Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 10 juni 2020 (ABRvS 201909336/1/R1): Awb, Waterwet; gedoogplicht, watergebiedsplan, percentage grondoppervlak (Rb Noord-Nederland  19/2299)
* 10 juni 2020 (ABRvS 201908242/1/R3): Awb; brief college, geen publiekrechtelijke rechtshandeling, geen besluit, onbevoegd kennis te nemen van beroep
* 10 juni 2020 (ABRvS 201907884/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, last onder bestuursdwang, jachthut/beheersgebouw in voormalige kippenschuur, strijd met bpl en provinciale omgevingsverordening (Rb Gelderland 18/6824)
* 10 juni 2020 (ABRvS 201906955/1/R1): Awb, Waterwet; vovo, projectplan, waterhuishoudkundige infrastructuur, nulmeting grondwaterstand
* 10 juni 2020 (ABRvS 201906588/1/R1 en 201906845/1/R1): Awb, Wm; locatiebesluit, ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, overlast, geluid, afstand erfgrens
* 10 juni 2020 (ABRvS 201905702/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, overkapping bij bedrijfswoning, geen strijd met bpl (Rb Noord-Holland 18/4064)
* 10 juni 2020 (ABRvS 201905045/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, (koker)schietbaan, behoefte/Bor, ruimtelijke onderbouwing (Rb Noord-Nederland 19/768)
* 10 juni 2020 (ABRvS 201904125/1/R1): Awb, Wro; bpl, paraplu/parkeernormen, belanghebbende, omgevingsvergunningen/parkeerbeleid
* 10 juni 2020 (ABRvS 201903712/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, loods /bereiden en afleveren maaltijden, procesbelang, vervangend besluit, EVRM (Rb Overijssel 18/1197)
* 10 juni 2020 (ABRvS 201709037/3/R3): Awb, Wro; bpl, ligplaats/drijvend terras, relatie met looppad en vlonder, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 9 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/675): Awb, Wro; planschade, rondweg, tankstation, liquidatieschade
* 9 juni 2020 (CBb 18/2770 en 18/1318 en 19/1091, 18/1455, 18/2774, 18/2036, 18/2795 en 18/2807): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, geen individuele en buitensporige last, EP, knelgevallenregeling, startersregeling, bedrijfsinvesteringen, procesbelang/ontvankelijkheid
* 8 juni 2020 (ABRvS 202002140/2/R1): Awb, Ww; vovo, handhaving, dwangsom, treffen van maatregelen aan woning, Bouwbesluit (Rb Amsterdam 20/473 en 20/465)
* 8 juni 2020 (ABRvS 202001765/2/R1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen airco-units in patio, afwijking van verleende vergunning strijd met bpl, welstand (Rb Amsterdam 20/771 en 20/772)
* 8 juni 2020 (ABRvS 202001141/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding veehouderij, camping, woon- en leefklimaat, provinciale omgevingsverordening
* 5 juni 2020 (Rb Limburg AWB 20/1010): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woonwagen en schuur, drugs
* 5 juni 2020 (ABRvS 201902715/4/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen
* 4 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5563): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen boom, APV, herplantplicht
* 4 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4567): Awb, AWR; leges, aanvraag omgevingsvergunning, legesverordening, welstandsadvies
* 3 juni 2020 (ABRvS 202001487/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, beeldkwaliteitsplan
* 2 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6364 WET VV): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, omrijden door werkzaamheden
* 2 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/896 en UTR 20/901): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs
* 2 juni 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1586): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, fietspad, verkeersveiligheid
* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3318, UTR 18/3366 en UTR 18/3405): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, diervoederfabriek, procesbelang, voorschriften, geluid, toetspunten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/984): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 28 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/2353): Awb, Wro; planschade, belanghebbende, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4004 en UTR 19/5147): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bouwen woning, oppervlakte bijbehorende bouwwerken, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 mei 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/4457): Awb, Gmw; evenementenvergunning, APV, muziekgeluid, schadevergoeding/termijn
* 28 mei 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1578): Awb, Wnb; vovo, handhaving, ontwerpbesluit niet gericht op rechtsgevolg, geen besluit, bevoegdheid rechtbank
* 27 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1322 en 20/1193): Awb, Ww; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder bestuursdwang, brandveiligheid, Bouwbesluit, asbest, ongedierte
* 19 mei 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5724): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbreden sloot en plaatsen zwemsteiger, belanghebbende, projectplan
* 15 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1697): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken verkoop lachgas, Activiteitenbesluit, bevoegdheid rechtbank
* 13 mei 2020 (Rb Amsterdam 8461106 KK EXPL 20-252):  BW: kort geding, ontruiming huurwoning, onrechtmatige ernstige overlast, ondanks Corona
* 7 mei 2020 (Rb Amsterdam 8451459 KK EXPL 20-240): BW: kort geding, ontruiming huurwoning, onrechtmatige ernstige overlast, ondanks Corona
* 30 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/1222): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, mestverwerkingsinstallatie, reststoffen van veemedicatie en bestrijdingsmiddelen, zelf in de zaak voorzien, aanvullend voorschrift
* 28 april 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/940): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
* 28 april 2020 (Rb Overijssel AWB 20/682 en 20/775): Awb, Wabo; vovo, handhaving, lasten onder dwangsom, invordering, geen vergunning/afwijking vergunning
* 18 december 20219 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2095): Awb, Wnb; handhaving, weiden van vee en bemesten van gronden door de melkrundveehouderij, PAS, Habitatrichtlijn, passende beoordeling, vergunningplicht

