Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 20 mei 2020 (ABRvS 201909244/1/A3): Awb, Gmw; blijvende inbeslagname hond, bijtincidenten, niet naleven aanlijn- en muilkorfgebod (Rb Den Haag 19/2283 en 19/4631)
* 20 mei 2020 (ABRvS 201907781/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen
* 20 mei 2020 (ABRvS 201906229/1/R1): Awb, Wro; bpl, fort, gebruiksfuncties
* 20 mei 2020 (ABRvS 201905064/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, huwelijkssluitingen in hooimijt en gebruik als proeflokaal van galerie, vvgb (Rb Midden-Nederland 17/3551)
* 20 mei 2020 (ABRvS 201904778/1/R1): Awb, Wgh; HGW, wegverkeer, ontsluiting, bronmaatregelen, voorzieningen
* 20 mei 2020 (ABRvS 201904666/1/R4 en 201906083/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, vuilniszak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 20 mei 2020 (ABRvS 201904390/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding (Rb Oost-Brabant 19/587)
# 20 mei 2020 (ABRvS 201903790/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor pluimveebedrijf, gezondheid, endotoxinen (Rb Oost-Brabant 18/1006)
* 20 mei 2020 (ABRvS 201902949/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, buitengebied, verplaatsing woning, boomkwekerij, woon- en leefklimaat, motivering
* 20 mei 2020 (ABRvS 201901823/5/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, windturbines, vvgb, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 20 mei 2020 (ABRvS 201901721/1/R1): Awb, Wro; weigering om wijzigingsplan vast te stellen, hotelstrategie/ladder, motivering
# 20 mei 2020 (ABRvS 201808189/2/R4): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, geluid, volledigheid onderzoek (Rb Den Haag 17/5988)
* 20 mei 2020 (ABRvS 201808182/2/A2): Awb; nadeelcompensatie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 20 mei 2020 (ABRvS201807846/1/R1): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, taxatierapport, tussenuitspraak
* 20 mei 2020 (ABRvS 201806469/3/R2): Awb, Wro; bpl, parkeerbehoefte, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 20 mei 2020 (ABRvS 201805123/1/R1): Awb, Wro; bpl, scholen met kinderopvang, alternatieve locaties/motivering, VNG-brochure/geluid/gemengd gebied/motivering, volledigheid geluidsonderzoek, parkeren, verkeersveiligheid
* 20 mei 2020 (ABRvS 201804487/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, vergroting bouwvlak intensieve veehouderij, gezondheid/endotoxinekader, burgerwoning/overgangsrecht, tussenuitspraak
* 20 mei 2020 (ABRvS 201804471/1/R4): Awb, Wro; bpl, woonwijk, LPG-tankstation, Ladder/Bro/stedelijke ontwikkeling, parkeren, provinciale verordening/detailhandel, verkeer, tussenuitspraak
# 20 mei 2020 (ABRvS 201609791/2/A2 en 201609908/2/A2): Awb, Wro; planschade, magneetveldzone, WOZ-waarde, EVRM, einduitspraak na eerder tussenuitspraak (Rb Oost-Brabant 14/454 en 14/277)
* 19 mei 2020 (ABRvS 202001559/2/R4 en 202001525/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, ontsluiting, behoud groene karakter plangebied
* 18 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1223 en 20/1224): Awb, Wabo; vovo, storten van PFAS en PFOS houdende baggerspecie, wijziging van het acceptatiereglement omgevingsvergunning, onderbouwing Tijdelijk Handelingskader
* 18 mei 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3399): Awb; mijnbouwschade, bewijsvermoeden, deskundige
* 15 mei 2020 (ABRvS 202000911/2/R3): Awb, Wabo; Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en veranderen monument, oefenruimtes voor culturele instellingen (Rb Noord-Nederland 19/4476 en 19/4477)
* 15 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1481): Awb, Wabo; vovo, handhaving, mantelzorgunit achter woning, uitvoering, inmiddels ingediende aanvraag
