Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 6 mei 2020 (ABRvS 201908164/1/R3): Awb; verzoek om herziening, bpl
* 6 mei 2020 (ABRvS 201906463/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg, geen vergunningplicht (Rb Oost-Brabant 19/680)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201906261/1/R4): Awb, Wro; bpl, loonbedrijf, woon- en leefklimaat, geluid/onderzoek, verkeer, Natura 2000/relativiteit
* 6 mei 2020 (ABRvS 201905329/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; dwangsom/invordering, afwijking omgevingsvergunning, bouwkundige en uitvoeringsaspecten gebouw, Bouwbesluit (Rb Noord-Nederland 18/3988)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201905301/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kamerverhuur, planregels(Rb Limburg 18/766)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201904442/1/A1): Awb, Wabo; niet tijdig bekend maken van rechtswege verleende vergunning, geen aanvraag om vergunning (Rb Limburg 18/2045)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201904186/1/R2): Awb, Wm; dwangsom, partysalon, geluid, Activiteitenbesluit, voorzieningen, metingen (Rb Oost-Brabant 18/2279)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201904174/1/A3): Awb, Gmw; last onder dwangsom, escortbedrijf, geen vergunning, APV, bewijslast, bevoegdheid, plaats waar de bemiddeling zich op richt  (Rb Amsterdam 18/5712)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201903662/1/A1): Awb, Wabo; bestuursdwang, verwijderen bijgebouw, geen vergunning, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel, gewekte verwachtingen, vergoeding schade (Rb Zeeland-West-Brabant 18/7157)
# 6 mei 2020 (ABRvS 201903452/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, vergroten melkveehouderij, geur/Wgv, bebouwde kom, grondgebondenheid, Natura 2000/relativiteit (Rb Noord-Nederland 17/1624)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201903048/1/A1): Awb; invordering dwangsommen, eetcafé, muziekgeluid, overschrijding geluid grenswaarden, Activiteitenbesluit (Rb Den Haag 18/3231)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201901994/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, parkeren t.b.v. luchthaven, woon- en leefklimaat, vortex (Rb Amsterdam 18/834)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201809129/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, gebruik perceel als camperplaats, landschapskenmerken (Rb Noord-Nederland 17/4486)
* 6 mei 2020 (ABRvS 201808056/1/A1 en 201808487/1/A1): Awb; spoedeisende bestuursdwang en verhaal kosten, saneren asbestverontreiniging door brand, overtreder, specificatie kosten
# 6 mei 2020 (ABRvS 201706783/3/R1): Awb, Wro; bpl, afgesplitst beroep, kleine paardenhouderij
* 6 mei 2020 (ABRvS 201605074/1/R2): Awb, Nbw, Wabo; vergunningen, aanpassing locatie voormalig zendstation, passende beoordeling, bezoekersaantallen/verkeer, verstoring vogels door geluid, verstoring beekprik, vliegend hert, duinpieper, PAS/mitigerende maatregelen
* 1 mei 2020 (ABRvS 202002356/2/R1): Awb, Wbb; vovo, handhaving, dwangsommen, aanvullend bodemonderzoek, plan van aanpak/uitvoeren bodemsanering,
* 1 mei 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/961): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl alsmede veranderen beschermd monument, kantoor naar appartementencomplex
* 30 april 2020 (Rb Gelderland AWB 20/943): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, clubhuis voor motortoerclub, toets bpl, in beroep bpl deels vernietigd
* 30 april 2020 (Rb Gelderland AWB 19/1831 en 19/1267, AWB 19/5664 en 19/5671 en 19/7138 en 19/7141 en AWB 19/2863 en 19/2864): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom/omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, (tijdelijk) stallen van caravans in kassen, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel, evenredigheid, begunstigingstermijn
* 30 april 2020 (EH C‑693/18): Prejudiciële verwijzing, emissies dieselmotorvoertuigen, invalidatieapparaat, computerprogramma voor motorregeling werkt, technologieën en strategieën om de productie van emissies te beperken van verontreinigende stoffen
* 30 april 2020 (EH C‑254/19): Verzoek om prejudiciële beslissing, Habitatrichtlijn, verlenging  vergunning bouw hervergassingsterminal voor vloeibaar aardgas, één en dezelfde verrichting
* 29 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/798): Awb, Waterwet; vovo, peilbesluit, hydrologische scheiding natuurkavels en de agrarische kavels, Natura 2000-gebied, eerder peilbesluit/STAB-verslag
* 29 april 2020 (ABRvS 202002150/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementengebouwen, woon- en leefklimaat
* 28 april 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.186.790/01): BW: ontbinding huurovereenkomst, hennepkwekerij in woning, uitsluiting huurwoning, termijn
* 28 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5576): Awb, Gmw; evenementenvergunning, avondvierdaagse, APV, versterkt geluid, relatie bpl
* 28 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1961): Awb; handhaving, onttrekken aan het openbare verkeer van vier parkeerplaatsen binnen recreatieterrein, besluit, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 28 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1440): Awb, Wvw; verkeersbesluiten, afsluiten parkeerplaatsen bij bossen, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 28 april 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1496): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, stallen van caravans, milieuaspecten, VNG-brochure
* 24 april 2020 (Rb Amsterdam AMS 18/7671): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, woonboten, strijd met bpl, gedoogbeschikkingen
* 24 april 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4664): Awb; warmteplan, Bouwbesluit, concretiserend besluit van algemene strekking, ontvankelijkheid, afbakeningsmethode, gelijkwaardigheid, energiezuinigheid, bevoegdheid
* 23 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5111 T): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken bewoning gebouw en verwijderen woonvoorzieningen, strijd met bpl, Bor, bouwperceel, hoofdgebouw, overtreder, tussenuitspraak
* 22 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1326): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen woonwagen, geen vergunning, strijd met bpl
* 21 april 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 19/00425): Awb, AWR: leges, geweigerde omgevingsvergunning, verschuldigdheid (Rb Gelderland AWB 18/1133)
* 14 april 2020 (Rb Den Haag SGR 18/8262): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en handelingen monumenten, gevelverlichting, horeca in rijksmonument, belanghebbende, motivering
* 14 april 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1449): Awb, Wabo, Gmw; vovo , handhaving, dwangsom, strijdig gebruik woning
* 14 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3508): Awb, Wro; planschade
* 10 april 2020 (Rb Den Haag SGR 18/8303 en SGR 19/3344): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, showroom en parkeergarage
* 10 april 2020 (Rb Gelderland AWB 19/1347): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen van verhard pad en uitrit, ontsluiting landbouwperceel
* 10 april 2020 (Rb Gelderland AWB 19/558): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, spuitzone, motivering
* 9 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1722): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, melkveehouderij, Wnb/vvgb, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
* 2 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/2527, 19/1633 en 19/1634): Awb, Wabo, Hvw, Hvw; handhaving, dwangsom, onttrekken woonruimten, verhuur aan toeristen, geen vergunning, strijd met bpl
# 7 augustus 2018 (Rb Midden-Nederland UTR 18/2426): Awb, Waterwet; vovo, peilbesluit, inschakelen STAB bodemprocedure