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 10 juni 2020 (ABRvS 201905045/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, (koker)schietbaan, behoefte/Bor, ruimtelijke onderbouwing (Rb Noord-Nederland 19/768)
4.2.    Ingevolge artikel 5.20 van het Bor is, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo, artikel 3.1.6. van het Bor van overeenkomstige toepassing. De omstandigheid dat de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het tweede lid van die bepaling, neemt niet weg dat het eerste lid van die bepaling wel van toepassing is. Dit betekent, zoals in de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471, is overwogen, dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid dient te worden onderbouwd. Ook dient, zoals in de uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294, is overwogen, in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld te worden of de gegeven bestemming passend is. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat artikel 3.1.6. niet van toepassing is. Het betoog van [appellant] is in zoverre terecht voorgedragen. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding voor vernietiging van de uitspraak, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

* 10 juni 2020 (ABRvS 201904125/1/R1): Awb, Wro; bpl, paraplu/parkeernormen, belanghebbende, omgevingsvergunningen/parkeerbeleid
3.2.    [appellant] woont op het perceel [locatie] in Bussum, in het zuidelijke deel van het plangebied. Gelet op de situering van de woning van [appellant], in samenhang met de planregeling van dit plan over parkeergelegenheid, acht de Afdeling het niet uitgesloten dat ter plaatse van het perceel van [appellant] ruimtelijke gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. De conclusie is dus dat [appellant] belanghebbende is bij het bestreden besluit en dat zijn beroep ontvankelijk is.

Omdat de parkeersituatie in het plangebied gevolgen kan hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant], de beroepsgronden van [appellant] daarop betrekking hebben en de normen die hij inroept strekken tot bescherming van zijn woon- en leefklimaat, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze beroepsgronden op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit zouden kunnen leiden.
5.6.    De Afdeling stelt voorop dat artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels betrekking heeft op omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Over het betoog dat artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels niet borgt dat bij vergunningvrije wijzigingen van het gebruik van een perceel of pand in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, overweegt de Afdeling als volgt. Naar het oordeel van de Afdeling zou een planregel waarin is bepaald dat vergunningvrije wijzigingen van het gebruik van een perceel of pand moeten worden getoetst aan normen die zijn neergelegd in het parkeerbeleid van de gemeente in strijd zijn met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, omdat de raad geen bevoegdheid heeft om regels te stellen over activiteiten die vergunningvrij mogen worden uitgeoefend. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1578, onder 9, geoordeeld dat een planregel waarin het veranderen van bij recht toegestaan gebruik afhankelijk wordt gesteld van een beleidsregel in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Met de keuze bepaalde activiteiten/ gebruikswijzigingen vergunningvrij te maken heeft de regelgever eigenlijk al in zijn algemeenheid gekozen dat de ruimtelijke gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn. Een nadere gemeentelijke afstemming past daarbij niet. Daarom ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat met artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels onvoldoende is gewaarborgd dat het benodigde aantal parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd en in stand gehouden.

Het betoog faalt.

* 10 juni 2020 (ABRvS 201903712/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, loods /bereiden en afleveren maaltijden, procesbelang, vervangend besluit, EVRM (Rb Overijssel 18/1197)
5.1.    Een vervangend besluit is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb als het is genomen door hetzelfde bestuursorgaan, op basis van dezelfde bevoegdheid, dezelfde feitelijke grondslag en dezelfde aanvraag. Dat is hier het geval. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 22 januari 2019 als besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb heeft aangemerkt.

