Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 4 maart 2020 (ABRvS 201906166/1/A3): Awb; geen verzoek om een bestuurlijke sanctie op te leggen, geen besluit, ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3548)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201905752/1/A3): Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, horeca, slecht levensgedrag (Rb Midden-Nederland 19/1617 en 19/1658)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201905274/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxateurs, onafhankelijkheid, normaal maatschappelijk risico, definitieve geschilbeslechting
* 4 maart 2020 (ABRvS 201904952/1/R4): Awb, Wro; bpl, recreatiepark, belanghebbende, verkeer/CROW
* 4 maart 2020 (ABRvS 201904842/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, in stand houden vluchtroute, civielrechtelijke opzegging (Rb Oost-Brabant 18/2785)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201904821/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, parkeren op gronden met de bestemming bos (Rb Oost-Brabant 18/2351)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201904200/1/A1 en 201904210/1/A1): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 4 maart 2020 (ABRvS 201904084/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, terugbrengen aantal studio’s en afbreken bijgebouwen, afwijking vergunning, geen zicht op legalisatie, peildatum (Rb Limburg 19/97 en 19/1160)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201903969/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen , studiowoning, strijd met bpl, tweede hoofdgebouw (Rb Overijssel 18/1519)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201903833/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, plaatsing filter in rookgasreiniging, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, ontvankelijkheid (Rb Limburg 18/968)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201903817/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, schuur/berging en houtopslag met afdak, vergunningplicht, brandveiligheid/Bouwbesluit (Rb Limburg 18/2214)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201903120/1/A1): Awb, Wbb; handhaving, stortplaats, historische /nieuwe verontreiniging, zorgplicht
* 4 maart 2020 (ABRvS 201903022/1/A1): Awb, Gmw; handhaving, bestuursdwang, staken exploitatie van horeca, stroopwafels/fastfood, strijd met bpl (Rb Amsterdam 19/1459 en 19/1460)
# 4 maart 2020 (ABRvS 201902754/1/A2): Awb, Wro; planschade, glastuinbouw, compensatie in natura (Rb Den Haag 15/6661)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201902495/1/R1 en 201903375/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, herontwikkeling kern/strand en nieuwe woningen, belanghebbenden, kampeermiddelen, Chw, Natura 2000/PAS, passende beoordeling
* 4 maart 2020 (ABRvS 201901200/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, minicamping met theetuin, planvoorschriften/nevenactiviteit, parkeren/CROW, geluid, lichthinder (Rb Gelderland 17/6775)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201901127/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, voorbereidingsbesluit, aanhoudingsplicht, Bouwverordening/relativiteit (Rb Rotterdam 18/1545 en 18/1547)
* 4 maart 2020 (ABRvS 201809640/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en brandveilig gebruik, transformeren kantoorgebouw tot logiesverblijf voor arbeidsmigranten, parkeren (Rb Oost-Brabant 18/1042 en 18/1002)
# 4 maart 2020 (ABRvS 201606186/1/R1): Awb, Wro, Waterwet, Nbw, Ffw, Ontgrondingenwet; inpassingsplan/vergunningen/ontheffingen, overnachtingshaven, verbreden van de havenmond, het verdiepen van de haven, het aanbrengen van een nieuwe indeling en het aanleggen van extra parkeerplaatsen, Chw, MER, grondwaterstanden, monitoring, PAS/Habitatrichtlijn, aanvullende passende beoordeling, vogelsoorten, ADC-toets, dwingende redenen van groot openbaar belang, compensatie, Natura 2000/beoordeling Duitsland, Nbw-vergunningen/PAS, Aerius
* 4 maart 2020 (ABRvS 201603579/4/R1): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, plafond stikstof, veehouderijen, aantal dieren/dierplaatsen, significante gevolgen/passende beoordeling, weiden van vee, intern salderen, geur/cumulatie, provinciale omgevingsverordening, gezondheid
* 3 maart 2020 (CBb 18/2619): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, last buitensporig/EP, gezondheidsproblemen, uitbreiding onder regiem melkquotum, belangenafweging
* 3 maart 2020 (CBb 18/1866, 18/1368, 18/2102, 18/1435, 18/2885, 18/2476, 18/2754, 18/2667, 18/2814 en 18/2622): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, geen buitensporige last/EP, geen ongeoorloofde staatssteun, knelgevallenregeling, peildatum
* 3 maart 2020 (AG EH C-24/19): conclusie AG, prejudiciële verwijzing, m.e.r.-richtlijn, België, voorwaarden voor de oprichting van windturbineparken, juridische gevolgen van het ontbreken van een strategische milieubeoordeling, bevoegdheid van de nationale rechter
* 2 maart 2020 (ABRvS 201908520/2/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfsgebouw op voormalige glastuinbouwlocatie, uitbreiding bedrijventerrein, Ladder/Bro, verkeer, parkeren
* 28 februari 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/3763, ROT 19/3799 en ROT 19/3819): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gedeeltelijke sloop, bouwen, afwijken van bpl, maken uitrit en handelingen beschermd monument, aanpassing voormalig hoofdpostkantoor/woontoren, belanghebbenden, monumentale waarden/RCE, bouwhoogte, verdwergen monumenten, bezonning, windhinder, parkeren/auto’s/fietsen
* 27 februari 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/543): Awb, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, sluiting café, geen exploitatievergunning, drugs, witwassen, openbare orde, APV/grondslag
* 27 februari 2020 (Rb Overijssel AWB 20/272 en 20/273): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting pand, drugs, handel/geen aanwezigheid, geen overlast en criminaliteit, onevenredigheid
* 27 februari 2020 (EH C‑298/19): Niet-nakoming, Griekenland, waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, aanmaningsbrief, geen maatregelen, veroordeling forfaitair bedrag
* 26 februari 2020 (Rb Amsterdam 13-846045-18 en 13-994015-19): WSr, WED, Wm; illegale opslag vuurwerk, medeplichtigheid, geen voorbereidingshandelingen, niet strafbaar, Vuurwerkbesluit
* 25 februari 2020 (ABRvS 201908039/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, plaatsing vervangende houtsingel, verschillende uitvoeringen (Rb Gelderland 19/1422)
* 25 februari 2020 (ABRvS 202000292/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, meubelmakerij, geen spoedeisend belang
* 25 februari 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/442): Awb, Nbw; vovo, handhaving, dwangsom, treffen van maatregelen aan gebouwen, verstoring van vleermuizen, asbestsaneringswerkzaamheden, ecologische bevindingen
* 25 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3655): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakkapel/dakterras, welstand
* 24 februari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2234): Awb, Wvw; verkeersbesluiten, erfontsluitingsweg naar gebiedsontsluitingsweg, geen onderzoek verkeerskundig bureau, motivering
* 21 februari 2020 (Rb Limburg ROE 19/1221): Awb, Wabo; intrekking bouwvergunning woningen, verstreken termijn, voorbereidende werkzaamheden zijn geen bouwactiviteiten, gewijzigde planologische inzichten
* 21 februari 2020 (Rb Limburg ROE 18/900, ROE 19/456 en ROE 19/1809): Awb, Wabo; handhaving, (bij)gebouwen op perceel, eerder verleende vergunning, bpl, Bor
* 21 februari 2020 (Rb Overijssel AWB 20/249): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, onzelfstandige bewoning pand, bpl, maximaal straatpercentage, beleidsregel, woon- en leefklimaat
* 14 februari 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1847): Awb, AWR; leges omgevingsvergunning, opbrengstlimiet verordening, ROEB-lijst
* 13 februari 2020 (CBb 18/2709 en 18/2734): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, geen buitensporige last/EP, ontvankelijkheid
* 7 februari 2020 (PG HR 19/01292): BW; onrechtmatige daad, buurthuis, onrechtmatige geluidhinder, bpl, geluidsbegrenzers, versterkte/onversterkte muziek
* 15 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/734): Awb; verzoek invordering dwangsom, modelvliegterrein, vliegen boven percelen, vlieghoogte, filmopnamen, waarnemingen bevoegd gezag

