Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 8 april 2020 (ABRvS 201906272/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woningen/ligplaatsen boten, m.e.r.-beoordeling, Wnb/Natura 2000/relativiteit, bouwhoogte, parkeren
* 8 april 2020 (ABRvS 201906195/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, windturbines, m.e.r.-beoordeling, geluid/gezondheid/handhaafbaarheid (Rb Limburg van 18/2545)
* 8 april 2020 (ABRvS 201906123/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw woning, beschermd stadsgezicht (Rb Oost-Brabant 18/3298)
* 8 april 2020 (ABRvS 201906034/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk gewijzigd gebruik, opslag en verkoop hout, belanghebbende/relativiteit, tijdelijkheid, belangenafweging (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6840 en 18/7265)
* 8 april 2020 (ABRvS 201905283/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bijgebouw/recreatief nachtverblijf , beoogd en aangevraagd gebruik (Rb Zeeland-West-Brabant 18/8209)
* 8 april 2020 (ABRvS 201905007/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, kantoor naar woningen, ligging boven supermarkt, strijd met bpl, VNG-brochure (Rb Noord-Nederland 18/3716)
* 8 april 2020 (ABRvS 201904951/1/A3): Awb, Scheepvaartverkeerswet; verkeersbesluit, Babs, afmeren vaartuigen, vaargeul, verkeersveiligheid, EVRM (Rb Gelderland 18/3583 en 18/3584)
* 8 april 2020 (ABRvS 201904910/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, balustrade op dak, strijd met bpl, motivering (Rb Noord-Holland 18/2480)
* 8 april 2020 (ABRvS 201902283/1/A3): Awb, Gmw; sluiting pand, witwassen van crimineel geld, APV (Rb Midden-Nederland 18/2903)
# 8 april 2020 (ABRvS 201809914/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxatie (Rb Gelderland 18/3515)
* 8 april 2020 (ABRvS 201809643/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd en brandveilig gebruik, lunchruimte school, verkeer, geluid, spelende kinderen, woon- en leefklimaat (Rb Den Haag 17/6953)!
* 8 april 2020 (ABRvS 201809634/1/R3): Awb, Wro; bpl, dakopbouwen, parkeernormen, tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201809633/2/R1): Awb, Wro; bpl, landbouwschuur, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201809237/1/R3): Awb, Wro; bpl, zorgwoningen, draagvlak, geluid, parkeren, CROW, tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201809131/1/R1): Awb, Wro; bpl, jachthavens/paraplu, rondvaartboten, verkeersaantrekkende werking
* 8 april 2020 (ABRvS 201809125/1/R1): Awb, Wro; bpl, brede school, woningen, geluid, VNG-brochure, parkeren, tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201808952/2/R3): Awb, Wro; bpl, snippergroen, bouwmogelijkheid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201807485/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, plattelandswoning, verbeelding, glastuinbouw, VNG-brochure, tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201807412/1/R3): Awb, Wro; reactieve aanwijzing bpl, buitengebied, plattelandswoning, provinciale verordening, glastuinbouw, motivering, tussenuitspraak
* 8 april 2020 (ABRvS 201805998/1/R2): Awb, Wro; bpl, bebouwingslinten, wonen, categorieën van bedrijven, tussenuitspraak
* 7 april 2020 (ABRvS 201908558/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, evenemententerrein, paardensport, parkeren, Corona, geen spoedeisend belang
* 7 april 2020 (HR 18/05457 E en 18/05440 E): WSr, WED, Wm; opzettelijk gevaarlijke afvalstoffen, niet bruikbare stookolie (bunkerolie) inzamelen en overbrengen naar buitenland, geen voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten/EVOA, stookolie/afvalstof, conclusie PG
* 7 april 2020 (CBb 18/2168, 18/2154, 18/1351, 18/2880, 18/2794, 18/2707, 18/2092, 18/2088, 18/2749, 18/2915, 18/2088, 18/2205, 18/2195, 18/1524, 18/672, 18/2130, 18/2188, 18/2174 en 18/664): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, bedrijfsverplaatsing, koekaarten, diercategorie, investering bedrijfsuitbreiding, EP, knelgevallenregeling, peildatum, procesbelang, starter, dierziekte
#
6 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/2914): Awb, Wob; verzoek om informatie, plot/profiel gaswinningsput, wel of geen milieu-informatie
* 6 april 2020 (ABRvS 201906680/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, bedrijfsactiviteiten in strijd met beheersverordening, nieuw paraplu bpl, bevoegdheid, Corona crisis (Rb Den Haag 19/189)
* 3 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3251): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken uitweg, parkeren en opladen elektrische auto, APV, bruikbaarheid weg, motivering, VWEU, strijd met bpl
* 3 april 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/3839): Awb, Wabo; intrekking van rechtswege verleende vergunning, uitspraak Afdeling, niet van rechtswege verleend, ontvankelijkheid
* 3 april 2020 (ABRvS 202001662/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing woning, waterhuishouding, bouwhoogte (Rb Amsterdam 19/2030)
* 3 april 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2131): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw woning, welstand
* 3 april 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1906): Awb; vovo, handhaving, sluiting coffeeshop, gedoogbeschikking, overschrijding maximale voorraad, handhavingsarrangement, geen bijzondere omstandigheden
