Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 3 juni 2020 (ABRvS 201906792/1/R4, 201907251/1/R4, 201907563/1/R4, 201907739/1/R4, 201908009/1/R4, 201908180/1/R4, 202000213/1/R4, 202000334/1/R4, 202000360/1/R4, 202000458/1/R4, 202000463/1/R4 en 202000559/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, verkeerd aanbieden afval, afvalstoffenverordening, volle container, overtreder
* 3 juni 2020 (ABRvS 201906534/1/R1): Awb; invordering dwangsommen, gebreken woning, financiële draagkracht (Rb Amsterdam 18/6939)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201906255/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, ophogen achterzijde gebouw en dakterras, strijd met bpl, stadsbeeld, daklandschap (Rb Amsterdam 18/70240)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201906089/1/R2): Awb; invordering dwangsommen (Rb Oost-Brabant 18/3269)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201906060/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand (Rb Limburg 19/1490 en 19/1491)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201905580/1/R3): Awb, Wro; bpl, woonwijk, speelvoorzieningen
* 3 juni 2020 (ABRvS 201905149/1/R3): Awb, Wro; bpl, woonboerderij, bijgebouwen
* 3 juni 2020 (ABRvS 201904598/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonzorgcomplex, Natura 2000/relativiteit, Ladder/Bro, landschappelijke inpassing, belangenverstrengeling, tussenuitspraak
* 3 juni 2020 (ABRvS 201903793/1/R3): Awb, Wro; bpl, buisleidingen, schakelbepaling, tussenuitspraak
* 3 juni 2020 (ABRvS 201903775/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 19/992 en 19/993)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201903540/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen hok, geen vergunning, vertrouwensbeginsel, geen zicht op legalisering (Rb Noord-Nederland 18/2654)
* 3 juni 2020 (ABRvS 201903050/1/R3): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, belanghebbenden, Natura 2000/relativiteit, cumulatieve effecten, landschappelijke inpassing
* 3 juni 2020 (ABRvS 201803363/2/A2, 201803390/2/A2, 201803394/2/A2, 201803397/2/A2, 201803401/2/A2, 201803490/2/A2 en 201803495/2/A2): Awb; schadevergoeding, Tracébesluit, geluid, luchtkwaliteit, normaal maatschappelijk risico, drempel, overschrijding redelijke termijn, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 2 juni 2020 (CBb 18/2745 en18/2189): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, EP, knelgevallenregeling
* 2 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1370 en LEE 20/1371): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, inbeslagname hond, herplaatsing/euthanasie, lichte bevelsbevoegdheid, onomkeerbare maatregel met zeer vergaande inbreuk op het eigendomsrecht
* 2 juni 2020 (ABRvS 202002474/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, ruimte-voor-ruimtewoning, dialoog met omgeving, bouwregels
* 2 juni 2020 (ABRvS 202002477/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woning, ontsluiting, privaatrechtelijke belemmering
* 2 juni 2020 (ABRvS 202002572/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woonwijk, ontsluiting/station, waterhuishouding
* 29 mei 2020 (ABRvS 202002106/1/R4 en /2/R4): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, ontsluitingsweg, vertrouwensbeginsel, geluid/verkeersrapport, motivering
* 29 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/2941): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, hotelarrangement met muziek, COVID, geen verboden evenement noodverordening
* 28 mei 2020 (EH C-654/18): Prejudiciële verwijzing, overbrenging van afvalstoffen, mengsel van papier, karton en papierproducten, stoorstoffen, milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing
* 28 mei 2020 (EH C-535/18): Prejudiciële verwijzing, Aarhus, milieueffectbeoordeling, inspraak van het publiek, onregelmatigheden, waterbeleid EU, grondwaterlichaam
* 28 mei 2020 (EH C-727/17): Prejudiciële verwijzing, technische normen en voorschriften, afstand windturbines tot woningen, regeling van een lidstaat, mededeling
* 28 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1322 en 20/1193): Awb, Ww; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder bestuursdwang, bouwkundige staat pand, brandveiligheid, Bouwbesluit, bevoegdheid, begunstigingstermijn, onderzoek ter plaatse
* 28 mei 2020 (Rb Amsterdam 13/994071-18, 13/994072-18 en 13/994070-18): WSr, WED, Wm; voorhanden hebben en opslaan van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een loods, art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
* 27 mei 2020 (ABRvS 202001792/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, beëindigen gebruik panden, relatie met bpl
* 27 mei 2020 (ABRvS 202002549/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, geen spoedeisend belang (Rb Midden-Nederland 19/1216 en 19/1228)
* 27 mei 2020 (ABRvS 202002663/1/R1, 202002663/2/R1, 202002675/1/R1 en 202002675/2/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, te veel bodemvreemd materiaal in geluidswal, Bbk/Rbk, keuze om einde te maken aan overtredingen
* 27 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1821 en UTR 19/1840):  Awb Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijk zonnepark, belanghebbenden, vvgb, structuurvisie, natuurtoets, landschappelijke inpassing
* 27 mei 2020 (Rb Limburg AWB 20/483): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, lozen van verontreinigd afvalwater (ammonium en stikstof) op of in de bodem van de opvangvoorziening, Activiteitenbesluit, werking luchtwassers, begunstigingstermijn
* 26 mei 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/1757): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen loods, geen vergunning, strijd met bpl, overtreder, geen zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, begunstigingstermijn
* 25 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1550): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, growshop, faciliteren hennepteelt
* 25 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5032 GEMWT VV en BRE 19/6005 GEMWT): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, diverse bouwwerken, geen vergunning, reactieve aanwijzing, herleven oude bpl-en
* 25 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2174): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, proces-verbaal, geheimhoudingskamer
* 20 mei 2020 (Rb Limburg AWB 20/1131): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 20 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5801 VV): Awb, Wabo; vovo, intrekking bouwvergunning, woning, spoedeisendheid
* 20 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/6054 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woonzorgcomplex, belanghebbenden, parkeren
* 19 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5909 WET VV): Awb, Wbr; vovo, handhaving, dwangsom, hekwerk, geen vergunning, geen dringende spoedeisendheid
* 18 mei 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/857 en 20/1137): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 15 mei 2020 (Rb Limburg AWB 20/1008): Awb, Opiumwet; opheffing vovo, sluiting woning, drugs
# 15 mei 2020 (Rb Limburg ROE 18/1948): Awb, Wabo; handhaving, afwijking omgevingsvergunning voor bouwen, schuur/erfafscheiding, Bouwbesluit, sterkte/brand
* 13 mei 2020 (Rb Limburg AWB 20/650): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 12 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5910 WET VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, hennep gerelateerde goederen
* 8 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4835): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast, bezoekers horeca/bouwwerkzaamheden, APV, bevoegdheid, geen overtredingen
* 6 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1551): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw met dakkappellen , Bouwbesluit, welstand, motivering, bezwaarfase
* 1 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5146 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, grondgebonden veehouderij, houden van vee nabij woning
* 1 mei 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5479 WET VV): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, motorblokken, groot deel afkomstig van diefstal
* 28 april 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/260): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en afwijken bpl, appartementen en winkel, UOV, geen vergunning van rechtswege verleend, ontvankelijkheid
* 23 maart 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3484): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, van bedrijfsverzamelgebouw naar een gemengd bedrijven-wooncomplex, niet tijdig beslissen/dwangsom, alsnog besluit, procesbelang, ontvankelijkheid
* 19 maart 2020 (Hof Den Haag 22-000593-19): WSr, WED, Wm; overtreding geluidnorm Activiteitenbesluit, onderzoek niet in gevoelig gebouw
* 19 maart 2020 (Hof Den Haag 22-005055-18 en 22-005056-18): WSr, WED, Wm; ontbranden handfakkel bij voetbalwedstrijd, onduidelijk of sprake is van professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit
* 16 maart 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1242 en 20/1247): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs
* 24 september 2019 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1278): Awb, Wabo; handhaving, afwijken bedrijfsvoering verleende vergunning, relatie bpl

