Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 24 juni 2020 (ABRvS 201908676/1/R2): Awb, Wro; bpl, agrarisch bedrijf met woning en schuur, belanghebbendheid/gevolgen van enige betekenis/verlies aan waterberging/
* 24 juni 2020 (ABRvS 201907431/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen caravan achter woonwagen, strijd met bpl, EVRM (Rb Gelderland 19/3923 en 19/3922)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201907125/1/R2): Awb, Waterwet; vergunning, vissen met klapanker, lood, BBT, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 18/8503)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201906905/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woongebouw met commerciële ruimten en parkeerkelder, strijd met bpl, goothoogte (Rb Midden-Nederland 18/4138)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201906042/1/R1 en 201906044/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en bouwen en afwijkend gebruik, bedrijfsgebouw/erf van ander pand, geen vergunning van rechtswege, planvoorschriften (Rb Noord-Holland 18/3512 en 19/930)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201905515/1/R4, 201906254/1/R4, 201906400/1/R4, 202001130/1/R4, 202001279/1/R4, 202001281/1/R4 en 202001630/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, vuilniszak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 24 juni 2020 (ABRvS 201905164/1/R2 en 201905165/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen/handhaving, dwangsom, palen en vlonders van kampeermiddelen, kampeerverordening, herhaalde aanvraag, strijd met bpl/nieuw bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4021 en 18/4108)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904788/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, vrijstaand bijgebouw voor kinderdagverblijf als nevenactiviteit, schaduwhinder, VNG-brochure, Wnb relativiteit (Rb Oost-Brabant 18/1900)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904723/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, staken bewoning bedrijfspand, strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Noord-Holland 18/3877)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904710/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, terras bij horeca, terrassenbeleid/maatwerk, parkeren fietsen, overlast (Rb Amsterdam 18/5014)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904632/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten hotel, kelder, hotelbeleid/overgangsregeling (Rb Amsterdam 18/2805)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904608/1/A3): Awb, Gmw; dwangsom, ontvankelijkheid (Rb Overijssel 18/1942)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201904548/1/R1, 201905543/1/R1, 201906155/1/R1, 201906669/1/R1, 201906737/1/R1 en 201908288/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie/plaatsingsplan, ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, overlast, alternatieve locaties
* 24 juni 2020 (ABRvS 201902209/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, verwijderen woonvoorzieningen en aanpassing brandwerendheid plafond horeca, geen vergunning, Bor, Bouwbesluit, WBDBO (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4149)
* 24 juni 2020 (ABRvS 201902208/1/R2): Awb, Wro; bpl, appartementen, belanghebbenden, cultuurhistorische waarden, parkeren, behoefte/Bro, windhinder, bezonning
* 24 juni 2020 (ABRvS 201810047/1/R1 en 201903528/1/R1): Awb, Wro, bpl, verbetering verkeersweg, veiligheid, geluid/reconstructie/maatregelen
* 24 juni 2020 (ABRvS 201809004/1/R3): Awb, Wbr, Waterwet, Wabo; uitvoeringsbesluiten, windpark, 3e fase, belanghebbenden, bevoegdheid/coördinatie, EVRM, stikstof/relativiteit, fauna, externe veiligheid, herplant
* 24 juni 2020 (ABRvS 201801377/3/R3): Awb, Wro; inpassingsplan, 380 kV-lijn, gewijzigd landschapsplan, maatregelen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 juni 2020 (ABRvS 201601403/1/R4): Awb; incidenteel hoger beroep, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 15/7458 en 15/7459)
* 23 juni 2020 (CBb 18/2214, 18/2202, 18/1868, 18/622 en 18/2710, 18/2765): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, EP, geen bijzondere omstandigheid, knelgevallenregeling, dierziekte, EVRM/schadevergoeding, referentieruimte, fosfaatarm
* 22 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1304): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woningen en ruimten, drugs, kweken
* 19 juni 2020 (ABRvS 202002653/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, staken bewoning van recreatiewoningen, gebruik door arbeidsmigranten, strijd met bpl, begunstigingstermijn (Rb Midden-Nederland 20/93 en 20/94)