* 3 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/622): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspercelen, drugs en materialen voor vervaardiging, bevoegdheid, noodzaak
* 3 april 2020 (Rb Den Haag C/09/590052 / KG ZA 20/249): BW; kort geding over coronamaatregelen, verzoek tot volledige lockdown, gezondheid
* 3 april 2020 (HR 19/00998): BW: burenrecht, onrechtmatige daad, verankering uitbouw woning in muur buurhuis, erfdienstbaarheid/inankering, in acht te nemen afstand van perceelsgrens, betekenis bestemmingsplan en omgevingsvergunning (conclusie PG)
* 2 april 2020 (Rb Noord-Holland  HAA 19/2179): Awb, Wlv; vvgb, opslagruimte, LIB, veiligheid, aantal medewerkers per hectare
* 2 april 2020 (EH C-384/19): Niet-nakoming, Spanje, beheersplan voor overstromingsrisico’s
* 2 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2745): Awb; invordering dwangsom, staken permanente bewoning recreatieverblijf, strijd met bpl
* 2 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3116): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, APV, dealen drugs op straat
* 1 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5502 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, supermarkt, stickers/licht, overtreding, motivering
* 1 april 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/4808): Awb, Wro; planschade
* 1 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/911 Vovo2): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, rioleringswerkzaamheden/kappen bomen, vleermuizen, monitoring, Corona crisis
* 30 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3370): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwen sporthal, extra ruimte/bovenwoning, parkeren, voorwaarde, zelf in de zaak voorzien
* 30 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1692): Awb Wabo; vovo, handhaving, samenvoeging van twee brandcompartimenten in winkel
* 27maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/8600 WATER, 18/8804 WATER en 20/248 WATER): Awb, Waterwet: tijdelijke ontheffing/vergunning, gebruik dijk als bouwroute, Keur, waterkering
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/1000 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, parkeerdruk, woon- en leefklimaat, motivering
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2923 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen appartementen/kap, balkons/privacy/welstand, voorwaarde
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-Wets-Brabant BRE 20/4922 WET VV en BRE 20/5262 WET): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning en garage, drugs
* 27 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6794): Awb, Wabo; niet tijdig bekendmaken van rechtswege verleende omgevingsvergunning, bouwen schapenschuur, Bor/bijbehorend bouwwerk, strijd met bpl, UOV noodzakelijk, geen vergunning van rechtswege, ontvankelijkheid
* 27 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6159 en SGR 19/1005): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, appartementen, bpl/overgangsrecht, geen toets aan Bouwverordening
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2121 GEMWT): Awb; invordering dwangsom, ombouwen van de bergingen in het souterrain en de kruipruimte onder de keuken tot respectievelijk twee slaapkamers en een wijnkelder, geen vergunning
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2198 GEMWT en BRE 19/2199 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen/invordering, huisvesting arbeidsmigranten op vakantiepark, strijd met bpl, overtreder, bevoegdheid
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2565 WATER en BRE 19/2566 WABO): Awb, Waterwet, Wabo; vergunningen/ontheffing, strandbrug, Keur, waterkering, ontvankelijkheid
* 27 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4246 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, APV, taxushaag, openbare weg, hinder, Wegenwet/bpl
* 26 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4579, UTR 19/4597 en UTR 19/4966): Awb, Wnb; ontheffing, windpark, vleermuizen/vogels, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 26 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2109): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, 30 km-zone, geen drempels, ontvankelijkheid
# 25 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/1724): Awb, Wabo; handhaving, nokhoogte recreatiewoningen, planregels, peil, overtredingen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 maart 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 18/01024 tot en met 18/01026): Awb, AWR; zuiveringsheffing bedrijven, verbindendheid verordening, NEN-normen, kenbaarheidseisen
# 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/2543 en SGR 18/2544): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras op uitbouw woning, constructieve veiligheid, Bouwbesluit, feitelijke uitvoering aanbouw, Bor
# 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5562): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aan/opbouw op bestaande uitbouw, constructieve veiligheid, Bouwbesluit, feitelijke uitvoering aanbouw, Bor, NEN 8700
* 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 19/5176): Awb, Waterwet; gedoogplicht en schadevergoeding, wijziging waterkering, Chw
* 11 maart 2020 (Rb Den Haag C/09/529407 / HA ZA 17-322): BW; gaswinning, schade aan woning, onderzoek Root Cause Analysis, eindvonnis na eerder tussenvonnis

