Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 15 april 2020 (ABRvS 201906346/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en verruimen openingstijden, horeca met terras (Rb Oost-Brabant 18/2278)
* 15 april 2020 (ABRvS 201905859/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen , bedrijventerrein (Rb Oost-Brabant 19/353)
* 15 april 2020 (ABRvS 201905730/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 15 april 2020 (ABRvS 201904913/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen schuur, geen vergunning, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel (Rb Noord-Holland 18/4326)
* 15 april 2020 (ABRvS 201904459/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, cultuurhistorische waarde, provinciale verordening, VNG-brochure, spuitzone, tussenuitspraak
* 15 april 2020 (ABRvS 201904308/1/A1): Awb; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, plaatsen van hekken, faillissement, curator/boedel (Rb Noord-Nederland 18/2897)
* 15 april 2020 (ABRvS 201903851/1/A3): Awb, Wob; bekendmaken milieu-informatie, Aarhus, stralingsgegevens (Rb Amsterdam 18/3275)!
* 15 april 2020 (ABRvS 201903493/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, geur, Wgv, emissiefactoren (Rb Oost-Brabant 18/2139)
* 15 april 2020 (ABRvS 201903132/1/R1): Awb, Wro; bpl, crematorium, belanghebbende, Ladder/Bro, verkeer, structuurvisie
# 15 april 2020 (ABRvS 201902812/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding met veestal, provinciale omgevingsverordening, vvgb, cumulatie geur (Rb Noord-Nederland 18/181)
# 15 april 2020 (ABRvS 201901918/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, overslag- en mestverwerkingsbedrijf, geur, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, eNose, ontvankelijkheid (Rb Oost-Brabant 17/2287)
* 15 april 2020 (ABRvS 201901450/1/R4): Awb, Wro; bpl, uitbreiding intensieve veehouderij, provinciale verordening
* 15 april 2020 (ABRvS 201900741/1/R1): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling bedrijventerrein naar woongebied, belanghebbenden, waterwoningen, provinciale verordening, verkeersveiligheid
* 15 april 2020 (ABRvS 201900155/1/R4): Awb, Nbw; niet in behandeling nemen verzoek om handhaving, kap van populieren/roeken/vleermuizen, belanghebbende (Rb Overijssel 18/1051)
* 15 april 2020 (ABRvS 201809906/1/A2): Awb, Mbw; schadevergoeding, Waarborgfonds mijnbouwschade, verjaring, juridisch kader, zaakschade, kosten van toekomstig herstel,  (Rb Limburg 17/3837 en 17/3839)
* 15 april 2020 (ABRvS 201807155/1/R1): Awb, Wro; bpl, “bevriezing” van huidige detailhandelsvestigingen in “toeristenbranche”, postcodegebied, gebruiksverbod, Dienstenrichtlijn, noodzakelijkheid, evenredigheid, effectiviteit
* 15 april 2020 (ABRvS 201701250/1/R2): Awb, Nbw; beheerplan, Natura 2000-gebied, PAS/passende beoordeling/onbevoegd kennis te nemen van beroep, dammen en bruggen, cumulatie
* 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3398, LEE 19/4391 tot en met 19/4395 en LEE 19/4397 tot en met LEE 19/4418): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, zonnepark, belanghebbenden/open landschap, maatschappelijk draagvlak/inspanningsverplichting, geen vvgb nodig
* 14 april 2020 (CBb 18/2216, 18/2107, 18/2487, 18/2636, 18/2216, 18/2252, 18/2668, 18/2680, 18/2217, 18/2757, 18/2703, 18/2716 en 18/2688): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, bedrijfsverplaatsing, investering bedrijfsuitbreiding, EP, knelgevallenregeling, peildatum, starter
* 14 april 2020 (CBb 19/271): Awb, Msw; derogatievergunning
* 10 april 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/805 en 19/4694 en ROT 19/311): Awb, AWR; leges omgevingsvergunning, aannemelijkheid bouwkosten, NEN 2699, tarieventabel
* 10 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2345): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl, en aanpassen rijksmonument, herbouw monumentale boerderij/horeca, ontvankelijkheid deel van omwonenden, openingstijden, parkeren
* 9 april 2020 (ABRvS 202000708/2/R3): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zonneakker
* 8 april 2020 (ABRvS 202002099/1/R1 en /2/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo en korstluiten, verzoek om handhaving/ingebrekestelling, storten van granuliet, Bbk, belanghebbende, bevoegdheid RvS/rechtbank
* 7 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/765): Awb, Wro; planschade, niet tijdig beslissen
* 7 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/757): Awb, Wabo; verzoek intrekking omgevingsvergunning, ingebrekestelling, ontvankelijkheid
* 7 april 2020 (Rb Overijssel AWB 18/1964): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bouw vleeskuikenstal, vvgb, bpl, beleid
* 7 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4948 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesting arbeidsmigranten in bedrijfswoning, afwijken beheersverordening, tijdelijke situatie, beleidsregels
* 7 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4938 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, overkluizing woningen/kapconstructie, Bouwbesluit/constructieve veiligheid
* 7 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4937 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, veldschuur naar woning, strijd met bpl
