Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 22 april 2020 (ABRvS 201906517/1/A3): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, stapeling zeecontainers, geen vergunning (Rb Den Haag 18/7160)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905999/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiden werktuigberging, veestalling en hooiopslag (Rb Noord-Nederland 18/2024)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905497/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken bewoning pand en verwijderen woonvoorzieningen, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 18/5099)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905287/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, huisvesting statushouders in kantoorpand, belanghebbende, motivering (Rb Den Haag 18/2292)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905264/1/A2): Awb, Wro; planschade, nieuwe wegverbinding, voorzienbaarheid (Rb Limburg 18/941)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905184/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding verdieping woning en dakterras, evidente privaatrechtelijke belemmering/BW (Rb Noord-Holland 18/4777)
* 22 april 2020 (ABRvS 201905121/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwkundig aanpassen hoogspanningsmasten, opwaarderen 380 kV-ring, straling, gezondheidsrisico’s, EVRM
* 22 april 2020 (ABRvS 201905110/1/R1): Awb, Wm, Wbb; vaststelling nota bodembeheer, Bbk, esgronden, bodemkwaliteitsklasse
* 22 april 2020 (ABRvS 201904611/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kampeerboerderij, beslistermijn/geen vergunning van rechtswege (Rb Rotterdam 18/3897)
* 22 april 2020 (ABRvS 201904187/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, dwangsom, dealen drugs, APV (Rb Gelderland 18/2757)
* 22 april 2020 (ABRvS 201903968/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitwegen, APV, tuindeur in erfafscheiding/geen uitweg, niet tijdig nemen besluit/dwangsom (Rb Oost-Brabant 18/1030 en 18/1031)
* 22 april 2020 (ABRvS 201903814/1/R1): Awb, Wro; bpl belanghebbende, natuurtoets/Wnb, provinciale verordening, stikstof/AERIUS
* 22 april 2020 (ABRvS 201903449/1/R3): Awb, Wro; bpl, belanghebbenden, strandopgang, gebiedsbescherming, Chw/relativiteit, PAS/passende beoordeling
* 22 april 2020 (ABRvS 201902922/1/R3): Awb, Wro; bpl
* 22 april 2020 (ABRvS 201902206/1/R1): Awb, Wro; bpl, ontwikkeling buiten stedelijk gebied, provinciale verordening, paardenbak

