Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 1 april 2020 (ABRvS 201904799/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik/handhaving/dwangsom, woongroep van 5 kinderen in woning (Rb Noord-Nederland 18/2888)
* 1 april 2020 (ABRvS 202001205/2/R2): Awb, Wabo; vovo, handhaving, supermarkt, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 19/413 en 19/626)
* 1 april 2020 (ABRvS 201906538/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, verkeersveiligheid, CROW, parkeren, Ladder/Bro, passende beoordeling/relativiteit
* 1 april 2020 (ABRvS 201906531/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, parkeren
* 1 april 2020 (ABRvS 201905732/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, vvgb, draagvlak, provinciale zonneladder, beleidskader zonne-akkers (Rb Noord-Nederland 18/2522)
* 1 april 2020 (ABRvS 201905653/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, atelier/bijgebouw, planvoorschriften (Rb Midden-Nederland 18/4744)
* 1 april 2020 (ABRvS 201905625/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, staken permanente bewoning camping, belanghebbenden (Rb Gelderland 18/6538 en 19/2104)
* 1 april 2020 (ABRvS 201905433/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en brandveilig maken, logiespand, belanghebbenden, planregels (Rb Limburg 19/1518 en 19/1517)
* 1 april 2020 (ABRvS 201905369/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, winkelpand, niet van rechtswege verleend, verlenging beslistermijn, status brieven (Rb Noord-Nederland 18/2077)
* 1 april 2020 (ABRvS 201905087/1/A2): Awb; schadevergoeding, AVG, burgerlijke rechter, HvJ (Rb Overijssel 18/2047)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904854/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, camping, Bouwbesluit/brandveiligheid (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4324)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904829/1/R2): Awb, Wro; bpl, kasteel en naastgelegen partycentrum, evenementen, parkeren
* 1 april 2020 (ABRvS 201904828/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, roldeuren in bouwwerk, planregels (Rb Oost-Brabant 18/3018)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904769/1/R1): Awb, Wro; bpl, maatwerkbestemming
* 1 april 2020 (ABRvS 201904675/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, wijziging paardenhouderij, lichtmasten/aanbouw en (ondergeschikte) activiteiten, woon- en leefklimaat, vvgb, lichthinder (Rb Noord-Nederland 18/1857)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904365/1/A1): Awb, Mnw; bekendmaking vergunning van rechtsweg, bouwen toegangspoort met aansluitend hekwerk, monumentale waarden (Rb Den Haag 17/7978)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904161/1/A3): Awb; invordering dwangsom, APV, uitoefening seksbedrijf, geen vergunning, verjaring (Rb Noord-Holland 18/4397)
* 1 april 2020 (ABRvS 201904093/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, koppelen twee recreatiewoningen, oppervlakte, strijd met bpl (Rb Noord-Nederland 18/2732)
* 1 april 2020 (ABRvS 201903800/1/R1 en 201903802/1/R1): Awb, Wro; weigering wijzigingsplan vast te stellen, intensieve veehouderij, schrappen wijzigingsbevoegdheid, belangenafweging
* 1 april 2020 (ABRvS 201903780/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zendmast, radiofrequente elektromagnetische velden, gezondheid, bijensterfte (Rb Noord-Nederland 18/2164 en 18/2563)
* 1 april 2020 (ABRvS 201903549/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, verordening, Wet Bibob, slecht levensgedrag (Rb Midden-Nederland 18/2436)
* 1 april 2020 (ABRvS 201903438/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen woning, welstand, bezonning (Rb Noord-Holland 18/2987)
* 1 april 2020 (ABRvS 201903393/1/R1): Awb, Wro; wijzigingsbevoegdheid bpl, bouwvlak, geitenhouderij, gezondheidsrisico’s
* 1 april 2020 (ABRvS 201903260/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning, windturbines in beschermingszone, belanghebbende, coördinatieregeling, waterveiligheid, fundering, NEN 9997, trillingen
* 1 april 2020 (ABRvS 201902698/1/R3): Awb, Wro; bpl, recreatiewoning, woonzorgvoorziening, geluid/VNG-brochure, tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201902323/1/R1): Awb, Wro; inpassingsplan, herinrichting verkeersweg, verkeersveiligheid, alternatieven, natuur/relativiteit, waterhuishouding
* 1 april 2020 (ABRvS 201902234/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kapsalon in uitbouw woning, woon- en leefklimaat, gezondheid/geurstoffen (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5577)
