Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 13 mei 2020 (ABRvS 201906596/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 13 mei 2020 (ABRvS 201905712/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiden varkensstal, provinciale verordening, stalderingsregeling, overgangsrecht (Rb Oost-Brabant 18/744 en 18/931)
* 13 mei 2020 (ABRvS 201905563/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, van praktijkruimte naar kamerverhuur, Bor/bevoegdheid, parkeren (Rb Gelderland 18/6013)!
* 13 mei 2020 (ABRvS 201905520/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten, strijd met bpl, één gezamenlijk huishouden, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel (Rb Noord-Holland 18/3613)
* 13 mei 2020 (ABRvS 201905146/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, herplaatsen reclamezuil, gewoon onderhoud, Bor (Rb Gelderland 18/5819)
# 13 mei 2020 (ABRvS 201904583/1/R1): Awb, Wro, Wnb, Wabo; rijksinpassingsplan/ vergunningen, platforms op zee, kabelsystemen, transformatorstation, stikstof/PAS, aanvullende passende beoordeling, Chw, MER, alternatieven, geluid(zone), laagfrequent geluid, tonaal/impulsgeluid
* 13 mei 2020 (ABRvS 201904522/1/R1): Awb, Wro; bpl, gemengd woon-werkgebied, cultuurhistorische waarden, MER
* 13 mei 2020 (ABRvS 201903568/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening
* 13 mei 2020 (ABRvS 201902797/1/A1): Awb, Wm, Wvw; handhaving/treffen maatregelen, luchtkwaliteitseisen, strijd met Europese richtlijn, bevoegdheid om kennis te nemen van beroep, geen aanvraag om verkeersbesluit, geen besluit, ontvankelijkheid
* 13 mei 2020 (ABRvS 201902119/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, berging, planvoorschriften, totale oppervlakte bijgebouwen (Rb Noord-Nederland 18/1646)
* 13 mei 2020 (ABRvS 201900136/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, woonark, bouwwerk, Wvvw (Rb Noord-Holland 18/2622)
* 13 mei 2020 (ABRvS 201706472/2/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, paardenstal, buitenopslag, mestplaat, landgoed, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 mei 2020 (CBb 18/2473): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, niet disproportioneel, EP
* 12 mei 2020 (ABRvS 201909073/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, buitengebied, bedrijfsactiviteiten, stikstof, geluid, VNG-brochure
* 11 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2396): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, logies- en museumfunctie voor voormalige sluiswachterswoning, belanghebbenden, parkeren/CROW
* 11 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 18/5478): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, kortingspercentage, motivering, zelf in de zaak voorzien
* 8 mei 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2256): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zendmast, sitesharing/onderzoek, gezondheid
* 7 mei 2020 (ABRvS 201909074/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, buitengebied, voorwaardelijke verplichtingen landschapsmaatregelen, bedrijfswoningen
* 6 mei 2020 (ABRvS 202000160/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woning
* 6 mei 2020 (CBb 18/906): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, rollend jaargemiddelde, verhoogde melkproductie
* 4 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1596): Awb, DHW, Gmw; DHW-vergunning/vrijstelling exploitatievergunning, stichting, belanghebbende, naamswijziging
* 1 mei 2020 (Rb Rotterdam 8047265 \ CV EXPL 19-40234): BW; burenhinder, geluid, vloeren, normen, metingen
* 30 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5783 WET VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 30 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1161 en UTR 20/1162): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor nieuwe ontsluiting en verharding, belanghebbende, gemeenteraadslid/voortzetting politiek debat
* 30 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/899 en 19/1116): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, actieve risicoaanvaarding
* 28 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5419 WET VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 28 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/934): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, huurappartementen in extra bouwlaag, inmiddels nieuw verleende vergunning voor aangepast bouwplan, geen schadevergoeding
* 28 april 2020 (Rb Limburg ROE 18/2773 en ROE 18/3111): Awb, Msw; boetes, mestvervoer, administratie. Monsterneming, financiële en personele verwevenheid van rechtspersonen
* 24 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2166-T): Awb, Waterwet, Waterschapswet; vaststelling legger oppervlaktewateren, onderhoudsplicht, vertegenwoordiging verweerder op zitting
* 24 april 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5758 GEMWT VV): Awb, Ww; vovo, handhaving, verval pand, Bouwbesluit
* 24 april 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2340): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfsgebouw met koelcellen, landschappelijke kwaliteit, provinciale verordening, structuurvisie
* 23 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4939): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitrit, elektrische auto, APV, verlies openbare parkeerplaats, CROW
* 22 april 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1142 en SGR 20/1921): Awb; nadeelcompensatie, bouw parkeergarage
* 17 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/925 en UTR 20/1025): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunningen voor bouwen, vergroten woningen/dichtmaken carports, relatie bpl
* 17 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2727): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen strijd met bpl, geldigheid convenant
* 9 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1216 en UTR 19/1228): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, bomenverordening, belangen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 13 mei 2020 (ABRvS 201905563/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, van praktijkruimte naar kamerverhuur, Bor/bevoegdheid, parkeren (Rb Gelderland 18/6013)
3.2.    Voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan kan een omgevingsvergunning worden verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. In de uitspraak van 26 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU1640, heeft de Afdeling overwogen dat het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in dat artikel, in ruime zin moet worden uitgelegd. Dat wil zeggen dat het begrip gebruiken als daar bedoeld, niet alleen betrekking heeft op het gebruik van gronden of bouwwerken, maar ook op het bouwen en slopen van bouwwerken in strijd met planologische regelgeving, in het bijzonder het bestemmingsplan.

