127 WET): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij
* 18 februari 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.175.438/01): BW; huurrecht, geluidsoverlast door honden, deskundigenbericht, geluidnormen
* 18 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4127): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, onderkeldering en uitbouw hotel, strijd met bpl, beleidsregels
* 18 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/643): Awb, Gmw; vovo, intrekking marktplaats-vergunning, verkoop fietsen, register, ernstig wangedrag en bedrog
* 17 februari 2020 (Rb Gelderland AWB 19/956 en 19/957): Awb, Wabo; handhaving, permanente bewoning van gastenverblijven, eerdere vergunning, bpl, bevoegdheid
* 17 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/128): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, ontbreken rapportage, motivering, mandaat, bevoegdheid
* 17 februari 2020 (Rb Limburg AWB 19/2207): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, zendmast voor mobiele telefonie op recreatiepark, beleidsnotitie
* 17 februari 2020 (Rb Limburg AWB 19/160): Awb, Wabo; handhaving, bouwstop, bijgebouw bij recreatiewoning, overschrijding max. bebouwd opp., bpl
* 14 februari 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/2805): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, reclame en plaatsen diverse zaken en maken uitrit, supermarkt, Bor, APV, parkeren, motivering
* 13 februari 2020 (Conclusie AG HvJ EU C-88/19): prejudiciële beslissing, Habitatrichtlijn, bescherming diersoorten, vangen, wolf, natuur
* 12 februari 2020 (Rb Den Haag C/09/556424 / HA ZA 18-780): BW; overheidsaansprakelijk-heid, schadestaatprocedure, niet-nakomen toezegging B&W, bpl, deskundige
* 10 februari 2020 (Rb Limburg ROE 19/1161 en 19/1050): Awb, Nbw; vergunning, veehouderij, belanghebbenden, relativiteit, ontvankelijkheid
* 7 februari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3520 ACTMIL en 19/3521 GEMWT): Awb, Wabo, Wm; handhaving, dwangsommen, invordering, overnachten chauffeurs in vrachtwagen, laden en lossen, overschrijding geluidnormen Activiteitenbesluit, bewijslast
* 6 februari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/703): Awb, Waterwet; vaststellen legger oppervlaktewateren, aanwijzing profiel vrije ruimte/geen ligging waterbergingsgebied of beschermingszone, geen beroep mogelijk, ontvankelijkheid, EP
* 30 januari 2020 (Conclusie AG HvJ EU C-654/18): prejudiciële beslissing, afvalstoffen, EVOA, indeling van mengsel van papierafval met stoorstoffen, groene lijst
* 27 januari 2020 (Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten SXM201801363-LAR 124/2018 en SXM201801348-LAR 123/2018) : Lar; tijdelijke hindervergunning, wasserette/stomerij, Hinderverordening, geluid, geur, hitte, BAT/Plan of Action
* 24 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 18/4955 en AMS 18/5024): Awb, Wvw; verkeersbesluit, eenrichtingsverkeer, belangenafweging
* 22 januari 2020 (Rb Den haag SGR 18/4324): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, detailhandel/horeca, Laddertoets, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 januari 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5623): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, vergroten dakopbouw, geen spoedeisende belang
* 16 januari 2020 (Conclusie AG HvJ EU C-15/19): prejudiciële beslissing, afvalstoffen, kosten van storten, bestaande stortplaatsen, wijziging verwijderingstarief
* 15 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/1101 en AMS 19/1119): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verhogen gebouwen en veranderde gebruiksfunctie, aanwijzingsbesluit beschermd stadsgezicht, geen exceptieve toetsing bouwhoogte
* 15 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4704): Awb, AWR; reinigingsaanslag, zelf wegbrengen afval ontslaat niet van belastingplicht, vertrouwensbeginsel
* 8 januari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/195): Awb, Wabo; bekendmaking omgevingsvergunning van rechtswege voor afwijkend gebruik, horeca, Dienstenrichtlijn, onderbouwing vestigingsbeperking
* 23 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/3266): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, splitsing woning in appartementen, onverbindendheid huisvestingverordening/omzettingsvergunning, nieuwe bpl, geen bouwovergangsrecht
# 19 december 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/1576 en 19/659): Awb, Wro; planschade
* 18 december 2019 (Rb Den Haag SGR 18/6885 en SGR 18/6940): Awb, Gmw; aanwijzing hondenlosloopgebied, overlast honden, APV
* 20 november 2019 (Rb Noord-Holland HAA 18/3421): Awb, Wro; planschade
* 20 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2365): Awb, AWR; afvalstoffenheffing, geen verlaging omdat grijze bak diverse keren niet is geleegd
* 31 oktober 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1084): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding woning
* 29 oktober 2019 (Rb Rotterdam 10/994514-17): WSr, WED, Wgb; op de markt brengen van niet toegelaten middelen, stelselmatig, calculerend en crimineel gedrag, concurrentievervalsing, Europese richtlijn
#
5 maart 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 17/2382 en SHE 19/676): Awb, Waterwet; vergunning, duikers in watergang, wateroverlast, dempen watergang/Keur, grondwaterstand