* 7 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4501 VEROR): Awb, Gmw; evenementenvergunning, rommelmarkt, APV/verbindendheid, snuffelmarkt/strijd met bpl
* 7 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3157 en UTR 18/3416): Awb, Wro; indirecte planschade, mandatering, normaal maatschappelijk risico, drempel
* 6 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/5573 en HAA 19/307): Awb, Wnb; vergunning, sportcomplex, geen tijdig bezwaar, ontvankelijkheid
* 3 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5689 VV): Awb, Wabo, vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, antennemast, welstand, participatie
* 3 april 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1503): Awb, Gmw; vovo, sluiting restaurant, openbare orde, handgranaat
* 2 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1465): Awb; nadeelcompensatie, schadevergoeding, luchthavenbesluit, Wlv, geluid/belevingsvlucht, taxatie, normaal maatschappelijk risico
* 3 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1474 GEMWT en 19/4070 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, recreatieve verhuur woning/groepsaccommodatie, strijd met bpl
* 2 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4873 GEMWT VV): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, asfaltcentrale, emissie-eis benzeen, Activiteitenbesluit
* 1 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2155 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en gewijzigd gebruik, uitbreiding fysiotherapiepraktijk, motivering
* 1 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2244): Awb, Waterwet; vergunning, aanleg van strekdammen, Keur, natuurbeheer, m.e.r.-beoordeling
* 31 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 20/510): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, studio’s op verdieping van woning, parkeren
* 30 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4947 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en handelsreclame, (zware) horeca, belanghebbende, relatie bpl
* 25 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4320): Awb, AWR; leges omgevingsvergunning, aannemelijkheid bouwkosten/verordening
# 24 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 18/1713): Awb; nadeelcompensatie, verkeersbesluiten en omgevingsvergunningen, normaal maatschappelijk risico
* 20 maart 2020 (Rb Overijssel AWB 20/448): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, geen spoedeisend belang
* 20 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4797, SGR 19/4798 en SGR 18/7109): Awb; invordering dwangsom, kamerverhuur met zorg, strijd met bpl, geen vergunning, overtreder
* 20 maart 2020 (Rb Rotterdam 8056023 / CV EXPL 19-41225): BW; ontruiming huurwoning, overlast, meerdere waarschuwingen/tekortkoming huurder
* 13 maart 2020 (Rb Amsterdam 8087227 CV EXPL 19-20548): BW; ontruiming huurwoning hennepplantage, geen dwang van derden
* 13 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2093): Awb, Wabo; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, geen verjaring, geen uitzonderlijk geval
* 13 maart 2020 (Rb Limburg ROE 18/1332): Awb, Wnb, vergunning, veehouderij, pré-PAS, AAgroStacks, grote afstand/AERIUS Calculator, nauwkeurigheid
* 13 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4995 VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen/houtwal, APV
* 12 maart 2020 (Hof Amsterdam 19/00222 en 19/00223): Awb, AWR, bouwleges, vaststelling bouwkosten, kenbaarheidseisen heffingsmaatstaf, niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt, onverbindendheid verordening
* 6 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/27 WABOA VV en BRE 20/28 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark met waterberging, omgevingsverordening, tijdelijkheid
* 6 november 2019 (Rb Gelderland AWB 19/1927): Awb, AWR; leges omgevingsvergunning, opbrengstlimiet, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 15 april 2020 (ABRvS 201903851/1/A3): Awb, Wob; bekendmaken milieu-informatie, Aarhus, stralingsgegevens (Rb Amsterdam 18/3275)
4.3.    Het Verdrag van Aarhus is geïmplementeerd in artikel 3, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van Richtlijn 2003/4/EG. Ingevolge artikel 3, eerste, vierde en vijfde lid, zijn de overheidsinstanties, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, in beginsel gehouden de milieu-informatie waarover zij beschikken, zo nodig in een andere vorm, aan elke aanvrager op verzoek beschikbaar te stellen, en worden de ambtenaren verplicht om burgers die toegang tot informatie wensen behulpzaam te zijn. Ingevolge artikel 4, tweede lid, kan een verzoek om milieu-informatie onder meer worden afgewezen indien afbreuk wordt gedaan aan internationale betrekkingen, openbare veiligheid of nationale defensie. De gronden voor weigering van openbaarmaking van milieu-informatie worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang. In elk afzonderlijk geval moet het algemene belang dat is gediend met openbaarmaking worden afgewogen tegen het specifieke belang dat is gediend met de weigering openbaar te maken. Ingevolge het vierde lid wordt milieu-informatie gedeeltelijk beschikbaar gesteld wanneer het mogelijk is informatie waarop het tweede lid van toepassing is van de overige gevraagde informatie te scheiden.