In artikel 4 van het Bor worden gevallen genoemd waarin met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Gelet op de wettelijke systematiek, waarin artikel 4 van bijlage II van het Bor nader bepaalt wanneer het verlenen van vergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo mogelijk is, is de Afdeling van oordeel dat het begrip gebruiken in artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor op dezelfde manier moet worden uitgelegd als het begrip gebruiken in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dit betekent dat het begrip gebruiken in artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor niet alleen betrekking heeft op het gebruik van bouwwerken, maar ook op het bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Dit laat onverlet dat ook bij bouwen in strijd met het bestemmingsplan moet worden voldaan aan de voorwaarden die in artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor worden gesteld, waaronder de voorwaarde dat de bouwactiviteiten de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet mogen vergroten.

Gelet op het voorgaande was het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bevoegd om de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor te verlenen. Het betoog slaagt.

* 13 mei 2020 (ABRvS 201905146/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, herplaatsen reclamezuil, gewoon onderhoud, Bor (Rb Gelderland 18/5819)
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 januari 2016 , ECLI:NL:RVS:2016:162 wordt met “gewoon onderhoud” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor blijkens de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 140) gedoeld op activiteiten die erop zijn gericht om te behouden wat er is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4953).

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de werkzaamheden die zijn verricht aan de reclamezuil in dit geval moeten worden beschouwd als gewoon onderhoud in de zin van artikel 2, eerste lid, onder 1, van bijlage II bij het Bor. De Afdeling ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college bevoegd zou zijn handhavend op te treden tegen de door [appellant A] en [appellant B] gestelde overtreding. Daarbij is van belang dat de activiteiten die volgens hen als overtreding moeten worden aangemerkt er op gericht waren te behouden wat overeenkomstig de daarvoor verleende omgevingsvergunning aanwezig was voordat de aanrijding plaats vond, en dat het gerepareerde bouwwerk wat betreft de omvang en uiterlijke verschijningsvorm na de reparatie daarvan niet is gewijzigd ten opzichte van de bij het besluit van 6 augustus 2014 vergunde en overeenkomstig de vergunning gerealiseerde reclamezuil. Daarnaast is de fundering van het bouwwerk niet verwijderd, is het overige deel van het bouwwerk enkel ten behoeve van het herstel daarvan tijdelijk verwijderd, en zijn met de herstelwerkzaamheden aan het bouwwerk de uiterlijke kenmerken daarvan niet veranderd. Het betoog faalt.