# 22 april 2020 (ABRvS 201810151/1/R1): Awb, Waterwet, Wabo, Wnb; projectplan, vergunningen/ontheffing, dijkversterking, belanghebbenden, Chw, m.e.r.-plicht, alternatieven/MMA, noodzaak, Natura 2000, cumulatieve effecten, stikstofdepositie, soortenbescherming, cultuurhistorische waarden, schade
* 22 april 2020 (ABRvS 201810119/1/R3): Awb, Wro; afwijzing wijzigingsplan vast te stellen, glastuinbouw naar wonen, vertrouwensbeginsel, gerechtvaardigde verwachting/zwaarder wegende belangen, vergoeden schade
* 22 april 2020 (ABRvS 201809702/1/R3): Awb, Wro; bpl, horeca, bedrijven
* 21 april 2020 (CBb 18/2552, 18/2203, 18/2629 , 18/2752, 18/2689, 18/2826, 18/2797, 18/2838, 18/2720 ): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, investering bedrijfsuitbreiding, EP, knelgevallenregeling, starter
* 17 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1170): Awb, Wabo; niet tijdig bekend maken vergunning van rechtswege, beslistermijn geen sprake van rechtswege verleende vergunning, ontvankelijkheid
* 17 april 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1608): Awb, Gmw; vovo, bestuursdwang, in bewaring nemen en herplaatsen honden, bijtincidenten, APV, onderzoek gedragsdeskundige
* 17 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1248): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zendmast, niet onomkeerbaar
* 17 april 2020 (ABRvS 202001888/1/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding Bbk, graaf- en bouwwerkzaamheden op bodemsaneringslocatie, spoedeisendheid uitvoering last
* 17 april 2020 (ABRvS 201903005/3/R4): Awb; vovo, handhaving, dwangsom, opslag op vloeistofkerende voorziening, geen spoedeisend belang
* 17 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/861 en LEE 20/999): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting pand, hennepkwekerij
* 16 april 2020 (Rb Limburg AWB 19/312): Awb, Opiumwet; sluiting gemeenschapsgebouw, drugs, motorclub
* 16 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/5602 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, hondentrainingshal, geluid, akoestisch onderzoek, bedrijfsvoering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5328 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw op bestaande aanbouw, hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk, Bor, strijd met bpl, motivering
* 15 april 2020 (ABRvS 202001473/2/R1): Awb, Waterwet; vovo, vergunning, waterhuishoudkundige werkzaamheden, bereik Tracéwet, Chw, bevoegdheid vovo-rechter, demping water, compensatie, beleidsregel
* 15 april 2020 (ABRvS 202001065/3/R4): Awb, Wabo; vovo , handhaving, dwangsom, staken houden/verwijderen van paarden
* 15 april 2020 (Rb Noord-Holland C/15/291755 / HA ZA 19-500): BW; burengeschil, onrechtmatige hinder, geluidsoverlast
* 15 april 2020 (ABRvS 201906309/3/R4): Awb, Wro; opheffing vovo, bpl, Chw, zonnepark, verleende omgevingsvergunning
#
14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/245): Awb, Wnb: (preventieve) handhaving, (toekomstige) overtredingen in natuurgebied, muziekfestival, vleermuizen, roeken, analyse overige soorten
#! 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3107): Awb, Waterwet; peilbesluit, veenoxidatie/CO2,/ontgronding, m.e.r.-beoordeling, stikstof/Natura 2000, archeologie
* 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/665): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, slachthuis/winkel, relatie bpl, faillissement, doorstart
* 14 april 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2342): Awb, Gmw; vovo, sluiting sauna, Wet veiligheidsrisico’s, noodverordening, COVID-19
* 14 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3310): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, meubel- en interieurspuiterij, geurreducerende maatregelen, VOS, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2847): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, insectenkwekerij, geurreductie, e-neus
* 10 april 2020 (Rb Rotterdam 6761079 CV EXPL 18-10727): BW; bewijslevering ernstige en structurele (geluids)overlast bovenburen, start ontbinding huurovereenkomst
* 10 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant 20/807 GEMWT VV): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, kampeerplaatsen, ontvankelijkheid
* 10 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4735 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, begunstigingstermijn
* 10 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2208): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, intrekking beroep, proceskostenvergoeding
* 9 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3132): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hekwerk, Bouwbesluit, belangenafweging
* 9 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3133): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke loods, verontreinigde grond/Bouwverordening
* 8 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3444): Awb, Wvw; verkeersbesluit, afsluiting fietsverkeer, werkzaamheden, belangenafweging
* 8 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/800 WET): Awb, Wvw; niet tijdig beslissen op verzoek om verkeersbesluit te nemen
* 8 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2139): Awb; overlast van voeren van duiven, Bouwbesluit, vangen duiven, stoppen met voeren, buurtregisseur, herstelsanctie
* 8 april 2020 (Rb Noord-Holland AWB/HAA 18/5258 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding appartementen hotel, geen vergunning van rechtswege, aanvullende info per e-mail, cultuurhistorische waarde, beschermd dorpsgezicht
* 8 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2030): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken inrit, APV, tweede uitrit, sparen van openbaar groen
* 8 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2906): Awb, Wro; planschade
* 7 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4835): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanpassen monument, tijdelijk verwijderen van orgel, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 6 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1021): Awb,; invordering dwangsom, paardenbakken, gewekt vertrouwen, matiging
* 6 april 2020 (Rb Den Haag SGR 18/8342): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, gebouwen op schoolcampus, belanghebbende, luchtkwaliteit/relativiteit
* 31 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2986-T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afzuigkanaal restaurant, geurhinder, Activiteitenbesluit, ontgeuringsinstallatie, hedonische waarde, roetdeeltjes, tussenuitspraak
* 31 maart 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/1562, 19/1563 en 19/1748): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, vergroten aantal transporten zand en grind van ontgrondingslocatie, verkeerstoename/geluid
* 31 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6148, SGR 18/6150, SGR 19/2881 en SGR 19/2964): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, loods/woning/sportruimte en voetgangersbrug, relatie met bpl, motivering, parkeren
* 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/4490, SGR 18/4492 en SGR 18/4494): Awb, Waterwet; verlenging termijn KWO-vergunningen, ontbreken bodemenergieplan, procesbelang, provinciaal waterplan
* 20 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6802): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, hoge drempel
* 20 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7060): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning  voor afwijkend gebruik, dierenwinkel, belanghebbende, ontbrekende motivering
* 13 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2184): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing bedrijfsruimten tot woningen, geen privaatrechtelijke belemmering
* 12 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1263): Awb, Gmw; vovo, intrekking exploitatievergunningen, seksinrichting/escortbedrijf, APV, geen beheerder aanwezig
* 4 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/817): Awb; invordering dwangsom, geen griffierecht, ontvankelijkheid
* 13 februari 2020 (Hof Den Bosch 20-000939-15, 20-000965-15 en 20-001005-15): WSr, WED, Waterwet, Wabo; lozen afvalwater zonder vergunning, Bor, composteerterrein, pleger, functioneel dader, medepleger en door rechtspersoon waaraan feitelijk leiding is gegeven, daderschapsconstructies, belanghebbende
* 7 januari 2020 (Hof Amsterdam 23-000958-19): WSr, WED, Wm; afval op straat gooien, afvalstoffenverordening