* 1 april 2020 (ABRvS 201902072/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken beheersverordening en aanleggen, visvlonders en parkeerplaatsen, geen vvgb nodig, geluid, welstand(Rb Overijssel 18/862)
* 1 april 2020 (ABRvS 201901863/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, maatwerk bedrijven, motivering, geluidruimteverdeelplan/noodzaak geluidzone, Dienstenrichtlijn, bedrijfswoningen
* 1 april 2020 (ABRvS 201901795/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, winkelruimte/tuincentrum, parkeren(Rb Oost-Brabant 18/5 en 18/24)
* 1 april 2020 (ABRvS 201901750/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, omzetten rundveehouderij in pluimveehouderij met uitlopen, vormvrije m.e.r.-beoordeling, fijn stof/luchtkwaliteit/HvJ (Rb Gelderland 17/1546, 17/1550, 17/1551, 17/1552, 17/1553, 17/1555, 17/1556 en 17/1557)
* 1 april 2020 (ABRvS 201901535/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, wooneenheden, wijzigingsbevoegdheid, Ladder/Bro, provinciale verordening, verkeer/CROW, parkeren, waterhuishouding, geluid, natuur
* 1 april 2020 (ABRvS 201900624/1/A1): Awb, Wm; aanwijzingsbesluit ondergrondse afvalcontainers, afvalstoffenverordening, locatie, overlast
* 1 april 2020 (ABRvS 201900347/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en aanleggen, parkeerterrein ziekenhuis, geringe afwijking bpl, informatie raad, verkeersveiligheid, proceskosten (Rb Noord-Nederland 18/89 en 18/91)
* 1 april 2020 (ABRvS 201809457/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, melkveehouderij, provinciale omgevingsvisie, PAS, passende beoordeling, tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201808384/2/R3): Awb, Wro; bpl, zelfpluktuin/bedrijfswoning, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201807969/1/R3): Awb, Wro; bpl, cultuurhistorische, landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden, gaswinning, waardering panden, omgevingsverordening, tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201807867/1/R2); Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, windturbines, geluid, cumulatie/Miedema, externe veiligheid/plaatsgebonden risico-contour, kwetsbaar object, slagschaduw
* 1 april 2020 (ABRvS201807647/3/R1): Awb, Wro; bpl, functieaanduiding water, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201806153/1/R4): Awb, Mbw; instemming gewijzigd gaswinningsplan, belanghebbenden, m.e.r.-plicht, bodemdaling, risicoanalyse/bevingen, EVRM
* 1 april 2020 (ABRvS 201801582/4/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en maken uitweg, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201707781/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, omvang herziening
# 1 april 2020 (ABRvS 201706086/3/R1); Awb, Wro; bpl, windpark, sfeerwoningen, bindingen, maatwerkvoorschriften, hogere geluidnorm, slagschaduw, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 april 2020 (ABRvS 201603875/3/R3): Awb, Wro; bpl, branchevreemde detailhandel, Dienstenrichtlijn, effectiviteit brancheringsregeling, geschiktheid
* 1 april 2020 (ABRvS 201600624/2/R3): Awb, Wro; bpl, branchevreemde detailhandel, Dienstenrichtlijn, effectiviteit brancheringsregeling, evenredigheid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 31 maart 2020 (ABRvS 202001848/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, twee gebouwen, beeldkwaliteitsparagraaf bpl (Rb Den Haag 18/7626 en 20/1105)
* 31 maart 2020 (CBb 18/2739, 18/2730, 18/2722, 18/2729, 18/952, 18/1020, 18/2700, 18/2568, 18/2615, 18/1120, 18/2700, 18/2731, 18/2740, 18/2218 en 18/2484): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, opp. Landbouwgrond, buitensporigheid last/EP, ondernemersrisico, knelgevallenregeling, startersregeling, peildatum, buitengewone omstandigheid
* 31 maart 2020 (Hof Den Haag 200.210.843/01): BW; ontruiming huurwoning, overlast, bewijslast
* 30 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1424): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, begunstigingstermijn, onnodig verzoek om vovo, proceskosten, griffierecht
* 27 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/1685, ROT 19/1780, ROT 19/1945 en ROT 19/2608): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl,  woningen op voormalig bedrijfsterrein, belanghebbenden, beroepsgronden/Chw, bezonning, verkeer, parkeren, geluid
* 27 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/4036, ROT 18/4043 en ROT 18/5789): Awb, Wabo; handhaving/omgevingsvergunning, dwangsom, afmeren schepen/ponton, strijd met bpl, overtreder, motivering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 27 maart 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1709): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting opstallen en woningen drugs, bijzondere omstandigheid/Corona virus
