Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 29 april 2020 (ABRvS 201906064/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, inhoud woningen, ‘rustende-boer’ -eenheid (Rb Midden-Nederland 18/3720)
* 29 april 2020 (ABRvS 201906063/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, praktijk voor dierfysiotherapie, omgevingsvergunning/bedrijfsvoering/bpl (Rb Midden-Nederland 18/262)
* 29 april 2020 (ABRvS 201905809/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, hernieuwd besluit, drugs
* 29 april 2020 (ABRvS 201905336/1/A2): Awb, Wvw; weigering verkeersbesluit te nemen, verplaatsen bushalte wegens overlast, luchtkwaliteit (Rb Rotterdam 18/1176)
* 29 april 2020 (ABRvS 201905054/1/A3): Awb, Wegenwet; onttrekken aan openbaar verkeer, laden en lossen vrachtwagens, verkeersveiligheid fietsers (Rb Noord-Holland 18/3561)
* 29 april 2020 (ABRvS 201904045/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, afwijking omgevingsvergunning, Bouwbesluit, NEN 6088, Bor (Rb Gelderland 18/95)
* 29 april 2020 (ABRvS 201903837/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en afwijken bpl, vervangende woning, erfgoedverordening, cultuurhistorisch attentiegebied, welstand (Rb Limburg 19/129 en 19/616)
* 29 april 2020 (ABRvS 201903091/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen
# 29 april 2020 (ABRvS 201902112/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, wijziging huisvesting pluimvee, geur, Wgv/Rgv, keus emissiepunt, V-stacksberekening (Rb  Noord-Nederland 17/1449, 17/1450 en 17/1452)
* 29 april 2020 (ABRvS 201900727/1/A1): Awb, Wbb, Wm; handhaving, dwangsom, ongedaan maken bodem- en waterverontreiniging, gereinigde grond in dijklichaam, procedure, bevoegdheid
* 29 april 2020 (ABRvS 201810157/1/A2): Awb, Wnb; verzoek om schadevergoeding, aanwijzingsbesluit, begrenzing Natura 2000-gebied, EP/EVRM/fair balance (Rb Zeeland-West-Brabant 17/7105)
* 29 april 2020 (ABRvS 201809013/5/R1): Awb, Wro; bpl, huisvesting asielzoekers, woon- en leefklimaat, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
# 29 april 2020 (ABRvS 201806949/1/R2): Awb, Wnb; vergunning/ontheffing, bouw en exploitatie windturbines, belanghebbenden/gebieds- en soortenbescherming, relativiteit, stikstof/AERIUS, mortaliteits-criterium, ADC-toets
* 29 april 2020 (ABRvS 201802120/1/R2): Awb, Wro; bpl, landgoed, belanghebbenden, theehuis/Ladder/Bro, evenemententerrein, provinciale verordening, NNN/Wnb, compensatie, ecosysteem, verkeer, parkeren, tussenuitspraak
* 28 april 2020 (CBb 18/2761, 18/666, 18/2811, 18/2817, 18/2798, 18/2798, 18/2818, 18/2830, 18/1827, 18/1827 en 18/2812): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, investering bedrijfsuitbreiding, EP, knelgevallenregeling, starter, ziekte/peildatum, verplaatsing
* 24 april 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1573): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanpassing rijksmonument, rolluiken en B&B-activiteiten
* 24 april 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1551): Awb, Wro; planschade
* 23 april 2020 (EH C-161/19): Niet-nakoming, Vogelrichtlijn, Oostenrijk, vergunningen voor voorjaarsjacht op mannelijke exemplaren van houtsnipvogels, ontbreken van ‘andere bevredigende oplossing’, begrip ‘kleine hoeveelheden’
* 23 april 2020 (EH C‑217/19): Niet-nakoming, Vogelrichtlijn, Finland, vergunningen voor de voorjaarsjacht op mannetjes van de ‘eidereend’, begrippen ‘verstandig gebruik’ en ‘kleine hoeveelheden’
* 23 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE AWB 20/5033 WET B VV en BRE AWB 20/4880 WET B VV): Awb, Opiumwet; vovo, sluiting winkel en opslagruimte, benodigdheden voor hennepteelt
* 22 april 2020 (ABRvS 202001157/3/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, horeca, vergunningen
* 22 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1086E): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, illegale bewoning recreatieverblijf op vakantiepark, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie
* 22 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/865): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, parkeren
* 22 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5620 VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning met berging, drugs, coronavirus, thuisblijven
* 22 april 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1005): Awb; vovo, invordering dwangsom, gebruik woning voor bedrijfsmatige prostitutie
* 20 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2546); Awb Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen dakkapel en afwijken bpl, aanpassing besluit/nadere motivering, gemaakte kosten in bezwaar
* 20 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5072 WABOA VV en BRE 20/5073 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitweg, woning, APV, verkeersveiligheid
* 16 april 2020 (Rb Midden-Nederland : UTR 20/93 en UTR 20/94): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, strijdig gebruik van woningen op recreatiepark, planregels, overtreder, bewijslast
* 15 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3409): Awb, Gmw; handhaving, sluiting horecabedrijf, schietincident, openbare orde en veiligheid, beleidsregel, schadevergoeding, nadeelcompensatie
* 14 april 2020 (Rb Den haag SGR 19/6020): Awb; verhaal kosten bestuursdwang, verwijderen waterplanten uit sloten, onderhoudsplicht
* 14 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/629): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, loods, bezwaar tegen besluit en legesbrief, besluit stond nog niet in rechte vast
* 10 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/2875): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, spoorwegemplacement, van de representatieve bedrijfssituatie, geluid, voorschrift, snelheidscontrole, Spoorwegwet
* 9 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/5180): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, horeca, toiletten, onduidelijkheden besluitvorming
* 9 april 2020 (Rb Limburg AWB 19/1432): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, geen exploitatievergunning en melding /gebruiksvergunning brandveilig gebruik, bevoegdheid, motivering
* 9 april 2020 (Rb Den haag SGR 19/1104): Awb, Waterwet; peilbesluit, wateroverlast, maaiveldcriterium, overstromingskans
* 9 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1922): Awb; invordering dwangsom, permanente bewoning van recreatiewoning, strijd met bpl, bewijslast
* 9 april 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2132 en SGR 20/2134): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, bedrijfsmatig gebruik woning voor logiesfunctie, strijd met bpl
* 7 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1891): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke antennemast, radiofrequente straling, gezondheidsrisico’s
* 3 april 2020 (Rb Limburg ROE 19/1402): Awb, AWR; leges omgevingsvergunning, windpark
* 3 april 2020 (Rb Gelderland AWB 19/2237): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanplanten van bomen, hagen en struwelen op agrarische percelen, bpl, landschapsplan, aantal bomen per hectare
* 2 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5385): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, paardenbak, mestplaat met overkapping, lichtmasten en een lantaarnpaal, geen UOV toegepast
* 1 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1285 en SHE 19/1366 T): Awb, Waterwet: (intrekken) vergunning voor onttrekken van grondwater, beleidsregels/feitelijke onttrekkingen, natuurwaarden/KRW, m.e.r.-beoordeling, schade, tussenuitspraak
* 1 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/712): Awb; nadeelcompensatie/planschade, bouwen in winterbed, verjaring
* 30 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2003): Awb, Wabo; handhaving, opslag van materialen, strijd met bpl
* 30 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2337): Awb Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, warmtepomp bij woning, geluid, APV, goede ruimtelijke ordening
* 25 maart 2020 (Rb Limburg AWB 19/1942): Awb, Ww; handhaving, tuinmuur, vergunningvrij, uiterlijk van bouwwerk niet te zien door klimop, daarom geen sprake van welstandsexces
* 5 september 2019 (Rb Gelderland AWB 19/3137): Awb, Wnb; vergunning, productiebedrijf voor houtskoolbriketten, PAS, passende boordeling, Habitatrichtlijn
* 21 augustus 2019 (Rb Gelderland AWB 18/5912): Awb, Wro; planschade
* 8 november 2018 (Rb Gelderland AWB 18/3987): Awb, Wabo; niet in behandeling nemen aanvraag om vergunning, systematiek Omgevingsloket
* 10 oktober 2018 (Rb Gelderland 18/2335): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, overlast afvallende kastanjes, lijst van waardevolle bomen, bomenverordening

