Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 25 maart 2020 (ABRvS 201906081/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, garagebedrijf, Activiteitenbesluit (Rb Limburg 18/1736)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905953/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, boomkwekerij, spuitzoneringsonderzoek, drift, wind
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905913/1/R4): Awb, Wro; bpl, woning
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905578/1/A3): Awb, Kadasterwet; herstellen gegeven in BRK (Rb Oost-Brabant 18/3155)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905440/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, APV, strijd met bpl, definities van horecacategorieën in planregels, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium (Rb Amsterdam 18/2729 en 19/2312)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905325/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwen woning tot 3 appartementen, planregels/bouwlaag, bevoegdheid (Rb Den Haag 18/1020)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201905191/1/R2): Awb, Wabo; aanpassing voorschrift omgevingsvergunning, verharding, bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/8495)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904960/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, belanghebbenden (Rb Oost-Brabant 19/1153, 19/1154, 19/1211 en 19/1382)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904889/1/R4): Awb, Wro; bpl, recreatieterrein, uitbreiding met woningen, behoefte, Natura 2000-gebied, zelf in de zaak voorzien
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904875/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding woning met aanbouw, kelder en garage, bouwlaag (Rb Limburg 18/2122)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904720/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, garage, vergunningvrij, bijbehorend bouwwerk, Bor, achtererfgebied (Rb Noord-Holland 18/3290)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904498/1/A2): Awb, Wro; planschade, overgangsrecht, planvergelijking, schadetaxatie (Rb Midden-Nederland 18/3469)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904468/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonschepenligplaatsen, vertrouwensbeginsel
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904427/1/A2 en 201904433/1/A2): Awb, Wro; planschade, hondenverzorgingscentrum, normaal maatschappelijk risico, drempel (Rb Oost-Brabant 18/3262)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904359/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, uitweg, beeldkwaliteitsplan, ruimtelijke belevingswaarde (Rb Limburg 18/1223)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201904249/1/A1 en 201904254/1/A1): Awb, Wm; plaatsingsplan, ondergrondse (rest)afvalcontainers, afvalstoffenverordening, locatie, overlast
* 25 maart 2020 (ABRvS 201903864/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, bedrijfsactiviteiten, vormvrije m.e.r.-beoordeling, geurcontour/Wgv, afwijkingsbevoegdheid, Activiteitenbesluit, tussenuitspraak
* 25 maart 2020 (ABRvS 201903841/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, Dienstenrichtlijn, provinciale verordening, weidevogelleefgebieden
* 25 maart 2020 (ABRvS 201903475/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken pip, distributiecentrum groenten en fruit, exploitatieplan, ontsluiting, parkeren (Rb Rotterdam 18/5032)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201902933/1/R4): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, woonarken/toegangspad en parkeerplaatsen, strijd met bpl, Wpbv/nieuwe situatie, geen vergunning van rechtswege (Rb Midden-Nederland 18/2506 en 18/3715)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201902529/1/R1): Awb, Wabo; bpl, uitbreiding constructiebedrijf, VAB-beleid, provinciale omgevingsverordening, geluid, VNG-brochure
* 25 maart 2020 (ABRvS 201902382/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkelboulevard/reclamezuil en maken uitritten, voor- en achtergevelrooilijn, bouwverordening, weigering/meerdere activiteiten (Rb Limburg 18/61 en 18/931)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201901321/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunningen, horeca met terrassen, APV, openbare inrichting, bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/3437)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201900173/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken, geen vergunning, strijd met bpl, herstel gronden/bomen zonder vergunning gekapt (Rb Midden-Nederland 17/5334)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201810068/1/R3): Awb, Wgh; mededeling dat geen geluidwerende voorzieningen aan woning zullen worden aangebracht, Bgh, aanbod, voor beroep vatbare besluiten
* 25 maart 2020 (ABRvS 201809778/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, privacy, verlies aan zonlicht
* 25 maart 2020 (ABRvS 201808910/3/A3): Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning voor bouwen, Wet Bibob, samenwerkingsverband, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 17/7070)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201808127/1/R1): Awb, Wro; bpl, verplaatsing supermarkt, verkeersveiligheid, parkeren
* 25 maart 2020 (ABRvS 201806466/2/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Limburg 17/3986)
# 25 maart 2020 (ABRvS 201801921/2/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, hernieuwde tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 16/3474 en 16/2988)
* 25 maart 2020 (ABRvS 201801850/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, veehouderijen, staldering(sbewijs), dierenverblijven met daartoe behorende voorzieningen, provinciale verordening, geur/achtergrondbelasting/Wgv, fijn stof
* 25 maart 2020 (ABRvS 201801536/1/R3): Awb, Wro, Wabo, Wvw; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen/verkeersbesluit, kinderboerderij, behoefte/Ladder/Bro, provinciale omgevingsverordening, Natura 2000/PAS, relativiteit, parkeren, gezondheid, geluid, geur, zelf in de zaak voorzien
* 25 maart 2020 (ABRvS 201801409/3/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bedrijf/woon- en leefklimaat, VNG-brochure, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 maart 2020 (CBb 18/1097, 18/2204, 18/2532, 18/1768, 18/2161, 18/1499, 18/2543 en 18/1040): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, buitensporigheid last/EP, ondernemersrisico, knelgevallenregeling, peildatum, bedrijfsverplaatsing
* 24 maart 2020 (CBb 18/1411): Awb; handhaving, schriftelijke waarschuwing, houden van beschermde roofvogels, Wet Dieren/Bhd, Wnb/Bnb, geen besluit, ontvankelijkheid
* 24 maart 2020 (Hof Den Haag 200.255.551/01): BW; ontbinding huurovereenkomst, veroorzaken overlast
* 20 maart 2020 (HR 18/05126): BW; onrechtmatige daad, burenhinder, betekenis bestemmingsplan, bevel tot sloop met boete op grond van boetebepaling in statuten, nietigheid Huishoudelijk reglement, conform conclusie AG
* 20 maart 2020 (Rb Gelderland C/05/364013 / KG ZA 19-525): BW; kort geding, airco chocoladewinkel, geluidsoverlast, spoedeisend belang
* 19 maart 2020 (Rb Overijssel 8348875 \ CV EXPL 20-568): BW; kort geding, ontruiming huurwoning, stelselmatige en ernstige overlast, uitvoering/Corona
* 19 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1400): Awb, Wro; planschade, pip/verkeerswegen, normaal maatschappelijk risico, drempel
* 19 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1869): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl
* 19 maart 2020 (Conclusie AG EH C‑21/19 tot en met C‑23/19): prejudiciële beslissing op verzoek Hof Arnhem-Leeuwarden, overbrenging afvalstoffen, EVOA, menging dierlijke bijproducten en niet-gevaarlijke afvalstoffen, risico van ongeoorloofde omzeiling, Redwood-arrest
* 18 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2622): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, uitbreiding geitenhouderij, gezondheid/RIVM
* 18 maart 2020 (Rb Rotterdam 13/994010-19 (A), 13/994054-19 (B) en 13/994047-19 (C)): WSr, WED, Wm; voorhanden hebben, opslaan en verkopen van meerdere hoeveelheden (professioneel) vuurwerk, eerste en derde lid van art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
* 18 maart 2020 (Rb Amsterdam 13/994009-19): WSR, WED, Wm; voorhanden hebben van grote hoeveelheid vuurwerk in woning, Vuurwerkbesluit
* 18 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1296): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs
* 17 maart 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1085 en AMS 20/740): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor kappen platanen
* 17 maart 2020 (Hof Den Bosch 200.208.794/01): BW; onrechtmatige overheidsdaad, besluitaansprakelijkheid, vernietiging bouwvergunning, strijd met provinciaal beleid, causaal verband tussen vernietigd besluit en vertragingsschade.
# 16 maart 2020 (Rb Gelderland AWB 18/3938): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, risicoaanvaarding
* 12 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/984): Awb, Wro; planschade
* 6 maart 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/266): Awb, Wro; planschade, verkeersweg, (doorbreking van) voorzienbaarheid, onderzoeksplicht redelijk denkend en handelend koper
# 4 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/3432 en 18/3433): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, PGS 29, bovengrondse opslagtanks, ethanol, voorschriften, stationaire of mobiele brandbestrijdingsvoorzieningen, geloofwaardigheid scenario’s, warmtecontouren en effectafstanden, CFD-berekeningen, TNO-Effects, SAFETI-NL
* 4 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1417): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkende gebruik, dojo in bedrijfsgebouw, belanghebbenden, ruimtelijke onderbouwing, motivering
* 2 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 17/2780): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, afvalverwerking, metaalshredder, voorschriften, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 21 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4573): Awb, AWR; waterschapsbelasting, geen overschrijding opbrengstlimiet ten aanzien van watersysteemheffingen en zuiveringsheffing
* 20 februari 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/1915): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en nieuwbouw, gebouwen/woningen, strijd met bpl
* 14 februari 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/923): Awb, Wabo; handhaving, gebruik verdiepingsvloer museum, belastbaarheid/NEN 8700, Bouwbesluit, motivering
* 6 februari 2020 (Rb Amsterdam 13/994053-19): WSr, WED, Msw; houden van meer kippen dan op grond van pluimveerechten is toegestaan
* 31 oktober 2019 (Rb Overijssel 08-996002-17 en 08-994570-17 (P), 08/997055-16 + 08/994568-17 (P), 08-997013-17 (P) en 08-994569-17 + 08/997058-16 (P)): WSr, WED, Wm; opslag, voorhanden hebben en handel in gevaarlijk vuurwerk, Vuurwerkbesluit