* 26 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/914 en 20/140): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en wijzigen monument, woning in kapberg, welstand
* 25 maart 2020 (ABRvS 201907532/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, logiesgebouw voor arbeidsmigrantenmigranten en uitrit, parkeren
* 25 maart 2020 (ABRvS 202000443/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijdering overkapping en dakkapellen, geen vergunning, monument/Bor (Rb Midden-Nederland 19/746)
* 25 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1473): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, geen onlosmakelijk verbonden activiteiten, gebonden beschikking, geen Chw, Natura 2000/Nbw niet in de weg
* 25 maart 2020 (Hof Den Bosch 20-003748-15, 20-003870-15 en 20-003751-15): WSr, WED, Ffw; overtreding voorschriften, bezit van beschermde inheemse vogels, meermalen gepleegd
* 25 maart 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-003480-18): WSr, WED, Wm; aanwezig hebben van begeleidingsformulier bij vervoer bedrijfsafvalstoffen, door ontvanger geweigerde en naar ontdoener te retourneren afvalstoffen, leemte in de regelgeving, inbreuk op het stelsel van traceerbaarheid van afvalstoffen.
* 25 maart 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-001223-19 en 21-001221-19): WSr, WED, Wnb; gebruik van jachtgeweer op te kleine gronden, Bnb, niet relevant of het verweer werd gebruikt voor jacht of voor schadebestrijding
* 23 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3902): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, beschoeiing, strijd met bpl, verkaveling
* 23 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/762 en UTR 20/763): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, intrekking exploitatievergunning, bingo tijdens Ramadan, openbare orde, slechts levensgedrag, onthouden vergunning voor een jaar, disproportionele maatregel
* 20 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/5590): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bosplantsoen, woningbouw, compensatie, ontvankelijkheid grote groep omwonenden
* 20 maart 2020 (Rb Noord-Holland AWB/HAA 18/202): Awb, Wro; planschade
* 20 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5388 WET): Awb, Waterwet; handhaving, dwangsom, onderhoud dijken, Keur
* 20 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5125): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, erfafscheiding/overkapping, erf/achtererfgebied/Bor, niet vergunningvrij
* 19 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1787): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, horeca, valse naam/slecht levensgedrag
* 19 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/1064): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, illegale bewoning van pand, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie
* 19 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4942 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen in voormalige drukkerij, cultuurhistorische waarde, geen evidente privaatrechtelijke belemmering
* 18 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/1154): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, Wnb/aanhaakplicht, ecologisch werkprotocol, onomkeerbare gevolgen
* 17 maart 2020 (Rb Oost-Brabant  SHE 19/188T en SHE 19/192T): Awb, Wro; planschade, aanleg randweg, voorzieningen geluid, verkeersintensiteiten, tussenuitspraak
* 11 maart 2020 (Rb Limburg 8312596 CV EXPL 20-627): BW; kort geding, ontruiming huurwoning, overlast
* 11 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2471): Awb, Gmw; handhaving, sluiting restaurant, bevoegdheid, nauwe verwevenheid tussen een cash center en illegaal gokken, openbare orde
* 11 maart 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2001): Awb, Wabo; aanpassing milieuvergunning, verwerken gevaarlijke afvalstoffen, benzeenemissie, IPPC, BBT-conclusie, GGD, MTR, inspanningsplicht, plan van aanpak
* 3 maart 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1341): Awb, Waterwet; nadeelcompensatie, planschade, extreme regenval, afwijking projectplan, burgerlijke rechter
* 18 februari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3804): Awb, Nbw; uitbreiding strand, gebruik als evenementenlocatie niet aangevraagd, gevolgen van enige betekenis, ontvankelijkheid
* 28 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5921): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, gewijzigd gebruik winkel/horeca, horecacategorie, parkeren