* 15 mei 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1086): Awb, Gmw): vovo, handhaving, last onder dwangsom, overtreding Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Limburg-Noord, te weinig afstand op het werk, overtreder
* 14 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2515-T): Awb, Gmw; weigering en intrekking exploitatievergunning, horecaverordening, slecht levensgedrag, Dienstenrichtlijn, tussenuitspraak
* 14 mei 2020 (Rb Midden-Nederland C/16/499932 / KL ZA 20-83): BW; kort geding, verwijdering dakopbouw, onrechtmatige hinder, bezonning, TNO-norm
* 14 mei 2020 (EH C‑189/19): Prejudiciële verwijzing, handel in broeikasgasemissierechten in de Europese Unie, overgangsregeling voor de kosteloze toewijzing van emissierechten, vaststelling van het historische activiteitsniveau, aanzienlijke wijziging van de capaciteit van een installatie voorafgaand aan de referentieperiode, vaststelling van de relevante referentieperiode”
* 14 mei 2020 (EH C‑15/19): Prejudiciële verwijzing, afvalstoffen, periode van nazorg na de sluiting van de stortplaats, verlenging, kosten/vervuiler betaalt, toepassing in de tijd van de richtlijn
* 13 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1155 en UTR 19/1255): Awb, Wabo; omgevingsvergunningen voor bouwen, samenvoegen van diverse panden door muren door te breken, geen strijd met beheersverordening
* 12 mei 2020 (Rb Amsterdam 8281781 KK EXPL 20-56): BW; opzegging huurovereenkomst, onrechtmatige hinder en overlast
* 8 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/8489 WABOM): Awb, Wabo; afwijzing aanpassing milieuvergunning, scheepswerf, actualiseringsplicht, verlaging geluidniveaus, meetpunt, verlaten grondslag aanvraag, belang van bescherming van milieu
* 8 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1165 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken verhuur fietsen en stacaravans, strijd met bpl, belanghebbenden, begunstigingstermijn, beleidsregel
* 8 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1370 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, afsplitsen aanbouw van woning, zelfstandige woning, strijd met bpl
* 8 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4335 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bewonen bedrijfswoning bij agrarisch bedrijf, strijd met bpl
* 8 mei 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/630): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, overkapping, strijd met bpl, privaatrechtelijke belemmering
* 6 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/691 en UTR 20/709): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verrichten van activiteiten, strijd met bpl, geen vergunning, begunstigingstermijn
* 4 mei 2020 (Rb Gelderland  20/2302): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, voorbereidende handelingen
* 1 mei 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1811 en SGR 19/1812): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, handvatten architect, welstand, schadevergoeding
* 30 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1128 en UTR 20/1127): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, geen leges betaald, ontvankelijkheid
* 29 april 2020 (Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten SXM201900711-LAR00069/2019): Lar; bouwvergunning, oneigenlijke voorwaarden, geen toetsing aan wettelijke eisen/regelgeving
* 29 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3350): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, aanvraag/geen woningvorming, motivering
* 14 april 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1515): Awb, Msw; handhaving, boete, vervoer meststoffen, mest/zaagsel/slachterij
* 16 maart 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1190 en SGR 20/1242): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, afwijken omgevingsvergunning (B&B), huisvesten arbeidsmigranten, strijd met bpl