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 22 april 2020 (ABRvS 201905264/1/A2): Awb, Wro; planschade, nieuwe wegverbinding, voorzienbaarheid (Rb Limburg 18/941)
4.5.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen – waarnaar [verzoeker] verwijst in zijn nadere stuk – is de Afdeling van oordeel dat het tijdsverloop tussen de aankoop van de woning in 1970 en de inwerkingtreding van het inpassingsplan 43 jaar later, niet maakt dat in dit geval de voorzienbaarheid niet aan [verzoeker] tegengeworpen kan worden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor de aanvrager voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de aankoop van het eigen perceel van belang (uitspraak van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8882 en de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 5.29). Aan het tijdsverloop tussen de aankoop van de woning en de vaststelling van het inpassingsplan komt dan ook niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend. Voor de vraag of de schade voor rekening gelaten moet worden omdat deze voorzienbaar was is alleen van belang of voor een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van de aankoop aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Indien dat het geval is, dan wordt de koper daarmee de ten tijde van de koop bestaande planologische mogelijkheden geacht te hebben aanvaard. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling op grond van het Streekplan 1962 voorzienbaar was.

Het betoog slaagt.

# 22 april 2020 (ABRvS 201810151/1/R1): Awb, Waterwet, Wabo, Wnb; projectplan, vergunningen/ontheffing, dijkversterking, belanghebbenden, Chw, m.e.r.-plicht, alternatieven/MMA, noodzaak, Natura 2000, cumulatieve effecten, stikstofdepositie, soortenbescherming, cultuurhistorische waarden, schade
11.7.    Op grond van artikel 3, tweede lid, van de SMB-richtlijn dient een planMER te worden opgesteld wanneer een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dat een passende beoordeling is opgesteld, maakt niet dat er in dit geval een verplichting bestaat om een planMER te maken, nu de passende beoordeling niet is opgesteld voor een plan (of programma) als bedoeld in de Wet natuurbescherming, de SMB-richtlijn of de Habitatrichtlijn. De notitie van de Europese Commissie over toepassing van de Habitatrichtlijn, waar Stichting Zuyderzeedijk en anderen op wijzen, ziet niet specifiek op de afbakening van het planbegrip. In die notitie wordt uitgelegd in welke gevallen een passende beoordeling nodig is voor zowel plannen als projecten. Uit deze notitie volgt dat de realisatie van bouwwerken of andere wijzigingen aan de fysieke leefomgeving kwalificeren als een project, en niet als een plan.
13.6 …………………………….
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de ondergrenzen en signaleringswaarden uit de Waterwet niet planMER-plichtig zijn. Het betoog van Stichting Zuyderzeedijk en anderen dat de ondergrenzen en signaleringswaarden uit de Waterwet een plan of programma zijn en waarvoor ten onrechte geen planMER is opgesteld, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat bijlage II en bijlage III van de Waterwet zijn vastgesteld in strijd met het Europese recht.