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 8 april 2020 (ABRvS 201906034/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk gewijzigd gebruik, opslag en verkoop hout, belanghebbende/relativiteit, tijdelijkheid, belangenafweging (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6840 en 18/7265)
3.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor de toepasbaarheid van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Niet van belang is of het aannemelijk is dat de vergunde activiteit ook daadwerkelijk na 10 jaar zal worden beëindigd. Zie de uitspraken van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276 en 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112. Voor zover uit de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:936, kan worden afgeleid dat dat wél van belang zou zijn, wordt dit in latere rechtspraak niet meer gevolgd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de activiteiten na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden beëindigd, omdat deze alleen bestaan uit het inkopen, opslaan en verkopen van hout en daarnaast geen bouwactiviteiten zijn vergund. De omstandigheid dat [vergunninghouder] na 10 jaar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is in dit verband niet relevant en leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Overigens heeft [vergunninghouder] op de zitting gezegd dat hij zich aan de termijn van 10 jaar zal houden.

Het betoog faalt.

* 8 april 2020 (ABRvS 201809643/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd en brandveilig gebruik, lunchruimte school, verkeer, geluid, spelende kinderen, woon- en leefklimaat (Rb Den Haag 17/6953)
10.5.    Beide deskundigen komen ter hoogte van de achtergevel op de begane grond van de woning van [appellant] tot een overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. In het door het college overgelegde rapport is die overschrijding 0,6 dB(A) en in het rapport van Cauberg Huygen is die overschrijding 2 dB(A). Cauberg Huygen heeft, anders dan het college, ook het geluidniveau gemeten op de achtergevel ter hoogte van de eerste verdieping van de woning, omdat [appellant] de eerste verdieping als kantoor gebruikt, en in de tuin van de woning. Volgens Cauberg Huygen wordt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de eerste verdieping en in de tuin overschreden. Op de eerste verdieping wordt volgens Cauberg Huygen ook het maximale geluidniveau overschreden. Het college heeft aangegeven dat aan de buitenruimte bij de woning en het bedrijfsmatig gebruik van de verdieping een zekere mate van bescherming toekomt, maar dat in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De Afdeling overweegt dat zij met de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, vanwege de overschrijding van de geluidgrenswaarden, geen sprake is van een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De Afdeling acht hierbij ten eerste van belang dat in het rapport van Cauberg Huygen, net zoals in het rapport van het college, is geconcludeerd dat, ondanks de gemeten overschrijding van de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) ter hoogte van de gevel op de begane grond van de woning van [appellant], wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Verder acht de Afdeling van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, in beide onderzoeken is uitgegaan van het worst case scenario dat er 165 kinderen twee uur buiten spelen, terwijl deze situatie zich in de vergunde situatie niet voor zal doen. Ook is van belang dat op het perceel een bedrijfsbestemming rust en een willekeurig ander bedrijf, met inachtneming van de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, ook een hoge geluidbelasting kan hebben. Tenslotte geldt dat de eigen keuze van [appellant] om op de eerste verdieping van zijn woning kantoor te houden, er niet toe leidt dat aan die eerste verdieping extra bescherming voor geluid van buiten toekomt.

