Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 17 juni 2020 (ABRvS 202000053/1/R1 ): Awb, Wro; bpl, transformatie bedrijventerrein en jachthaven tot gemengd woongebied, verbrede reikwijdte/Chw/beleidsregel, natuur/stikstof/relativiteit, PFAS, schaarse rechten/Dienstenrichtlijn/relativiteit
* 17 juni 2020 (ABRvS 201909275/1/R3): Awb, Wro; bpl, woongebied, VNG-brochure, uitleg gemengd gebied, richtafstand, geen onderzoek naar specifieke bedrijfsvoering
* 17 juni 2020 (ABRvS 201908398/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieu, mestverwerkingsbedrijf met een co-vergistingsinstallatie, verhogen capaciteit, uitleg status bedrijventerrein, procesbelang, ontvankelijkheid  (Rb Oost-Brabant 19/1009)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201908208/1/R4): Awb, Wm, Ww, Gmw; bestuursdwang, verwijderen asbest, Bouwbesluit, Asbestverwijderingsbesluit 2005, kostenverhaal
* 17 juni 2020 (ABRvS 201908167/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor diverse activiteiten, belanghebbenden, ontvankelijkheid( Rb Midden-Nederland 18/4111)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201906825/1/R1): Awb, Wm; aanwijzingsbesluit, ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, locatie
* 17 juni 2020 (ABRvS 201906300/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark met bijbehorende installaties, geen nadere onderbouwing beroep (Rb Noord-Holland 18/4577)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201906223/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor inkorten boombak, waardevolle boom, geen bouwen, leges, APV (Rb Gelderland 19 1045)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201906221/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, speelhut op palen, leges (Rb Gelderland 18/5324)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905943/1/R1): Awb, Wro; bpl, woning, geur/Wgv, bebouwde kom
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905854/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, structuurvisie, parkeren, woon- en leefklimaat
* 17 juni 2020 (ABRvS 2019057601/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, welstand, voorschriften (Rb Midden-Nederland 18/4083)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905265/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, grotere woon- en groenbestemming, bevoegdheid, kwaliteitsverbetering, provinciale verordening
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905169/1/R4): Awb, Wro; bpl, woonzorgboerderij, zorgvraag, woon- en leefklimaat, parkeren/CROW, geluid
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905124/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom,  verwijderen recreatieverblijf en een vrijstaande berging met aangebouwde overkapping, geen stacaravan, vergunningplicht, gelijkheidsbeginsel (Rb Oost-Brabant 18/2749)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201905010/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding
* 17 juni 2020 (ABRvS 201904856/1/R4): Awb, Wabo; intrekking omgevingsvergunning en handhaving/dwangsom, belangenafweging (Rb Midden-Nederland 18/3278)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201904726/1/R4): Awb, Wm; handhaving, maatwerkvoorschriften, geluid, indirecte hinder (Rb Overijssel 18/288)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201904300/1/R2): Awb, Wro; bpl, belanghebbenden, ruimte-voor-ruimtekavels, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, natuur/provinciale verordening/quickscan
* 17 juni 2020 (ABRvS 201904076/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, bomenbeleidsplan/APV, financiële schade (Rb Limburg 18/1208)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201903456/1/R3): Awb, Wro; bpl, bouwvlak, portaalkranen, landschappelijke inpassing, ontbreken gebruiksregels, molenbiotoop/bouwhoogte
* 17 juni 2020 (ABRvS 201903324/1/A1): Awb; aanpassing kaart Wav, ontvankelijkheid
* 17 juni 2020 (ABRvS 201902836/1/R2): Awb, Wro; bpl, agrarisch bedrijf, buisleiding, externe veiligheid, Bevi/Bevb, woningdichtheid per hectare
* 17 juni 2020 (ABRvS 201808569/3/R3): Awb, Wro; bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 17 juni 2020 (ABRvS 201800466/3/A2): Awb, Wro; planschade, einduitspraak na eerdere tussenuitspraken (Rb Zeeland-West-Brabant 17/5219)
* 17 juni 2020 (ABRvS 201609291/2/A2): Awb; schadevergoeding, aanpassingen rijksweg, Tracébesluit, toename geluid, EVRM, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 juni 2020 (CBb 18/2177 en 18/2871): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, hoeveelheid dieren, infrastructurele werkzaamheden, knelgevallenregeling