De genoemde artikelen van het Verdrag van Aarhus en Richtlijn 2003/4/EG zijn inhoudelijk gelijk. Daarom vormt de richtlijn het toetsingskader voor deze uitspraak en wordt niet toegekomen aan de vraag of het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking heeft.

4.4.    De genoemde artikelen van Richtlijn 2003/4/EG zijn geïmplementeerd in artikel 3, derde en vierde lid, artikel 5, artikel 7, tweede lid, en artikel 10, eerste lid, aanhef, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Deze artikelen van de Wob brengen met zich dat een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf in beginsel de informatie waarover wordt beschikt, verstrekt aan een ieder die daarom verzoekt, in de verzochte vorm of, indien nodig, in een andere vorm, en de verzoeker bij zijn verzoek behulpzaam is. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties. Gelet hierop zijn de vermelde artikelen van Richtlijn 2003/4/EG in zoverre correct geïmplementeerd. Evenwel is de verplichting op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2003/4/EG om, bij de afweging of openbaarmaking van milieu-informatie met het oog op internationale betrekkingen moet worden geweigerd, deze weigeringsgrond restrictief en met inachtneming van het voorliggende met bekendmaking gediende openbare belang uit te leggen, op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob niet in alle gevallen verzekerd.

Daarom zal de Afdeling bij de beoordeling of het besluit van 6 april 2018 voldoet aan de verplichtingen ingevolge de Wob, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob richtlijnconform uitleggen.

4.5.    De hiervoor onder 3. vermelde, door de ANVS gestelde vrees voor afbreuk aan de betrekkingen met het IAEA en de daarmee samenwerkende landen, is onvoldoende voor toepasselijkheid van de overeenkomstig  Richtlijn 2003/4/EG restrictief uit te leggen weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Gelet hierop en op de op grond van de richtlijn geldende verplichting het publiek behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van toegang tot milieu-informatie, had de ANVS bij het IAEA navraag moeten doen welke landen zich tegen openbaarmaking van hun meetresultaten verzetten en of, en in hoeverre de gegevens uit het metingenoverzicht, zo nodig in een andere vorm, openbaar gemaakt kunnen worden zonder dat daardoor afbreuk aan internationale betrekkingen wordt gedaan. Daarbij is van belang dat een aantal landen en de European Nuclear Safety Regulators Group reeds tot publicatie van delen van het metingenoverzicht zijn overgegaan. Nu de ANVS bij het besluit van 6 april 2018 de weigering tot openbaarmaking van het metingenoverzicht op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob heeft gehandhaafd zonder het IAEA een zienswijze hierover te hebben gevraagd, is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

* 15 april 2020 (ABRvS 201903493/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, geur, Wgv, emissiefactoren (Rb Oost-Brabant 18/2139)
2.4.    Uit de artikelen 2, 3 en 10 van de Wgv, in samenhang met artikel 2 van de Rgv, volgt dat het college bij de beoordeling van de aanvraag de geurbelasting moest berekenen aan de hand van de in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren (zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3423). De Wgv biedt niet de vrijheid om andere geuremissiefactoren te hanteren.