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

Week 14 – Bijzondere overwegingen uit totale overzicht

* 1 april 2020 (ABRvS 201905732/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, vvgb, draagvlak, provinciale zonneladder, beleidskader zonne-akkers (Rb Noord-Nederland 18/2522)
3.2.    Bij besluit van 11 december 2017 heeft de gemeenteraad van Midden-Drenthe een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven. Een van de voorwaarden om met het project in te kunnen stemmen, was dat in de periode van de terinzagelegging van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen de initiatiefnemer moet aantonen dat er voldoende lokaal draagvlak is in de omgeving van het te realiseren zonnepark. Bij het besluit van 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad ingestemd met de nota van zienswijzen van 22 mei 2018 en een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het project.

Om lokaal draagvlak te creëren heeft de initiatiefnemer contact gezocht met direct omwonenden, buurtverenigingen en jeugdsozen. Initiatiefnemer heeft aan dorpshuis de Dorpshoeve een geldbedrag beschikbaar gesteld voor de aanschaf van een warmtepomp en aan jeugdsoos All Skin in Hooghalen en jeugdsoos Onze Stee in Hijken worden obligaties in het zonnepark geschonken. Ook heeft initiatiefnemer het met de lokale Energie Coöperatie Hooghalen mogelijk gemaakt voor geïnteresseerden om financieel in het project te participeren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat de omstandigheid dat niet iedere omwonende van het zonnepark tevreden wordt gesteld, niet betekent dat er onvoldoende draagvlak in de omgeving is. Bij projecten zoals dit zonnepark moet het bestuursorgaan een afweging maken tussen het belang van een duurzame energievoorziening in het kader van de energietransitie en de belangen van omwonenden. Het ontbreken van draagvlak bij direct omwonenden is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. Gelet op de door het college genoemde inspanningen van de initiatiefnemer om draagvlak te verwerven en gegeven het beperkte aantal zienswijzen tegen dit project, ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege het ontbreken van voldoende draagvlak voor het project voor het project geen verklaring van geen bedenkingen mocht worden afgegeven.

Het betoog faalt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201905087/1/A2): Awb; schadevergoeding, AVG, burgerlijke rechter, HvJ (Rb Overijssel 18/2047)
De privacywetgeving is ingrijpend veranderd door de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de bijbehorende Uitvoeringswet. Vóór deze wetswijziging was de gang naar de burgerlijke rechter bijna altijd noodzakelijk om een schadevergoeding te kunnen krijgen als een bestuursorgaan privacyregels overtrad. Uit de nieuwe privacywetgeving leidt de Afdeling bestuursrechtspraak af dat het mogelijk moet zijn om zowel bij de bestuursrechter als bij de burgerlijke rechter “een aanspraak op vergoeding van schade als gevolg van een inbreuk op de AVG door een bestuursorgaan aan de orde te stellen.” Er is dus een keuze mogelijk tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter. Wel moet de bestuursrechter voor de schadevergoeding dan de criteria uit het Burgerlijk Wetboek toepassen en de rechtspraak van de Hoge Raad volgen. En voor schadevergoedingen van meer dan € 25.000 euro is alleen de burgerlijke rechter bevoegd.

De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot dit oordeel in vier verschillende zaken (201901006/1 (medische gegevens), 201905087/1, 201902417/1 en 201902699/1 (gegevens op internetforum)). Eén van de zaken draaide om een man van wie ten onrechte medische gegevens waren verstrekt aan een tuchtcollege voor de gezondheidszorg. Hij had daar geen toestemming voor gegeven. De andere drie zaken gingen over personen van wie gegevens waren geplaatst op een internetforum van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Dit internetforum is bedoeld om gegevens uit te wisselen tussen gemeenten om misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur te voorkomen. Daarvoor hadden de betrokkenen geen toestemming gegeven.

In deze concrete zaken komt de Afdeling bestuursrechtspraak tot de conclusie dat alleen de man van wie medische gegevens aan het tuchtcollege zijn toegezonden, recht heeft op een schadevergoeding. Zijn persoonlijke levenssfeer is zo geschonden dat het een ‘aantasting in de persoon’ is die een schadevergoeding van € 500 rechtvaardigt. Bij de hoogte van dat bedrag is rekening gehouden met het feit dat die gegevens alleen terecht zijn gekomen bij een kleine groep professionals met een beroepsgeheim. De andere drie personen krijgen geen schadevergoeding. De manier waarop met hun persoonsgegevens is omgegaan, is niet zodanig dat het een ‘aantasting in de persoon’ is als bedoeld in de wet.