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 25 maart 2020 (ABRvS 201905953/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, boomkwekerij, spuitzoneringsonderzoek, drift, wind
4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4299, wordt een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk geacht. Dit brengt echter niet met zich dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd
4.3.    De Afdeling overweegt dat in het spuitzoneringsonderzoek is gemeten vanaf de huidige laatste bomenrij. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, nu de laatste bomenrij dicht tegen de perceelgrens is geplant. Tevens is ter zitting door [appellante] aangegeven dat er minimaal een afstand van 0,5 meter nodig is vanaf de perceelgrens om de bomen te kunnen bespuiten. Anders dan [appellante] stelt, blijkt uit het spuitzoneringsonderzoek dat rekening is gehouden met een boomhoogte van 5 meter nu in de onderzoeken waarop het spuitzoneringsonderzoek is gebaseerd, wordt gerekend met bomen tot 6 meter hoog. Ook is de heersende windrichting betrokken bij het onderzoek, nu in het spuitzoneringsonderzoek wordt aangeven dat drift van gewasbeschermingsmiddelen wordt versterkt door de wind en dat in Nederland de overheersende windrichting Zuidwest is. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat in het spuitzoneringsonderzoek geen locatie specifieke aspecten zijn meegenomen. Het aangevoerde geeft de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de verschillende rapporten die worden genoemd in het spuitzoneringsonderzoek maken dat de in het plan gemaakte afweging onvoldoende is onderbouwd. De algemene stelling dat er onzekerheden zijn, is daartoe onvoldoende.
4.5.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat op een afstand van 15 meter een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en de bedrijfsvoering niet zal worden beperkt. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat het plan voorziet in een windhaag van 3 meter hoog en een spuitvrije zone van 15 meter vanaf de perceelgrens en dat een eventuele blootstelling aan drift zich enkel kan voordoen indien de heersende Zuidwesten windrichting verandert. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het spuitzoneringsonderzoek onvoldoende basis biedt om een afstand van 15 meter acceptabel te achten.