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 29 april 2020 (ABRvS 201900727/1/A1): Awb, Wbb, Wm; handhaving, dwangsom, ongedaan maken bodem- en waterverontreiniging, gereinigde grond in dijklichaam, procedure, bevoegdheid
8.2.4.    Voor beantwoording van de vraag of artikel 13 van de Wbb is overtreden, is in beginsel van belang of het waterschap wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de bodem door het verbreden en verstevigen van de dijk met TGG kon worden verontreinigd. De Afdeling is van oordeel dat dat niet het geval was, omdat voor de TGG een certificaat is afgegeven. Dit betekent dat het waterschap niet op grond van artikel 13 van de Wbb verplicht was om maatregelen te treffen om de verontreiniging te voorkomen. Anders dan het waterschap heeft aangevoerd, betekent het echter niet dat het waterschap artikel 13 van de Wbb daarom niet heeft overtreden. Dit artikel kan namelijk ook worden overtreden als er, wanneer de verontreiniging zich eenmaal voordoet, niet alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om de verontreiniging en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het waterschap is in maart 2016 begonnen met het verbreden en verstevigen van de dijk. In juli 2016 ontstond het vermoeden van verontreiniging. Ten aanzien van de bodem- en grondwaterverontreiniging mocht het college tot het oordeel komen dat het waterschap ten tijde van het primaire besluit van 14 november 2017 onvoldoende maatregelen had getroffen. Op dat moment had het waterschap alleen nog maar onderzoek laten doen naar de verontreiniging, maar geen maatregelen getroffen die de verontreiniging ook daadwerkelijk beperkten en zoveel mogelijk ongedaan maakten, terwijl inmiddels wel al meer dan een jaar tijd verstreken was sinds het vermoeden van verontreiniging was ontstaan. Weliswaar heeft het waterschap op 4 juli 2018 besloten om alle TGG te verwijderen en is in 2018 in afwachting van die verwijdering het waterschap begonnen met een monitoring van de grondwaterverontreiniging, maar deze maatregelen zijn van na het primaire besluit, nog daargelaten of deze maatregelen voldoende zouden zijn geweest voor het oordeel dat aan artikel 13 van de Wbb is voldaan.