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 20 mei 2020 (ABRvS 201804471/1/R4): Awb, Wro; bpl, woonwijk, LPG-tankstation, Ladder/Bro/stedelijke ontwikkeling, parkeren, provinciale verordening/detailhandel, verkeer, tussenuitspraak
9.5.    De vergelijking die de raad heeft gemaakt van de planologische bouwmogelijkheden van het plan en het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen”, als weergegeven hiervoor in overweging 9.1, is niet in geschil. Het staat vast dat de door het plan voorziene bouwvolume afneemt ten opzichte van hetgeen mogelijk was op grond van het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen”. Dat bestemmingsplan stond evenwel geen woningen toe in het plangebied, ook niet na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. De vraag die voorligt is dus of de functiewijziging waarin het thans voorliggende plan voorziet een zodanige aard en omvang heeft dat – niettegenstaande de vermindering van het bouwvolume – sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend. Een wijziging van de toegelaten functie van een bedrijventerrein naar een woonwijk met, zoals ter zitting is gebleken,  110 woningen waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd, is in het licht van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro significant. Het plan voorziet daarom in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

9.6.    [appellant sub 1] heeft de hiervoor in 9.1 weergegeven onderbouwing van de raad van de behoefte aan de 110 woningen waarin het plan voorziet niet bestreden. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte aan de voorziene woningen niet deugdelijk is onderbouwd. Het betoog slaagt niet.
14.4.    In eerdere uitspraken van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3721, is aan de orde geweest de vraag naar de reikwijdte van een vergelijkbare definitiebepaling van “detailhandel” als hier aan de orde en in het bijzonder de vraag of de verkoop van motorbrandstoffen onder een dergelijke definitiebepaling valt. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een onbemand tankstation een vorm van detailhandel betreft, omdat ter plaatse bedrijfsmatig goederen worden verkocht en geleverd aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending. Het thans voorliggende geval moet evenwel worden bezien in de context van het verbod van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV. Dit verbod heeft tot doel om nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel buiten bestaande winkelgebieden te beperken door dit alleen in bepaalde gevallen (onder voorwaarden) mogelijk te maken. Een louter woordelijke interpretatie van de bepaling leidt ertoe dat onbemande tankstations waar uitsluitend motorbrandstoffen kunnen worden afgenomen, in beginsel alleen mogelijk zijn in bestaande winkelgebieden. Nieuwvestiging of uitbreiding van onbemande tankstations nabij belangrijke ontsluitingswegen, dus juist op locaties die zich het meest lenen voor een tankstation, zou dan alleen zijn toegestaan indien het een bestaand winkelgebied betreft. De Afdeling is van oordeel dat dit niet het doel kan zijn geweest dat provinciale staten hebben nagestreefd met artikel 4.4, tweede lid, van de PRV. Steun voor deze uitleg van de bepaling is ook te vinden in de bij a tot en met e genoemde uitzonderingen op het verbod. De uitzonderingssituaties als vastgelegd in de subbepalingen b tot en met e zijn als zodanig niet toepasbaar op onbemande tankstations. De uitzondering van artikel 4.4, tweede lid, onder a, heeft betrekking op de situatie dat de behoefte aan extra detailhandel het gevolg is van een in een ruimtelijk besluit vastgestelde grootschalige toevoeging van woningen of een andere stedelijke ontwikkeling. Hoewel het niet ondenkbaar is dat voor de nieuwvestiging van een onbemand tankstation een beroep wordt gedaan op deze uitzondering op het verbod, is deze uitzonderingsmogelijkheid niet opgenomen met het oog op een eventuele behoefte aan tankstations, maar om te voorzien in een behoefte aan “gewone” winkels. Van belang is verder dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de provincie in het kader van het vooroverleg te kennen heeft gegeven dat met het plan geen provinciale belangen zijn gemoeid en dat de raad er daarom vanuit is gegaan dat het plandeel niet in strijd is met genoemde bepaling van de PRV.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verbod van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV aldus moet worden uitgelegd dat zij geen betrekking heeft op (onbemande) tankstations waar uitsluitend motorbrandstoffen kunnen worden afgenomen (getankt). In een vergelijkbare zaak, waar het ging om de verordening van een andere provincie, is de Afdeling tot hetzelfde oordeel gekomen (uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:872).