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 4 maart 2020 (ABRvS 201906166/1/A3): Awb; geen verzoek om een bestuurlijke sanctie op te leggen, geen besluit, ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/3548)
7.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank de brief van 12 december 2017 ten onrechte als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb heeft aangemerkt, zij het op andere gronden dan de gronden die door [appellant] zijn aangevoerd. De Afdeling overweegt hierover als volgt. Het verzoek van [appellant] komt erop neer dat hij naleving van de maximumsnelheid van 30 km/h wil afdwingen. In zijn verzoek heeft [appellant] niet gewezen op concrete overtredingen van de maximumsnelheid. Evenmin heeft [appellant] in zijn verzoek gewezen op concrete overtreders. Ter zitting van de Afdeling is [appellant] gevraagd wat hij precies met zijn verzoek beoogt. Hierop heeft hij geantwoord dat hij wil dat er snelheidscontroles worden verricht voor zijn woning, hetzij door inzet van politiepersoneel, hetzij door inzet van technische apparatuur, en indien dat allemaal niet mogelijk is, wil hij dat de 30 km-zone wordt afgeschaft. Het verzoek van [appellant] komt er in de kern op neer dat hij de korpschef verzoekt tot het verrichten van feitelijke handelingen, te weten het uitvoeren van controles. De Afdeling is van oordeel dat een dergelijk verzoek, mede gelet op de afwezigheid van concrete overtredingen en overtreders, niet kan worden opgevat als een verzoek om een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie te nemen, zodat de reactie daarop niet als besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt.