Het betoog faalt.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201904889/1/R4): Awb, Wro; bpl, recreatieterrein, uitbreiding met woningen, behoefte, Natura 2000-gebied, zelf in de zaak voorzien
13.    De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond. Het betreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarin de oprichting van 80 nieuwe woningen mogelijk wordt gemaakt. Hiertoe dient allereerst de aanduiding “specifieke bouwaanduiding- afwijkende maatvoering” te worden vernietigd. Gelet op de plansystematiek kunnen dan nog steeds 80 nieuwe woningen worden opgericht, zij het dat voor deze woningen dezelfde bouwregels zullen gelden (maximale goot- en bouwhoogte en oppervlakte/inhoud) als voor de reeds bestaande 164 woningen. Om te voorkomen dat 80 nieuwe woningen kunnen worden opgericht dient ook artikel 3, onder 3.2, onder 3, van de planregels te worden vernietigd. In dat artikel is immers vastgelegd dat op het recreatieterrein 244 woningen zijn toegelaten. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat op het recreatieterrein 164 woningen zijn toegelaten. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het geactualiseerde planologische regime voor het recreatieterrein blijft gelden, evenwel zonder de mogelijkheid om de 80 nieuwe (en grotere) woningen op te richten.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201903864/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, bedrijfsactiviteiten, vormvrije m.e.r.-beoordeling, geurcontour/Wgv, afwijkingsbevoegdheid, Activiteitenbesluit, tussenuitspraak
6.4.    Wat betreft de omvang van de op de verbeelding opgenomen geurzone rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft onderkend dat hij bij het vaststellen van het gebied waaraan de aanduiding “milieuzone-geurzone” is toegekend, is uitgegaan van de buitenste onderste rand van de oranje lijn waarmee de contour is gemarkeerd in het rapport van Bergs Advies en niet van het midden van deze lijn zoals [appellante sub 2] en anderen bepleiten. Vast staat dat indien het midden van de lijn op de verbeelding zou zijn geprojecteerd de geurcontour een grotere oppervlakte zou beslaan. [appellante sub 2] en anderen hebben aan de hand van visualisaties van Bergs Advies van de geurcontour die zijn ingeladen in een geografisch informatiesysteem inzichtelijk gemaakt dat de geurzone behorende bij de varkenshouderij begrensd wordt door het midden van de oranje lijn die is opgenomen in het rapport van Bergs Advies van 24 augustus 2018. De raad heeft dit niet ontkracht, ook niet met het nader ingebrachte stuk van 6 december 2019. Gelet hierop is op de verbeelding een onjuiste geurcontour geprojecteerd. Het betoog slaagt.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201801850/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, veehouderijen, staldering(sbewijs), dierenverblijven met daartoe behorende voorzieningen, provinciale verordening, geur/achtergrondbelasting/Wgv, fijn stof
8.1.    Het begrip “dierenverblijf” is in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte en artikel 1, lid 1.45, van de planregels gedefinieerd als gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.