# 20 mei 2020 (ABRvS 201609791/2/A2 en 201609908/2/A2): Awb, Wro; planschade, magneetveldzone, WOZ-waarde, EVRM, einduitspraak na eerder tussenuitspraak (Rb Oost-Brabant 14/454 en 14/277)
22.    In het Stab-advies van 1 maart 2018 staat dat Petersburg Consultants B.V. de specifieke magneetveldzone voor de bovengrondse 380 kV-hoogspanningslijn, die in het vorige bestemmingsplan planologisch was vastgelegd, heeft berekend en dat deze aan weerszijden van de masten 75 meter bedroeg. De Stab heeft in dit advies uiteengezet dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van de berekeningen van Petersburg (zie ook overweging 37 uit de tussenuitspraak). Niet in geschil is dat de woning van [appellant] op een afstand van meer dan 75 meter lag van het hart van deze 380 kV-hoogspanningslijn en dat het kilovoltage en de ligging van de hoogspanningslijn in het vorige bestemmingsplan waren vastgelegd. Uit de tussenuitspraak volgt dat het college voor de planvergelijking wat het nieuwe planologische regime betreft dient uit te gaan van een representatieve invulling van een 380/380 kV-hoogspanningsverbinding op de ten opzichte van de woning van [appellant] meest ongunstige plaats. In het advies van DNV GL is beschreven dat de huidige vakwerkmasten die in Helmond staan niet geschikt zijn voor vier circuits van 380 kV, zodat het niet zinvol is om een berekening te maken van de magneetveldzone voor vier 380 kV-circuits bij de huidige masten. Vervolgens heeft DNV GL voor een berekening van de specifieke magneetveldzone aansluiting gezocht bij de door haar gemaakte berekeningen van de specifieke magneetveldzone van de in ontwikkeling zijnde hoogspanningsverbinding in Groningen. Omdat, naar [appellant] ook niet betwist, een 380/380 kV-hoogspanningslijn (vier circuits) in Nederland nog nergens is gerealiseerd, zodat geen vaste kengetallen beschikbaar zijn van dergelijke hoogspanningsverbindingen, heeft het college, in navolging van de door hem ingeschakelde deskundige, naar het oordeel van de Afdeling aansluiting mogen zoeken bij wat hierover bekend is bij de in ontwikkeling zijnde hoogspanningslijn in Groningen. Het college heeft de uitkomst van de voor die hoogspanningsverbinding gemaakte berekeningen van de specifieke magneetveldzone dan ook als een representatieve invulling van een 380/380 kV-hoogspanningslijn in Helmond mogen beschouwen. Uit de door DNV GL voor de lijn in Groningen gemaakte berekeningen blijkt dat de specifieke magneetveldzone voor een 380/380 kV-hoogspanningslijn (met vier circuits) ligt tussen de 2 x 70 en 2 x 85 meter. Bij een vergelijking van de specifieke magneetveldzones onder het vorige en het nieuwe planologische regime heeft het college mogen concluderen dat de woning van [appellant] niet per definitie (dieper) in de magneetveldzone waarbinnen een hoger jaargemiddelde magnetische veldsterkte dan 0,4 microtesla geldt zal komen te liggen. Het besluit van 26 november 2019 begrijpt de Afdeling verder zo dat het college contact heeft opgenomen met de netbeheerder TenneT en dat aan het college is bevestigd dat in het geval op basis van het bestemmingsplan Brandevoort II ook in Helmond een 380/380 kV-hoogspanningslijn wordt aangelegd, in welk geval de bestaande masten dus moeten worden vervangen en zonder dat daaraan een nieuw planologisch besluit ten grondslag wordt gelegd, de technische uitvoering daarvan en de ligging zodanig zullen zijn dat de woning van [appellant] niet (dieper) in de magneetveldzone komt te liggen dan onder het vorige bestemmingsplan mogelijk was.

* 18 mei 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3399): Awb; mijnbouwschade, bewijsvermoeden, deskundige
De meervoudige kamer van de bestuursrechter heeft voor het eerst uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG).

Het bijzondere van de besluiten van de TCMG is dat de commissie bij het nemen van zijn besluiten ook civielrechtelijke criteria moet toepassen en de bestuursrechter die besluiten daarom mede aan de hand van civielrechtelijke criteria moet beoordelen. De bestuursrechter heeft daarom ook een civiele rechter gevraagd om zitting te nemen in de meervoudige kamer.