* 1 april 2020 (ABRvS 201904829/1/R2): Awb, Wro; bpl, kasteel en naastgelegen partycentrum, evenementen, parkeren
3.2.    De Afdeling stelt vast dat het plan niet direct evenementen toestaat op gronden waaraan de bestemming “Groen” is toegekend. Tussen partijen is echter niet in geschil dat, op basis van de bedrijfsvoering de afgelopen jaren, het de verwachting en bedoeling is dat er meerdere keren per jaar evenementen en/of activiteiten op deze gronden zullen plaatsvinden. De raad vindt deze evenementen en activiteiten ter plaatse passend en wil deze kunnen toestaan. De raad heeft echter geen aanleiding gezien om voor het gebruik van de gronden voor deze evenementen en/of activiteiten een regeling in het plan op te nemen en een afweging te maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan op die gronden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad wel aanleiding moeten zien om dit te doen. Daartoe is van belang dat de gronden waaraan in het plan de bestemming “Groen” is toegekend met de gronden waaraan in het plan de bestemming “Horeca” en de bestemming “Gemengd” zijn toegekend het terrein vormen van een voormalig landgoed dat ruimtelijk één geheel is en ook als zodanig wordt gebruikt. Het gebruik van de gronden met de bestemming “Groen” voor evenementen en activiteiten is geen op zich zelf staand incidenteel gebruik maar is onderdeel van en ondersteunend aan het bedrijfsmatig gebruik van de overige gronden van het terrein voor horeca, als vergaderaccommodatie en als partycentrum. Ter zitting is dit door de raad en de exploitant bevestigd. Voorts is toegelicht dat het daarbij onder meer gaat over buitenactiviteiten als onderdeel van arrangementen voor bedrijfs- en familieuitjes, zoals een stormbaan of roofvogeldemonstratie, maar dat het ook kan gaan om gebruik van de buitenruimte bij grotere evenementen zoals culinaire dagen.

Ten slotte is van belang dat, voor zover de raad stelt dat het gebruik kan worden gereguleerd op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening, een evenementenvergunning ingevolge die verordening met name is ingegeven vanuit het oogpunt van de openbare orde en geen toetsingskader vormt voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenement of evenemententerrein. Voor een beoordeling of gebruik voor evenementen, activiteiten of een evenemententerrein ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar is, is een bestemmingsplan het aangewezen kader.

Het betoog slaagt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201904365/1/A1): Awb, Mnw; bekendmaking vergunning van rechtsweg, bouwen toegangspoort met aansluitend hekwerk, monumentale waarden (Rb Den Haag 17/7978)
9.1.    De monumentenvergunningprocedure dient ertoe te beoordelen of een wijziging van enigerlei aard aan een beschermd monument kan worden toegelaten, gelet op de mogelijke aantasting van de beschermingswaardige monumentale belangen ervan.

De Afdeling stelt voorop dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de vergunning ziet op het plaatsen van het hek. De rechtmatigheid van de in het verleden gerealiseerde versmalling van de Kasteellaan ligt daarom op zichzelf niet ter beoordeling voor. Aangezien de Kasteellaan is aangewezen als beschermd rijksmonument, dient echter wel te worden beoordeeld of de plaatsing van het hek leidt tot aantasting van de beschermingswaardige monumentale belangen van de Kasteellaan. Dat de plaatsing van het hek volgens de Stichting leidt tot aantasting van de monumentale waarden van de Kasteellaan omdat de historische breedte daarvan wordt gewijzigd, moet het college dus bij de beoordeling betrekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.
12.4.  …………………………….

Ook anderszins is niet gebleken dat het advies gebrekkig is. In het advies is – in overeenstemming met de cultuurhistorische analyse – onderkend dat de Kasteellaan een wezenlijk onderdeel is van de buitenplaats en dat het hek invloed heeft op de structuur daarvan. Verder is aandacht besteed aan de versmalling van de Kasteellaan en de gevolgen van het hek en de versmalling voor de monumentale waarden. De Commissie heeft gemotiveerd waarom het hek desondanks niet tot een zodanige aantasting van de monumentale waarden van de Kasteellaan leidt, dat de vergunning moet worden geweigerd. De Stichting heeft geen deskundig tegenrapport overgelegd of anderszins concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. De verwijzing van de Stichting ter zitting naar de uitspraken van de Afdeling van 8 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ1731, en 11 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH2532, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de Stichting veronderstelt, volgt uit die uitspraken niet dat de Kasteellaan – uit het oogpunt van bescherming van de monumentale waarden of anderszins – een specifieke, minimale breedte dient te hebben.