Nu de brief van 12 december 2017, waarbij een reactie op het verzoek is gegeven, geen besluit is, had de korpschef het bezwaar van [appellant] tegen deze reactie niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Voor zover [appellant] afschaffing van de 30-km zone verlangt, overweegt de Afdeling dat een besluit over een hiertoe strekkend verzoek in deze zaak niet aan de orde is.

Het betoog slaagt.

* 4 maart 2020 (ABRvS 201904842/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, in stand houden vluchtroute, civielrechtelijke opzegging (Rb Oost-Brabant 18/2785)
4.    [appellante] en de vereniging betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Daartoe voeren zij aan dat vanwege de eenzijdige opzegging van het recht van uitweg per 1 augustus 2018 de civielrechtelijke toestemming om gebruik te maken van hun perceel als vluchtroute was beëindigd. Volgens [appellante] en de vereniging had het op de weg gelegen van het college om de exploitant en/of eigenaar van het café er op te wijzen dat zij gebruik maken van een café dat, gelet op de opzegging van het recht op uitweg, niet beschikt over een bruikbare vluchtroute. Als civielrechtelijk geen plicht bestaat om de vluchtroute te handhaven, dan is handhavend optreden via het publiekrecht volgens [appellante] en de vereniging zinloos en is er een evidente reden om van handhavend optreden af te zien. Bovendien is volgens [appellante] en de vereniging geen vergunning nodig om het gebruik van hun perceel als vluchtroute te staken. Daarnaast heeft het college geruime tijd niet handhavend opgetreden tegen het niet vrij houden van een vluchtroute vanuit het café en hebben [appellante] en de vereniging het idee dat de gemeente het café steunt.