Met het Besluit mijnbouwschade Groningen beoogde de minister om bestuursrechtelijke rechtsbescherming te bieden. De vraag was echter of een dergelijke beslissing van de TCMG, gezien het civielrechtelijke karakter en het ontbreken van een wettelijke grondslag, wel een besluit in de zin van de Awb zou kunnen zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit inderdaad het geval is zodat de bestuursrechter een inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of de TCMG de schadevergoeding op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

Eiser heeft de vergoeding verzocht van een groot aantal schades aan zijn huis die door gasbevingen zouden zijn ontstaan. De TCMG heeft in bezwaar op basis van een rapport van een deskundige geoordeeld dat voor een aantal van die schades wel met zekerheid een andere oorzaak dan de gaswinning is aan te wijzen. Het beroep spitst zich toe op de vraag of de TCMG daarbij wel op de juiste wijze inhoud heeft gegeven aan het zogenaamde bewijsvermoeden ex artikel 6:177A, eerste lid, van het BW dat in dit soort zaken van toepassing is. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat de mate van zekerheid die de TCMG verlangt voor het bestaan van een andere oorzaak dan de gaswinning voldoet aan hetgeen de Hoge Raad daarvoor verlangt en dat de TCMG bij het vaststellen van die zekerheid in dit geval ook uit mocht gaan van het oordeel van de deskundige.

* 18 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1223 en 20/1224): Awb, Wabo; vovo, storten van PFAS en PFOS houdende baggerspecie, wijziging van het acceptatiereglement omgevingsvergunning, onderbouwing Tijdelijk Handelingskader
5.1.  Ter zitting is namens verweerder nog betoogd dat als verzoekster PFAS en PFOS wil verwerken dat niet kan via de wijziging van het acceptatiereglement maar via een wijziging van de vergunning zelf moet.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het acceptatiereglement ook zijn opgenomen acceptatiecriteria, in de vorm van een lijst met stoffen en onder welke voorwaarden en parameters deze kunnen worden geaccepteerd. Op grond van voorschrift 2.2.13 van de omgevingsvergunning moeten wijzigingen aan het acceptatiereglement ter goedkeuring aan verweerder worden gemeld. Op grond van voorschrift 2.2.14 onder c van de omgevingsvergunning dienen bij een dergelijke melding onder andere de gegevens te worden vermeld waaruit blijkt dat de beoogde wijziging niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting op grond van de omgevingsvergunning reeds mag veroorzaken.

Nu er verder geen specifieke regels in de vergunning zijn opgenomen hieromtrent, is de voorzieningenrechter van oordeel dat wijziging van het acceptatiereglement de aangewezen weg is om PFAS en PFOS in de inrichting te mogen verwerken.

5.2.  Verzoekster heeft in haar aanvraag tot wijziging van het acceptatiereglement verwezen naar het Tijdelijk Handelingskader van 29 november 2019 en het daaraan ten grondslag gelegde advies “voorlopig herverontreinigingsniveau PFAS voor waterbodems” van Deltares. Met dit advies wordt volgens verzoekster aangetoond dat toevoegen aan het acceptatiereglement van een norm van 0,8 µg/kg d.s. voor PFAS en 3,7 µg/kg d.s. voor PFOS geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt dan die de inrichting op grond van de omgevingsvergunning reeds mag veroorzaken. Deze normen zijn ook overeenkomstig het Tijdelijk Handelingskader. Daarom is het volgens verzoekster onbegrijpelijk dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen.