* 16 juni 2020 (Hof Den Haag 200.256.704/01): BW; huur; ontbinding huurovereenkomst, ontruiming woning, overlast voor omwonenden, bewijswaardering
* 15 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/2632): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor werk, bouwen en afwijken bpl, tuincentrum, parkeren, verkeer/CROW, woon- en leefklimaat, privacy, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2760): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen stacaravan uit voortuin, geen vergunning, huisvestingsprobleem
* 12 juni 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1280): Awb, Opiumwet; 2e vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 12 juni 2020 (ABRvS 202001882/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding vakantiepark
* 11 juni 2020 (ABRvS 202001217/2/A3): Awb, DHW, Gmw, Wok; vovo, DHW-, exploitatie- en speelautomatenvergunning, horecabeleid, woon- en leefklimaat, spoedeisend belang, exploitatie van shisha
* 11 juni 2020 (Hof Amsterdam 18/00636): Awb, AWR; leges, geen aanvraag/geen van rechtswege verleende omgevingsvergunning, uitspraak RvS
* 11 juni 2020 (EH C-88/19): Prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn, systeem van strikte bescherming van diersoorten, wolf, natuurlijk verspreidingsgebied, vangst en vervoer, openbare veiligheid
* 11 juni 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/2234 en AMS 20/2235): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunningen, horecabedrijven, Wet Bibob, slechte bedrijfsvoering, APV, Dienstenrichtlijn
* 11 juni 2020 (Rb Overijsel AWB 20/1052): Awb, Wabo; vovo, handhaving, lasten onder dwangsom, op- en overslag en zeven van grind/grindwasserij, verwijderen betonverharding, strijd met bpl,
* 11 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1092 en SHE 20/1199): Awb, Wabo, Wvw; vovo, omgevingsvergunning voor aanpassen wegdek/verkeersbesluit, onlosmakelijke samenhang, landschappelijke en natuurlijke waarden, planregels
* 11 juni 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/2563 en AMS 19/5004): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, renoveren panden en funderingsherstel, verhuizen bewoners/Corona, monumentstatus, geen strijd met bpl
* 11 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1375): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting clubhuis motorclub, banden met Hells Angels, Corona
* 10 juni 2020 (ABRvS 201709037/4/R3 en 201908242/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl/brief, uitspraak gedaan in bodemprocedures, geen geding meer
* 9 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2635): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor uitweg, belanghebbende
* 9 juni 2020 (Parket HR 18/04961): WSr, WED, Wm; afgraven stortplaats, verspreiding asbestdeeltjes door de lucht, volksgezondheid, advies PG
* 9 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/2444): Awb, Wob; gegevens luchtkwaliteit, CO2-uitstoot, juiste zoekslag
* 5 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2051): Awb, Wabo; vovo, handhaving, bestuursdwang, afsluiten mestputten, verontreiniging met drugsafval
* 4 juni 2020 (Rb Limburg ROE 18/1034 en ROE 18/1032): Awb, AWR; aanlagen rioolheffing, opbrengstlimiet, inzichtelijkheid omslagrente, verbindendheid verordening
* 2 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1735E): Awb, Wro; planschade, complexwaardemethode, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/460): Awb, Gmw; vovo, extra voorschrift exploitatievergunning, geen verkoop lachgas, APV, openbare orde en veiligheid
* 29 mei 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6594): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs
* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4580): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijk plaatsen van noodlokalen
* 28 mei 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2655): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, overtreden voorschriften milieuvergunning, afval, acceptatie, opslaghoeveelheid
* 27 mei 2020 (Rb Limburg ROE 17/2531 en ROE 18/720): Awb, AWR; aanslagen rioolheffing, opbrengstlimiet, Kaderrichtlijn Water, EVRM, schadevergoeding
* 26 mei 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2603): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, appartementencomplex, bouwstop, vrees voor schade
* 18 mei 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/651): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 11 mei 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1677 en SHE 19/879): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), geiten, m.e.r.-plicht, risico gezondheid, VGO, GGD, Q-koorts