Gelet op het voorgaande, faalt het betoog.

* 8 april 2020 (ABRvS 201809634/1/R3): Awb, Wro; bpl, dakopbouwen, parkeernormen, tussenuitspraak
10.4.    De Afdeling stelt vast dat de uitzondering op de toetsing aan de in de aangepaste nota parkeernormen 2016 opgenomen parkeernormen alleen geldt voor onzelfstandige uitbreidingen van woningen, waaronder dakopbouwen, die zijn gericht op eigen gebruik en dienen ter vergroting van het woongenot. De Afdeling ziet net zomin als de raad een directe relatie tussen een onzelfstandige uitbreiding van een bestaande woning en een toename van het aantal auto’s van de bewoners van die woning. Zij acht het standpunt van de raad dat van dergelijke uitbreidingen in beginsel niet is te verwachten dat zij gepaard gaan met toename van autobezit, dan ook aannemelijk. De stichting heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een andersluidend oordeel. Wel heeft de stichting kanttekeningen geplaatst bij de actualiteit en de volledigheid van de onderzoeken waarnaar de raad heeft verwezen ter rechtvaardiging voor de door hem gehanteerde uitzondering. Zo stelt de stichting dat het in de aangepaste nota parkeernormen 2016 vermelde onderzoek niet actueel is omdat het slechts ziet op het autobezit op 1 januari 2010 en 1 januari 2015 en dat ten onrechte alleen is gekeken naar eigen autobezit per adres waar toen dakopbouwen zijn gerealiseerd en niet ook naar leaseauto’s. Deze kanttekeningen acht de Afdeling onvoldoende voor het oordeel dat de uitzondering van de toetsing aan parkeernormen voor onzelfstandige uitbreidingen van bestaande woningen niet voldoende is gerechtvaardigd. Anders dan de stichting kennelijk meent, is de Afdeling van oordeel dat de raad in de gegeven situatie niet is gehouden aan te tonen dat onzelfstandige uitbreidingen van woningen onder geen omstandigheid zullen leiden tot een toename van bij de bewoners van die woning in gebruik zijnde auto’s. Omdat geen directe relatie aanwijsbaar is tussen onzelfstandige uitbreidingen van woningen en het aantal bij de bewoners van die woning in gebruik zijnde auto’s acht de Afdeling het in de aangepaste nota parkeernormen 2016 opgenomen onderzoek voldoende. Dit onderzoek betreft een voldoende ruime periode en er is geen reden om autobezit op dit punt niet representatief te achten. In wat de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de redenen die aanleiding hebben gegeven om in de aangepaste nota parkeernormen 2016 een uitzondering op de toetsing aan de parkeernormen op te nemen voor onzelfstandige uitbreidingen van bestaande woningen ten tijde van het vaststellen van artikel 9, onder b, van de planregels, niet meer valide zijn.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de raad ervan heeft mogen uitgaan dat onzelfstandige uitbreidingen van bestaande woningen mochten worden uitgezonderd van toetsing aan de parkeernormen uit de aangepaste nota parkeernormen 2016. Daarom kan niet worden gezegd dat de raad in artikel 9, onder b, van de planregels vanwege die uitzondering niet naar dat beleid had mogen verwijzen. Er bestaat immers geen grond voor de vrees dat vanwege die uitzondering de parkeersituatie in Bezuidenhout onaanvaardbaar zal verslechteren.

* 8 april 2020 (ABRvS 201809237/1/R3): Awb, Wro; bpl, zorgwoningen, draagvlak, geluid, parkeren, CROW, tussenuitspraak
6.1.     De Afdeling stelt vast dat het plan is voorbereid en vastgesteld in overeenstemming met de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure.

6.2.    De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat draagvlak voor de voorziene ontwikkeling ontbreekt, wat hier ook van zij, niet betekent dat het plan niet overeenstemt met een goede ruimtelijke ordening (vergelijk (onder 14.1 van) de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061). Dit neemt niet weg dat, bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden (vergelijk (onder 8 e.v. van) de uitspraak van de Afdeling 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3580).