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 6 mei 2020 (ABRvS 201906463/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg, geen vergunningplicht (Rb Oost-Brabant 19/680)
4.1 ………………………
In dit geval wordt in de bestaande schutting een poort ter breedte van 1 m geplaatst waardoorheen tuinafval vanuit de achtertuin van [belanghebbende] kan worden afgevoerd en met een fiets van en naar de achtertuin kan worden gegaan. De poort ter breedte van 1 m kan niet worden gebruikt om toegang tot het perceel te verlenen aan een voertuig op meer dan twee wielen. Dit betekent dat geen sprake is van een vergunningplichtige inrit als bedoeld in de Beleidsnotitie waarin een uitleg is gegeven aan het begrip uitweg in artikel 2:12, eerste lid, van de APV. De constructie van de poort in de bestaande schutting en de L-vormige verharding met grasbetonstenen die wordt afgebakend met een plantsoenhek, kan wel een pad als bedoeld in de Beleidsnotitie zijn, maar daarvoor is geen omgevingsvergunning vereist. Daarbij overweegt de Afdeling, zoals zij ook heeft overwogen in de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1112, dat bij een uitweg het in de regel gaat om een aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op de openbare weg. Nu het hier slechts gaat om een poort ter breedte van 1 m in een bestaande schutting en een L-vormige verharding met grasbetonstenen voor het doorlaten van personen, al dan niet met bijvoorbeeld een fiets of tuinafval aan de hand, is van een uitweg geen sprake.