Het betoog faalt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201903780/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zendmast, radiofrequente elektromagnetische velden, gezondheid, bijensterfte (Rb Noord-Nederland 18/2164 en 18/2563)
7.1.    Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke schadelijke effecten voor de bijenpopulatie niet in de weg staan aan de verlening van de vergunning. In het door KPN overgelegde rapport “Mobiele telefonie en de ontwikkeling van honingbijen” van Wageningen UR van oktober 2013 staat dat de ontwikkeling van larven en poppen van de honingbij door 21 dagen blootstelling aan elektromagnetische straling niet verschillend was ten opzichte van de ontwikkeling larven en poppen die in een kooi van Faraday afgeschermd waren van deze straling. Op het niveau van het gehele bijenvolk ontwikkelen de volken zich niet verschillend, zo staat in het stuk. Aan straling blootgestelde bijenvolken overleefden in de winter wel slechter dan bijenvolken die van straling waren afgeschermd. Volgens het rapport kunnen aan dit resultaat echter geen statistisch verantwoorde conclusies worden verbonden, vanwege de grootte van de steekproef en de omstandigheid dat de behandelde volken waren genest per kooi. Daarmee is bedoeld dat de tien afgeschermde volken samen in één kooi zaten, net als de tien niet afgeschermde volken. De volken waren dus niet volledig onafhankelijk van elkaar. Uit het rapport volgt niet dat elektromagnetische straling nadelige gevolgen heeft voor bijen als zodanig. Daarom heeft het college in de gestelde gevolgen voor de bijen geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. De verwijzing naar de website van de Environmental Health Trust leidt niet tot een ander oordeel, omdat in de stukken die op die website worden geciteerd niet staat dat elektromagnetische straling leidt tot een grotere sterfte van bijen. Voor zover [appellant sub 2] verwijst naar zijn eigen ervaringen als imker, overweegt de Afdeling dat de waarnemingen van [appellant sub 2] niet kunnen worden aangemerkt als objectieve gegevens. Deze waarnemingen kunnen het betoog van [appellant sub 2] in zoverre niet ondersteunen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201902234/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kapsalon in uitbouw woning, woon- en leefklimaat, gezondheid/geurstoffen (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5577)
3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat de vestiging van een kapsalon ter plaatse als gevolg van blootstelling aan van de kapsalon afkomstige stoffen tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de woning van [appellant] en zijn gezin zal leiden. Hierbij heeft het college mogen betrekken dat in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten voor kappersbedrijven in verband met de aspecten geur en lucht een richtafstand is opgenomen van nul meter tot een woning. Daaraan wordt voldaan, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Het college heeft hierbij ook mogen betrekken dat het geen reden ziet om vanwege bijzondere omstandigheden van deze richtafstand af te wijken en dat ook geen reden bestaat om aan te nemen dat de kapsalon niet aan de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan voldoen. Het college heeft verder van belang mogen achten dat de planologische uitstraling van de kapsalon, met slechts één behandelstoel en beperkte openingstijden, niet groot is. [appellant] heeft met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de komst van de kapsalon tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat of dat van zijn gezin leidt. Uit deze stukken volgt niet dat in geval in een ander pand geparfumeerde producten worden gebruikt, [appellant] en zijn gezin daarvan ter plaatse van hun woning enig gevolg ondervinden, nog daargelaten de vraag of het college bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat rekening zou moeten houden met bijzondere gevoeligheden van omwonenden. Uit de door [appellant] ingediende wetenschappelijke publicaties, waaronder het op zitting aan de orde gestelde artikel uit het Journal of asthma & allergy educators van april 2013, volgt ook niet dat een kapsalon gezondheidseffecten heeft op omwonenden. Ook zijn geen andere gezondheidsonderzoeken bekend waaruit volgt dat omwonenden gezondheidsschade ondervinden van een kapsalon. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarom in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201901863/1/R1): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, maatwerk bedrijven, motivering, geluidruimteverdeelplan/noodzaak geluidzone, Dienstenrichtlijn, bedrijfswoningen
27.5.    De Afdeling is van oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld wat betreft de geluidzone, omdat hij ten onrechte ervan uit is gegaan dat hij verplicht was de geluidzone rondom het bedrijventerrein Kweekweg te handhaven. Op grond van de Wgh is een raad verplicht om een bestaande geluidzone rondom een bedrijventerrein te handhaven, indien de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de vestiging van grote lawaaimakers insluit. De term “insluit” betekent dat een grote lawaaimaker planologisch mogelijk moet zijn. Dat volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007. Onder 2.4.2 van die uitspraak is overwogen dat de vestiging van grote lawaaimakers is toegestaan, omdat de vestiging daarvan niet uitdrukkelijk is uitgesloten. Het bestemmingsplan maakt op het bedrijventerrein Kweekweg geen grote lawaaimakers mogelijk. Het is niet in geschil dat de bedrijven die door middel van de specifieke functieaanduidingen mogelijk zijn gemaakt geen grote lawaaimakers zijn. Ook op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en a, van de planregels worden geen grote lawaaimakers mogelijk gemaakt, omdat op grond van deze bepaling alleen bedrijven van categorie 3.2 zijn toegestaan. Anders dan de raad stelt, is op grond van deze bepaling geen inrichting voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen met een capaciteit van 10.000 kg per uur of meer toegestaan. Een dergelijke inrichting komt niet overeen met een inrichting voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen met een capaciteit van minder dan 5.000 ton per jaar, die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is ingedeeld in categorie 3.2. Een inrichting voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen met een capaciteit van 10.000 kg per uur of meer heeft namelijk een jaarlijkse capaciteit die groter is dan 5.000 ton. Ook artikel 4, leden 4.6.3 en 4.6.4, van de planregels maken geen grote lawaaimakers mogelijk. Een grote lawaaimaker is naar zijn aard niet gelijk te stellen met een bedrijf dat geen grote lawaaimaker is. Bovendien mocht de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening houden met lid 4.6.4. Het is immers in strijd met de rechtszekerheid om bij recht bedrijven toe te staan waarvan de realisering afhankelijk is van een nadere afweging, zoals de Afdeling onder 12.1 heeft overwogen.