Uit de tekst van artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte blijkt dat met de daar genoemde “daartoe behorende voorzieningen” gedoeld wordt op voorzieningen die deel uitmaken van gebouwen waarin landbouwhuisdieren worden gehouden. Dat kunnen zowel inpandige als uitpandige delen van het gebouw betreffen. Blijkens de toelichting is daarmee beoogd om de rechtsonzekere situatie te voorkomen waarin onduidelijk is welke delen van een gebouw waar landbouwhuisdieren worden gehouden wel en welke delen van een dergelijk gebouw niet tot een dierenverblijf worden gerekend. Gelet op de tekst van artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte worden met de in die bepaling genoemde “daartoe behorende voorzieningen”, anders dan [appellant sub 2A] vreest, geen gebouwen bedoeld die niet kwalificeren als bestaand dierenverblijf als bedoeld in artikel 26.1, vierde lid, van de Verordening ruimte, zoals bijvoorbeeld werktuigbouwloodsen. Voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen, die buiten een gebouw waar landbouwhuisdieren worden gehouden worden aangebracht en die daarvan geen onderdeel daarvan uitmaken, worden dus niet tot dierenverblijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.28, gerekend.

Nu duidelijk is wat wordt bedoeld met de “daartoe behorende voorzieningen”, zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.28, van de Verordening ruimte, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze bepaling onverbindend is wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt niet.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201903841/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, Dienstenrichtlijn, provinciale verordening, weidevogelleefgebieden
4.4.    Volgens overweging 33 van de preambule van de Dienstenrichtlijn valt ook de bouwsector onder de diensten waarop de richtlijn betrekking heeft. Volgens overweging 9 van de preambule is de richtlijn evenwel niet van toepassing op onder meer voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw die de dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, maar die de dienstverrichters bij de uitvoering van hun economische activiteit in acht dienen te nemen op dezelfde wijze als natuurlijke personen die als particulier handelen. De Afdeling stelt vast dat artikel 25 van de PRV ertoe strekt dat bepaalde gebieden behouden blijven als weidevogelleefgebied en daarom gevrijwaard worden van nieuwe bebouwing. Derhalve is er geen sprake van een bepaling die een dienstenactiviteit specifiek regelt of beperkt. Uit de aanduiding en de bepalingen aangaande het weidevogelleefgebied volgen weliswaar belemmeringen, maar niet kan worden volgehouden dat deze voorschriften een dienstenactiviteit specifiek regelen, of daarop specifiek van toepassing zijn. Dit brengt met zich dat sprake is van eisen van algemene aard en derhalve van een situatie als bedoeld in overweging 9 van de preambule van Dienstenrichtlijn. Als gevolg hiervan is de Dienstenrichtlijn ondanks overweging 33 van de preambule niet van toepassing op artikel 25 van de PRV.