De door [appellant A] en [appellant B] gemaakte vergelijking met de hierboven vermelde uitspraak van 27 juli 2017 gaat niet op, omdat, zoals het college heeft toegelicht, onder het begrip uitweg als bedoeld in het in die zaak geldende beleid niet hetzelfde werd verstaan als een uitweg als bedoeld in de Beleidsnotitie. Dat de rechtbank er vanuit is gegaan dat het plantsoenhek er al stond, leidt, anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen, niet tot een ander oordeel. Het plaatsen van een plantsoenhek is in de privaatrechtelijke toestemming van de gemeente aan [belanghebbende] opgenomen als een van de voorwaarden voor het (gedeeltelijk) gebruiken van de groenstrook als pad. Hoewel het plantsoenhek ten tijde van de aangevallen uitspraak nog niet was geplaatst, dient deze wel degelijk te zijn gerealiseerd op het moment dat [belanghebbende] de groenstrook als pad in gebruik neemt.

Het betoog faalt.

* 6 mei 2020 (ABRvS 201904186/1/R2): Awb, Wm; dwangsom, partysalon, geluid, Activiteitenbesluit, voorzieningen, metingen (Rb Oost-Brabant 18/2279)
3.1.    Dat het college geluidsmetingen heeft laten verrichten naar aanleiding van klachten van omwonenden, houdt verband met de beginselplicht tot handhaving van het college. Wat de achterliggende reden van omwonenden voor het indienen van een klacht over geluidsoverlast ook is, het college zal zelf moeten onderzoeken of er sprake is van een overtreding.

Voor zover [appellante] stelt dat de geluidsmetingen onzorgvuldig zijn uitgevoerd en het college de meetrapporten niet aan de last onder dwangsom ten grondslag heeft mogen leggen, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college op de meetrapporten van de Omgevingsdienst mocht afgaan. Uit de meetrapporten, die zijn opgesteld naar aanleiding van de verrichte geluidsmetingen, blijkt dat de geluidsmetingen zijn verricht door medewerkers van de Omgevingsdienst die deskundig zijn in en opgeleid zijn voor het uitvoeren van geluidsmetingen. Het college mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien [appellante] concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het college niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het college de adviseur een reactie op wat [appellante] over het advies heeft aangevoerd. [appellante] heeft dergelijke aanknopingspunten echter niet aangevoerd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het heeft geregend ter plaatse van de partysalon op de tijdstippen waarop de geluidsmetingen hebben plaatsvonden. Uit de meetrapporten volgt dat het droog was tijdens de geluidsmetingen, en bovendien heeft de geluidsmeting op 11 februari 2017 plaatsgevonden in de woning die is gelegen direct aansluitend aan de partysalon. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de meetrapporten te twijfelen. Voor wat betreft de stelling van [appellante] dat muziek ook afkomstig kon zijn geweest van een van de andere horecagelegenheden in de omgeving, constateert de Afdeling dat met stoorgeluid in de meetrapporten rekening is gehouden. Uit het meetrapport van 20 januari 2018 volgt, anders dan [appellante] stelt, niet dat de medewerker van de Omgevingsdienst aan [appellante] telefonisch heeft toegezegd dat op die dag het maximaal toegestane geluidsniveau niet was overschreden, maar dat de medewerker op dat moment nog niet kon aangeven of het gemeten geluidsniveau te hoog was, omdat bij het opstellen van het meetrapport nog correcties op de geluidsmetingen dienden te worden toegepast. Zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen, heeft [appellante] verder geen tegenrapport van een deskundige overgelegd en is zijzelf ook geen deskundige, waardoor aan haar eigen metingen niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de door de deskundige medewerkers van de Omgevingsdienst verrichte geluidsmetingen onjuist zijn.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat het college op de meetrapporten van de Omgevingsdienst mocht afgaan en daaruit heeft kunnen concluderen dat [appellante] artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit meerdere keren heeft overtreden en derhalve bevoegd was om handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

* 6 mei 2020 (
ABRvS 201901994/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, parkeren t.b.v. luchthaven, woon- en leefklimaat, vortex (Rb Amsterdam 18/834)
4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning voor Schipholparkeren heeft kunnen verlenen. In dat verband voert hij aan dat de omgevingsvergunning leidt tot aantasting van zijn woon- en leefklimaat, in het bijzonder wat betreft de gevolgen voor de luchtkwaliteit als gevolg van het optreden van draaiende luchtwervelingen door startende en landende vliegtuigen, de zogenoemde vortex. Hij wijst erop dat het college niet heeft onderzocht wat deze vortex in combinatie met de voorziene 1300 parkeerplaatsen en de daarbij behorende voertuigbewegingen voor invloed heeft op zijn woon- en leefklimaat, waaronder de luchtkwaliteit.