8.2.5.    Gelet op het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat het waterschap artikel 13 van de Wbb heeft overtreden.

8.3.    Omdat het waterschap artikel 13 van de Wbb heeft overtreden, was het college reeds daarom bevoegd om handhavend op te treden. Het is daarom niet nodig om ook te beoordelen of het waterschap artikel 1.1a van de Wet milieubeheer heeft overtreden.

* 29 april 2020 (ABRvS 201810157/1/A2): Awb, Wnb; verzoek om schadevergoeding, aanwijzingsbesluit, begrenzing Natura 2000-gebied, EP/EVRM/fair balance (Rb Zeeland-West-Brabant 17/7105)
6.1.    Ingevolge artikel 9.10, eerste lid, van de Wnb worden aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Nbw 1998 vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wnb op 1 januari 2017 overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wnb behandeld. De duidelijke tekst van die bepaling laat geen ruimte voor andere mogelijkheden. Gelet op deze bewuste keuze van de wetgever is voor het toepasselijk recht dus niet van belang dat ten tijde van het nemen van het wijzigingsbesluit en het indienen van het verzoek om schadevergoeding de Nbw 1998 nog van toepassing was. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het verzoek van North Sea Port om schadevergoeding, nu daarop op die datum nog niet was beslist, moest worden beoordeeld met toepassing van de Wnb.