# 13 mei 2020 (ABRvS 201904583/1/R1): Awb, Wro, Wnb, Wabo; rijksinpassingsplan/ vergunningen, platforms op zee, kabelsystemen, transformatorstation, stikstof/PAS, aanvullende passende beoordeling, Chw, MER, alternatieven, geluid(zone), laagfrequent geluid, tonaal/impulsgeluid
21.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5262)), bestaat er geen wettelijk voorgeschreven richtlijn voor het vaststellen van normen voor acceptabel laagfrequent geluid. Ter voorbereiding op de besluiten is onderzoek gedaan naar laagfrequent geluid door het transformatorstation. De resultaten uit dit onderzoek zijn vastgelegd in het memo van Arcadis van 31 augustus 2018. In deze memo staat dat het laagfrequent geluid is beoordeeld aan de hand van de NSG Richtlijn laagfrequent geluid en de Vercammencurve.

In het deskundigenverslag staat dat de referentiecurve van de NSG-richtlijn een maat is voor de hoorbaarheid van laagfrequent geluid, die is gebaseerd op de 90% gehoordrempel van een doorsnee groep oudere personen van 50 tot 60 jaar. De referentiecurve gaat uit van waarden in tertsbanden van 20 tot en met 100 Hz.

De hinder van laagfrequent geluid is beoordeeld aan de hand van de Vercammencurve. In het deskundigenverslag staat dat het uitgangspunt van deze curve is dat het aantal gehinderden door laagfrequent geluidsniveau beperkt blijft tot 3 tot 10% van de bevolking. De Vercammencurve staat daarmee een zekere mate van hinder toe, in tegenstelling tot de referentiecurve uit de NSG-richtlijn die uitgaat van de gehoordrempel. De Vercammencurve gaat uit van waarden in tertsbanden van 10 tot en met 160 Hz.

21.3.    Uit het memo volgt dat de referentiecurve uit de NSG-richtlijn wordt overschreden. Daarom wordt in het memo geconstateerd dat het laagfrequent geluid van het transformatorstation hoorbaar kan zijn in de woningen in Wijk aan Zee. De Vercammencurve wordt niet overschreden. De hinder van hoorbaar laagfrequent geluid wordt daarmee aanvaardbaar geacht. De Vercammencurve is geschikt om de aanvaardbaarheid van het laagfrequent geluid te beoordelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2233)). Voorts is onderzoek gedaan naar het effect van het treffen van geluidreducerende maatregelen, aan te brengen aan de harmonische filters en de vermogenstransformatoren. Volgens het memo wordt de referentiecurve uit de NSG-richtlijn ook na deze geluidreducerende maatregelen overschreden, maar wordt ruimschoots aan de Vercammencurve voldaan. In het deskundigenverslag wordt dit bevestigd. Hasper stelt zich in zijn stuk van 15 januari 2020 zonder concrete onderbouwing op het standpunt dat in het onderzoek naar laagfrequent geluid een aantal foutenmarges niet symmetrisch zijn, maar verbindt hier verder geen conclusies aan. De Afdeling ziet in de verwijzing van Stichting Dorpsraad naar dit stuk van Hasper geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies uit het het onderzoek naar laagfrequent geluid zoals vastgelegd in het memo van Arcadis van 31 augustus 2018.

De Afdeling is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat aan de Vercammencurve wordt voldaan.

De betogen falen.

* 13 mei 2020 (ABRvS 201900136/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, woonark, bouwwerk, Wvvw (Rb Noord-Holland 18/2622)
3.2  ……………………………………………
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Aqua Vive tevens kan worden aangemerkt als een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder 23, van de planregels. De Afdeling volgt ook het oordeel van de rechtbank dat de Aqua Vive niet kan worden aangemerkt als een gebouw ten behoeve van de jachthaven als bedoeld in artikel 3.1van de planregels. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor de Aqua Vive tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist.