Het betoog slaagt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201809457/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, melkveehouderij, provinciale omgevingsvisie, PAS, passende beoordeling, tussenuitspraak
8.3.    De Afdeling stelt vast dat het college van gedeputeerde staten op 14 april 2016 een vergunning heeft verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het in werking hebben en uitbreiden/wijzigen van een melkrundveebedrijf aan de Tweekarspelenweg 3. Deze vergunning is verleend met gebruikmaking van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 17 november 2017 is opnieuw een natuurvergunning verleend en is de natuurvergunning van 14 april 2016 ingetrokken. Geconcludeerd is dat de natuurvergunning van 17 november 2017 geen significante effecten zal hebben op Natura 2000-gebieden, omdat de emissie en depositie van ammoniak afneemt ten opzichte van de op 14 april 2016 verleende vergunning en er dus geen ontwikkelingsruimte nodig is.

De Afdeling overweegt dat natuurvergunningen die met gebruikmaking van het PAS zijn verleend geen grondslag kunnen bieden voor de toepassing van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb, ook als het plan alleen een herhaling of voortzetting is van het project dat op 14 april 2016 met gebruikmaking van het PAS is vergund. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, volgt immers dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS, niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie daaraan stelt. Gelet hierop had een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs nieuwe gegevens of inzichten kunnen opleveren over de significante effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden waarvoor met gebruikmaking van het PAS een natuurvergunning is verleend. De raad heeft daarom niet met toepassing van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb kunnen afzien van het maken van een passende beoordeling voor het plan. Nu voor het plan geen passende beoordeling is gemaakt, betoogt IVN terecht dat de raad niet de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Gelet op het voorgaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.

Het betoog slaagt.

* 1 april 2020 (ABRvS 201900347/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en aanleggen, parkeerterrein ziekenhuis, geringe afwijking bpl, informatie raad, verkeersveiligheid, proceskosten (Rb Noord-Nederland 18/89 en 18/91)
18.    Omdat het hoger beroep van Tjongerschans gegrond is, dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van haar proceskosten te worden veroordeeld. Dit is een gevolg van de benadering van de hoogste bestuursrechters, zoals toegelicht in de uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1106, dat voor het antwoord op de vraag of tot een veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten moet worden overgegaan als regel het al dan niet slagen van het ingestelde rechtsmiddel bepalend is. Dit betekent dat in geval het hoger beroep slaagt, de kosten van dit hoger beroep in beginsel voor risico van het bestuursorgaan komen.