4.1.    Wat er ook zij van de civielrechtelijke opzegging, ten tijde van het besluit van 2 oktober 2018 gold voor [appellante] en de vereniging op grond van de bouwvergunning de verplichting om de vluchtroute in stand te houden. Het college heeft in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan handhavend optreden tegen het niet naleven van deze in het publiekrecht geborgde verplichting gelet op het achterliggende belang van het behoud van de vluchtroute, namelijk het garanderen van veiligheid in geval van brand. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de civielrechtelijke opzegging geen bijzondere omstandigheid is die met zich brengt dat van handhavend optreden zou moeten worden afgezien. De enkele omstandigheid dat het college niet eerder aanleiding heeft gezien handhavend op te treden tegen het niet realiseren van een vluchtroute betekent niet dat handhavend optreden onevenredig zou zijn in dit geval. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden.

Het betoog faalt.

* 4 maart 2020 (ABRvS 201903833/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, plaatsing filter in rookgasreiniging, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, ontvankelijkheid (Rb Limburg 18/968)
2.2.    Niet is in geschil dat [appellant] woont op een afstand van twee kilometer van de inrichting. Gelet op deze grote afstand heeft de rechtbank terecht aangenomen dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat [appellant] milieugevolgen van enige betekenis van de inrichting, inclusief de verandering daarvan, kan ondervinden. Het is daarom aan [appellant] om met enige onderbouwing te komen dat hij desondanks toch gevolgen van enige betekenis ondervindt.

De enkele stellingen van [appellant] dat de inrichting regelmatig rookemissie veroorzaakt die zijn hele woonomgeving vult en dat [appellant] soms een hinderlijke geur waarneemt, zijn onvoldoende om aan te nemen dat hij ter plaatse van zijn woning milieugevolgen van enige betekenis van de inrichting ondervindt. Ook de door [appellant] in beroep overgelegde foto’s geven geen aanknopingspunten voor een dergelijk oordeel.

In de enkele omstandigheid dat het rapport van Tauw in opdracht van Metrex B.V. is opgesteld, hoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om aan de juistheid van het rapport te twijfelen.

Hetgeen [appellant] aanvoert geeft gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op verkeerde gronden heeft geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 12 oktober 2017, zodat zijn tegen dat besluit gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door het college.

  1. Het hoger beroep is ongegrond.* 4 maart 2020 (ABRvS 201903120/1/A1): Awb, Wbb; handhaving, stortplaats, historische/nieuwe verontreiniging, zorgplicht
    4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bodem van de voormalige stortplaats een historisch geval van bodemverontreiniging aanwezig is, dat is veroorzaakt vóór 1 januari 1987. Verder is niet in geschil dat de handelingen die zijn verricht bij het plaatsen van de fundering van de uitkijktoren op zichzelf niet kunnen leiden tot een verontreiniging of aantasting van de bodem.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de verspreiding van een historische bodemverontreiniging – door het enkel verrichten van grond- en funderingswerken of door een autonome ontwikkeling – is aan te merken als een nieuwe verontreiniging waarvoor de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb geldt.

4.5.    De hiervoor gestelde vraag moet ontkennend worden beantwoord.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB3833, brengt de verspreiding van een historische mobiele verontreiniging niet mee dat een nieuw geval van verontreiniging ontstaat. Als die verspreiding plaatsvindt door het enkel verrichten van handelingen die op zichzelf niet kunnen leiden tot een verontreiniging of aantasting van de bodem, is evenmin sprake van een nieuw geval van verontreiniging waarvoor de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb geldt (vergelijk ook de uitspraken van 14 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0130, en van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1247). Uit de formulering van artikel 13 blijkt immers dat die bepaling alleen geldt voor handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11, die op zichzelf een verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg kunnen hebben. Dit blijkt ook uit de formulering van artikel 8, eerste lid, van de Wbb. De Afdeling volgt [appellant] en anderen daarom niet in hun betoog dat de artikelen 8 en 13 in dit geval alleen al van toepassing zijn omdat funderingswerken zijn verricht. Zoals het college terecht heeft overwogen, valt alleen het verrichten van die handelingen niet onder de zorgplicht van artikel 13, maar geldt die zorgplicht pas als ook sprake is van een mogelijke verontreiniging of aantasting van de bodem door die handelingen. Zoals hiervoor, onder 4.4, is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat daarvan in dit geval geen sprake is.