Voor de stelling van North Sea Port, dat zij de dupe is geworden van het late beslissen door de minister, ziet de Afdeling geen grond. De beslistermijn van acht weken verliep op 3 januari 2017. Ook als de minister had beslist binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken, had de minister op of direct na 1 januari 2017 kunnen beslissen. North Sea Port is daarom niet benadeeld door de verlenging van de beslistermijn en het overschrijden daarvan.
6.4.    Niet in geschil is dat het wijzigingsbesluit een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wnb is. Een verzoek om tegemoetkoming in schade die het gestelde gevolg is van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, van de Wnb, komt in het stelsel van de Wnb eerst voor toewijzing in aanmerking, nadat een besluit is genomen op een aanvraag van een vergunning die als gevolg van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied, in samenhang met het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wnb, vereist is voor realisering van een bepaald project en dit besluit vervolgens onherroepelijk is geworden en ook aan de overige vereisten voor toewijzing daarvan is voldaan. In gevallen waarin het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wnb, niet van toepassing is op grond van een besluit als bedoeld in artikel 2.9 van de Wnb, waaronder een besluit tot vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Wnb, komt zo’n verzoek eerst voor toewijzing in aanmerking nadat voor het betreffende gebied een besluit als bedoeld in artikel 2.9 van de Wnb is vastgesteld en vervolgens onherroepelijk is geworden. In artikel 6.3 van de Wnb is dan ook een schaderegeling opgenomen, waarbij de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen op grond van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet uitdrukkelijk is uitgesloten. Zoals North Sea Port ter zitting heeft erkend, is de tekst van artikel 6.3 van de Wnb duidelijk en biedt dit artikel geen grondslag voor tegemoetkoming in schade zoals door haar is verzocht.

Gelet hierop heeft de rechtbank in de Wnb terecht geen grondslag gezien voor toekenning van de door North Sea Port verzochte schade ten gevolge van het aanwijzingsbesluit, waarbij de rechtbank in zoverre terecht steun heeft gevonden in de uitspraken van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 en van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1698, die zien op afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft derhalve in zoverre terecht geoordeeld dat de keuze van de wetgever om uitsluitend schade te vergoeden eerst nadat de nadere besluiten, als in de vorige alinea vermeld, zijn genomen, in de weg staat aan nadeelcompensatie op grond van het égalité-beginsel.

Het betoog faalt.

* 23 april 2020 (EH C217/19): Niet-nakoming, Vogelrichtlijn, Finland, vergunningen voor de voorjaarsjacht op mannetjes van de ‘eidereend’, begrippen ‘verstandig gebruik’ en ‘kleine hoeveelheden’
67      Uit de bepalingen van artikel 9 van de vogelrichtlijn, die verwijzen naar de strikte controle op de in dat artikel genoemde afwijking en op de selectiviteit van de vangsten, net als overigens uit het algemene evenredigheidsbeginsel, volgt dat die afwijking waarvan een lidstaat gebruik wenst te maken, evenredig moet zijn met de behoeften die deze rechtvaardigen (arrest van 10 september 2009, Commissie/Malta, C76/08, EU:C:2009:535, punt 57).

68      Zo heeft het Hof geoordeeld dat afwijkingen uit hoofde van artikel 9 van de vogelrichtlijn slechts kunnen worden toegestaan indien wordt gewaarborgd dat de populatie van de betrokken soorten op een „bevredigend niveau” wordt gehandhaafd en dat, indien dat niet het geval is, de vogeljacht hoe dan ook niet kan worden beschouwd als verstandig gebruik en bijgevolg geen toelaatbare vorm van exploitatie vormt (zie in die zin arresten van 8 juni 2006, WWF Italia e.a., C60/05, EU:C:2006:378, punt 32, en 10 september 2009, Commissie/Malta, C76/08, EU:C:2009:535, punt 59).

69      In casu moet worden nagegaan of de populatie van de betrokken soorten op een „bevredigend niveau” wordt gehandhaafd; anders kan, zoals in de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak in herinnering is gebracht, niet worden voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn, met name die van het „verstandige gebruik”.
…………………………………….
87      Hieruit volgt dat de door de partijen in het geding ontwikkelde argumenten en de wetenschappelijke bewijzen die zij ter ondersteuning daarvan hebben aangevoerd, niet het bewijs leveren – dat door de Republiek Finland moest worden geleverd – dat de nationale autoriteit op het moment waarop de litigieuze vergunningen werden verleend, over beproefde wetenschappelijke kennis beschikte die erop wees dat de populatie van de betrokken soort op een „bevredigend niveau” werd gehandhaafd zodat het gebruik als „verstandig” kon worden aangemerkt.