3.3.    De Afdeling overweegt verder dat op grond van artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf ten aanzien waarvan tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten krachtens een provinciale of een gemeentelijke verordening geen vergunning of ontheffing werd vereist voor het bouwen of gebruiken ervan, met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten gelijkgesteld wordt met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onderdelen a, c of d, van de Wabo is verleend. De Wet verduidelijking voorschriften woonboten is op 1 januari 2018 in werking getreden, dus ten tijde van het besluit op bezwaar van 7 mei 2018 gold deze wet. De Afdeling is niet gebleken dat er ten tijde van belang provinciale of gemeentelijke verordeningen van toepassing waren op de Aqua Vive op grond waarvan vergunning of ontheffing werd vereist voor het bouwen of gebruik daarvan. Op grond van artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo moet de Aqua Vive waar het in deze zaak om gaat gelijk worden gesteld met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is verleend. Gelet hierop was het college ten tijde van het besluit op bezwaar van 7 mei 2018 niet bevoegd om handhavend op te treden tegen de Aqua Vive. Dit heeft de rechtbank niet onderkend

* 30 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1161 en UTR 20/1162): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor nieuwe ontsluiting en verharding, belanghebbende, gemeenteraadslid/voortzetting politiek debat
6. [verzoeker] zit in de gemeenteraad van [naam gemeente] . Het is duidelijk dat hij vanuit zijn ambt nauw bij de ontwikkelingen op de [straatnaam] is betrokken en dat hij het politiek niet eens is met het besluit van het college. Maar het politieke debat tussen het gemeentebestuur en volksvertegenwoordiging moet gevoerd worden waar het hoort: in de gemeenteraad. Als dat niet tot de gewenste uitkomst leidt, dan kan de weg naar de bestuursrechter door raadsleden niet gebruikt worden voor de voortzetting van dat debat. Dat [verzoeker] raadslid is maakt niet dat zijn belang rechtstreeks bij de verleende omgevingsvergunning is betrokken.

  1. Het beroep van [verzoeker] is dus niet-ontvankelijk.

* 28 april 2020 (Rb Limburg ROE 18/2773 en ROE 18/3111): Awb, Msw; boetes, mestvervoer, administratie. Monsterneming, financiële en personele verwevenheid van rechtspersonen
10.7.  Over het betoog van eisers dat het onevenredig is om voor dezelfde feiten boetes op te leggen aan eiseres, aan de zusteronderneming [naam 3] BV en tweemaal aan eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat dit betoog, gelet op hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, ziet op de boetes voor onregelmatigheden met betrekking tot de elf VDM’s (feitcode M305) die zijn opgelegd aan eiseres, aan eiser als bestuurder van eiseres, aan zusteronderneming [naam 3] BV (zaaknummer ROE 18/3110) en aan eiser als bestuurder van deze zusteronderneming (zaaknummer ROE 18/2772). Het gaat in dit verband, gelet op hetgeen onder 10.3 en 10.4 is overwogen, nog om één boete per VDM, dus om elfmaal € 300,00, die viermaal is opgelegd, namelijk aan de vier overtreders.

Er is sprake van sterke financiële verwevenheid tussen de twee rechtspersonen en eiser als feitelijk leidinggevende van deze rechtspersonen. Met hun betoog dat sprake is van (tweemaal) dubbele beboeting hebben eisers, zo vat de rechtbank het betoog in dit verband op, deze verwevenheid als bijzondere omstandigheid aangevoerd. Verweerder heeft met die verwevenheid bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen boetes geen rekening gehouden.

De beboeting leidt er gelet op deze verwevenheid toe dat eiser (via zijn ondernemingen) viermaal in zijn vermogen wordt geraakt (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CBb van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de CBb van 25 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:14). Hoewel eiser in dit verband niets heeft aangevoerd over zijn draagkracht en in het verlengde daarvan geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie en de boetes, zij het in termijnen, al zijn betaald, is de rechtbank van oordeel dat de financiële verwevenheid in dit geval desalniettemin tot verdere matiging moet leiden omdat het onevenredig is om eiser voor deze overtredingen viermaal in zijn vermogen te treffen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser feitelijk 100% aandeelhouder is van beide bedrijven (eiseres en [naam 3] BV). Dit zijn kleinschalige bedrijven die ook wat betreft het personeelsverband sterk met elkaar zijn verweven: bij beide bedrijven werken dezelfde twee vaste medewerkers, namelijk eiser en één werknemer (aangevuld met uitzend-/seizoensarbeiders). De overtredingen zijn feitelijk begaan door deze twee personen. De totale boete die voor deze overtredingen is opgelegd, staat daarmee niet meer in verhouding tot de ernst van de feitelijke gedraging.