Een autonome verspreiding van een historische mobiele verontreiniging kan evenmin als een nieuw geval van verontreiniging worden aangemerkt, omdat een dergelijke verspreiding niet is te herleiden tot handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb. Indien en voor zover in dit geval sprake zou zijn van een verspreiding van de op de stortplaats aanwezige historische verontreiniging door bijvoorbeeld het wroeten van wilde zwijnen, valt die verspreiding dus evenmin onder de zorgplicht van artikel 13.

4.6.    Uit het voorgaande volgt dat de in artikel 13 van de Wbb verwoorde zorgplicht in dit geval niet van toepassing is, maar dat het om een historische verontreiniging gaat, waarop het daarvoor geldende wettelijke regime van toepassing is. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden met toepassing van artikel 13 van de Wbb.

* 4 maart 2020 (ABRvS 201902495/1/R1 en 201903375/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, herontwikkeling kern/strand en nieuwe woningen, belanghebbenden, kampeermiddelen, Chw, Natura 2000/PAS, passende beoordeling
14.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 77.5, geeft het permanent maken van de Chw aanleiding om het criterium bestrijden van de economische crisis ruimer uit te leggen. De bepaling wordt nu zo uitgelegd dat het experiment bijdraagt aan de versterking van de economische structuur. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de plantoelichting voldoende gemotiveerd dat het plan daaraan bijdraagt.

Over de termijn van het plan overweegt de Afdeling dat uit het tweede lid van artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw volgt dat de planperiode voor bestemmingsplannen waarop artikel 7c van toepassing is, 20 jaar is. De enkele omstandigheid dat de raad met toepassing van artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw een bestemmingsplan vaststelt, heeft dus tot gevolg dat het desbetreffende bestemmingsplan een planperiode heeft van 20 jaar en niet 10 jaar zoals Kampeervereniging Aardenburg en anderen veronderstellen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1304, onder 6.5). Daarbij merkt de Afdeling nog op dat per 1 juli 2018 de planperiode van tien jaar niet meer geldt.

Over de bevoegdheid om het plan vast te stellen op grond van artikel 2.3 van de Chw en de consequenties van het niet afwijken van milieunormen, overweegt de Afdeling als volgt. Het plangebied is voor de duur van tien jaar aangewezen als ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Chw. Uit het systeem van de Chw volgt dat de verplichtingen uit het tweede lid van artikel 2.3 Chw zien op een bestemmingsplan waarin gebruik wordt gemaakt van de verruimde mogelijkheden uit die afdeling van de Chw. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Crisis- en herstelwet staat verder dat als blijkt dat voor de optimalisatie van de milieugebruiksruimte afwijking van milieukwaliteitsnormen nodig is of anderszins regels moeten worden gesteld en maatregelen of werken nodig zijn, in een nieuw bestemmingsplan daarvoor de onderbouwing moet worden gegeven. Hieruit volgt dat de raad beleidsruimte heeft om al dan niet gebruik te maken van de verruimde mogelijkheden uit afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de Chw. Nu de raad geen gebruik heeft gemaakt van de verruimde mogelijkheden die de Chw voor ontwikkelingsgebieden biedt, is artikel 2.3, lid 2, Chw niet op het plan van toepassing. Het niet toepassen van deze mogelijkheid is door de raad voldoende gemotiveerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1541). Het betoog faalt.