6.3.    In paragraaf 5.1 van de plantoelichting staat dat de initiatiefnemer van de woon- en zorgvoorziening een zorgplicht heeft om actief met direct omwonenden te communiceren en dat de uitkomst hiervan voorafgaand aan de vaststelling in het plan zal worden verwerkt.

Gebleken is dat, aanvullend op de wettelijke bestemmingsplanprocedure, initiatiefnemer tijdens de inzagetermijn van het ontwerpplan op 16 mei 2018 een informatiebijeenkomst heeft gehouden waarin een toelichting is gegeven op het plan. Omwonenden hebben deze informatie kunnen betrekken bij het naar voren brengen van een zienswijze.

De Afdeling stelt vast dat uit de toelichting van de raad in de zienswijzennota, het verweerschrift en ter zitting blijkt dat de raad de wijze waarop de initiatiefnemer zich heeft ingespannen, heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De zienswijzen van omwonenden zijn daar eveneens bij betrokken.

6.4.    Het betoog faalt.
9.4.    Uit de plantoelichting blijkt dat de raad bij de inschatting van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorziene ontwikkeling, is uitgegaan van de functie “aanleunwoning en serviceflat” in de hoofdcategorie “wonen”.

De CROW-publicatie hanteert voor een aanleunwoning en serviceflat in matig stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom een norm van 0,9 tot 1,3 parkeerplaatsen per woning. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van minimaal 42 tot maximaal 61 parkeerplaatsen.

9.5.    Niet is gebleken waarom de raad bij het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een andere hoofdcategorie en functie dan waarvan hij is uitgegaan bij het inschatten van de verkeersgeneratie. Weliswaar heeft de raad ter zitting gesteld dat het plan voorziet in de bestemming “Maatschappelijk”, maar binnen deze bestemming zijn 47 zorgwoningen mogelijk.

Gelet op het voorgaande staat niet vast dat het plan, wat betreft het aspect parkeren, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd en in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog slaagt.

* 8 april 2020 (ABRvS 201807485/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, plattelandswoning, verbeelding, glastuinbouw, VNG-brochure, tussenuitspraak
9.5.    Wat betreft het betoog dat in de verbeelding, dan wel de planregels een duidelijke relatie tussen de voormalige agrarische bedrijfswoning en de bijbehorende landbouwinrichting ontbreekt en niet is vastgesteld of de landbouwinrichting nog wel bestaat, zodat niet duidelijk is of aan artikel 1.1a van de Wabo wordt voldaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, heeft overwogen is de wettelijke regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing op de situatie dat de landbouwinrichting is opgeheven en deze vanwege de toegekende planologische bestemming ter plaatse ook niet meer kan worden (her)opgericht. In aanvulling hierop overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoningen wel toepassing kan vinden in een situatie waarbij de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A werd geëxploiteerd en waarop nog steeds de daarbij van oudsher behorende (voormalige) bedrijfswoning A staat, worden betrokken bij een andere nabijgelegen landbouwinrichting B. De, voormalige, bedrijfswoning A wordt daarmee onderdeel van landbouwinrichting B. Daarbij dient deugdelijk te worden gemotiveerd of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de (voormalige) bedrijfswoning A gewaarborgd blijft. Voorts moet in het bestemmingsplan duidelijk worden aangegeven dat toepassing is gegeven aan artikel 1.1a van de Wabo en dient de relatie van de voormalige bedrijfswoning met het, nieuwe, bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk te worden weergegeven in de planregels en op de verbeelding. Dat is noodzakelijk, omdat duidelijk moet zijn van welke landbouwinrichting de plattelandswoning onderdeel uitmaakt. Het voorgaande kan planologisch worden verankerd door bijvoorbeeld een agrarische bestemming toe te kennen aan de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A, inclusief bijbehorende bedrijfswoning A, werd geëxploiteerd, waarbij aan de, voormalige, bedrijfswoning A een aanduiding “plattelandswoning” wordt toegekend, met dien verstande dat in de planregels en de verbeelding de relatie van de bedrijfswoning A wordt aangegeven met het agrarisch bedrijf dat wordt geëxploiteerd op de gronden waar voorheen landbouwinrichting A werd gedreven. Voorts kan daarbij – indien dat gelet op de gekozen plansystematiek in het desbetreffende geval nodig is – worden geregeld dat landbouwinrichting B mag beschikken over twee bedrijfswoningen, waarvan één de plattelandswoning is.