4.2.    Het college dient, bij de beoordeling of een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, een afweging van de betrokken belangen, waaronder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, te maken. De Afdeling laat in het midden de vraag of met de effecten van de vortex rekening is gehouden in de gehanteerde rekensystematiek voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. In dit geval heeft [appellant] gesteld dat sprake is van zeer locatiespecifieke omstandigheden waarbij de vortex optreedt op geringe hoogte ter plaatse van de gronden van het parkeerterrein en nabij zijn perceel. Gelet daarop had het college, naar het oordeel van de Afdeling, in dit geval in zijn beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening, waaronder de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant], nader aandacht moeten schenken aan de mogelijke effecten van de met het besluit van 19 december 2017 vergunde activiteit in combinatie met de vortex. Uit de door het college overgelegde rapporten en andere stukken van het dossier blijkt niet, althans niet kenbaar, dat deze mogelijke effecten zijn onderzocht. Het besluit van 19 december 2017 is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen. Dat betekent dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt. Aan een bespreking van de overige gronden wordt niet toegekomen.

* 28 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5576): Awb, Gmw; evenementenvergunning, avondvierdaagse, APV, versterkt geluid, relatie bpl
6. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 juli 20151 volgt dat wanneer een evenementenvergunning in strijd is met een bestemmingsplan, het niet zonder meer betekent dat een evenementenvergunning moet worden geweigerd. Het bestemmingsplan ziet immers op aspecten van ruimtelijke ordening en de APV, waarop de evenementenvergunning in kwestie wordt afgegeven, op aspecten van openbare orde en veiligheid. Dat zijn twee verschillende toetsingskaders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een aanvraag voor een evenementenvergunning niet hoeft te toetsen aan het bestemmingsplan.