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 3 juni 2020 (ABRvS 201906792/1/R4, 201907251/1/R4, 201907563/1/R4, 201907739/1/R4, 201908009/1/R4, 201908180/1/R4, 202000213/1/R4, 202000334/1/R4, 202000360/1/R4, 202000458/1/R4, 202000463/1/R4 en 202000559/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, verkeerd aanbieden afval, afvalstoffenverordening, volle container, overtreder
2.3.    In het besluit van 22 januari 2020 verwijst het college naar dit bewijsvermoeden en de vaste rechtspraak van de Afdeling daarover. Vervolgens stelt het college: “De enkele stelling dat iemand de container met een sleutel heeft opengemaakt, uw huisvuilzak eruit heeft gehaald en deze naast de container heeft laten staan, is onvoldoende om niet van het hierboven weergegeven bewijsvermoeden uit te gaan.” Het college gaat niet in op het concrete betoog van [appellant] dat een door hem bij naam genoemde persoon een sleutel van het deurtje aan de zijkant van de ORAC zou hebben en op die manier zijn huisvuilzak uit de ORAC zou kunnen hebben gehaald. Het heeft ook niet gecontroleerd of de door [appellant] genoemde persoon, in het kader van de adoptie van een ORAC, inderdaad over een sleutel van de ORAC beschikt. Hierdoor is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit van 22 januari 2020 moet om deze reden worden vernietigd.