Het betoog faalt.

* 22 april 2020 (ABRvS 201903449/1/R3): Awb, Wro; bpl, belanghebbenden, strandopgang, gebiedsbescherming, Chw/relativiteit, PAS/passende beoordeling
16.4.    Omdat de Chw afwijkt van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, kan bij een dergelijke schending van artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. In dit geval is dat niet aannemelijk worden. Dat in de kennisgeving wel is vermeld dat op het besluit de Chw van toepassing is en dat dit onder meer betekent dat bijzondere procedurele bepalingen van toepassing zijn, zoals ter zitting door de raad naar voren gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit hoefden appellanten naar het oordeel van de Afdeling niet af te leiden dat het beroepschrift tegen het besluit van 28 maart 2019 alle gronden van het beroep moet bevatten en dat de in artikel 6:6 van de Awb neergelegde herstelmogelijkheid in deze zaak niet bestond. Ook de omstandigheid dat appellanten door professionele rechtsbijstandverleners worden bijgestaan, maakt niet dat zij ondanks de tekortschietende rechtsmiddelenverwijzing hadden moeten begrijpen dat de herstelmogelijkheid van artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing was (vergelijk de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2046, onder 2.2). Omdat de Chw er in dit geval niet aan in de weg staat dat de beroepsgrond over de gebiedsbescherming in dit stadium van de procedure nog naar voren zou worden gebracht in het beroep tegen het besluit van 28 maart 2019, dat van rechtswege is gericht tegen het wijzigingsbesluit, kan de Chw er alleen al hierom ook niet aan in de weg staan dat deze beroepsgrond, binnen de beroepstermijn tegen het wijzigingsbesluit, tegen het wijzigingsbesluit naar voren wordt gebracht.

Overigens merkt de Afdeling over het wijzigingsbesluit op dat zowel in het wijzigingsbesluit zelf als in de kennisgeving daarvan (Staatscourant van 27 december 2019, nr. 71293) de toepasselijkheid van de Chw niet is vermeld.

* 15 april 2020 (ABRvS 202001473/2/R1): Awb, Waterwet; vovo, vergunning, waterhuishoudkundige werkzaamheden, bereik Tracéwet, Chw, bevoegdheid vovo-rechter, demping water, compensatie, beleidsregel
3.2.    De voorzieningenrechter merkt op dat wanneer [verzoeker A] en [verzoeker B] gelijk zouden hebben waar zij stellen dat de Tracéwet niet van toepassing is, dit ook gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de Afdeling om kennis te nemen van het beroep en dus ook voor de bevoegdheid van haar voorzieningenrechter om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Anders dan de Tracéwet wordt de Waterwet, voor zover hier van belang, namelijk niet genoemd in artikel 2 van Bijlage 2 bij de Awb. Dit betekent dat wanneer het zou gaan om een reguliere watervergunning die niet onder het bereik van de Tracéwet valt, ingevolge artikel 8:6 van de Awb beroep op de rechtbank openstaat en niet op de Afdeling.

3.3.    In artikel 8, eerste lid, van het tracébesluit is bepaald dat ten behoeve van de waterhuishouding de maatregelen worden genomen gericht op waterkwantiteit, waterkwaliteit en “waterveiligheid & watersysteem” als beschreven in de tabellen 7 tot en met 9. Tabel 7 vermeldt het realiseren van compensatie, buiten de begrenzing van het tracébesluit, als gevolg van het dempen van de watergang bij de Oude Bovendijk.