2.5.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college in het besluit van 10 juli 2018 terecht uit voorzorg, om risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen, de geldende geuremissiefactoren buiten toepassing heeft gelaten. Daarbij is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat het exclusieve wettelijke toetsingskader van de Wgv buiten toepassing kan worden gelaten, omdat aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk is gemaakt dat dat toetsingskader niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Zij heeft daarbij niet onderkend dat de omstandigheid dat dat aannemelijk zou zijn gemaakt, op zichzelf geen grondslag is om een wet in formele zin zoals de Wgv buiten toepassing te laten door andere geuremissiefactoren te hanteren. Het oordeel van de rechtbank dat het college in dit geval de aangevraagde vergunning gedeeltelijk mocht weigeren, is dan ook ten onrechte gebaseerd op de overweging dat het college mocht aannemen dat dit toetsingskader niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Dit oordeel van de rechtbank is daarom onjuist.
………………………
4.1.    Door de vernietiging van het besluit van 10 juli 2018 zou het college een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van [appellant]. Aangezien op 20 juli 2018 geuremissiefactoren in bijlage 1 bij de Rgv zijn gewijzigd overeenkomstig de conceptregeling, zou het college bij het nieuw te nemen besluit de geuremissiefactoren moeten toepassen die het bij het besluit van 10 juli 2018 ten onrechte had toegepast. Het nieuw te nemen besluit zou daarmee gelijkluidend worden aan het vernietigde besluit van 10 juli 2018. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 10 juli 2018 in stand te laten. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning voor het houden van 2.945 vleeskalveren in stand blijft.

# 15 april 2020 (ABRvS 201902812/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding met veestal, provinciale omgevingsverordening, vvgb, cumulatie geur (Rb Noord-Nederland 18/181)
6.4.    De berekening van de cumulatieve geurbelasting is gemaakt met toepassing van het rekenmodel V-stacks. In het aanvullende deskundigenbericht van 16 augustus 2018 dat de Stichting advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening in beroep heeft uitgebracht, staat dat voor het bepalen van de bijdrage aan de geurbelasting door veehouderijen zonder geuremissiefactor geen omrekenfactoren of regels bestaan. Het gebruiken van schattingen of reserveringen, zoals wordt aanbevolen in de handleiding V-stacks Gebied waarop [appellant] en anderen in beroep hebben gewezen, zou volgens het deskundigenbericht nog wel kunnen in geval van een onderbouwing van een geurverordening voor een gemeentelijk gebied, maar is niet goed toepasbaar voor het bepalen van de cumulatieve geurbelasting van een gevoelig object. Daarbij gaat het, aldus het deskundigenbericht, immers al snel over het al dan niet overschrijden van een grenswaarde, en is dus een grotere nauwkeurigheid vereist dan zou kunnen worden bereikt op basis van inschattingen. Bovendien is voor wat betreft de onderhavige situatie niet op voorhand duidelijk of deze voldoet aan de in de Gebruikershandleiding genoemde “clustering van grote melkveehouderijen aan de rand van een woonbebouwing of een clustering van pelsdierfokkerijen”, op grond waarvan rekening houden met de geurbijdrage van deze bedrijven aangewezen zou zijn.

[appellant] en anderen hebben geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college en de raad niettemin waren gehouden om ook de bijdrage van veehouderijen zonder geuremissiefactor aan de cumulatieve geurbelasting in de berekening te betrekken. Voor veehouderijen zonder geuremissiefactor gelden minimale afstanden tot geurgevoelige objecten. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de veehouderijen zonder geuremissiefactor in de omgeving daaraan voldoen. Gelet daarop mochten het college en de raad ervan uitgaan dat de bijdrage van veehouderijen zonder geuremissiefactor aan de cumulatieve geurbelasting niet maakt dat het project tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leidt.