* 4 maart 2020 (
ABRvS 201901127/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, voorbereidingsbesluit, aanhoudingsplicht, Bouwverordening/relativiteit (Rb Rotterdam 18/1545 en 18/1547)
3.3.    Artikel 3.3, tweede lid, van de Wabo kan, gelet op de tekst en de opbouw daarvan, op twee manieren worden uitgelegd. Het artikel zou, zoals de rechtbank heeft gedaan, aldus kunnen worden uitgelegd dat de aanhoudingsplicht genoemd in artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo duurt totdat wordt voldaan aan artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Hetgeen is bepaald in artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo zou dan alleen gelden voor artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Dit zou dan betekenen dat een aanhoudingsplicht als gevolg van het voorbereidingsbesluit duurt totdat het voorbereidingsbesluit komt te vervallen, zelfs indien de raad in de tussentijd niet tijdig beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Een andere uitleg van artikel 3.3, tweede lid, van de Wabo is dat de aanhouding, ongeacht of het gaat om een aanhouding als gevolg van het voorbereidingsbesluit of een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, ophoudt indien wordt voldaan aan artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Wabo.

De Afdeling overweegt dat de laatste uitleg de juiste is. De regel dat de aanhoudingsplicht vervalt als het nieuwe bestemmingsplan niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt vastgesteld, strekt ertoe de voorbescherming, die met die plicht wordt bewerkstelligd, in de tijd te begrenzen. De Afdeling vindt bevestiging voor haar oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.3 van de Wabo (Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, blz. 121 en 122). Hierin is vermeld dat de aanhoudingsregeling onder meer is ontleend aan artikel 50 van de Woningwet. Dat artikel was tot en met 2008 zo geformuleerd dat de aanhoudingsplicht, ongeacht op grond waarvan die bestond, onder meer duurde totdat de termijn voor het beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan was overschreden. Met de invoering van de Wro in 2008 is artikel 50 van de Woningwet wat betreft de opbouw gewijzigd. De nieuwe opbouw van dat artikel kwam overeen met het latere artikel 3.3, tweede lid, van de Wabo. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het laatst genoemde artikel 50 van de Woningwet (Kamerstukken II, 2006/07, 30938, nr. 3, blz. 15) volgt dat ondanks de nieuwe opbouw, het artikel een voortzetting was van het daaraan voorafgaande artikel. Voor haar oordeel vindt de Afdeling ook steun in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.7 van de Wro (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 97). Hierin is het volgende vermeld: “Het voorbereidingsbesluit vervalt een jaar na de inwerkingtreding, tenzij voordien een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd. In dat geval werkt het besluit, en daarmee de voorbescherming van dat in procedure zijnde plan, door tot dat plan is vastgesteld. Het vervalt echter als het bestemmingsplan niet binnen de daarvoor gestelde 12 weken na de terinzageligging wordt vastgesteld. Uiteraard vervalt het ook als het desbetreffende bestemmingsplan in werking is getreden.”

3.4.    Uit het voorgaande volgt dus dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de aanhoudingsplicht komt te vervallen indien de raad tijdig een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd maar niet binnen de in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro vermelde termijn van twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan. Voor het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo is alleen van belang of de raad de termijn voor het beslissen over het vaststellen van het bestemmingsplan heeft overschreden.

De raad heeft binnen een jaar, namelijk op 2 juni 2017, een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd voor een periode van zes weken, te weten tot en met 13 juli 2017. De raad heeft vervolgens in strijd met de termijn voor het nemen van een besluit over een bestemmingsplan pas op 28 juni 2018 een bestemmingsplan vastgesteld. Dit terwijl de raad gelet op artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro tot en met 5 oktober 2017 de tijd had om een beslissing te nemen omtrent het bestemmingsplan. Dit betekent dat vanaf 6 oktober 2017 geen aanhoudingsplicht meer gold voor de onderhavige aanvraag.

* 4 maart 2020 (ABRvS 201603579/4/R1): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, plafond stikstof, veehouderijen, aantal dieren/dierplaatsen, significante gevolgen/passende beoordeling, weiden van vee, intern salderen, geur/cumulatie, provinciale omgevingsverordening, gezondheid
23.8.    De in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen regeling is niet in overeenstemming met de hiervoor uiteengezette uitgangspunten.