Een beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Dit betekent dat de bezwaarprocedure wordt overgeslagen als, zoals in dit geval, het besluit hangende de beroepsprocedure wordt genomen. Anders dan [appellante] betoogt, is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1647) is de bezwaarprocedure niet te beschouwen als een procedure waar het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces op ziet. De bezwaarprocedure is een vorm van verlengde besluitvorming door het bestuursorgaan en geen proces ten overstaan van een onafhankelijke rechter. Van schending van artikel 6 van het EVRM kan dan ook reeds hierom geen sprake zijn.

Het betoog faalt.
12.1.    [appellante] heeft deze gronden en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom de betogen niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze betogen buiten beschouwing te blijven. Ten aanzien van het betoog over strijd met de Dienstenrichtlijn merkt de Afdeling nog op dat hierover weliswaar een enkele zin staat in het beroepschrift, maar dat [appellante] ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd dat dit destijds niet bedoeld was als zelfstandige beroepsgrond. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is het om deze reden buiten beschouwing laten van gronden niet in strijd met artikel 6 van het EVRM (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK7992). Dat [appellante] in beroep geen professionele rechtsbijstand had, betekent niet dat zij in hoger beroep alsnog deze gronden naar voren mag brengen. Ook dit is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3228).

* 9 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/675): Awb, Wro; planschade, rondweg, tankstation, liquidatieschade
7.3  De rechtbank stelt voorop dat de omzetdaling slechts kan worden vastgesteld op basis van aannames en schattingen over hetgeen na de aanleg van de rondweg zou kunnen gaan gebeuren. Partijen hebben er voor gekozen om niet te wachten op de aanleg en de ingebruikname van de rondweg maar om de hoogte van de tegemoetkoming vast te stellen op een moment dat er nog geen rondweg is (en dus ook nog geen daadwerkelijke schade). Dat kan nu nog (onder de Omgevingswet kan dat niet meer) gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2553). Het enige dat vaststaat is dat de aanleg en het gebruik van de rondweg zal leiden tot een afname van de verkeersintensiteit met 50%. De schade is een toekomstverwachting en kan daarom niet exact worden bepaald. Dat neemt niet weg dat de aannames wel moeten worden gemotiveerd, zo goed en kwaad als het kan. De rechtbank zal de aannames van partijen over de omzetdaling op alle bedrijfsonderdelen hieronder bespreken.
7.8  De rechtbank concludeert dat verweerder de adviezen van Van Montfoort niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluitvorming. Diens schattingen over de omzetdaling in de brandstofverkoop, de shop en de werkplaats zijn onvoldoende onderbouwd>
10.1  De rechtbank ziet geen aanleiding om de planschade zelf te schatten. Daarvoor heeft de rechtbank te weinig informatie. De rechtbank kan ook niet beoordelen of de planschade zo hoog is dat het bedrijf zou moeten worden geliquideerd. De daartoe overgelegde berekening van eisers vindt de rechtbank onvoldoende omdat ter zitting is gebleken dat het pand is gehuurd door een derde, die er kennelijk in ieder geval de werkplaats en de verkoop van (gebruikte) auto’s voortzet. Verweerder heeft bovendien nog niet gereageerd op de voorlopige berekening van de liquidatieschade.

10.2  De rechtbank ziet evenmin aanleiding om verweerder in deze procedure de gelegenheid te bieden de geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank kan niet overzien hoeveel tijd hiermee is gemoeid. Bovendien betwijfelt de rechtbank of een herhaalde inschakeling van deskundigen bijdraagt aan een snelle oplossing in deze zaak. De rechtbank geeft verweerder daarom de opdracht een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Partijen zouden in overleg kunnen treden om de hoogte van de planschade (en eventueel de liquidatieschade) vast te stellen. Verweerder kan ook de hoogte van de deskundigenkosten conform rechtsoverweging 6.3 corrigeren. De termijn voor het nemen van een nieuw besluit wordt kort gehouden omdat eisers hebben aangegeven dat zij op korte termijn in financiële problemen kunnen komen. Eisers hebben dit verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank ook geen aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen.

* 8 juni 2020 (ABRvS 202001765/2/R1): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen airco-units in patio, afwijking van verleende vergunning strijd met bpl, welstand (Rb Amsterdam 20/771 en 20/772)
5.    Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat geen grond bestaat voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de plaatsing van de drie units op de patio een omgevingsvergunning vereist is.