* 3 juni 2020 (ABRvS 201906534/1/R1): Awb; invordering dwangsommen, gebreken woning, financiële draagkracht (Rb Amsterdam 18/6939)
3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333, moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Uit het door hem overgelegde overzicht blijkt dat hij weliswaar schulden heeft bij de Belastingdienst, maar hieruit volgt niet dat het voor hem onmogelijk is om de verbeurde dwangsommen te betalen. Evenmin volgt dit uit zijn stelling dat hij ook de in de lasten genoemde voorzieningen niet kan betalen. De door [appellant] verstrekte informatie is onvoldoende om een betrouwbaar en volledig inzicht te verkrijgen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] heeft nagelaten zijn financiële situatie met stukken te onderbouwen, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat evident is dat hij, gezien zijn financiële draagkracht, niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen.

* 3 juni 2020 (ABRvS 201903793/1/R3): Awb, Wro; bpl, buisleidingen, schakelbepaling, tussenuitspraak
3.5.    Op zichzelf kan in overeenstemming met het systeem van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in de planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Gelet op de rechtszekerheid is evenwel vereist dat de planregels in een zogenoemde schakelbepaling ondubbelzinnig bepalen dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven. Voorts dient in de planregels te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft. Vergelijk de uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142.

Een dergelijke schakelbepaling ontbreekt in de planregels. Noch uit de planregels, noch uit de verbeelding volgt dat de bestemming “Leiding – Gas”  aan de gronden ter plaatse van de leiding is toegekend. De plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het plan. Daarom kan niet worden volstaan met het opnemen van passages in de plantoelichting. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Nu het bestemmingsplan de ligging van de in het plangebied aanwezige buisleiding, alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook, niet weergeeft is het plan tevens in strijd met artikel 14 van het Bevb.

De raad heeft in de nota van zienswijzen behorend bij het vaststellingsbesluit aangegeven dat de leiding op de bewuste plaats zal worden weergeven en geconcludeerd dat de zienswijze van Gasunie leidt tot aanpassing van het plan. De raad heeft echter nagelaten dit vervolgens in het plan te regelen. In zoverre is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

* 2 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1370 en LEE 20/1371): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, inbeslagname hond, herplaatsing/euthanasie, lichte bevelsbevoegdheid, onomkeerbare maatregel met zeer vergaande inbreuk op het eigendomsrecht
3.8.  Uit het bovenstaande volgt dat een inbeslagname van een hond op artikel 172, derde lid, van de Gmw kan worden gebaseerd. In het verlengde hiervan geldt hetzelfde voor een (tijdelijk) in bewaring houden na inbeslagname. Een herplaatsing van een hond acht de voorzieningenrechter, gelet op de genoemde rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de Afdeling, eveneens mogelijk op deze grondslag. Het euthanaseren van een hond is echter een onomkeerbare maatregel met een zeer verregaande inbreuk op het eigendomsrecht die, gelet op het karakter van de lichte bevelsbevoegdheid, buiten de reikwijdte ervan valt.

3.9.  Aan het vereiste van een (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan en een inbeslagname/in bewaring houden en herplaatsing van de hond is daarnaast proportioneel, subsidiair en niet willekeurig, en niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
3.14.  De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder bevoegd was om het besluit te nemen voor zover daarin is beslist dat de hond in beslag wordt genomen/in bewaring wordt gehouden en wordt herplaatst, en dat hij dit besluit ook in redelijkheid heeft kunnen nemen. Voor zover is beslist tot euthanasie van de hond als herplaatsing niet mogelijk is, kan het besluit geen stand houden.