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 26 februari 2020 (ABRvS 201810005/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, detailhandel met groot opp., belanghebbende, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium, brancheringsregeling (Rb Overijssel 18/684)
7.1.    Een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2002).

Deze rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van gronden en bouwwerken.

7.2.    RetailPlan is weliswaar niet de eigenaar van het pand op het perceel en in het pand is op dit moment een Praxis gevestigd, maar de eigenaar van het gebouw heeft ingestemd met het doen van de aanvraag. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich hier niet de situatie voor dat een wijziging van het gebruik niet kan worden verwezenlijkt. RetailPlan is daarom belanghebbende bij haar aanvraag. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

* 26 februari 2020 (ABRvS 201809236/1/A1): Awb, Wm, Wbb; handhaving, last onder bestuursdwang/verhaal kosten, lekkage olie, failliet bedrijf, overtreder
9.3.    [appellant] beheert als curator de boedel van de failliete rechtspersoon North Refinery. In de hoedanigheid van curator is hij vanaf het moment van faillietverklaring verantwoordelijk voor de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van de tot de boedel behorende inrichting in Farmsum (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4703, en 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1261). Het gaat hier om verplichtingen van de boedel, die door tussenkomst van de curator moeten worden nageleefd, en niet om verplichtingen van de failliete rechtspersoon, die geen zeggenschap meer over het vermogen heeft (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, en de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2728).

Artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op overtredingen begaan door een rechtspersoon of een ingevolge het derde lid met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit. Een faillissementsboedel valt hier niet onder. Artikel 51, tweede lid, mist daarom toepassing. Daarmee is de vraag of [appellant] als beheerder van de boedel feitelijk leiding aan een verboden gedraging heeft gegeven, niet van belang.

Dit betekent dat [appellant] in zijn hoedanigheid van curator, dus als beheerder van de boedel, overtreder van de in het besluit van 22 maart 2017 vermelde milieuregelgeving kan zijn. Los van die hoedanigheid kan [appellant] niet als overtreder worden aangemerkt. [appellant] in persoon vertegenwoordigt de boedel niet.

Voor zover het college wijst op rechtspraak waaruit volgt dat een curator ook persoonlijk aansprakelijk kan zijn, leidt dat niet tot een ander oordeel. De rechtspraak van de civiele rechter over persoonlijke aansprakelijkheid van faillissementscuratoren, zoals de door het college aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047, en 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:704, gaat niet over de vraag of een curator persoonlijk overtreder is in de zin van artikel 5:2, tweede lid, van de Awb, maar over de vraag of hij in verband met de wijze waarop hij zijn taak uitoefent persoonlijk aansprakelijk is jegens derden die daardoor nadeel hebben ondervonden. In de door het college aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7450, heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over de vraag of een curator strafrechtelijk aansprakelijk is voor het niet naleven van een verplichting van de boedel, maar deze op een andere grond vrijgesproken.