88      Daaruit volgt ook dat niet is voldaan aan de voorwaarde inzake „verstandig gebruik” in de zin van artikel 9, lid 1, onder c), van de vogelrichtlijn.
………………………….
95      Bijgevolg beschikten de autoriteiten van de provincie Åland op de referentiedatum niet over gegevens die hen in staat stelden de hoeveelheid vogels van de betrokken populatie die mag worden bejaagd, correct te berekenen.

96      De Republiek Finland heeft dus niet voldaan aan de in artikel 9, lid 1, onder c), van de vogelrichtlijn gestelde voorwaarde inzake „kleine hoeveelheden”.

97      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Republiek Finland, door van 2011 tot en met 2019 regelmatig toestemming te verlenen voor de afgifte van vergunningen voor de voorjaarsjacht op mannetjes van de eidereend in de provincie Åland, de krachtens artikel 7, lid 4, en artikel 9, lid 1, onder c), van de vogelrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

* 22 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5620 VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning met berging, drugs, coronavirus, thuisblijven
2.3  De voorzieningenrechter overweegt dat door de uitbraak van het coronavirus en de op dit moment van kracht zijnde beperkende maatregelen iedere Nederlander geacht wordt zoveel mogelijk thuis te blijven om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Onder deze omstandigheden is het dus van nog meer belang dan anders om over eigen woonruimte te kunnen beschikken. Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen in het algemeen overwogen dat als verzoekster geen onderdak kan vinden bij familie of vrienden, zij gebruik kan maken van de (nood)opvang die Traverse biedt. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster. Aangenomen kan worden dat ook bij Traverse wordt voldaan aan de opgelegde beperkende maatregelen, maar dat neemt niet weg dat het risico van verdere verspreiding van het coronavirus beperkter is indien verzoekster in eigen woonruimte kan verblijven. Nu uit het bestreden besluit en uit de overige stukken niet blijkt dat er concreet specifiek voor verzoekster geschikte alternatieve woonruimte beschikbaar is, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen doorslaggevend gewicht te worden toegekend aan het belang van verzoekster om nog gedurende de periode dat in Nederland de hiervoor bedoelde beperkende maatregelen van kracht zijn in haar eigen woning te kunnen verblijven.