De Afdeling zal pas in de bodemprocedure volledig kunnen beoordelen of deze vermelding in het tracébesluit voldoende is om te concluderen dat ook de watervergunning onder het bereik van de Tracéwet valt en of het aanzienlijke tijdsverloop sinds het vaststellen van het tracébesluit, het feit dat de compensatie buiten het gebied van dat besluit valt en het feit dat de plaats van de compensatie op het moment van het vaststellen van het tracébesluit nog niet was bepaald, wellicht maken dat dit niet zo is. Voorlopig gaat de voorzieningenrechter er echter van uit dat de verleende vergunning onder het bereik van de Tracéwet valt. Daarbij neemt hij in beschouwing dat duidelijk is dat de aanvraag van de vergunning nauw verband houdt met de aanleg van de A16 zoals voorzien in het tracébesluit, het in verband daarmee dempen van een watergang en de compensatie die daarvoor moet worden geboden. Verder wordt die compensatie met zoveel woorden genoemd in het “dictum” van het tracébesluit, zij het dat de precieze locatie onvermeld blijft. In aanmerking genomen dat het verwijderen en terugplaatsen van de ophaalbrug in direct verband staat met het verbreden van de vaart, is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat het vorenstaande ook geldt voor de werkzaamheden die zijn vergund met betrekking tot de brug.

3.4.    Nu de voorzieningenrechter er voorlopig van uitgaat dat de Tracéwet van toepassing is, moet ook de Crisis- en herstelwet van toepassing worden geacht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich bevoegd acht om kennis te nemen van het verzoek en dat het betoog van [verzoeker A] en [verzoeker B] over de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet niet slaagt.
5.5.    Vast staat dat in dit geval een demping in het boezemstelsel plaatsvindt en dat de locatie waarvoor vergunning is verleend, meer dan 2,5 km van het te dempen water ligt. De exacte afstand ligt tussen 2,5 en 3 km. Er doet zich derhalve een afwijking voor van de beleidsregel dat compensatie moet worden geboden binnen een straal van 2,5 km. De vraag rijst of de door het college gegeven motivering die afwijking kan schragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt hij het volgende.

Uit artikel 4:84 van de Awb vloeit voort dat alleen van een beleidsregel mag worden afgeweken als dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hetgeen het college aanvoert om te rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de beleidsregel, voldoet daaraan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. De omstandigheid dat de vergunde werkzaamheden mede tot gevolg zouden hebben dat de doorstroming van de Rodenrijsevaart wordt verbeterd, levert op zichzelf immers geen grond op voor de conclusie dat naleving van de beleidsregel onevenredige gevolgen zou hebben. Voor de omstandigheid dat de eigenaar van het perceel waarop de werkzaamheden zijn voorzien daartegen geen bezwaar heeft, geldt dat evenmin. Dit klemt te meer nu [verzoeker A] ter zitting op zichzelf onweersproken heeft gesteld dat zich nog vele andere vernauwingen in de Rodenrijsevaart bevinden, waarvan er diverse smaller zijn dan de flessenhals ter plaatse van het perceel Rodenrijseweg 54. Weliswaar is van de kant van het college gesteld dat die laatste vernauwing in de praktijk problematischer is dan de meeste andere, maar deze stellingname is gebaseerd op een vertrouwelijk document dat het college niet heeft willen inbrengen in de procedure.