9.4.    Uit het voorgaande volgt dat het college [appellant] bij het besluit op bezwaar, waarin het besluit van 22 maart 2017 is gehandhaafd, ten onrechte ook in persoon als overtreder heeft aangemerkt. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Awb.

9.5.    Het betoog slaagt.

* 26 februari 2020 (ABRvS 201806009/1/R3): Awb, Wro; bpl, verplaatsing supermarkt, detailhandelsstructuurvisie, Dienstenrichtlijn, noodzakelijkheid/evenredigheidseis, geschiktheid maatregel, tussenuitspraak
6.8.    De Afdeling zal hierna toetsen of in dit geval is voldaan aan de voorwaarden van artikel 15, derde lid, onder b en c, van de Dienstenrichtlijn. Tussen partijen is niet in geschil dat de planregeling niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn.
11.6.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met wat hij naar voren heeft gebracht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn besluit om niet mee te werken aan een herziening van artikel 7 van de regels van het plan “Bedrijvenpark Mercator” om alsnog de vestiging van een supermarkt planologisch mogelijk te maken, binnen het hele pakket aan maatregelen ter versterking van het centrumgebied van Dedemsvaart een zinvolle bijdrage levert. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft weliswaar in algemene zin voor met Dedemsvaart  vergelijkbare woonplaatsen gekeken naar het verband tussen de vestiging van een (discount)supermarkt in of juist buiten het centrumgebied en de ontwikkeling van de leegstand in het desbetreffende centrum, maar daarmee heeft de raad de Afdeling er niet voldoende van kunnen overtuigen dat de conclusies die de raad hieraan verbindt ook gelden voor Dedemsvaart. Anders dan in de referenties waarnaar de raad verwijst, gaat het in Dedemsvaart om een Aldi-discountsupermarkt die al buiten het centrumgebied ligt, waarvan de wens tot verplaatsing naar een andere locatie buiten het centrumgebied in het geding is. De raad heeft wel gesteld dat Aldi op de huidige locatie buiten het centrumgebied fungeert als publiekstrekker voor het centrumgebied, maar hij heeft deze stelling niet met specifieke gegevens gekwantificeerd (vergelijk de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4195, onder 13.2). Daarnaast heeft de raad ook zijn stelling dat met de vestiging van Aldi op het Mercator-terrein combinatiebezoek zou ontstaan met de Lidl, als gevolg waarvan een bezoek aan het centrumgebied niet meer voor de hand ligt, niet met specifieke gegevens onderbouwd. Over de kans dat ook andere dienstverrichters zich op het Mercator-terrein willen vestigen wanneer planologische medewerking zou worden verleend aan de verplaatsing van Aldi, overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel deze omstandigheid een rol kan spelen bij de vraag of de maatregel een zinvolle bedrage levert, is de enkele, niet onderbouwde, vrees van de raad dat dit gebeurt niet voldoende voor dat oordeel.

Het betoog slaagt in zoverre.

* 26 februari 2020 (ABRvS 201803156/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, verplaatsing stallen pluimveehouderij, belanghebbende, provinciale verordening/stalderingseis, gezondheid/woon- en leefklimaat
7.6.    Anders dan de raad en [belanghebbende] stellen, geldt voor lopende aanvragen niet dat de stalderingseis, gelet op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2436, buiten toepassing moet worden gelaten omdat de Verordening wat betreft de stalderingsregeling volgens de rechtbank ten onrechte niet voorziet in overgangsrecht voor aanvragen om omgevingsvergunning die vóór inwerkingtreding van de Verordening waren ingediend. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1990, over het hoger beroep in voormelde zaak geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte toetsing aan de stalderingsregeling achterwege heeft gelaten. De Afdeling ziet in die tussenuitspraak, anders dan de rechtbank, geen aanleiding de stalderingsregeling buiten toepassing te laten. De Afdeling ziet in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel.