Het betoog faalt.
5.4.    De Afdeling overweegt dat artikel 25 van de PRV zich in beginsel verzet tegen de mogelijkheid van nieuwe bebouwing in een weidevogelleefgebied, anders dan binnen een bestaand bouwblok of uitbreiding daarvan. Het derde lid, aanhef en onder a, van artikel 25, van de PRV biedt een mogelijkheid om van het eerste lid af te wijken, in het geval er geen alternatief aanwezig is en een groot openbaar belang wordt gediend. Ten aanzien van wat de raad heeft aangevoerd over het groot openbaar belang, stelt de Afdeling vast dat de in het plan voorziene 40 woningen onderdeel uitmaken van het KWK. De Afdeling overweegt voorts dat, onder bepaalde omstandigheden, woningbouw op zichzelf een groot openbaar belang kan dienen. In dit geval echter, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een groot openbaar belang in de zin van artikel 25 van de PRV. De raad heeft niet nader geconcretiseerd of toegelicht hoe de levensvatbaarheid van de voorzieningen van Schagerbrug onder de huidige omstandigheden in het geding is. Verder heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat ten behoeve van het gestelde grote openbare belang uitsluitend in woningbouw kan worden voorzien op de gekozen locatie, noch waarom deze woningen op één locatie moeten worden gerealiseerd. Het is niet uitgesloten dat een combinatie van verschillende gebieden mogelijk is, bijvoorbeeld met het voormalig voetbalveld. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt dat nabij Schagerbrug niet met minder dan 40 woningen kan worden volstaan.

Nu het plan voorziet in woningbouw in een weidevogelleefgebied en de raad niet afdoende heeft gemotiveerd dat met toepassing van het derde lid in woningbouw mocht worden voorzien, staat niet vast het plan in overeenstemming is met artikel 25 van de PRV.

Het betoog slaagt.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201902529/1/R1): Awb, Wabo; bpl, uitbreiding constructiebedrijf, VAB-beleid, provinciale omgevingsverordening, geluid, VNG-brochure
3.3.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant A] en anderen zo dat deze ongelimiteerde afwijkingsmogelijkheid in het VAB-beleid onredelijk is, omdat deze niet strookt met de gedachte achter het primaire beleidsuitgangspunt in het VAB-beleid. De Afdeling stelt voorop dat de raad overeenkomstig zijn eigen beleidsregels moet handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden kan volgens het VAB-beleid (in ieder geval) sprake zijn indien het gaat om een uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied die noodzakelijk is voor het continueren van de bedrijfsvoering en een algehele verplaatsing van het niet-agrarische bedrijf naar een bedrijventerrein of vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing geen reële optie is. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in dat geval ook de voorwaarde in het VAB-beleid is gesteld dat de uitbreiding moet leiden tot een vergroting van de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied (door toepassing van verevening). Om die reden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de opname van de ongelimiteerde afwijkingsmogelijkheid in het VAB-beleid onredelijk is.

Het betoog faalt in zoverre.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201902382/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkelboulevard/reclamezuil en maken uitritten, voor- en achtergevelrooilijn, bouwverordening, weigering/meerdere activiteiten (Rb Limburg 18/61 en 18/931)
8.1.    In artikel 2.21 van de Wabo is aan, in dit geval, het college de bevoegdheid toegekend om, als een aanvraag betrekking heeft op een project dat uit verschillende activiteiten bestaat en de omgevingsvergunning ingevolge de artikelen 2.10 tot en met 2.20a van de Wabo moet worden geweigerd, omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten waarvoor zij niet behoeft te worden geweigerd. Die bevoegdheid bestaat, gelet op de tekst van het artikel, alleen als de aanvrager daarom heeft verzocht en de aanvraag betrekking heeft op een project dat bestaat uit verschillende activiteiten. Met activiteiten wordt ingevolge artikel 1.1 van de Wabo een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wabo bedoeld. Het artikel maakt het dus niet mogelijk om een vergunning te verlenen voor een deel van een activiteit. Een redelijke uitleg van artikel 2.21 van de Wabo brengt mee dat de bevoegdheid om met toepassing van dat artikel omgevingsvergunning te verlenen voorts alleen bestaat als de activiteiten niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.

8.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het plaatsen van handelsreclame en de aanleg van in- en uitritten heeft kunnen weigeren. Daarbij is van belang dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de reclamezuil in strijd is met artikel 2.5.24 van de bouwverordening, omdat de reclamezuil hoger is dan de daarin toegestane 15 m. Voor de reclamezuil was dus een zelfstandige weigeringsgrond in de bouwverordening opgenomen. Daarnaast heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is dat met het realiseren van de drie in- en uitritten zonder de aangevraagde winkels een doel zal worden gediend. Om die reden heeft het college in redelijkheid geen gebruik gemaakt van de aan hem in artikel 2.21 van de Wabo toegekende bevoegdheid.