* 15 april 2020 (ABRvS 201900741/1/R1): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling bedrijventerrein naar woongebied, belanghebbenden, waterwoningen, provinciale verordening, verkeersveiligheid
7.4.    De Afdeling overweegt dat, onder bepaalde omstandigheden, woningbouw op zichzelf een groot openbaar belang kan dienen. De strekking van artikel 24, eerste lid, van de PRV is om binnen een bufferzone verstedelijking in de vorm van nieuwbouw tegen te gaan. In het licht daarvan is de enkele omstandigheid dat de woningbouw past in de woningbouwopgave, onvoldoende om een groot openbaar belang aan te nemen. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat bufferzones, gegeven de grote behoefte aan nieuwe woningen die op dit moment in elk geval in de randstad aanwezig is, ondanks deze bepaling het gevaar lopen te worden volgebouwd. De raad heeft niet nader onderbouwd waarom de beoogde woningen moeten worden gerealiseerd aan de oever van De Mooie Nel in een bufferzone. De stelling van de raad dat de acht waterwoningen een financiële bijdrage leveren in de grondexploitatie van SpaarneBuiten volgt de Afdeling niet, omdat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de acht waterwoningen een zodanig belangrijke financiële bijdrage aan de grondexploitatie van SpaarneBuiten leveren dat zonder die bijdrage het woongebied van ongeveer 315 woningen, dat overigens inmiddels grotendeels is gerealiseerd, niet gerealiseerd zou kunnen worden. Nu de raad in dit geval niet afdoende heeft gemotiveerd dat met toepassing van het zesde en zevende lid in woningbouw kan worden voorzien, is het plan vastgesteld in strijd met artikel 24 van de PRV.

Het betoog slaagt.

* 15 april 2020 (ABRvS 201809906/1/A2): Awb, Mbw; schadevergoeding, Waarborgfonds mijnbouwschade, verjaring, juridisch kader, zaakschade, kosten van toekomstig herstel,  (Rb Limburg 17/3837 en 17/3839)
78.    Ten behoeve van de duidelijkheid en leesbaarheid van deze uitspraak vat de Afdeling haar belangrijkste conclusies samen:

  • Het in hoger beroep naar voren gebrachte betoog van de minister dat artikel 137 van de Mijnbouwwet, waarop de aanspraken van [appellanten sub 2] gebaseerd zijn, toepassing mist, slaagt niet.
  • Datzelfde geldt voor het betoog van de minister dat die aanspraken zijn verjaard.
  • De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de schade die het gevolg is van het feit dat de woningen in een risicogebied liggen, niet onder de te vergoeden zaakschade valt.
  • Dat neemt niet weg, dat de waardedaling van de woningen die het gevolg is van het risico dat de beschadiging zich opnieuw zal voordoen, omdat de oorzaak van de beschadiging niet is weggenomen en dit van invloed is op de waarde er wel onder valt.
  • Gederfd woongenot en onder 57. genoemde kosten vallen er niet onder, maar kosten van periodieke controle die de Afdeling in navolging van de commissie aanmerkt als schadebeperking wel.

* 15 april 2020 (ABRvS 201807155/1/R1): Awb, Wro; bpl, “bevriezing” van huidige detailhandelsvestigingen in “toeristenbranche”, postcodegebied, gebruiksverbod, Dienstenrichtlijn, noodzakelijkheid, evenredigheid, effectiviteit
Het bestemmingsplan verbiedt nieuwe winkels in het centrum van Amsterdam die zich voornamelijk op toeristen en dagjesmensen richten, zoals toeristen- en souvenirwinkels. De gemeente wil daarmee een zogenoemde monocultuur in het centrum tegengaan en voorkomen dat winkels die op toeristen zijn gericht de overhand krijgen in het straatbeeld. Het bestemmingsplan biedt een aanscherping van al bestaand beleid in Amsterdam. Al voor 2017 bestaande toeristische bedrijven blijven buiten schot. Verschillende pandeigenaren en bedrijven zijn tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij exploiteren toeristenwinkels in het centrum en zijn het niet eens met de beperkingen die het bestemmingsplan oplegt.

Volgens de winkeleigenaren handelt de gemeente om verschillende redenen in strijd met de Europese Dienstenrichtlijn. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de gemeenteraad zich ‘in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een monocultuur aan winkels en voorzieningen’ in het centrumgebied, en heeft de gemeenteraad het weren van nieuwe toeristische winkels ‘noodzakelijk mogen achten met het oog op de belangen van de mensen die wonen en/of werken in Amsterdam’. Daarnaast slagen ook de bezwaren over discriminatie en waardevermindering van panden niet.