7.7.    Niet in geschil is dat het plangebied binnen een stalderingsgebied ligt. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 26.1 van de Verordening geen bepaling bevat over de stalderingsplicht. Dat ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder g, van de planregels een maximum is gesteld aan de oppervlakte van een dierenverblijf laat onverlet dat de stalderingsplicht niet is opgenomen in de planregels. Uit de bestreden besluiten valt voorts niet op te maken dat ten tijde van de vergunningverlening aan de stalderingsverplichting in artikel 35, lid 3, van de rechtstreeks werkende regels uit de Verordening is voldaan. Uit het door het college van gedeputeerde staten op 11 december 2017 afgegeven stalderingsbewijs blijkt dat de stalderingsmeters nog moesten worden aangekocht. Staldering heeft derhalve ten tijde van de bestreden besluiten nog niet plaatsgevonden. In artikel 26 en artikel 35, lid 3, van de Verordening is het toestaan van de oprichting van een dierenverblijf, waarin het bestreden besluit voorziet, afhankelijk gesteld van het bewijs dat ten behoeve van deze oprichting een bestaand dierenverblijf elders reeds is gesloopt of dat een herbestemming daarvan heeft plaatsgevonden. Dat bewijs was er ten tijde van de bestreden besluiten niet. Weliswaar is er door het college van gedeputeerde staten afgeweken van de verplichting in de Beleidsregel om een bewijs te overleggen dat daadwerkelijk is gestaldeerd, maar daarmee kan geen uitzondering worden gemaakt op de in artikel 26 en artikel 35 van de Verordening opgenomen stalderingsplicht omdat deze bepalingen zelf geen afwijkingsmogelijkheid kennen. Een algemene ontheffing op grond van artikel 38.6 van de Verordening ontbreekt eveneens.

Nu gelet op het voorgaande ten tijde van de vaststelling van het plan niet aan de stalderingseis was voldaan, heeft de raad het plan naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 26 van de Verordening vastgesteld.

Het betoog slaagt.

* 26 februari 2020 (ABRvS 201801853/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, zelfstandige kantoren, milieucategorieën, definities, detailhandelsregeling, Wet verduidelijking voorschriften woonboten, persoonsgebonden overgangsrecht
18.6       (…)

Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat de Wvvw een eventuele strijdigheid van het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen met het bestemmingsplan “De Hurk” uit 1988 wegnam, had de raad de gevolgen van die wet moeten betrekken in zijn afweging welke regeling voor dat gebruik aanvaardbaar is.

18.7.    Waar de raad zich subsidiair op het standpunt stelt dat hij wel rekening heeft gehouden met de inwerkingtreding van de Wvvw, maar dat hij in die wet geen aanleiding heeft gezien om in een andere planologische regeling dan persoonsgebonden overgangsrecht te voorzien, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals de raad op zichzelf terecht stelt, doet de Wvvw niet af aan de afweging die hij moet maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad is er in zijn afweging om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen vanuit gegaan dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen planologisch gezien illegaal was. Met de inwerkingtreding van de Wvvw werd dat gebruik echter gelijkgesteld met vergund gebruik, waarmee ook de eventuele strijdigheid van dat gebruik met het bestemmingsplan “De Hurk” uit 1988 kwam te vervallen. Gelet hierop had de raad moeten afwegen of toekenning van persoonsgebonden overgangsrecht gezien deze gelijkstelling wel aanvaardbaar is te achten.

Bovendien is niet gebleken van een concreet, op het woon- en leefklimaat van de woonschipbewoners toegespitst onderzoek waaruit voortvloeit dat het ruimtelijk gezien in verband met de in het plan voorziene (middel)zware bedrijvigheid noodzakelijk is dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen op termijn beëindigd wordt en dat een planologische regeling in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht het meest passend is. (…)

18.8.      De conclusie is dat de keuze van de raad om in het plan persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen aan het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het plandeel met de bestemming “Water” en de aanduiding “wetgevingszone -persoonsgebonden overgangsrecht 1” kan niet in stand blijven.

* 25 februari 2020 (CBb 18/2270): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, overzichtsuitspraak, geen buitensporige last, EP
Fosfaatrechten. Overzichtsuitspraak. Het College heeft eerder geoordeeld over het fosfaatrechtenstelsel en het recht op eigendom. In wat appellante en verweerder in deze zaak naar voren hebben gebracht ziet het College aanleiding zijn oordeel hierover in deze uitspraak nader te motiveren. Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de genomen beslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin is geïnvesteerd en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat de last buitensporig is en aldus geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel en de belangen van de melkveehouder.