* 24 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2166-T): Awb, Waterwet, Waterschapswet; vaststelling legger oppervlaktewateren, onderhoudsplicht, vertegenwoordiging verweerder op zitting
8. In artikel 86, derde lid, van de Waterschapswet wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid toegekend om spoedshalve beroep in te stellen namens het algemeen bestuur, als op basis van een wettelijk voorschrift een recht van beroep toekomt aan het algemeen bestuur. Het doel van dat artikel is het veiligstellen van beroepstermijnen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voeren van verweer in beroepsprocedures tegen het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden niet onder dat artikel geschaard worden.

  1. In artikel 2 van de Delegatieregeling worden bevoegdheden met betrekking tot het voeren van rechtsgedingen door het algemeen bestuur gedelegeerd aan het dagelijks bestuur. In het derde lid wordt de volgende bevoegdheid vermeld: ‘De bevoegdheid tot het instellen van beroep, het maken van bezwaar alsmede het verzoeken om een voorlopige voorziening of om schorsing van het aangevochten besluit als bedoeld in artikel 86 derde lid Waterschapswet’. Bij de toelichting op artikel 2 wordt in het algemeen gesteld dat in dit artikel alle bevoegdheden voor het voeren van een rechtsgeding zijn gedelegeerd en dat het dagelijks bestuur de volle bevoegdheid krijgt om rechtsgedingen te voeren. In de toelichting op het derde lid staat dat daarin de bevoegdheid om beroep in te stellen geheel is gedelegeerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewoordingen van (de toelichting op) artikel 2, derde lid, van de Delegatieregeling in samenhang gelezen met artikel 86, derde lid, van de Waterschapswet dat het gaat om de bevoegdheid om beroep in te stellen tegen besluiten van andere bestuursorganen. Niet blijkt hieruit dat ook de bevoegdheid om verweer te voeren in beroepszaken over de eigen besluiten wordt gedelegeerd aan het dagelijks bestuur.
  2. De conclusie op zitting was dan ook dat niet gebleken is dat het dagelijks bestuur bevoegd is om namens verweerder verweer te voeren en verweerder op zitting te vertegenwoordigen. De rechtbank heeft echter geen aanleiding gezien om in dit geval hieraan consequenties te verbinden. De verschenen gemachtigden hebben namelijk verklaard dat zij werkzaam zijn bij verweerder en dat zij zich bevoegd achten om ook het woord te voeren namens verweerder.
    16. Verweerder heeft enkel een praktische afweging gemaakt, zonder daarbij kenbaar de voorgeschiedenis te betrekken. Eisers hebben in hun zienswijze gewezen op de notariële akte van de ruilverkaveling. Verweerder heeft in het inspraakrapport als reactie gegeven dat er geen afspraken zijn vastgelegd over het onderhoud van watergangen. Op de zitting heeft verweerder echter niet betwist dat in het begrenzingenplan het onderhoud aan het waterschap is toegewezen. Met de in de Legger 2018 aan eisers opgelegde onderhoudsverplichtingen voor een gedeelte van het natte profiel van de watergang gaat verweerder daar tegenin. Het was aan verweerder om te motiveren waarom hij in de belangen van eisers geen aanleiding ziet om het onderhoud anders te regelen. Deze motivering ontbreekt. Met de gegeven toelichting over de praktische keuze is onvoldoende gemotiveerd waarom dit praktische belang van verweerder zwaarder moet wegen dan de belangen van eisers. Ook blijkt niet kenbaar dat verweerder de optie van onderhoud vanaf het water met een maaiboot met zijmessen heeft overwogen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit dan ook genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Rieko Schuur, adviseur bij STAB, schreef een noot bij de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1125) over het projectplan “Waterwet Versterking Markermeerdijken”. Hij gaat in op de rol die de aantasting van de cultuurhistorische en  monumentale waarden van de Markermeerdijken in de belangenafweging speelt. Zie OGR updates.