  1. In artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV, staat dat een evenementenvergunning kan worden geweigerd als de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie. Uit de toelichting bij artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV volgt dat daarbij gedacht kan worden aan een plein in een stil hofje waar geen kermis plaats zou kunnen vinden, maar wel een ingetogen akoestisch miniconcert. Het artikel voorziet dus in de bevoegdheid tot weigering van een vergunning. Verweerder is op basis van dit artikel dus niet verplicht aan de inhoud van het bestemmingsplan te toetsen; hij kán alleen toetsen of een evenement zich verhoudt tot het karakter of de bestemming van de locatie. In dit geval heeft verweerder dit getoetst. Ter zitting heeft verweerder het verduidelijkt: de locatie van en rondom Castellum Hoge Woerd is (onder andere) bestemd voor evenementen en het heeft een open karakter. Het afroepen van de groepen en het spelen van versterkte muziek in en nabij de poorten van Castellum Hoge Woerd valt daarom niet onder de weigeringsgrond van artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV. De rechtbank volgt deze redenering. Het is niet mogelijk voor verweerder om verder aan het bestemmingsplan te toetsen.* 28 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1961): Awb; handhaving, onttrekken aan het openbare verkeer van vier parkeerplaatsen binnen recreatieterrein, besluit, belanghebbenden, ontvankelijkheid
    4. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4154) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in de Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit. Deze uitzondering is aan de orde indien ‘evident geen sprake is van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en daaruit voortvloeiende bevoegdheid.’
  2. Naar het oordeel van de rechtbank is van een evidentie als hiervoor bedoeld in dit geval geen sprake. Eiseres heeft als grondslag voor handhaving verwezen naar de Wegenwet, naar de Wegenverkeerswet en naar de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Coevorden. Niet in geschil is dat verweerder bevoegdheden heeft in het kader van die regelgeving, meer specifiek ook met betrekking tot het gebruik van wegen. Gelet hierop is de mededeling van verweerder dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden in dit geval een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
    9. Om als belanghebbende te worden aangemerkt dient er sprake te zijn van een belang waarmee men zich in voldoende mate onderscheidt van anderen. De rechtbank is gelet op de beschrijving van de situatie zoals hiervoor onder 8 is weergegeven van oordeel dat eiseres zich niet in voldoende mate onderscheidt van anderen. Het plaatsen van de genoemde onderschriftborden heeft immers voor alle gebruikers van het recreatiegebied gevolgen doordat het gebied gedurende de nachtperiode niet meer toegankelijk is. Het plaatsen van de onderschriftborden heeft niet tot gevolg dat het bos (overdag) niet meer als homo-ontmoetingsplaats kan worden gebruikt. Eiseres is daarom met betrekking tot haar verzoek om handhaving niet aan te merken als belanghebbende. Haar verzoek om handhaving kan niet worden aangemerkt als een aanvraag en de afwijzing van haar verzoek niet als een besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV6230, en de uitspraak van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1160). Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    * 24 april 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4664): Awb; warmteplan, Bouwbesluit, concretiserend besluit van algemene strekking, ontvankelijkheid, afbakeningsmethode, gelijkwaardigheid, energiezuinigheid, bevoegdheid
    4. De rechtbank merkt de stichtingen aan als belanghebbende. Het instellen van dit beroep past binnen hun bijzondere doelstellingen en feitelijke werkzaamheden.1 De stichtingen hebben als statutair doel namelijk onder andere om de maatschappelijke legitimiteit van kolen-, olie- en gasbedrijven weg te nemen en om alternatieve aanwending van investeringen en middelen te bewerkstelligen om daarmee de transitie naar een duurzame economie gebaseerd op hernieuwbare energie te versnellen. De stichtingen ontplooien ook feitelijk activiteiten op dit gebied.
  3. De rechtbank oordeelt bovendien dat het warmteplan een besluit is in de definitie van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.2 Een warmteplan is een publiekrechtelijke rechtshandeling, want het is een besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied. Dat staat in de definitie van artikel 1 van het Bouwbesluit. Het rechtsgevolg is dat een aansluitplicht ontstaat. Deze plicht staat in artikel 6.10 van het Bouwbesluit.
  4. Er staat geen beroep open tegen een besluit dat een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel inhoudt.3 De rechtbank oordeelt dat deze bepaling niet van toepassing is op het warmteplan. Het Bouwbesluit geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om een warmteplan vast te stellen, waarbij de raad invulling geeft aan de aspecten die zijn genoemd in de definitie van het begrip warmteplan. Onder meer kan de gemeenteraad het gebied en de periode bepalen waarvoor het plan geldt en de mate van energiezuinigheid van het distributienet. Een warmteplan bepaalt daarmee de feitelijke condities, zoals tijd en plaats voor de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift dat is neergelegd in het Bouwbesluit. Een dergelijk besluit (het warmteplan) is zelf geen algemeen verbindend voorschrift.4 Het besluit concretiseert de ligging en de kenmerken van een warmtenet en bevat geen eigen normstelling. Het is daarom een concretiserend besluit van algemene strekking, zoals bijvoorbeeld de plaatsing van een verkeersbord dat ook is. Daartegen is beroep bij de rechtbank mogelijk.
  5. De rechtbank concludeert dat het warmteplan Sluisbuurt een concretiserend besluit van algemene strekking is en dat de stichtingen ontvankelijk zijn in hun beroep. De rechtbank zal de beroepen daarom inhoudelijk behandelen.
    16. In deze beroepen is aan de orde of en, zo ja, hoe een warmteplan een eigen invulling mag geven aan het begrip gelijkwaardigheid in artikel 1.3 van het Bouwbesluit. De rechtbank stelt vast dat het daarbij alleen gaat om gelijkwaardigheid op het punt van energiezuinigheid. Weliswaar is de aansluitplicht er ook om het warmtenet te verzekeren van een voldoende economische basis, want de aansluitplicht geldt totdat het geplande aantal aansluitingen is bereikt. Artikel 1.3 van het Bouwbesluit beperkt de toets echter tot energiezuinigheid en bescherming van het milieu. Eisers hebben hun beroep alleen gericht op gelijkwaardigheid op het punt van energiezuinigheid. De rechtbank laat de bescherming van het milieu daarom verder buiten beschouwing.
  6. De rechtbank stelt vast dat er in hoofdzaak drie manieren zijn om de energiezuinigheid van een alternatief te vergelijken met de energiezuinigheid van aansluiting op een warmtenet:7

– op basis van de warmtebron, of

– op basis van de warmtebron en de warmtevraag, of

– op basis van de warmtebron, de warmtevraag, de elektriciteitsvraag en de elektriciteitsproductie van het gebouw.