Omdat de hoger beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding te bepalen dat de griffier van de Raad van State aan Tjongerschans het door haar betaalde griffierecht terugbetaalt. Van het college wordt geen griffierecht geheven.

* 1 april 2020 (ABRvS 201807867/1/R2); Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, windturbines, geluid, cumulatie/Miedema, externe veiligheid/plaatsgebonden risico-contour, kwetsbaar object, slagschaduw
11.4.    De Afdeling overweegt dat het themapark, gelet op de hiervoor aangehaalde definitiebepalingen, niet als geluidgevoelig terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wgh kan worden aangemerkt. Aangezien in het themapark ook geen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, komt aan de medewerkers en de bezoekers van het themapark op grond van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling dan ook geen bescherming toe tegen slagschaduw vanwege de voorziene windturbines.

De raad was bij de vaststelling van het plan evenwel gehouden om de mogelijke slagschaduwhinder ter plaatse van het themapark te beoordelen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad zich daarbij heeft gebaseerd op het rapport van LBP. In hetgeen DPNJ heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek gebreken dan wel leemten in kennis vertoont en dat de raad zich daarom niet in redelijkheid op het rapport van LBP heeft mogen baseren

* 1 april 2020 (ABRvS 201806153/1/R4): Awb, Mbw; instemming gewijzigd gaswinningsplan, belanghebbenden, m.e.r.-plicht, bodemdaling, risicoanalyse/bevingen, EVRM
3…………………..
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede lid worden de aan een bestuursorgaan toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld haar uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2230) is een belang aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent. Aan Westerveld en Steenwijkerland zijn in onder meer de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevoegdheden toegekend voor besluitvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening. De belangen van ruimtelijke ordening kunnen worden geraakt door de (gevolgen van de) gaswinning waarover het bestreden besluit tot instemming met het winningsplan gaat. De belangen van Westerveld en Steenwijkerland zijn dus rechtstreeks betrokken bij dit besluit en zij kunnen daarom als belanghebbende beroep instellen.
5. ……………………..
In onder meer haar uitspraken van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, en van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156, heeft de Afdeling geoordeeld over vergelijkbare betogen. De Afdeling oordeelde dat het als mer-plichtig aanwijzen van de vergunningbesluiten voor de mijnbouwwerken waarmee die gaswinning plaatsvindt, geen onjuiste implementatie van de mer-richtlijn inhoudt. Verder heeft zij in beide uitspraken ook geoordeeld dat een besluit over instemming met een winningsplan niet kan worden gezien als een (deel)vergunning voor een project. Er is geen aanleiding daar thans anders over te oordelen, zodat  geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het Besluit milieueffectrapportage wat gaswinning betreft een onjuiste implementatie van de mer-richtlijn is.

Nu niet is gebleken dat de volledige toepassing van de mer-richtlijn niet is verzekerd, komt [appellanten sub 5] geen rechtstreeks beroep op deze richtlijn toe. Overigens zijn, zoals uit de daarover in de Staatscourant geplaatste kennisgeving blijkt (Stcrt. 2014, 6779), de regels over de milieueffectrapportage ook daadwerkelijk toegepast ter zake van de besluitvorming over mijnbouwwerken voor het gasveld Eesveen.

Het betoog faalt.

* 25 maart 2020 (ABRvS 202000443/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijdering overkapping en dakkapellen, geen vergunning, monument/Bor (Rb Midden-Nederland 19/746)
3.1 …………………………………
Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor is voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan echter wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo vereist, indien de activiteit in, aan, op of bij onder meer een rijksmonument plaatsvindt. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor van 17 juni 2011, waarbij artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor is ingevoerd, staat dat de mogelijkheid om vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, niet openstaat bij monumenten (nota van toelichting, blz. 10; Stb. 2011, 339). In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor van 24 september 2014 wordt ervan uitgegaan dat onder bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een monument mede wordt verstaan het bouwen op het perceel bij het betrokken monument (nota van toelichting, blz. 44; Stb. 2014, 333). Nu de schuur in hetzelfde bouwvlak als de boerderijwoning staat, wordt geoordeeld dat de schuur en dus ook de overkapping aan de schuur is gebouwd bij een rijksmonument als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Daargelaten of de overkapping voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor nader genoemde vereisten, heeft de rechtbank dus terecht geconcludeerd dat een omgevingsvergunning was vereist voor de bouw van de overkapping.