Niet gesteld of gebleken is dat conform artikel 3.2.3 van de Beleidsregels Graven en dempen binnen een straal van maximaal 2,5 km geen geschikte locatie kan worden gevonden om de noodzakelijke compensatie te realiseren. De enkele omstandigheid dat dit misschien op bezwaar zou stuiten bij de betrokken grondeigenaar of -eigenaren, maakt een alternatieve locatie niet op voorhand ongeschikt. De voorzieningenrechter acht bij zijn oordeel mede van belang dat, zoals is vermeld in de toelichting bij de Beleidsregels Graven en dempen, het doel van watercompensatie is om de bergingscapaciteit te waarborgen en aldus peilstijgingen van het water in een bepaald gebied te beperken. Naar moet worden aangenomen houdt de afstandseis van maximaal 2,5 km er verband mee dat compensatie op een grotere afstand in het licht van deze doelstelling minder effect heeft in geval van wateroverlast ter plaatse van de demping. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waardoor in dit geval, ondanks de grotere afstand, een voldoende zinvolle bijdrage zou worden geleverd aan het behoud van de bergingscapaciteit. Dit is te minder het geval nu op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de afstand over water ongeveer 4 km bedraagt, en deze dus nog aanzienlijk groter is dan de hemelsbreed gemeten afstand.

# 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/245): Awb, Wnb: (preventieve) handhaving, (toekomstige) overtredingen in natuurgebied, muziekfestival, vleermuizen, roeken, analyse overige soorten
7.6  ………………………………….
De rechtbank begrijpt de stellingen van eiseres in dit verband, mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, voor het overige aldus dat de door verweerder aan derde-belanghebbende op te leggen dwangsom in het kader van het reguliere gebruik en de inrichting van “De Groene Ster” zou moeten inhouden dat er door derde-belanghebbende gebods- en verbodsborden in “De Groene Ster” dienen te worden geplaatst om mogelijke overtredingen van de bepalingen in de Wnb te voorkomen. In de visie van eiseres zou de grondslag voor een dergelijke last onder dwangsom gelegen zijn in de op verweerder rustende zorgplicht, als bedoeld in artikel 1.11 van de Wnb. In dit verband wijst de rechtbank erop dat het plaatsen van gebods- en verbodsborden primair bedoeld is voor het reguleren van de openbare orde. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder zich in dit verband terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen bepaling in de Wnb als grondslag kan dienen voor een opdracht aan derde-belanghebbende in het kader van de voorgestane inrichting van “De Groene Ster”. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiseres ingeroepen zorgplichtbepaling, als bedoeld in artikel 1.11 van de Wnb, niet als grondslag dienen voor de door eiseres voorgestane last onder dwangsom, aangezien er sprake is van een te ver verwijderd verband.

In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de StAB en de daarop gebaseerde conclusies. Dit brengt met zich dat door eiseres niet aannemelijk is gemaakt dat er op voorhand sprake is van een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat bij het reguliere gebruik van “De Groene Ster” vaststaat dat dit zal leiden tot overtredingen van de Wnb. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat preventief handhavend optreden in de weg wordt gestaan, aangezien op voorhand onbekend is welke individuele bezoeker van “De Groene Ster” een overtreding van een verbod in de Wnb zal begaan. Het enkele feit dat, zoals ter zitting door de gemachtigde van derde-belanghebbende is erkend, dat als gevolg van een fout in strijd met de Leidraad gedragscode is gemaaid in “De Groene Ster”, leidt naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot de conclusie dat er sprake is van een klaarblijkelijke overtreding van de bepalingen van de Wnb. Deze grond van eiseres slaagt niet. Verweerder heeft terecht afgezien van een last onder dwangsom als bedoeld door eiseres.

#! 14 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3107): Awb, Waterwet; peilbesluit, veenoxidatie/CO2,/ontgronding, m.e.r.-beoordeling, stikstof/Natura 2000, archeologie
3.3 Onder verwijzing naar het rapport van StAB overweegt de rechtbank dat sprake is van een peilbesluit dat conserverend van aard is. Alleen in peilvak k02-35 is sprake van een peilverlaging van 10 cm in de zomer, waardoor in de zomer de resterende veenlaag sneller oxideert dan voorheen. In de peilvakken waar sprake is van peilverhogingen neemt de snelheid van oxideren als gevolg van het peilbesluit juist af. In totaliteit is voor het hele plangebied geen sprake van een significante versnelling van de veenafbraak en netto toename van de C02 uitstoot ten opzichte van het voorgaande peilregime. Het peilbesluit leidt derhalve niet tot een verslechtering.