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 17 juni 2020 (ABRvS 201909275/1/R3): Awb, Wro; bpl, woongebied, VNG-brochure, uitleg gemengd gebied, richtafstand, geen onderzoek naar specifieke bedrijfsvoering
3.2.    Uit paragraaf 1.4 van de VNG-uitgave “Milieuzonering nieuwe stijl” blijkt dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat deze uitgave een alternatief biedt naast de VNG-brochure, bedoeld voor bestemmingsplanen met verbrede reikwijdte, en geen herziening van de VNG-brochure is. De raad heeft er daarom voor kunnen kiezen om deze VNG-uitgave niet toe te passen bij de vaststelling van het plan, omdat dit geen bestemmingsplan met verbrede reikwijdte betreft.

4.5.    Bij het toepassen van de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen dient in beginsel rekening te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningvrije uitbreidingsmogelijkheden op een perceel.

De Afdeling heeft eerder overwogen dat in een concreet geval, wanneer locatie-specifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven en dit strekt tot een goede ruimtelijke ordening, een planregeling kan worden opgenomen die vergunningvrij bouwen aan banden legt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:571). In de plantoelichting heeft de raad onderbouwd dat de inperking van vergunningvrij bouwen noodzakelijk is in verband met locatie-specifieke omstandigheden. De raad wil voorkomen dat de werkelijke afstand tussen de woningen en de perceelgrens van het bedrijf van [appellante] minder dan 10 meter wordt. Deze afstand geldt ter voorkoming van hinder. Voornoemde locatie-specifieke omstandigheden rechtvaardigen in dit geval, vanwege zowel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als het voorkomen van beperkingen van de bedrijfsvoering van [appellante], de gekozen planregeling om vergunningvrij bouwen te beperken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1798).

De Afdeling overweegt dat de in artikel 7, leden 7.2.1 en 7.2.4, gestelde beperking aan het bebouwen van de betreffende stroken grond in samenhang bezien met de toegekende bouwaanduiding “specifieke bouwaanduiding uitgesloten – voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken” tot gevolg heeft dat op de gronden waaraan genoemde aanduiding is toegekend, bijbehorende bouwwerken niet mogen worden opgericht en in gebruik genomen voor bewoning.  De gronden kunnen niet worden aangemerkt als “erf” in de zin van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Het betreffende perceelgedeelte kan, nu het geen erf betreft, evenmin als “achtererfgebied” als bedoeld in die bepaling worden aangemerkt.

Het aanhouden van de richtafstand van 10 m tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat, het bedrijf van [appellante], en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is, is hiermee voldoende gewaarborgd.

Zoals de Afdeling eerder in de voornoemde uitspraak van 21 februari 2018 heeft overwogen, schrijft artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor niet dwingend of uitputtend voor op welke wijze de planwetgever in het plan de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw verbiedt. De raad was daarom niet gehouden om een andere bestemming aan de betreffende stroken grond toe te kennen om zo te garanderen dat de gronden niet als erf in de zin van het Bor worden aangemerkt. Het stond de raad vrij om dit op de door hem gekozen manier te waarborgen.

Het betoog faalt.
5.2.    De Afdeling overweegt dat de raad, gelet op de specifieke bedrijfsvoering van [appellante] in combinatie met de geringe afstand tussen het bedrijf en de voorziene woningen, ten onrechte heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de milieubelasting van [appellante] op de voorziene woningen. Hierbij betrekt de Afdeling de intensiviteit en grootte van het bedrijf, dat er een geautomatiseerd voertuig aan de kant van de voorziene woningen zal rijden en dat er aan die kant ook koelunits van het bedrijf aanwezig zijn. De stelling van de raad dat de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellante] is meegenomen door te toetsen aan de richtafstand uit de VNG-brochure en dat er ervaring is met woningen in de directe nabijheid van (land- en tuinbouw)bedrijven in de omgeving biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van de woningen in dit geval aanvaardbaar is, gelet op de korte afstand van de desbetreffende gronden tot het bedrijf van [appellante]. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat ter plaatse van de voorziene woningen ten aanzien van in ieder geval het aspect geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook voor overige aspecten van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de voorziene woningen op deze korte afstand van het bedrijf is niet gebleken dat de raad zich op de hoogte heeft gesteld van de specifieke bedrijfsvoering van [appellante]. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt

* 17 juni 2020 (ABRvS 201908167/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor diverse activiteiten, belanghebbenden, ontvankelijkheid( Rb Midden-Nederland 18/4111)
12.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271) geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:737), dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

12.2.    [appellant sub 1] woont op ongeveer 500 meter afstand van het perceel. Tussen zijn woning en het perceel liggen andere woningen en groen. De woning van [appellant sub 1] is hoger gelegen dan de woning op het perceel. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant sub 1] de feitelijke gevolgen die hij ondervindt van de activiteit die door het besluit van 1 juli 2016 zijn toegestaan, als volgt toegelicht. Op een wand op de tweede etage van zijn woning is soms een schittering waarneembaar die volgens [appellant sub 1] wordt veroorzaakt door de reflectie van de zon op het zinken dak van de nieuwbouw op het perceel. Die reflectie komt zijn woning binnen via een dakraam en is soms zichtbaar in de winterperiode als er weinig groen is, aldus [appellant sub 1]. In de winter van 2018 is die schittering waargenomen door degene die toen dat gedeelte van zijn woning huurde. Die huurder heeft [appellant sub 1] toentertijd daarover geïnformeerd. [appellant sub 1] maakt zelf geen gebruik van dat gedeelte van zijn woning. In beroep in eerste aanleg heeft [appellant sub 1] aangevoerd dat de schittering is waargenomen in de periode november/december 2018. Het college heeft ter zitting onweersproken te kennen gegeven dat het zinken dak al in 2017 was gerealiseerd en zal verweren, waardoor de reflecterende werking ervan na verloop van tijd zal afnemen.

12.3.    De Afdeling is van oordeel dat het belang van [appellant sub 1] niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 1 juli 2016. Daargelaten de vraag of de door [appellant sub 1] gestelde schittering wordt veroorzaakt door reflecties van de zon op een zinken dak dat ongeveer 500 meter van zijn woning is gelegen, terwijl tussen zijn woning en het perceel andere woningen en groen zijn gelegen, kunnen de door [appellant sub 1] gestelde gevolgen van die reflecties niet worden aangemerkt als gevolgen die voor [appellant sub 1] van enige betekenis zijn. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het zinken dak al in 2017 was gerealiseerd en de door [appellant sub 1] gestelde schittering alleen in november/december 2018 is waargenomen op een wand op de tweede etage van de woning van [appellant sub 1].

12.4.    Omdat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het besluit van 1 juli 2016, heeft het college het door [appellant sub 1] tegen dat besluit gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat laat onverlet dat [appellant sub 1] in zijn hoedanigheid als indiener van het bezwaarschrift een rechtstreeks belang heeft bij het besluit op dat bezwaar van 27 september 2018 en derhalve de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar door de bestuursrechter kan laten toetsen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] terecht ongegrond verklaard, zij het dat de rechtbank daaraan een andere overweging ten grondslag heeft gelegd dan hiervoor onder 12.3 is weergegeven.

  1. Het hoger beroep van [appellant sub 1], is ongegrond. Een inhoudelijke beoordeling van het door [appellant sub 1] in hoger beroep aangevoerde betoog kan achterwege worden gelaten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

    * 17 juni 2020 (ABRvS 201904726/1/R4): Awb, Wm; handhaving, maatwerkvoorschriften, geluid, indirecte hinder (Rb Overijssel 18/288)
    4.1. De Afdeling heeft eerder overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3463, dat het college beleidsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Het college dient daarbij een belangenafweging te maken. De rechter beoordeelt of het college, in dit geval, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om geen maatwerkvoorschriften te stellen.

Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit (nota van toelichting, blz. 116; Stb. 2007, 415) volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven (zie de uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0498).

  1. Tussen partijen is niet in geschil dat het geluid van het verkeer van en naar het krantendepot ter hoogte van de woning van [appellant] aan het inwerking zijn van het krantendepot is toe te rekenen. Het Activiteitenbesluit bevat geen regels voor de toegestane hoogte van de geluidbelasting, veroorzaakt door verkeer van en naar een inrichting. Wel is in artikel 2.1, vierde lid, in samenhang met het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onder k, van het Activiteitenbesluit neergelegd dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Voor zover de rechtbank heeft verwezen naar het bepaalde onder f van dat artikellid gaat de Afdeling ervan uit dat daaronder het bepaalde onder k, moet worden begrepen.

Het college heeft het geluid afkomstig van het verkeer van en naar het krantendepot getoetst aan de circulaire van 29 februari 1996 “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” (hierna: de circulaire). Het college heeft in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de circulaire.

In de circulaire wordt geadviseerd om de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting te beoordelen aan de hand van een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde (50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) in de nachtperiode), welke waarde onder bepaalde voorwaarden kan worden verhoogd tot 65 dB(A).

Het college is er in het besluit op bezwaar vanuit gegaan, door verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode. [appellant] heeft niet betwist dat aan deze voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In de stelling van [appellant] dat in de nachtperiode ontwaakreacties optreden door piekgeluiden van het verkeer van en naar het krantendepot, heeft het college geen aanleiding hoeven zien maatwerkvoorschriften te stellen. In de circulaire worden immers geen eisen gesteld aan de hoogte van piekgeluiden. Het college heeft dan ook reeds hierom, gegeven het door hem gehanteerde toetsingskader, in redelijkheid kunnen beslissen geen maatwerkvoorschriften te stellen vanwege geluidhinder voor de op het bedrijventerrein gelegen woning van [appellant]. In wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank heeft terecht het besluit op bezwaar in stand gelaten.

Het betoog faalt.

* 17 juni 2020 (ABRvS 201902836/1/R2): Awb, Wro; bpl, agrarisch bedrijf, buisleiding, externe veiligheid, Bevi/Bevb, woningdichtheid per hectare
4.4.    De relevante wettelijke regelingen in het Bevb en het Bevi beantwoorden de hiervoor besproken vragen over de bepaling van de woningdichtheid per hectare niet. In de Nota van Toelichting bij het Bevi (Stb. 2004, 250, blz. 61 en 62) is, voor zover relevant, vermeld:

“In onderdeel a zijn twee categorieën woningen genoemd die niet onder de categorie kwetsbare objecten vallen. Bij verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare moet vooral gedacht worden aan woningen in agrarisch gebied. (…). In onderdeel a, onder ten eerste, is met de maximale dichtheid van woningen per hectare bedoeld de dichtheid per willekeurig gekozen hectare.”

4.5.    De Afdeling is van oordeel dat met de woorden “willekeurig gekozen hectare” in ieder geval niet is bedoeld dat als maar op de een of andere manier een situering van een hectarevlak van 100 x 100 m mogelijk is, waarbinnen zich slechts een relevant deel van de buisleiding, alsmede de woning [locatie 1] bevindt, maar geen andere woning(en), hetgeen in dit geval mogelijk is, mag worden aangenomen dat de woning [locatie 1] reeds vanwege die mogelijke situering van een hectarevlak als een beperkt kwetsbaar object kan blijven worden aangemerkt.

De Afdeling is daarentegen van oordeel dat de woorden “willekeurig gekozen hectare” juist met zich brengen dat door middel van het verschuiven van een hectarevlak van 100 x 100 m, onderzocht moet worden of sprake kan zijn van een situatie, waarin én een relevant dichtstbij gelegen deel van de buisleiding en meer dan twee woningen, waaronder in dit geval ook de woning [locatie 1], binnen een aldus bepaald hectarevlak zijn gelegen.

Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of voor de woningdichtheid alleen woningen moeten worden meegeteld voor zover die geheel binnen een dergelijk gekozen hectarevlak vallen, dan wel ook woningen, die zich slechts gedeeltelijk binnen dat hectarevlak bevinden.

Het gaat hier om een agrarisch gebied met verspreid liggende bebouwing in verder open gebied. De omgeving is relatief dunbevolkt en heeft een lage woningdichtheid. De aanwezige woningen zijn voor het merendeel niet aaneengesloten gebouwd.

De Afdeling acht onder de gegeven omstandigheden de gekozen werkwijze van de raad ter bepaling van de relevante woningdichtheid niet onjuist. De raad heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat de woning waar het hier om gaat, [locatie 1], geheel binnen het hectarevlak is gesitueerd,  binnen welk vlak zich ook het dichtstbij gelegen deel van de buisleiding bevindt. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onjuist, nu bepaald moet worden of de hoedanigheid van de aan de orde zijnde woning verandert van een beperkt kwetsbaar object in een kwetsbaar object.

Niet in geschil is, en de Afdeling stelt dat ook vast, dat uit de luchtfoto’s in het Memo van 5 november 2018 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant dat een bijlage bij het bestemmingsplan is, blijkt dat als de woning [locatie 1] geheel en het dichtstbijgelegen deel van de buisleiding binnen het hectarevlak zijn gesitueerd, de woningen De Hei 43 en 43A daar dan geheel buiten vallen, zodat de conclusie is dat zich binnen het aldus gesitueerde hectarevlak slechts één woning, namelijk [locatie 1], bevindt.

Het betoog van RRP dat sprake is van een woningdichtheid van meer dan twee woningen per hectare, omdat het hectarevlak zodanig kan worden gesitueerd dat zich daarbinnen zowel een dichtstbijgelegen deel van de buisleiding als delen van de woning [locatie 1], en van de woningen De Hei 43 en 43A bevinden, volgt de Afdeling niet. Dat zou betekenen dat bij de bepaling van de woningdichtheid rekening moet worden gehouden met woningen, waarvan zich slechts een zeer klein gedeelte binnen het hectarevlak bevindt. Dat ligt naar het oordeel van de Afdeling niet in de rede.

Het ligt evenwel gelet op het doel en de strekking van de regeling ook niet in de rede om bij de bepaling van de woningdichtheid uitsluitend rekening te houden met woningen die zich geheel binnen het hectarevlak bevinden. Het hiervoor besproken uitgangspunt dat voor de woning waarop de aan de orde zijnde planologische wijziging ziet, geldt dat deze zich geheel binnen het relevante hectarevlak moet bevinden, geldt dan ook niet voor andere woningen die zich binnen het hectarevlak bevinden.

Naar het oordeel van de Afdeling is de voorgaande benadering een juiste wetsuitleg. Ook past deze in het systeem van de wettelijke regeling, waarin hoofdregel is dat burgerwoningen een kwetsbaar object zijn, tenzij deze tot – voor zover in het onderhavige geval van belang – de uitzondering behoren van een woningdichtheid van maximaal twee woningen per hectare.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging van de woning [locatie 1] van een bedrijfs- naar een burgerwoning niet tot een situatie leidt waarin de woningdichtheid meer dan twee woningen per hectare bedraagt. Dit betekent dat de raad zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aspect externe veiligheid niet aan deze bestemmingswijziging in de weg staat.

Het betoog faalt.

* 11 juni 2020 (EH C-88/19): Prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn, systeem van strikte bescherming van diersoorten, wolf, natuurlijk verspreidingsgebied, vangst en vervoer, openbare veiligheid
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van 13 mei 2013, moet aldus worden uitgelegd dat de vangst en het vervoer van een specimen van een krachtens bijlage IV bij deze richtlijn beschermde diersoort, zoals de wolf, aan de rand van een door de mens bewoond gebied of in een dergelijk gebied onder het in deze bepaling neergelegde verbod kunnen vallen.