In de eerste plaats omdat deze regeling niet is geënt op het aantal dieren, dat wordt gehouden, maar op het aantal aanwezige dierplaatsen. Op het aan te houden peilmoment kan de betreffende stalcapaciteit echter daadwerkelijk nog niet volledig zijn benut, maar nadien echter wel. Daarbij komt dat niet is gesteld, en evenmin aannemelijk is, dat de aanwezige stalcapaciteiten op het peilmoment ook daadwerkelijk volledig waren benut. In geval op het peilmoment nog niet volledig benutte stalcapaciteit nadien alsnog wordt benut, leidt dit tot een toename van het aantal dieren ten opzichte van de referentiesituatie en dus tot een stijging van de stikstofemissie en -depositie, en zonder dat dan onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden.

Ten tweede volgt uit deze regeling niet dat het op het peilmoment bestaande gebruik alleen mag worden voortgezet voor zover dat gebruik planologisch legaal was, dat wil zeggen in overeenstemming was met de planologische situatie op het peilmoment. In dit verband wijst de Afdeling erop dat in artikel 1, lid 1.24, van de planregels is vastgelegd dat onder “bestaand gebruik” wordt verstaan “het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtens bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime”. Artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels bevat echter een eigen definitie van “bestaand gebruik” en deze is niet gelijk aan de algemene omschrijving van dat begrip, als opgenomen in artikel 1.24 van de planregels. Uit de regeling van artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels volgt namelijk niet dat in geval van bestaand gebruik ook sprake dient te zijn van een planologisch legaal gebruik. Daarbij wijst de Afdeling er tevens op dat in dat artikelonderdeel ook de woorden “dan wel rechtens toegestaan” worden gebezigd, waaruit juist lijkt te gevolgen dat het bij bestaand gebruik slechts om het feitelijke gebruik ten tijde van het peilmoment gaat. Ook zou uit artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a kunnen worden afgeleid dat dat artikelonderdeel ook ziet op gebruik dat overeenkomstig de verleende vergunningen dan wel gedane meldingen uit hoofde van de milieuwetgeving, als opgenomen in bijlage 6 van de planregels, is toegestaan, en zonder dat dat gebruik op de peildatum plaatsvond.

In de derde plaats is het in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, gekozen peilmoment, namelijk de inwerkingtreding van het plan, in beginsel onjuist. Zoals hiervoor is overwogen dient voor het peilmoment in beginsel aangesloten te worden bij het moment van vaststelling van het plan. Dit is immers ook het moment waarop de gevolgen van het (nieuwe) plan bekend moeten zijn. Tussen de vaststelling en de inwerkingtreding van een bestemmingsplan kan een geruime periode liggen waarbinnen het veebestand en daarmee dus de stikstofuitstoot en -depositie kunnen toenemen.

23.17.    Met de bepaling van artikel 3, lid 3.4.2, onder b, van de planregels heeft de raad willen voorzien in de mogelijkheid van het zogeheten “intern salderen”, zowel in geval wordt aangesloten bij de referentiesituatie als bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning. De mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij het bestaande planologisch toegelaten gebruik, is in overeenstemming met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb en behoeft dus niet passend te worden beoordeeld. Dit geldt echter niet voor de planologische mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185, maakt artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen, maar alleen als het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. In geval in het plan voor het toegelaten gebruik mag worden aangesloten bij een natuurvergunning, maar daarnaast tevens wordt toegestaan om door intern salderen af te wijken van de vergunde situatie, wordt niet voldaan aan de voornoemde vereisten die voortvloeien uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb. Er is dan immers niet langer sprake van een herhaling of voortzetting van een project waarvoor op basis van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Het betoog slaagt