4.4 De rechtbank overweegt dat de Ontgrondingenwet geen definitie van het begrip

‘ontgronding’ bevat. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Ontgrondingenwet (TK 1960 – 1961, 6338, nr. 3) blijkt dat onder het begrip ontgronding moet worden verstaan alle werkzaamheden aan of in de hoogteligging van een terrein of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd (zie ook de uitspraak ECLl:NL:RVS:2013:BY9925).

Naar het oordeel van de rechtbank is met het vaststellen van het peil besluit geen sprake van ontgronden. Daarvoor is van belang dat in het kader van een peilbesluit geen sprake is van actieve werkzaamheden in of aan de hoogteligging van een terrein, waarbij de waterbodem wordt verlaagd. Weliswaar daalt de bodem door de veenoxidatie 1:1ts gevolg van de drooglegging, maar dit betreft een passief proces; er vindt geen (actief) vergraven van de bodem plaats. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het onderhavige peilbesluit in strijd is met de Vogel- of Habitatrichtlijn danwel het Biodiversiteitsverdrag.

Niet aannemelijk is dat het peil besluit nadelige gevolgen heeft voor de Natura 2000 gebieden de Deelen, van Oordt’s Mersken en de Aide Feanen. Daarvoor is allereerst van belang dat het peilbesluit conservatief van aard is; de huidige peilen worden vastgelegd en er worden geen (grote) wijzigingen doorgevoerd. Slechts voor het peilvak kD2-35 wordt het (zomer) peil verlaagd met 10 cm. Ten aanzien daarvan geldt dat, zoals verweerder naar aanleiding van vragen van de StAB heeft aangegeven, de zomerpeilverlaging in dit peil vak kD2-35 (slechts) een beinvloedingsgebied heeft van rond de 100 meter. Nu alle Natura 2000 gebieden op een (veel) grotere afstand liggen, betekent dit dat de verlaging van het zomerpeil in dat peil vak geen effecten heeft voor de waterhuishouding in de Natura 2000 gebieden.

Evenmin heeft het peil besluit en de hierin opgenomen peilveranderingen nadelige gevolgen voor de draagkracht van de betreffende Natura 2000 gebieden ten aanzien van de weidevogels kemphaan of grutto, waarvoor de gebieden van Oordt’s Mersken en Aide Feanen zich kwalificeren. Nu het peil onveranderd blijft of wordt verhoogd is geen sprake van verslechterde omstandigheden wat betreft de fourageermogelijkheden of verblijfsmogelijkheden van deze vogels. Ook heeft de peilverlaging van het zomerpeil in peilvak k02-35 en de peilverhoging van het winterpeil geen nadele gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de weidevogels. Daarvoor is van belang dat dit peilvak geen typisch veenweidegebied is omdat de veenlaag grotendeels verdwenen is, terwijl het landgebruik onveranderd agrarisch blijft. Daarbij zijn er in het plangebied gedeelten aan te wijzen die aantrekkelijker zijn als fourageergebied of leefgebied voor weidevogels, zoals de gronden van heet Fryske Gea in het noordwesten van het plangebied en de Boarnburgumer Petten, waar het beheer extensiever is en de drooglegging geringer.

Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

* 9 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3133): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke loods, verontreinigde grond/Bouwverordening
5.2  De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3243, overwogen dat onder verwijzing naar de toelichting op de Bouwverordening van de gemeente Waalwijk, waarin wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Kamerstukken II, 1995/96, 24 809, nr. 3, blz. 4), artikel 2.4.1 van de Bouwverordening betrekking heeft op bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag.

De rechtbank acht deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing op de Bouwverordening van de gemeente Zaanstad 2008 (de Bouwverordening).

5.3  De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorschriften voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond niet van toepassing zijn op onderhavig project. Onweersproken is namelijk door derde-partij gesteld dat in de loods niet dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven. De loods is vergund ten behoeve van de opslag voor goederen en is onbemand. Artikel 2.4.1 van de Bouwverordening staat dan ook niet in de weg aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Hiermee staat tevens vast dat geen sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Woningwet. Dat de omgevingsvergunning niet in werking is getreden op grond van artikel 6c van de Wabo volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.