* 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3398, LEE 19/4391 tot en met 19/4395 en LEE 19/4397 tot en met LEE 19/4418): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, zonnepark, belanghebbenden/open landschap, maatschappelijk draagvlak/inspanningsverplichting, geen vvgb nodig
2.4.  Gezien de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval, merkt de rechtbank diegenen als belanghebbenden aan die op minder dan 1.000 meter van het te realiseren zonnepark woonachtig zijn dan wel daar hun bedrijf hebben. De rechtbank neemt deze grotere afstand als scheidslijn gezien het open weidelandschap, de centrale ligging van het zonnepark in dit landschap en de zichtbaarheid van veraf van een lange haag van ongeveer twee meter hoog, die beoogd wordt om het zonnepark zelf aan het zicht te onttrekken.

Om die reden zijn de beroepen geregistreerd als LEE 18/3398, LEE 19/4393, LEE 19/4394, LEE 19/4395, LEE 19/4397, LEE 19/4399, LEE 19/4402, LEE 19/4403, LEE 19/4404, LEE 19/4405, LEE 19/4406, LEE 19/4407, LEE 19/4408, LEE 19/4409, LEE 19/4410, LEE 19/4411, LEE 19/4415, LEE 19/4416 en LEE 19/4417 ontvankelijk.

2.5.  Het voorgaande betekent dat de beroepen van de eisers die woonachtig zijn op meer dan 1.000 meter afstand, niet-ontvankelijk zijn. Het betreft de beroepen geregistreerd als LEE 19/4391, LEE 19/4401, LEE 19/4412, LEE 19/4413, LEE 19/4414 en LEE 19/4418.

* 8 april 2020 (ABRvS 202002099/1/R1 en /2/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo en korstluiten, verzoek om handhaving/ingebrekestelling, storten van granuliet, Bbk, belanghebbende, bevoegdheid RvS/rechtbank
4.    In onder meer de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer zijn aan de raad en het college bevoegdheden toegekend op het gebied van de ruimtelijke ordening en het milieubeheer in de desbetreffende gemeente. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat, los van de vraag of zich daadwerkelijk overtredingen plaatsvinden zoals de gemeente stelt, voldoende grond voor de conclusie dat die belangen in dit geval in het geding zijn. De voorzieningenrechter acht in dat verband mede de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:938, onder 3, van belang. Tevens acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat is overeengekomen dat de gemeente als rechtspersoon eigenaar zal worden van het terrein, en voorts dat zij thans al eigenaar is van gronden in de omgeving. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter, anders dan de minister, zowel de raad en het college, als de gemeente als rechtspersoon, belanghebbende bij het verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.
5.1.    Het verzoek om handhaving van de gemeente is gestoeld op een mogelijke overtreding van een of meer bepalingen van de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer, het Besluit bodemkwaliteit en/of de Waterwet worden overtreden. Het Besluit bodemkwaliteit heeft zijn grondslag in de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming. Die wetten worden, voor zover hier van belang, genoemd in artikel 2 van Bijlage 2 bij de Awb. Dit betekent dat in zoverre ingevolge artikel 8:6 van de Awb beroep op de Afdeling openstaat en niet op de rechtbank. De omstandigheid dat in het verzoek om handhaving ook artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet wordt genoemd, welk artikel niet is vermeld in artikel 2 van Bijlage 2, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de bevoegdheid van de Afdeling af. In dat verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:622, onder 7.2. In die zaak was een last aan de orde die niet splitsbaar is in een deelbesluit dat is gebaseerd op een overtreding ter zake waarvan bij de Afdeling beroep moet worden ingesteld, en een deelbesluit dat is gebaseerd op andere overtredingen waartegen bij de rechtbank beroep kan worden ingesteld. Om die reden heeft de Afdeling zich bevoegd geacht om kennis te nemen van het beroep met betrekking tot die last. In het voorliggende geval heeft de minister nog geen besluit op het verzoek om handhaving genomen. Het verzoek om handhaving moet echter worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van een besluit met een vergelijkbare strekking als de last die in de uitspraak van 27 februari 2019 aan de orde was. Dit betekent dat over de bevoegdheid van de Afdeling in gelijke zin moet worden geoordeeld als in de uitspraak van 27 februari 2019. Dat neemt niet weg dat wanneer de minister ervoor kiest het verzoek om handhaving af te wijzen, de rechtsbescherming alsnog is verdeeld en gedeeltelijk berust bij de Afdeling en gedeeltelijk bij de rechtbank.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter zich bevoegd acht om kennis te nemen van het geschil.
6.3  …………………………
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat de gemeente in haar verzoek om handhaving naar voren heeft gebracht, voldoende elementen bevat om te oordelen dat zich een zodanige spoed voordoet dat de uiterste termijn van acht weken die is vervat in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb niet kan worden afgewacht. Daarbij heeft de voorzieningenrechter het oog op het hoge tempo waarin de werkzaamheden ter plaatse worden verricht en op het feit dat scheepsladingen materiaal worden verwerkt. Verder acht hij het onomkeerbare karakter van de werkzaamheden en de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid van belang. Hiermee is overigens niet gezegd dat de voorzieningenrechter inschat dat die risico’s zich daadwerkelijk voordoen. De vraag of dat het geval is en of sprake is van overtreding van wettelijke bepalingen, kan in deze procedure niet aan de orde komen. De onderhavige procedure betreft immers uitsluitend de vraag of de minister al dan niet tijdig een besluit heeft genomen op het verzoek om handhaving van de gemeente.