Het College komt in deze zaak tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 1 van het EP.

* 13 februari 2020 (Conclusie AG HvJ EU C-88/19): prejudiciële beslissing, Habitatrichtlijn, bescherming diersoorten, vangen, wolf, natuur
48.      Ongeacht dat vertaalprobleem zou de stelling kunnen worden verdedigd dat het vangen van een wolf binnen een menselijke nederzetting niet kan worden beschouwd als vangen in de natuur of in het wild.

  1. Daartegen pleiten evenwel de argumenten met betrekking tot de wetgevende context en met betrekking tot het met de bescherming van de soorten nagestreefde doel, die ik reeds heb besproken in verband met de uitlegging van het begrip „natuurlijk verspreidingsgebied”.(22)
  2. Verhelderend is veeleer de Nederlandse taalversie van de bepaling. Daarin is sprake van het vangen van „in het wild levende” specimens. In deze taalversie althans heeft de verwijzing naar de natuur of het wild geen betrekking op de plaats van de vangst, maar op de herkomst van het dier.
  3. Met deze uitlegging kan het doel van het verbod op het doden of vangen van strikt beschermde soorten dat in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn is neergelegd, worden verwezenlijkt. Het gaat er niet om deze soorten alleen op bepaalde plaatsen te beschermen; het gaat erom de specimens daarvan te beschermen die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen.
  4. Een vergelijking met artikel 12, lid 2, van de habitatrichtlijn, volgens hetwelk het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens moet worden verboden, bevestigt dat. Dat verbod is niet van toepassing op specimens die reeds legaal aan de natuur waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
  5. Een dergelijk verbod zou in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar zijn wanneer eerst zou moeten worden nagegaan op welke plaats een dier is „onttrokken”. Het is waarschijnlijk reeds moeilijk genoeg om het tijdstip van het onttrekken vast te stellen. Bovendien zou het in strijd zijn met het doel van het systeem van strikte bescherming dat dergelijke handelingen zouden mogen worden verricht met specimens van strikt beschermde soorten die worden „onttrokken” terwijl zij de natuur kortstondig hebben verlaten.
  6. Zelfs wanneer de in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn opgenomen verbodsbepalingen inzake het vangen en het doden aldus zouden worden opgevat dat zij tot de natuur zijn beperkt en dat derhalve nederzettingen daarvan zijn uitgezonderd, zou die opvatting bij het verbod op het verstoren krachtens artikel 12, lid 1, onder b), echter niet mogelijk zijn, aangezien volgens deze bepaling het opzettelijk verstoren van de strikt beschermde soorten zonder enige ruimtelijke beperking moet worden verboden. Het vangen en al helemaal het doden van een specimen van deze soorten zou echter altijd op zijn minst ook als verstoren moeten worden beschouwd.
  7. Zoals ook de Commissie betoogt, moet derhalve de verwijzing naar de natuur [(het wild)] in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de erdoor geboden bescherming niet slechts op bepaalde plaatsen geldt, maar zich uitstrekt tot alle specimens van de beschermde soort die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen. Zij mogen niet worden gevangen, gedood, in bezit worden gehouden, vervoerd, verhandeld of geruild. Deze beperkingen zijn daarentegen niet van toepassing op in gevangenschap gefokte specimens.