* 24 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/4490, SGR 18/4492 en SGR 18/4494): Awb, Waterwet; verlenging termijn KWO-vergunningen, ontbreken bodemenergieplan, procesbelang, provinciaal waterplan
6. In geschil is of verweerder terecht heeft geweigerd de looptijd van de drie watervergunningen te verlengen tot 31 december 2018.

  1. Verweerder stelt zich in bestreden besluit 1, 2 en 3 op het standpunt dat een vergunning voor een bodemenergiesysteem in principe alleen wordt verleend voor een bodemenergiesysteem in het tweede en derde watervoerend pakket. Daartoe verwijst verweerder naar artikel III, derde lid, van de Beleidsregel en Bijlage 7 bij het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Tot de ambitiegebieden horen stedelijk gebied en glastuinbouwgebied, zoals hier het geval is. In ambitiegebieden wordt alleen een vergunning voor een bodemenergiesysteem in het eerste watervoerend pakket verleend indien dat mogelijk is gemaakt door een door verweerder vastgesteld bodemenergieplan. Ten tijde van de besluitvorming was geen bodemenergieplan vastgesteld. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in overeenstemming met het gevoerde beleid het verzoek afgewezen.
    9.2.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat op grond van ervaringen met bodemenergiesystemen in het tweede en derde watervoerend pakket in het Westland, niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat op de locatie van eiseres sprake is van een minder gunstige bodemopbouw in deze pakketten. Daarbij komt dat, zoals ter zitting besproken, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening in haar advies van 7 januari 2019 over de lasten onder dwangsom opmerkt dat de doorlatendheid in het tweede watervoerend pakket in de effectstudie van eiseres juist als zeer goed wordt gekenmerkt. Uit de rapportage van DLVge volgt weliswaar dat het aanpassen van de bronnen van het eerste watervoerende pakket naar het tweede watervoerende pakket economisch niet rendabel is, maar niet is geconcretiseerd welke feitelijke gevolgen deze investering op de bedrijfsvoering van eiseres zal hebben. Daarbij komt dat in deze rapportage is vermeld dat het mogelijk is de energievoorziening op traditionele wijze in te richten. Ter zitting heeft [A] eveneens verklaard dat als alternatief op dit moment gebruik wordt gemaakt van een ketel om de kassen te verwarmen en van oppervlaktewater om deze te koelen. Gelet op het bovenstaande is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat geen alternatieven bestaan voor het gebruik van een KWO-systeem in het eerste watervoerende pakket.

    * 20 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6802): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, hoge drempel
    6.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in navolging van de SAOZ inzichtelijk gemotiveerd dat de onderhavige planologische ontwikkeling op zichzelf in de lijn der verwachtingen lag. In het licht van de eisen die de rechtspraak stelt aan de motivering van het normaal maatschappelijk risico, vormt het advies van de SAOZ echter geen toereikende grondslag voor het door verweerder aangehouden hoge normaal maatschappelijk risico van 11%. Hierbij betrekt de rechtbank dat het gekozen percentage fors hoger ligt dan de 2% die voor indirecte planschade als ondergrens geldt en ook aanzienlijk uitkomt boven de 5% die in gevallen van directe planschade in de rechtspraak als betrekkelijk hoog wordt aangemerkt. In het advies van de SAOZ wordt onderkend dat sprake is van directe planschade en dat de ontstane schade in verhouding tot de waarde van het object als groot moet worden aangemerkt, maar niet is gemotiveerd hoe deze aspecten bij het bepalen van de omvang van het normaal maatschappelijk risico zijn meegewogen. Ook ter zitting heeft verweerder hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Dat betekent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een normaal maatschappelijk risico dat aanzienlijk uitstijgt boven de gebruikelijke percentages. Het betoog van eiseressen slaagt.