Het betoog faalt.

* 25 maart 2020 (ABRvS 201810068/1/R3): Awb, Wgh; mededeling dat geen geluidwerende voorzieningen aan woning zullen worden aangebracht, Bgh, aanbod, voor beroep vatbare besluiten
4.2.    Gelet op artikel 114a, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh), gelezen in samenhang met artikel 6.9 van het Besluit geluidhinder (hierna: het Bgh), dient het college de woning uit te sluiten van het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen, indien de rechthebbende ten aanzien van de woning niet heeft toegestemd mee te werken aan geluidwerende maatregelen.

4.3.    De Afdeling stelt vast dat het aanbod van Rijkswaterstaat zoals gedaan bij brieven van 31 maart 2017 en 7 juli 2017 een aanbod is als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, onder a, van het Besluit geluidhinder (hierna: het Bgh). De mededeling van het college dat er geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht bij de woning op het adres [locatie] te Utrecht is gebaseerd op artikel 6.9, derde lid, van het Bgh. Het college heeft aan die mededeling ten grondslag gelegd dat [appellant] het aanbod tot het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen niet binnen de gestelde termijn heeft aanvaard.

4.4.    Gelet op het belang bij adequate rechtsbescherming en duidelijkheid over de vraag op welk moment waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld, welke duidelijkheid thans ontbreekt, is de Afdeling van oordeel dat zowel de mededeling van de minister waarbij het aanbod is gedaan alsook de mededeling van het college dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht als voor beroep vatbare besluiten moeten worden aangemerkt omdat beide mededelingen zijn gericht op rechtgevolg. Dat betekent dat tegen de beide besluiten langs bestuursrechtelijke weg had kunnen worden opgekomen. Nu er in de voorliggende zaak voor is gekozen alleen het besluit van het college op grond van artikel 6.9 van het Bgh aan te vechten, kan in dat kader ook de rechtmatigheid van het aanbod aan de orde worden gesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1249).

* 25 maart 2020 (ABRvS 201801536/1/R3): Awb, Wro, Wabo, Wvw; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen/verkeersbesluit, kinderboerderij, behoefte/Ladder/Bro, provinciale omgevingsverordening, Natura 2000/PAS, relativiteit, parkeren, gezondheid, geluid, geur, zelf in de zaak voorzien
7.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daargelaten of daarvan sprake is, is de Afdeling van oordeel dat de raad de behoefte aan de toegelaten kinderboerderij toereikend heeft beschreven. In die beschrijving heeft de raad zich in redelijkheid kunnen baseren op de landelijke spreiding van kinderboerderijen en de onder meer via enquêtes gepeilde vraag binnen de gemeente. Deze gegevens in onderlinge samenhang bezien zijn actueel en concreet genoeg voor de beschrijving van de behoefte aan de toegelaten ontwikkeling. In die beschrijving is bovendien op toereikende wijze het bestaande aanbod betrokken. De Afdeling volgt [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen dan ook niet in hun stelling dat de behoefte aan de toegelaten kinderboerderij alleen met een specifiek daarvoor door een derde opgesteld onderzoeksrapport zou kunnen worden beschreven. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan een maximale oppervlakte van 626 m2 aan gebouwen mogelijk maakt, zodat het risico op een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand beperkt is.

De kinderboerderij is voorzien buiten bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De Afdeling acht aannemelijk dat voor de beoogde kinderboerderij met een oppervlakte van 4 ha geen locatie binnen bestaand stedelijk gebied beschikbaar is. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben ook geen locaties aangedragen die in stedelijk gebied liggen en voor de vestiging van een kinderboerderij in aanmerking zouden kunnen komen.

Over de door [appellant sub 2] bedoelde bepalingen uit de Omgevingsverordening overweegt de Afdeling dat de kinderboerderij mogelijk wordt gemaakt om te voldoen aan de lokale behoefte als bedoeld in artikel 2.1.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Verder is aannemelijk gemaakt dat er in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen bestaand bebouwd gebied als bedoeld in artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Van strijd met deze bepalingen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2017 is daarom geen sprake.

De betogen falen.