De patio is een niet overdekte buitenruimte op de begane grond aan de achterzijde van het gebouw en de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de patio een integraal onderdeel van het gebouw is, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd. Los daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de drie geplaatste units op zichzelf staande bouwwerken zijn en dat reeds daarom het plaatsen ervan niet kan worden aangemerkt als een vergunningvrije verandering van het gebouw als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor de plaatsing van de units geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is vereist.

De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de units in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan en dat daarom geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Oostelijke binnenstad” rust op het deel van het perceel waar de units zijn geplaatst de bestemming “Tuin-3”. De units zijn geplaatst ten behoeve van de kantoorfunctie die is genoemd onder de bestemming “Gemengd-1” en niet ten dienste van de aldaar geldende bestemming “Tuin-3”. Aangezien in artikel 16.2 van de planregels is bepaald dat op de tot “Tuin-3” bestemde gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde ten dienste van de bestemming mogen worden opgericht en de gebruiksregels in artikel 16.3 uitsluitend zien op gebouwen en niet op een bouwwerk als hier aan de orde, heeft de rechtbank naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de units in strijd zijn met het bestemmingsplan.

* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3318, UTR 18/3366 en UTR 18/3405): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, diervoederfabriek, procesbelang, voorschriften, geluid, toetspunten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
29.  De rechtbank heeft de taak om het geschil zo veel mogelijk definitief te beslechten. Met de vernietiging van het bestreden besluit 2 wat betreft het voorschrift 4.9 is het verzoek tot actualisering op het punt van geluid weer open komen te liggen. [eiseres sub 2] heeft haar bedrijfsactiviteiten lopende deze beroepsprocedure, per 1 juli 2019, verplaatst naar een locatie in [vestigingsplaats] . Dat is dus gebeurd na de tussenuitspraak, maar nog voor het bestreden besluit 2 werd genomen. Sinds 1 juli 219 vinden er dus geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. Op dit moment is het voor verweerder dan ook niet mogelijk om op het actualiseringsverzoek ten aanzien van het aspect geluid opnieuw te beslissen. Het is echter niet uitgesloten dat de bedrijfsactiviteiten op enig moment weer worden hervat op de locatie in [vestigingsplaats] . De geldende vergunningen geven [eiseres sub 2] immers bestaande rechten op basis waarvan de inrichting opnieuw in werking kan worden genomen, die op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo pas na drie jaar kunnen worden ingenomen.

  1. De rechtbank heeft de mogelijkheden verkend die er nu bestaan om zo finaal mogelijk te beslissen. Eerst heeft de rechtbank bezien of het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 mogelijk is. Het risico dat nu niet op het actualiseringsverzoek ten aanzien van het aspect geluid kan worden beslist ligt naar het oordeel van de rechtbank bij [eiseres sub 2] . Zij heeft haar activiteiten verplaatst in de wetenschap dat verweerder nog opnieuw zou beslissen naar aanleiding van de tussenuitspraak. Vanwege de tegengestelde belangen die eisers in deze zaak hebben en de aard van het gebrek dat tot vernietiging heeft geleid, vindt de rechtbank het in stand laten van de rechtsgevolgen vanwege het door [eiseres sub 2] genomen risico bij verplaatsing van haar bedrijfsactiviteiten geen mogelijkheid in deze zaak. Dan is vervolgens de vraag of de rechtbank in deze zaak zelf kan voorzien. Ook dat is in dit geval geen mogelijkheid, gelet op de bestuurlijke vrijheid die verweerder bij actualisering heeft. De rechtbank heeft nog verkend of zij het actualiseringsverzoek, vanwege de bedrijfsverhuizing van [eiseres sub 2] , zelf zou moeten afwijzen waardoor de geldende vergunningen weer leidend zouden zijn als [eiseres sub 2] weer terugverhuisd. Te voorzien is dat bij een eventuele terugverhuizing deze procedure weer van voor af aan begint met een nieuw actualiseringsverzoek. Bovendien verhoudt deze oplossing zich moeizaam met het in overweging 10 geconstateerde procesbelang dat eisers nog hebben bij deze procedure. De meest finale oplossing is in deze zaak dat verweerder, met alle beoordelingsruimte die er is, opnieuw op het actualiseringsverzoek wat betreft geluid moet beslissen. Dit zal echter pas weer gaan spelen als [eiseres sub 2] besluit terug te verhuizen. Een voordeel van deze uitkomst is dat alles wat in deze procedure is uitgewisseld en beslist bij een nieuwe beslissing van verweerder op het actualiseringsverzoek meegenomen moet worden. Omdat het op dit moment onzeker is of de fabriek weer in gebruik gaat worden genomen en zo ja, of de bedrijfsactiviteiten dan overeenkomen met, of passen binnen de marges van de representatieve bedrijfssituatie zoals beschreven in het geluidrapport 2019, acht de rechtbank het in dit specifieke geval echter niet zinvol om de beroepsgronden gericht tegen het geluidrapport 2019 of daarmee samenhangen te bespreken.