* 2 juni 2020 (ABRvS 202002474/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, ruimte-voor-ruimtewoning, dialoog met omgeving, bouwregels
4.1.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij wijze van experiment aan de initiatiefnemers van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die in het onderhavige bestemmingsplan zijn mogelijk gemaakt, zoals aan [belanghebbende], is gevraagd een dialoog met de omgeving te voeren. Dat [verzoeker] het gesprek met [belanghebbende] niet als een omgevingsdialoog heeft ervaren en zich niet herkent in de verslaglegging van die dialoog, heeft voor de raad geen reden gevormd de realisatie van de nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning niet planologisch mogelijk te maken. Ter onderbouwing heeft de raad erop gewezen dat [verzoeker] haar bezwaren tegen de realisatie van de nieuwe woning in haar zienswijze kenbaar heeft kunnen maken en dat deze bezwaren blijkens de zienswijzennota inhoudelijk zijn beoordeeld en in de belangenafweging zijn betrokken.

4.2.    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan op dit punt in de bodemprocedure geen stand zou kunnen houden. Het voeren van een dialoog met de omgeving maakt namelijk geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de door de gemeente Brielle opgestelde leidraad voor een dialoog met de omgeving, waarin volgens [verzoeker] onder meer is vermeld dat bij voorkeur dient te worden aangetoond dat belanghebbenden het verslag van het omgevingsdialoog hebben gezien, pas is vastgesteld na de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan en in zoverre dan ook niet van toepassing was ten tijde van de voorbereiding van dit bestemmingsplan.

* 29 mei 2020 (ABRvS 202002106/1/R4 en /2/R4): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, ontsluitingsweg, vertrouwensbeginsel, geluid/verkeersrapport, motivering
8.4.    De voorzieningenrechter stelt vast dat in de drie hiervoor genoemde rapporten niet is ingegaan op het autoverkeer dat – na de openstelling van de nieuwe autoverbinding via de Veenman – zal kunnen plaatsvinden tussen de wijk De Maricken en de (school)voorzieningen in de wijk Veenzijde III.

[appellant] en anderen hebben aannemelijk gemaakt dat zulke verkeersstromen zich zullen voordoen na het openstellen van de nieuwe autoverbinding.

De uitgevoerde onderzoeken geven echter geen inzicht in het aantal verkeersbewegingen dat daarbij is te verwachten. Ook geven de rapporten geen inzicht in de nadelige gevolgen die deze verkeersstromen kunnen veroorzaken op onder meer de Veenman en de Wagenmaker. Van deze verkeersstromen kan extra geluid- en verkeershinder worden ondervonden. Het ontbreken van dit inzicht klemt te meer omdat in het verkeersrapport is geconcludeerd dat een toename van de verkeersdruk op de Wagenmaker niet wenselijk is, mede gelet op de nabijheid van het voorzieningengebied (met onder meer twee basisscholen). Daarbij is vermeld dat eenrichtingsverkeer op de Wagenmaker geldt tijdens de haal- en brengtijden en dat het gemeentebestuur hiertoe is overgegaan vanwege de bestaande verkeersdruk. Het verkeersrapport vormt in zoverre een bevestiging van het betoog van [appellant] en anderen dat in de huidige situatie al sprake is van een hoge verkeerdruk op de Wagenmaker en de overige straten rondom de (school)voorzieningen.

Uit de planstukken blijkt niet dat de raad de te verwachten toename van de verkeersdruk in het zuidelijke deel van de wijk Veenzijde III in zijn afweging heeft betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

In de zienwijzennota is weliswaar vermeld dat voor de verkeerssituatie rondom de scholen in het algemeen continue aandacht nodig is, maar daarbij is gesteld dat dit los staat van het openstellen van de Veenman. Gezien het vorenstaande kan de raad hierin niet worden gevolgd.

Verder is in de zienswijzennota vermeld dat in de berekeningen rekening is gehouden met de maatschappelijke voorzieningen in de wijk Veenzijde III. Dit blijkt echter niet uit de uitgevoerde onderzoeken.