  1. Dit betekent dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal worden ingewilligd. De begunstigingstermijn zal worden verlengd tot 6 weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank op het beroep van verzoekster met zaaknummer 20/5621 WET.* 10 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/2875): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, spoorwegemplacement, van de representatieve bedrijfssituatie, geluid, voorschrift, snelheidscontrole, Spoorwegwet
    11. De rechtbank overweegt dat het hier weliswaar om een hoofdspoorweg gaat, maar tevens om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9553) heeft overwogen, houdt haar jurisprudentie een verdeling in van treinbewegingen die wel en niet als onderdeel van een inrichting kunnen worden aangemerkt. Alleen de treinbewegingen die verband houden met het in werking zijn van de inrichting (het emplacement) als zodanig, moeten als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. Het doorgaande treinverkeer, dat op zichzelf beschouwd los staat van het in werking zijn van het emplacement, behoort niet tot de inrichting. Op de milieugevolgen van dit treinverkeer zijn niet de voor de inrichting geldende regels van toepassing, maar de voor de spoorweg als zodanig geldende regels. Gelet hierop vallen onder de activiteiten van een emplacement dus de rangeerbewegingen en niet het doorgaand treinverkeer. Dat de bevoegdheden voor de hoofdspoorwegen, die zien op een veilig en ongestoord gebruik van het spoor, bij de beheerder liggen, staat naar het oordeel van de rechtbank vanwege deze splitsing daarom niet in de weg aan een bevoegdheid bij een bestuursorgaan (zoals verweerder) om aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo voor een inrichting voorschriften te verbinden op grond van de milieuregelgeving.
  2. De uitspraken van de Afdeling waar eiseres naar verwijst doen hier niet aan af. Hieruit volgt immers slechts dat in het kader van tracébesluiten aan de bevoegde minister dan wel staatssecretaris niet de bevoegdheid toekomt om milieumaatregelen te nemen. In het onderhavige geval is echter, anders dan in de genoemde uitspraken, sprake van een inrichting die valt onder verweerders bevoegdheid op grond van de milieuregelgeving. Ook het feit dat er naast rangeerbewegingen ook sprake is van doorgaande treinen over het emplacement, waarop de milieuregels niet zien, maakt het vorenstaande niet anders. Bovendien is er in de milieuregelgeving geen uitzondering gemaakt voor een inrichting als een spoorwegemplacement.
  3. Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder niet bevoegd is om op het emplacement de snelheid te controleren, is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om verweerder niet bevoegd te achten handhavend op te treden ten opzichte van geluidoverlast als gevolg van het overtreden van voorschrift 3.9. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
    16. Eiseres heeft tot slot betoogd dat een maximum snelheid van 20 km per uur technisch niet uitvoerbaar zou zijn en operationele complicaties oplevert, omdat eventueel te plaatsen borden met een maximum snelheid ook zouden gelden voor doorgaande treinen.
  4. De rechtbank overweegt dat voorschrift 3.9 alleen geldt voor de treinbewegingen die zijn te relateren aan de inrichting, dat wil zeggen aan het emplacement, en dus niet voor doorgaande treinen, die immers buiten de inrichting vallen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat voorschrift 3.9 niet uitvoerbaar zou zijn. Niet valt in te zien waarom eiseres geen instructies kan geven waarin, of borden kan plaatsen waarop het onderscheid duidelijk wordt gemaakt.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat het voorschrift leidt tot operationele complicaties, heeft zij dat onvoldoende concreet en aannemelijk gemaakt. Ook de subsidiaire beroepsgronden slagen derhalve niet.

* 1 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1285 en SHE 19/1366 T): Awb, Waterwet: (intrekken) vergunning voor onttrekken van grondwater, beleidsregels/feitelijke onttrekkingen, natuurwaarden/KRW, m.e.r.-beoordeling, schade, tussenuitspraak
9.7  Verweerder heeft desgevraagd ter zitting uiteengezet dat er weliswaar aan ongeveer 300 miljoen m3 onttrekkingen is vergund, maar dat die feitelijk niet gerealiseerd wordt. Door in afwijking van de beleidsregel de vergunning te verlenen wordt de grens van 250 miljoen m3 aan feitelijke onttrekkingen niet overschreden, aldus verweerder. Verweerder is voornemens om de vergunde hoeveelheid terug te brengen en heeft aangegeven daarom in gesprek te treden met vergunninghouders waarvan bekend is dat zij jaarlijks (duidelijk) minder feitelijk onttrekken dan vergund, om te bezien of afspraken kunnen worden gemaakt over de onttrekking. Verweerder heeft echter niet kunnen aangeven wat concreet de beoogde reductie van vergunde hoeveelheid is. Duidelijk is verder dat de gesprekken waarop verweerder doelt vooralsnog vrijblijvend zijn en dat er (nog) geen concrete voornemens zijn om vergunningen al dan niet gedeeltelijk in te trekken. Zodoende heeft verweerder bij vergunningverlening een voorschot genomen op de uitkomst van gesprekken met andere vergunninghouders, zonder concrete aanleiding om aan te nemen dat die gesprekken zullen leiden tot vermindering van de vergunde hoeveelheid te onttrekken grondwater én dat die vermindering zo groot zal zijn dat de vergunde onttrekking zal worden gereduceerd tot 250 miljoen m3. De rechtbank merkt daarbij op dat het nog maar de vraag is of een vergunninghouder geheel vrijwillig afstand zal willen doen van zijn vergunde rechten.