    * 30 april 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/1222): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, mestverwerkingsinstallatie, reststoffen van veemedicatie en bestrijdingsmiddelen, zelf in de zaak voorzien, aanvullend voorschrift
    9.5. In de brief van de gemachtigde van eiseressen van 3 december 2019 wordt aangegeven, vanuit het perspectief van de juridische borging en omdat eiseressen ernstig twijfelen aan de bereidheid van verweerder oprecht toe te zien op de naleving van het voorschrift, dat het beroep niet wordt ingetrokken. Onder verwijzing naar hun eerdere brief van 16 oktober 2019 stellen zij het volgende: “Vervolgens wordt genoemd dat het meetprotocol uiteen dient te vallen in twee delen. Gedurende de 12 maanden na ingebruikname van de installatie dient een breed monitoringsprogramma te worden uitgevoerd op basis van de voorwaarden zoals genoemd in de brief van 3 oktober 2019. Zij stellen: “Op basis van de uitkomsten uit dat meetprogramma dient een definitief monitoringsprogramma te worden opgesteld waarbij de meting wordt beperkt tot een aantal stoffen (tracers), en dienen voor die stoffen een nader vast te stellen emissiegrenswaarde te worden gesteld.” Volgens eiseressen is hierin geen stap gemaakt en die stap ligt op de weg van verweerder. Afgezien van de precieze redactie van dat voorschrift dient ook uitvoering aan dat voorschrift te worden gegeven. In ieder geval is in dit punt in het geheel niet voorzien volgens eiseressen en dat zou wel moeten.
  2. De rechtbank ziet geen reden waarom zij het voorstel van vergunninghoudster niet zou kunnen en mogen volgen. Verweerder heeft geen bezwaar tegen dit aanvullend voorschrift. Het standpunt van eiseressen dat er tevens dient te worden voorzien in een definitief monitoringprogramma na de eerste 12 maanden – voor het overige hebben zij geen bezwaren tegen het voorstel van vergunninghoudster – deelt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat het nu te vroeg is daarop al vooruit te lopen. Om tot het vereiste maatwerk te kunnen komen, zullen eerst de uitkomsten van de twee metingen en analyses van de eerste 12 maanden – de rechtbank gaat er daarbij van uit dat vergunninghoudster binnen afzienbare tijd na de ingebruikname van de mestverwerkingsinstallatie de eerste meting zal verrichten en de uitkomsten daarvan bekend zal maken – bekend moeten zijn.

Op basis daarvan – dat is het meest efficiënt – kan dan op een zorgvuldige wijze worden bekeken voor welke van de (aangetroffen) stoffen er mogelijk emissiegrenswaarden dienen te worden gesteld in de watervergunning en of er nadien ook nog metingen verplicht moeten worden gesteld voor deze stoffen. De rechtbank voegt daaraan toe dat als verweerder daartoe niet zelf overgaat (al dan niet op basis van een daarvoor door vergunninghoudster voorgelegd plan), eiseressen zelf verweerder om een dergelijke aanpassing van de watervergunning kunnen verzoeken.

  1. Omdat op basis van het vorenstaande het bestreden besluit zal worden aangevuld met een extra vergunningvoorschrift, betekent dit dat het beroep van eiseressen grotendeels slaagt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover is nagelaten daaraan een aanvullend voorschrift te verbinden.

 

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Iris Kieft heeft een annotatie geschreven bij de uitspraken van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:973 en ECLI:NL:RVS:2020:972) en van 15 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1075). In de drie uitspraken heeft de Afdeling beoordeeld of de in geding zijnde bestemmingsplannen in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. In de noot wordt ingegaan op drie geschilpunten: of de branchering ook effectief zou zijn in de lokale situatie, of de beperking een zinvolle bijdrage levert aan het beleid en of de beperking niet verder gaat dan nodig is. (OGR 2020-0124, OGR 2020-0126 en OGR 2020-0127).