# 4 maart 2020 (ABRvS 201606186/1/R1): Awb, Wro, Waterwet, Nbw, Ffw, Ontgrondingenwet; inpassingsplan/vergunningen/ontheffingen, overnachtingshaven, verbreden van de havenmond, het verdiepen van de haven, het aanbrengen van een nieuwe indeling en het aanleggen van extra parkeerplaatsen, Chw, MER, grondwaterstanden, monitoring, PAS/Habitatrichtlijn, aanvullende passende beoordeling, vogelsoorten, ADC-toets, dwingende redenen van groot openbaar belang, compensatie, Natura 2000/beoordeling Duitsland, Nbw-vergunningen/PAS, Aerius
35.1.    In de passende beoordeling 2016 zijn de effecten van het inpassingsplan op de nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebieden onderzocht waarbij gebruik is gemaakt van de beoordelingssystematiek zoals deze in Duitsland wordt toegepast. Wanneer een project op Nederlands grondgebied, zo vermeldt de passende beoordeling 2016, op een Duits Natura 2000-gebied meer dan 7,14 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie veroorzaakt, maar minder dan 3% van de kritische depositiewaarde, verzoekt het Nederlandse bevoegd gezag aan het desbetreffende Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen. In de passende beoordeling 2016 staat dat de grenswaarde van 7,14 mol/ha/jaar weliswaar wordt overschreden, maar dat de stikstofdepositietoename niet hoger is dan 3% van de kritische depositiewaarde. Daarom moet aan het Duitse bevoegd gezag worden gevraagd om na te gaan of er cumulatieve effecten zijn, aldus de passende beoordeling 2016. Verweerders stellen, onder verwijzing naar de e-mailwisseling met het Duitse bevoegd gezag, dat op 29 maart 2016 is medegedeeld dat er geen projecten zijn in Duitsland die al dan niet in cumulatie met dit project een significant negatief effect kunnen veroorzaken. In de Nbw-vergunning van 24 mei 2016 is hier melding van gemaakt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders – in het bijzonder de staatssecretaris – niet mochten uitgaan van deze informatie en in het verlengde daarvan zelf verder onderzoek hadden moeten uitvoeren.

* 15 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/734): Awb; verzoek invordering dwangsom, modelvliegterrein, vliegen boven percelen, vlieghoogte, filmopnamen, waarnemingen bevoegd gezag
8.2  Verweerders standpunt dat de filmbeelden onvoldoende bewijs opleverden voor het kunnen vaststellen van een overtreding kan de rechtbank volgen. De filmbeelden, die ook in de zittingszaal zijn vertoond, zijn niet zo duidelijk dat op grond daarvan meteen kan worden geconcludeerd dat de last wordt overtreden. Daarvoor zijn er te veel onzekere factoren en variabelen. Zo ontbreekt onder meer informatie over de plek waarvandaan de beelden zijn gemaakt, over de afstand van die plek tot het terrein van MVC en/of het modelvliegtuig en over de hoogte en de hoek van de camera. Ook is niet duidelijk of de modelvliegtuigen wel worden bestuurd door leden van MVC. In de bezwaarfase heeft eiser de filmbeelden ook niet met cijfermateriaal of iets dergelijks toegelicht zodat het verweerder niet verweten kan worden dat hij zich voor het nemen van het primaire besluit en het bestreden besluit heeft gebaseerd op de waarnemingen van zijn toezichthouders en geen berekeningen heeft gemaakt op grond van eisers filmbeelden.

8.3  De vraag of verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de rapporten van de toezichthouders beantwoordt de rechtbank bevestigend. Toezichthouders zijn ter plaatse geweest en hebben 147 maal gecontroleerd of aan de voorschriften werd voldaan. Bij alle controles is geconcludeerd dat er geen overtreding plaatsvond. Dat de waarnemingen door de toezichthouder met het blote oog zijn gedaan, betekent niet dat ze onbetrouwbaar of onnavolgbaar zijn. Verder is in de rapporten duidelijk opgetekend waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.