9.8  Uit het voorgaande volgt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de afwijking van de beleidsregel. Aan het eind van de uitspraak verbindt de rechtbank consequenties aan dit gebrek.
10.6  In de Waterwet is de KRW geïmplementeerd in Nederlands recht. Tot de doelstellingen de Waterwet behoort het bevorderen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Hiermee is een verband gelegd met de doelen die worden gesteld in de Kaderrichtlijn Water (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer 20006-07, 30 818, nr. 3, paragraaf 4.5). De KRW bevat de opdracht aan de lidstaten om in grondwatersystemen te komen tot een situatie (zie: bijlage 5 bij de KRW) waarin op lange termijn de grondwateronttrekking de aanvoer niet overschrijdt. Verder moeten er geen door de mens veroorzaakte veranderingen optreden waardoor significante schade optreedt aan terrestrische natuurgebieden die van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn. In zoverre kan de kwantiteit ook tot een goede ecologische kwaliteit worden gerekend. In het kader van de toetsing aan de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet zal verweerder dit moeten onderzoeken. Het is niet aan verweerder om bij de toetsing van de aangevraagde uitbreiding aan de doelstellingen van de Waterwet te beoordelen of een Wnb vergunning zal worden verleend. Verweerder moet slechts onderzoeken of artikel 2.7 van de Wnb op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestreden besluit in de weg staat.

* 30 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2337): Awb Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, warmtepomp bij woning, geluid, APV, goede ruimtelijke ordening
9.1  De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Deze ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Er is geen regel die verweerder verplicht om voor zijn beleid aan te sluiten bij een eventuele toekomstige norm in het Bouwbesluit. Evenmin is verweerder verplicht om het geluid op de erfgrens te meten, zoals eisers menen. Dat volgt in elk geval niet uit de enkele omstandigheid dat verweerder aansluiting zoekt bij artikel 4:6 van de APV, waarin sprake is van geluidhinder voor de omgeving. Ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3951, waar eisers naar hebben verwezen, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In die zaak ging het over een handhavingskwestie tegen een overtreding van een APV. Het gaat daarbij om een ander toetsingskader dan in onderhavige zaak het geval is. In onderhavige zaak gaat het namelijk om aan de invulling die verweerder in het kader van zijn beleidsruimte geeft aan wat een goede ruimtelijke ordening is. Verweerder mag daarin zijn eigen keuzes maken.

9.2  Omdat verweerder zelf niet over de deskundigheid beschikt om het geluidsniveau van een warmtepomp te meten, mag verweerder zich bij zijn besluitvorming baseren op een geluidsrapport van een deskundige. Dat eisers de resultaten van de geluidsmeting door [A] betwisten door te wijzen op de resultaten van geluidsmetingen die door de fabrikant van de warmtepomp zijn gedaan, maakt dit niet anders. [A] heeft namelijk op de zitting toegelicht dat dergelijke fabrieksmetingen worden uitgevoerd onder de meeste ‘gunstige’ omstandigheden (zonder omgevingsgeluid e.d.) en dat die resultaten vrijwel nooit direct toepasbaar zijn voor veldmetingen. Er is daarom geen reden waarom verweerder niet van het rapport van [A] uit zou mogen gaan.

9.3  Aan de hand van het rapport van [A] heeft verweerder onderbouwd dat de geluidsnorm van 35 dB (A) uit het Activiteitenbesluit niet wordt overschreden. Verder heeft verweerder op de zitting toegelicht dat hij in zijn beoordeling van de geluidshinder heeft betrokken dat de warmtepomp over het algemeen ’s nachts minder vermogen zal produceren. Daarnaast is toegelicht dat de warmtepomp nooit op maximaal vermogen zal werken, omdat deze alleen gebruikt wordt voor de vloerverwarming en niet ook voor de centrale verwarming. Uit deze toelichtingen blijkt dat verweerder alle relevante omstandigheden betrokken heeft bij zijn onevenredigheidtoets. Die toelichting kan de rechtbank volgen. Daar moet mede bij betrokken worden dat een eventuele incidentele overschrijding van de geluidsnorm nog niet met zich meebrengt dat die overschrijding ook onevenredige hinder met zich meebrengt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen vaststellen dat door de plaatsing van de warmtepomp geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft verweerder inzichtelijk onderbouwd dat en op welke wijze hij met alle betrokken belangen, waaronder die van eisers, rekening heeft gehouden.