Volgens de gemeenteraad heeft de wetgever hem de vrijheid gegeven om de afbakeningsmethode te kiezen. De rechtbank oordeelt anders.

  1. Ten eerste leest de rechtbank in het Bouwbesluit een keuze voor de derde afbakeningsmethode. Het Bouwbesluit kent prestatie-eisen en functionele eisen. Artikel 1.3 bepaalt dat iemand niet aan de functionele eisen hoeft te voldoen als hij met een alternatief dezelfde prestatie behaalt. Het derde lid voegt daaraan toe dat iemand niet aan de aansluitplicht hoeft te voldoen als hij met een alternatief dezelfde energiezuinigheid behaalt. Energiezuinigheid is geregeld in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit. De rechtbank ziet geen aanwijzing dat het begrip energiezuinigheid in artikel 1.3 een andere betekenis heeft dan in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 5 wordt daarmee bedoeld de mate van energiezuinigheid van een gebouw, uitgedrukt in een energieprestatiecoëfficiënt.8 Daarin zijn de energieprestaties van de warmtebron, de warmtevraag, de elektriciteitsvraag en de elektriciteitsproductie verdisconteerd.9
  2. Ten tweede oordeelt de rechtbank dat voor het standpunt van de gemeenteraad een uitdrukkelijke wettelijke grondslag nodig zou zijn. Hierboven heeft de rechtbank beschreven dat de aansluitplicht in het Bouwbesluit is opgenomen om deze landelijk te uniformeren. Dat de gemeenteraad in het warmteplan zelf een afbakeningsmethode kan kiezen, zou daar haaks op staan. De rechtbank leest in het Bouwbesluit niet dat de gemeenteraad die bevoegdheid zou hebben.
  3. Ten derde vindt de rechtbank het standpunt van de gemeenteraad in strijd met de aard van een warmteplan. Uit de definitie van het begrip warmteplan in artikel 1 van het Bouwbesluit blijkt dat een warmteplan feitelijk van aard is. Het beschrijft het geplande warmtenet en de feitelijke kenmerken daarvan. Het gevolg dat een aansluitplicht geldt staat niet in het warmteplan maar in artikel 6.10 van het Bouwbesluit. Bij deze feitelijke aard van het warmteplan past niet dat daarin de norm van gelijkwaardigheid zou kunnen worden uitgewerkt. Gelijkwaardigheid is in artikel 1.3 van het Bouwbesluit opgenomen als een objectief criterium. Het resultaat van uitvoering van het warmteplan moet objectief worden vergeleken met het aangedragen alternatief. Daarmee verdraagt zich niet dat het warmteplan zelf regels zou mogen bevatten hoe de vergelijking moet worden gemaakt.

Conclusie

  1. De rechtbank concludeert dat hoofdstuk 4 van het warmteplan Sluisbuurt in strijd is met het Bouwbesluit. Door een norm te stellen die de toetsing aan de gelijkwaardigheid beperkt is de gemeenteraad buiten de hem toekomende bevoegdheid getreden.

    * 9 april 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1722): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, melkveehouderij, Wnb/vvgb, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
    4. De strekking van het beroep is – kort gezegd – dat de verklaring van geen bedenkingen niet kon worden gegeven onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Omdat de verklaring van geen bedenkingen geen stand kan houden, kan ook de omgevingsvergunning niet in stand blijven.
  2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien.

6. Dit betekent dat het college de verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van [derde partij 1] niet heeft kunnen geven onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Omdat de verklaring van geen bedenkingen niet onder verwijzing naar het PAS kon worden gegeven, moet het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen onrechtmatig worden geacht. Verweerder heeft zich bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet op het besluit van het college mogen baseren. Het besluit van verweerder waarbij de omgevingsvergunning is verleend, kan dan ook niet in stand blijven. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.