5.3.  Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat deze normen alleen gelden voor de 16 in het Tijdelijk Handelingskader specifiek aangewezen waterplassen, die voor wat betreft de toepassingscriteria zijn ingedeeld in categorie 4.9.1 uit de tabel van hoofdstuk 4 van het Tijdelijk Handelingskader, volgt de voorzieningenrechter niet. Op grond van hoofdstuk 7 van het Tijdelijk Handelingskader mag baggerspecie met verhoogde PFAS en PFOS waarden namelijk ook worden gestort in een baggerspeciestortplaats die net als niet-vrijliggende diepe plassen in open verbinding staan met een rijkswater. In dat hoofdstuk is een paragraaf opgenomen getiteld: “Storten in baggerdepots met open verbinding naar rijkswateren”. Daarin wordt vermeld dat als baggerspecie wordt gestort in een baggerspeciestortplaats in het oppervlaktewater die net als niet-vrijliggende diepe plassen in open verbinding staat met een rijkswater, en de gehalten aan PFAS de toepassingsnorm (het voorlopige herverontreinigingsniveau) voor toepassen in een niet vrijliggende diepe plas die in open verbinding staat met een rijkswater (categorie 4.9.1 in de tabel) niet overschrijdt, het storten van baggerspecie in een baggerspeciestortplaats in het oppervlaktewater dan kan worden toegestaan. Omdat [Stortplaats] in open verbinding staat met een rijkswater, is hoofdstuk 7 van het Tijdelijk Handelingskader naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier het toepasselijke kader en zouden verhoogde waarden kunnen worden vergund. De motivering van het besluit tot afwijzing van wijziging van het acceptatiereglement is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet juist.

* 15 mei 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1086): Awb, Gmw): vovo, handhaving, last onder dwangsom, overtreding Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Limburg-Noord, te weinig afstand op het werk, overtreder
9. Voor de vraag wie een voorschrift kan overtreden en dus een overtreding kan begaan is van belang tot wie een voorschrift zich richt. Alleen degene tot wie een voorschrift zich richt (de normadressaat) kan het voorschrift overtreden. In artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening, zoals deze bepaling op 13 april 2020 luidde, is bepaald dat het verboden is zich in een groep van drie of meer personen op te houden zonder tot de dichtstbijzijnde persoon in die groep en andere personen een afstand aan te houden van ten minste 1,5 meter. Deze bepaling richt zich tot natuurlijke personen, niet tot niet-natuurlijke personen als verzoekster. Verzoekster is dus niet de normadressaat van deze bepaling en kan artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening daarom niet zelf overtreden.

  1. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder ervan uitgaat dat verzoekster ervoor moeten zorgen dat haar werknemers tijdens het werk 1,5 meter afstand van elkaar bewaren en dus het verbod in artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening niet overtreden. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarop verweerder zijn aanname baseert dat verzoekster, als zij dat niet doet, artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening overtreedt. Ook overigens uit de stukken en de Noodverordening blijkt niet dat als verzoekster haar werknemers artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening zou laten overtreden zij dit verbod zelf overtreedt, omdat zij als werkgever verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van haar werknemers voor wie het overigens, blijkens de foto’s bij het controlerapport, heel goed mogelijk is de voorgeschreven afstand van elkaar te bewaren.
  2. De voorzieningenrechter betwijfelt daarom ten zeerste dat verzoekster als overtreder van artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening kan worden aangemerkt en daarmee dus ook dat verweerder bevoegd is om verzoekster de haar bij het bestreden besluit opgelegde last op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen.* 8 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/8489 WABOM): Awb, Wabo; afwijzing aanpassing milieuvergunning, scheepswerf, actualiseringsplicht, verlaging geluidniveaus, meetpunt, verlaten grondslag aanvraag, belang van bescherming van milieu
    3. ………………
    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld een uitspraak van 16 maart 2000 ECLI:NL:RVS:2000:BL2227) met betrekking tot de toepassing van artikel 8.22 van de Wet milieubeheer (oud), vloeit voort dat dit artikel, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, ziet op het actualiseren van de vergunning in verband met technische ontwikkelingen of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Indien daarvan niet is gebleken kan naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing worden gegeven aan de actualiseringsplicht. Bovendien moet het gaan om ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na vergunningverlening. Ontwikkelingen van daarvoor behoren immers al bij de vergunningverlening zelf te zijn betrokken (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2245).

Gedeputeerde staten hebben zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen verandering is op het gebied van technische mogelijkheden of de kwaliteit van het milieu. Er zijn geen BBT-conclusies voor scheepswerven. Gedeputeerde staten hebben daarom gekeken naar ontwikkelingen in de branche, maar die zijn er volgens gedeputeerde staten niet. Het geproduceerde geluid in een scheepswerf is van oudsher het geluid van metaal op metaal en ontstaat bijvoorbeeld bij hameren. De mogelijkheden van metaalbewerking zijn de afgelopen jaren niet veranderd. Het gebruik van een rubberen hamer, zoals ter zitting door gemachtigde is voorgesteld, behoort in geval van metaalbewerking niet tot de mogelijkheden. De scheepswerf heeft dat ter zitting bevestigd.