8.5.    Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

* 28 mei 2020 (EH C-727/17): Prejudiciële verwijzing, technische normen en voorschriften, afstand windturbines tot woningen, regeling van een lidstaat, mededeling
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het vereiste dat bij de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht wordt genomen, geen technisch voorschrift vormt dat krachtens artikel 5 van deze richtlijn moet worden meegedeeld, voor zover dit vereiste niet leidt tot een strikt marginaal gebruik van windgeneratoren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

2)      Artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt moet aldus worden uitgelegd dat een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, niet valt onder de regels die een dienstenactiviteit of de uitoefening hiervan afhankelijk stellen van een territoriale beperking, met name in de vorm van beperkingen op basis van een minimumafstand tussen de dienstverrichters, waarvan de lidstaten de Europese Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 7, van die richtlijn in kennis moeten stellen.

3)      Artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, voor zover deze regeling noodzakelijk en evenredig is in het licht van het bindende nationale algemene streefcijfer van de betrokken lidstaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

* 27 mei 2020 (Rb Limburg AWB 20/483): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, lozen van verontreinigd afvalwater (ammonium en stikstof) op of in de bodem van de opvangvoorziening, Activiteitenbesluit, werking luchtwassers, begunstigingstermijn
In geschil is een varkenshouderij opgelegde last onder dwangsom vanwege het lozen van met ammonium en stikstof verontreinigd afvalwater op of in de bodem van een bassin. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het water in het bassin, dat infiltreert in de bodem, ten tijde van belang zodanig was verontreinigd dat de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) werden overschreden. Er is daarmee sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift. De rechtbank is niet gebleken van een mogelijkheid om de met het Abm strijdige verontreiniging van het bassin te legaliseren. Dat de aanpassingen aan de luchtwassers, die volgens eisers de verontreiniging van het bassin zouden veroorzaken, wel legaliseerbaar zijn gebleken, doet daar niet aan af. De aan de last ten grondslag liggende overtreding ziet immers niet op de werking van de luchtwassers. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat het dwangsombesluit niet alleen ziet op wat er (nog) in het bassin komt aan verontreinigd water maar ook op wat er zich reeds aan verontreinigd water in bevindt en het lozen van daaruit op of in de bodem. Andere bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen van handhavend optreden af te zien, zijn de rechtbank niet gebleken. Dat eisers de overtreding niet konden beëindigen door verweerders aanvankelijke weigering medewerking te verlenen aan het aanpassen van de luchtwassers is niet onderbouwd. Niet alleen is niet onomstotelijk vast komen te staan dat de verontreiniging van het bassin (enkel) wordt veroorzaakt door het gebrekkige functioneren van de luchtwassers, ook is niet gebleken dat de overtreding niet door andere maatregelen dan het wijzigen van de luchtwassers kan worden beëindigd.

* 19 maart 2020 (Hof Den Haag 22-000593-19): WSr, WED, Wm; overtreding geluidnorm Activiteitenbesluit, onderzoek niet in gevoelig gebouw
Vrijspraak overtreding geluidsnorm. Het geluidsonderzoek heeft niet plaatsgevonden in een aanpandige woning (gevoelig gebouw), maar blijkens het bestemmingsplan in een pand met bestemming ‘horeca’. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd nu de meting niet heeft plaatsgevonden in een aanpandig gevoelig gebouw zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor kan deze meting niet worden gebruikt voor het bewijs en dient de verdachte te worden vrijgesproken

* 19 maart 2020 (Hof Den Haag 22-005055-18 en 22-005056-18): WSr, WED, Wm; ontbranden handfakkel bij voetbalwedstrijd, onduidelijk of sprake is van professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 22 april 2018 aanwezig was bij de bekerfinale in De Kuip in Rotterdam. Hij ontkent een handfakkel (of ander vuurwerk) te hebben vastgehouden. Uit het verhandelde ter terecht zitting en uit het procesdossier blijkt niet dat – al aangenomen dat het de verdachte was die vuurwerk voorhanden of tot ontbranding heeft gehad – het professioneel vuurwerk zoals bedoeld in het Vuurwerkbesluit betrof. Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 18 oktober 2018 en de (onduidelijke) foto’s waarop vuurwerk te zien zou zijn, acht het hof daarvoor niet voldoende.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.