Artikel 16, lid 1, van die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de opzettelijke vangst van specimens van deze diersoort in bovengenoemde omstandigheden steeds verboden is wanneer de bevoegde nationale instantie geen afwijking op grond van deze bepaling heeft toegestaan.

* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/460): Awb, Gmw; vovo, extra voorschrift exploitatievergunning, geen verkoop lachgas, APV, openbare orde en veiligheid
5. Ondanks dat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de door verzoekster gevraagde voorziening nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in een bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is. Verzoekster wordt niet gevolgd in haar stelling dat verweerder niet bevoegd is om het besluit te nemen. Volgens verweerder is hij op grond van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet in combinatie met artikel 2:29, achtste lid, van de APV bevoegd om het voorschrift aan de exploitatievergunning toe te voegen. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanknopingspunten dat verweerder op grond van die artikelen evident niet bevoegd is. Anders dan verzoekster stelt gaat het niet om een algeheel verbod op de verkoop van lachgas, maar richt het verbod zich specifiek op de verkoop van lachgas in horecagelegenheden. Daar komt bij dat verweerder in het besluit heeft vermeld dat hij zijn bevoegdheid aanwendt in het belang van bescherming van de volksgezondheid én handhaving van de openbare orde en veiligheid. Deze aspecten staan ook vermeld in artikel 2:29, achtste lid, van de APV. Verder ziet de voorzieningenrechter – zonder een diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht – niet in dat zeer ernstig betwijfeld moet worden dat het besluit in strijd is met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b of c, van de Dienstenrichtlijn. Verweerder heeft in het besluit en de nadere stukken gemotiveerd uiteengezet welke dwingende reden van algemeen belang het verbod op de verkoop van lachgas rechtvaardigt. Ook heeft hij gemotiveerd uiteengezet dat het verbod evenredig is met die reden van algemeen belang. Daarbij geldt dat een maatregel al evenredig is als het kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling. De maatregel hoeft dus niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling te kunnen verwezenlijken.

* 11 mei 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1677 en SHE 19/879): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), geiten, m.e.r.-plicht, risico gezondheid, VGO, GGD, Q-koorts
5.2  De rechtbank stelt voorop dat juist de omstandigheid dat niet duidelijk is of er een verband bestaat tussen het houden van geiten en het meer voorkomen van longontsteking rondom geitenhouderijen reden is voor onderzoek. Als duidelijk zou zijn dat er een causaal verband bestond, zou dit onderzoek niet nodig zijn.

Anders dan eisers lijken te menen, is het in het kader van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk om, net als in landelijke onderzoeken, te onderzoeken of er wel een verband bestaat tussen geitenhouderijen en longontsteking, maar zou, uitgaande van het bestaan van dit verband, kunnen worden onderzocht welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen om dit risico te beperken. Daarbij kunnen de resultaten van het landelijke onderzoek in de rapportage worden betrokken. Ook de omstandigheid dat niet precies bekend is wat de oorzaak is van het hogere aantal longontstekingen in de omgeving van geitenhouderijen, kan in het milieueffectrapport worden betrokken, omdat daarin doorgaans ook onzekerheden worden beschreven.

5.3  De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het opstellen van een milieueffectrapport niet had mogen verlangen. Omdat niet op voorhand kan worden gezegd hoe het onderzoek in het kader van de opstelling van een milieueffectrapport uitpakt, volgt de rechtbank eisers niet in hun opvatting dat de weigering van de vergunning, vanwege het verlangen van een milieueffectrapport, de facto neerkomt op een weigering van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.

De Afdeling heeft, in haar door eisers bedoelde uitspraken van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:340) en 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2019:340) geen oordeel gegeven over het al dan niet toelaatbaar zijn van het weigeren van een omgevingsvergunning omdat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Alleen al hierom kan in het kader van deze procedure aan die uitspraken niet de conclusie worden verbonden dat verweerder de gevraagde vergunning had moeten verlenen.

Dit betoog slaagt niet.