De voorzieningenrechter acht een beslistermijn van zeven dagen niet onredelijk. Daarbij neemt hij in aanmerking dat het voor de minister, mede gelet op het reeds aanwezige onderzoeksmateriaal, niet onmogelijk moest worden geacht om, na overleg met de minister voor Milieu en Wonen, binnen die termijn een weloverwogen besluit op het verzoek van de gemeente te nemen.

Gezien de grote spoedeisendheid van de situatie is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat artikel 6:12, derde lid, van de Awb van toepassing is. Van de gemeente kon derhalve niet worden gevergd om na ommekomst van de door haar gestelde termijn van zeven dagen twee weken na ingebrekestelling te wachten met het instellen van beroep. Dit is te minder het geval nu de minister reeds bij brief van 24 maart 2020 heeft laten weten kennis te hebben genomen van het verzoek van de gemeente om binnen zeven dagen een besluit te nemen, maar dat die termijn wat de minister betreft niet haalbaar is en dat de wettelijke termijn van acht weken zal worden aangehouden.

* 13 maart 2020 (Rb Limburg ROE 18/1332): Awb, Wnb, vergunning, veehouderij, pré-PAS, AAgroStacks, grote afstand/AERIUS Calculator, nauwkeurigheid
9. De rechtbank ziet zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of het bestreden besluit met AAgro-stacks-berekeningen voldoende zorgvuldig is voorbereid. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Omdat de aanvraag is ingediend vóór 1 juli 2015 brengt dat mee dat op grond van artikel 7.13 van de Regeling natuurbescherming niet het gebruik van de zogeheten AERIUS Calculator verplicht is voorgeschreven. Vergunninghoudster heeft bij haar aanvraag berekeningen van stikstofemissies met het rekenmodel AAgro-stacks gevoegd en dat is de grondslag voor de verlening van de vergunning geweest. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 februari 2017 (ECLI:NL: RVS:2017:416), onderschrijft de rechtbank het algemene uitgangspunt dat het rekenmodel AAgro-stacks als voldoende representatief en betrouwbaar kan worden beoordeeld. Dat neemt niet weg dat AAgro-stacks ook nadelen kent, zoals de beperking tot een afstand van tien kilometer en dat er inmiddels ook een rekenmodel, AERIUS Calculator, is ontwikkeld dat wel de Natura 2000-gebieden op afstanden boven de tien kilometer kan betrekken in de berekening van stikstofemissies van de veehouderij. In die situatie, waarin bovendien door eiseressen aannemelijk is gemaakt dat sprake is van stikstofdeposities op gevoelige en belaste Natura 2000-gebieden op grotere afstand, ligt het voor de hand dat met de AERIUS Calculator aanvullend onderzoek wordt verricht naar de stikstofdepositie als gevolg van het aangevraagde plan. Het gaat bij vergunningverlening op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb immers om de vraag of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De daarin besloten liggende toets is niet beperkt tot berekening van de effecten van het plan op Natura 2000-gebieden tot tien kilometer van de veehouderij.

  1. Ter zitting is van de zijde van verweerder toegelicht dat in gevallen waarin de AERIUS Calculator niet verplicht is voorgeschreven, door hem wel een aanvullende berekening daarmee wordt gemaakt indien de in de zienswijze aangedragen gronden daartoe aanleiding geven. De rechtbank stelt vast dat eiseressen deze grond reeds in de zienswijze hebben aangevoerd en dat er dan ook voor een aanvullende berekening met de AERIUS Calculator alle aanleiding was. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook.

11. Het beroep is gegrond; het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.