In het licht hiervan valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat, zoals eiseres heeft gesteld, gedeputeerde staten ter onderbouwing van het standpunt dat er geen verandering is op het gebied van technische mogelijkheden of de kwaliteit van het milieu onvoldoende informatie zou hebben vergaard. Wanneer eiseres meent dat er wel relevante veranderingen zijn op het gebied van technische mogelijkheden of de kwaliteit van het milieu, had het op haar weg gelegen dat nader te onderbouwen. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing door eiseres hebben gedeputeerde staten naar het oordeel van de rechtbank kunnen vasthouden aan het standpunt dat er geen relevante verandering is op het gebied van technische mogelijkheden of de kwaliteit van het milieu. Reeds vanwege het ontbreken van relevante verandering op het gebied van technische mogelijkheden of de kwaliteit van het milieu konden gedeputeerde staten naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing geven aan de actualiseringsplicht. Gedeputeerde staten hebben daarom terecht besloten niet tot actualisering van de omgevingsvergunning over te gaan.
4. …………………
Vast staat dat in de vergunning de geluidsniveaus door de scheepswerf zijn begrensd doordat in de voorschriften meetpunten met grenswaarden zijn opgenomen. Zoals gedeputeerde staten ter zitting hebben toegelicht wijken de grenswaarden die per meetpunt in de vergunning zijn opgenomen weliswaar van elkaar af, maar wordt het uitgangspunt bij het vaststellen van de grenswaarden steeds gevormd door de activiteiten waarvoor aan de scheepswerf een vergunning is verleend. Wanneer de woning van eiseres als meetpunt zou worden opgenomen, zouden ook de daar geldende grenswaarden worden vastgesteld op basis van de activiteiten waarvoor aan de scheepswerf een vergunning is verleend. Het opnemen van de woning als extra meetpunt zou dan ook geen verandering brengen in de aard en omvang van de activiteiten van de scheepswerf, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet valt in te zien dat het opnemen van een extra meetpunt in het belang van de bescherming van het milieu is.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat haar woning ten noordoosten van de scheepswerf als meetpunt moet worden toegevoegd, omdat de bestaande meetpunten vanwege hun ligging ten zuidwesten van de scheepswerf niet voldoen, gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu uit de enkele ligging van de bestaande meetpunten niet volgt dat de meetpunten niet zouden voldoen. Gedeputeerde staten hebben ook betwist dat de meetpunten, die op kortere afstand van de scheepswerf liggen dan de woning van eiseres, niet zouden voldoen. Volgens gedeputeerde staten is het voor een betrouwbare meting dan ook niet nodig ook de woning van eiseres als meetpunt op te nemen. Bovendien is het vanwege de afstand van de woning van eiseres tot de scheepswerf volgens gedeputeerde staten lastiger om ter plaatse van de woning van eiseres een betrouwbare meting te kunnen uitvoeren met inachtneming van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Eiseres heeft dat niet weersproken.

Nu is gesteld, noch gebleken dat het opnemen van de woning van eiseres als meetpunt in het belang van de bescherming van het milieu is, hebben gedeputeerde staten naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd de vergunningvoorschriften in die zin te wijzigen.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Fleur Onrust heeft een annotatie geschreven bij de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1680). In de noot gaat zij in op de vraag of het verzoek om (preventieve) handhaving ten aanzien van een natuurgebied terecht is afgewezen. OGR 2020-0107

Fleur Onrust heeft ook een annotatie geschreven bij de uitspraken van de Afdeling van 15 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1063) en van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:598). Zij gaat daarbij in op bestuursdwang en kostenverhaal in geval van faillissement in relatie tot de positie van een curator. OGR 2020-0117 en OGR 2020-0118