In de planregels, noch op de verbeelding is de relatie van de voormalige agrarische bedrijfswoning aan de [locatie 4] met het bijbehorende agrarische bedrijf weergegeven. De conclusie van de Afdeling is dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre.

* 6 april 2020 (ABRvS 201906680/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, bedrijfsactiviteiten in strijd met beheersverordening, nieuw paraplu bpl, bevoegdheid, Corona crisis (Rb Den Haag 19/189)
1.    Partijen waren opgeroepen voor een zitting van de voorzieningenrechter op 26 maart 2020. Vanwege de uitbraak van het coronavirus is de zitting niet doorgegaan. Partijen hebben daarover bericht ontvangen. De voorzieningenrechter heeft schriftelijk vragen aan partijen gesteld, die zij hebben beantwoord. De voorzieningenrechter acht zich door de voorhanden gegevens voldoende voorgelicht om uitspraak te kunnen doen over het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak zonder zitting met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb
6.    Op 25 juni 2013 is de op het perceel van [verzoekster] toepasselijke beheersverordening onherroepelijk geworden. Op 12 juni 2018 is het paraplubestemmingsplan vastgesteld. Dit bestemmingsplan was ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 november 2018 van toepassing op het perceel van [verzoekster]. Voor het antwoord op de vraag naar de juistheid van de primaire stelling van [verzoekster] dat het college op 29 november 2018 niet meer bevoegd was tot handhaven op grond van de beheersverordening is bepalend of artikel 3.39, tweede lid, van de Wro een uitleg toelaat waarbij vanaf het tijdstip van inwerkingtreden van het paraplubestemmingsplan nog betekenis kan worden toegekend aan de beheersverordening. De uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:217, biedt daarvoor geen uitsluitsel omdat daarin slechts is overwogen dat de beheersverordening in ieder geval vervalt voor zover het paraplubestemmingsplan daarin wijzigingen aanbrengt. Die situatie is hier niet aan de orde omdat het paraplubestemmingsplan uitsluitend ziet op parkeren, waarover in de beheersverordening geen bepalingen zijn opgenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een oordeel over de hier te geven uitleg aan artikel 3.39, tweede lid, van de Wro in deze procedure te verstrekkend is en dat daarvoor behandeling in de bodemprocedure is aangewezen. Gegeven de hiervoor geschetste onduidelijkheid over de bevoegdheid tot handhaving van het college enerzijds en het gestelde belang van [verzoekster] anderzijds, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek tot schorsing toe te wijzen. Dit betekent dat totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan, aan [verzoekster] overtreding van artikel 3.2.4 van de beheersverordening niet kan worden tegengeworpen en dat zij in zoverre haar milieuvergunde activiteiten mag uitoefenen. Hetgeen overigens door [verzoekster] is aangevoerd, kan buiten inhoudelijke bespreking blijven.

* 27 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6159 en SGR 19/1005): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, appartementen, bpl/overgangsrecht, geen toets aan Bouwverordening
3.4.  De rechtbank volgt [B.V.] en de omwonenden niet in hun betoog dat verweerder het bouwplan op grond van het overgangsrecht uit artikel 133 van de Woningwet had moeten toetsen aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. De situatie bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet doet zich in dit geval niet voor, reeds omdat bestreden besluit II dateert van na 1 juli 2018. Ook de situatie waarop artikel 133, vierde lid, van de Woningwet het oog heeft, doet zich hier niet voor. De aanvraag om een omgevingsvergunning is immers ingediend tussen de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK en 1 juli 2018. Op dat moment gold de Beheersverordening. Naar het oordeel van de rechtbank dient onder een “bestemmingsplan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening” zoals bedoeld in artikel 133, vierde lid, van de Woningwet, ook een beheersverordening te worden verstaan. In dit verband acht de rechtbank van belang dat uit artikel 1, eerste lid, van de Woningwet volgt dat voor de toepassing van deze wet onder bestemmingsplan een “bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 eerste lid, van de Wro (…) of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet” wordt verstaan. Hieruit volgt dat voor de toepassing van de Woningwet een beheersverordening wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan. Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel.1 Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de wetgever situaties waarin een beheersverordening in plaats van een bestemmingsplan van toepassing is, buiten het overgangsrecht uit artikel 133 van de Woningwet heeft willen houden. De wetsgeschiedenis van dit artikel biedt hiervoor geen steun. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat in de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening onder meer het volgende is opgenomen:

“Nu de Wro de verplichting bevat om voor het gehele gemeentelijke grondgebied een bestemmingsplan of beheersverordening vast te stellen, kan de mogelijkheid van artikel 8, vijfde lid, Woningwet om aanvullend aan een bestemmingsplan stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening op te nemen, vervallen.”

En:

“De Wro stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een stedenbouwkundige regeling verplicht in de vorm van een bestemmingsplan of een beheersverordening. Voor voorschriften als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet is dan geen plaats meer.”2

Uit deze passages in de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de toets aan stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening te laten vervallen vanaf het moment dat voor een gebied een bestemmingsplan of beheersverordening geldt waarin dergelijke bepalingen kunnen worden opgenomen. Weliswaar is de grondslag voor het stellen van stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening pas vervallen met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK – en dus niet al met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro – maar het is de rechtbank niet gebleken dat de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Invoeringswet Wro nadien is gewijzigd. De wetsgeschiedenis van de Reparatiewet BZK biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

3.5.  Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bouwplan terecht en op juiste gronden heeft getoetst aan de Beheersverordening en niet aan de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening……………….

# 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5562): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aan/opbouw op bestaande uitbouw, constructieve veiligheid, Bouwbesluit, feitelijke uitvoering aanbouw, Bor, NEN 8700
9.1.  De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.1

9.2.  Tijdens de zitting van 24 februari 2020 heeft Jol een nadere toelichting gegeven. Volgens Jol heeft verweerder de aanvraag niet goed kunnen toetsen, aangezien essentiële gegevens ontbraken. Door middel van een inspectie ter plaatse, het verrichten van metingen en de bestudering van de gedurende het StAB-onderzoek verstrekte tekeningen van de oorspronkelijke bouw heeft Jol de situatie ter plaatse wel kunnen beoordelen. Op basis van deze nieuwe informatie concludeert Jol dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] niet meer verzekerd is, nu de achtergevel volledig weggebroken is. Dit was eerder nog niet duidelijk, aangezien dit niet blijkt uit de tekeningen die in het dossier zaten, aldus Jol.

9.3.  Naar het oordeel van de rechtbank is het deskundigenbericht van de StAB, inclusief het rapport van Jol van 29 oktober 2019 dat daarvan integraal onderdeel uitmaakt, voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Niet gebleken is van zodanige gebreken dat het StAB-verslag niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mogen worden gelegd. In hetgeen eisers en verweerder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank volgt de StAB en Jol dan ook in hun conclusie dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] niet verzekerd is en dat in de huidige situatie de uitbreiding met de uitbouw op de eerste verdieping van nummer [huisnummer 1] niet voldoet aan de in de artikelen 2.5 en 2.7 van het Bouwbesluit en NEN-norm 8700 gestelde eisen. Niet gebleken is dat verweerder de aanvraag heeft bezien op basis van constructieve berekeningen en een inspectie tijdens de bouw. In dit kader is van belang dat het hier gaat om een legaliserende aanvraag, nadat door eisers concrete twijfel was geuit over de stabiliteit van beide panden als gevolg van het nieuwe bouwplan. In een dergelijk geval kan niet worden volstaan met een visuele inspectie achteraf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de huidige motivering zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stabiliteit van het hoofdgebouw van nummer [huisnummer 1] verzekerd is en dat de omgevingsvergunning terecht en op juiste gronden verleend is.

9.4.  Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit, wegens schending van artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd moet worden. Gelet op de houding van verweerder ter zitting en de inhoud van de reactie op het rapport van de StAB ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het rapport van de StAB. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.