    * 20 februari 2020 (Rb Limburg AWB 19/2543): Awb, Ww, Wm; handhaving, houtkachel, Bouwbesluit/Activiteitenbesluit, mediation, omgevingsverordening, filter, geurhinder, onderbouwing, STAB
    15.5. Uit de rechtsoverwegingen 15. tot en met 15.4. volgt, uit het geheel van feiten en omstandigheden, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van overmatige hinder in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit als gevolg van de door de derde-partij gestookte houtkachel geen sprake is. Deze beroepsgrond faalt.
  8. Eiser betoogt dat er in werkelijkheid (veel) meer hinder is dan de hinder die door de toezichthouders van de gemeente is geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan eiser om deze stelling (enigszins) te onderbouwen. Dit heeft eiser niet gedaan, terwijl dit wel voor de hand had gelegen door bij voorbeeld het inbrengen van foto’s of video’s waarop de gestelde rookoverlast is te zien. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat sprake is van meer hinder dan de hinder die door de toezichthouders van de gemeente is geconstateerd, maakt dan ook niet dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van overmatige hinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de mededeling van de gemachtigde van verweerder, mr. Bronzwaer, dat eiser tot nu toe in de huidige winterperiode niet heeft geklaagd over hinder die is veroorzaakt door de houtkachel van de derde-partij en er niet gebleken is van andere omstandigheden ten aanzien van het stoken van de houtkachel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  9. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 11.1. genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant betoogd dat de rechtbank door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) moet laten onderzoeken wat de rook- en geurhinder is die door de houtkachel van derde-partij wordt veroorzaakt. De rechtbank ziet, gelet op de rechtsoverwegingen 15. en 16. hiertoe geen aanleiding. Daarbij merkt zij nog op, zoals de rechtbank Oost-Brabant heeft overwogen, dat niet alle beoordelingscriteria bij de zogenaamde “harde aanpak” van de StAB, waarbij een beoordeling ter plaatse plaatsvindt, werkbaar zijn. Ook moet nog meer onderzoek worden gedaan naar de geuremissienorm van de StAB.

Conclusie

  1. De rechtbank concludeert dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van overmatige hinder van de door de derde-partij gestookte houtkachel, er geen overtreding van artikel 7:22 van het Bouwbesluit is en verweerder derhalve niet bevoegd was hiertegen handhavend op te treden. Het verzoek van eiser daartoe is terecht afgewezen.* 29 oktober 2019 (Rb Rotterdam 10/994514-17): WSr, WED, Wgb; op de markt brengen van niet toegelaten middelen, stelselmatig, calculerend en crimineel gedrag, concurrentievervalsing, Europese richtlijn
    In het Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 (hierna: Handhavingsdocument) zijn meer concrete afspraken gemaakt over de keuze tussen de oplegging van de bestuurlijke boete en strafrechtelijke handhaving. In dit document is onder meer het volgende opgenomen:

“ Wanneer Strafrecht?

Ingevolge artikel 94 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt een overtreding aan het Openbaar Ministerie voorgelegd indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven. De Memorie van Toelichting bij de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (…) vult dit zo in dat het strafrecht wordt ingezet bij:

– ernstige overtredingen of

– herhaalde overtredingen, alsmede bij

– overtredingen begaan door een criminele organisatie of

– overtredingen begaan met behulp van frauduleuze constructies of

– overtredingen waarbij ingrijpende dwangmiddelen nodig zijn om de overtreding te kunnen vaststellen.

Ernst van het feit en de aard van de dader

In het licht van bovenstaande criteria wordt de strafrechtelijke relevantie van een overtreding verder bepaald aan de hand van de criteria: ernst van het feit en aard van de dader.

De ernst van het strafbare feit wordt sterk bepaald door de (mogelijke) gevolgen van het strafbare gedrag; met name: (het risico van) doden en gewonden, alsmede het bestaan van (dreigende; er bestaat een reële kans op) onomkeerbare ernstige schade aan milieu, volksgezondheid, voedselveiligheid, flora en fauna. Ook samenloop met andere strafbare feiten is van belang.

Bij de aard (persoon) van de dader zijn de volgende factoren van belang:

– stelselmatig gedrag

 – calculerend gedrag

 – crimineel gedrag

 – concurrentievervalsing.

Deze criteria worden voor de WGB als volgt nader ingevuld: er wordt strafrechtelijk opgetreden als is voldaan aan ten minste één van onderstaande criteria:

– het is een overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu: dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;

– het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;

– het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;

– het is de derde overtreding in een tijdsbestek van 5 jaar; dat wil zeggen herhaalde

recidive binnen 5 jaar (…).”