* 19 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4222): Awb, Gmw; vovo, weigering demonstratie, noodverordening, COVID/gezondheid, wanordelijkheden
* 18 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/3089): Awb, Gmw; vovo, sluiting horeca, noodverordening, COVID
* 18 juni 2020 (ABRvS 202002906/1/A3 en /2/A3): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, sluiting huurwoning, drugs, zitting (Rb Overijssel 20/862 en 20/863)
* 18 juni 2020 (Conclusie AG EH C-320/19): Prejudiciële verwijzing, handel in broeikasgasemissierechten‚ nieuwkomer, overgangsregels, brandstofbenchmark-subinstallatie, bepaling van het brandstofgerelateerde activiteitsniveau, relevante capaciteitsbenuttingsfactor
* 17 juni 2020 (Gerecht in eerste aanleg van Curaçao CUR201400565-570): Lar, LvgRop; wijzigingsplan/bouwvergunning, bestemmingsvlak, hospitaal, EROC, bevoegdheid, lbham, ontvankelijkheid
* 17 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1762): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting berging woning, drugs
* 16 juni 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/2990): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting restaurant, schietincidenten, openbare orde, APV
* 12 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2264): Awb, Wnb; vovo, handhaving, niet naleven van ontheffingen, verplaatsing, compensatiegebied, onvoldoende ruimte voor een uitgebreid en diepgaand onderzoek
* 12 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1236): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, sauna en houtkachel, Bouwbesluit, Velbeleid, herplantplicht, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 9 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4592): Awb; kostenverhaal bestuursdwang, verwijderen woonschip, geen vergunning
* 4 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2501): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw,  beheersverordening, beleidsregel kruimelgevallen
* 3 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5710 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, versnelde behandeling, geen sprake van niet-tijdig beslissen, ontvankelijkheid
* 20 mei 2020 (Rb Amsterdam C/13/679692 / KG ZA 20-129): BW; geluid, aanpassing vloer in appartement, geluidsnorm in reglement VVE, isolatie-indexwaarde contactgeluid

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 24 juni 2020 (ABRvS 201907431/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen caravan achter woonwagen, strijd met bpl, EVRM (Rb Gelderland 19/3923 en 19/3922)
4.2.    Inmenging in een van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM beschermde rechten is op grond van het tweede lid gerechtvaardigd, indien deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van een of meer in dit lid genoemde legitieme doelen. In dat kader moet een evenwichtige afweging hebben plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Voor zover de last kan worden aangemerkt als een inmenging in rechten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, is dit bij wet voorzien en in het belang van één van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM genoemde doelen. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, in samenhang met de artikelen 5.1 en 5.2, eerste lid, onder a, van de Wabo, de artikelen 3.1, eerste lid, en 7.1, eerste en tweede lid, van de Wro, artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, is het college bevoegd een last onder dwangsom op te leggen wegens handelen in strijd met het bestemmingsplan en zo de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Dit doel betreft, gezien wat hiervoor onder 4.1 over brandveiligheid is vermeld, met name het behartigen van het belang van de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 8, tweede lid van het EVRM. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat bij het vaststellen van de last geen evenredige afweging is gemaakt tussen de belangen van [appellante] en van de maatschappij als geheel. Uit wat hiervoor onder 3.2 en 3.3 is overwogen, volgt dat het college [appellante] terecht niet heeft gevolgd in haar stelling dat zij sinds 2015 in de caravan op het perceel woont. Van gedogen van een illegale situatie is geen sprake geweest. De last verbiedt [appellante] niet om op het perceel te blijven wonen, maar ziet uitsluitend op het verwijderen van de caravan van het perceel, omdat de plaatsing en de ingebruikname daarvan als vierde wooneenheid op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan en het in de planregels vervatte overgangsrecht niet van toepassing is. Het bestemmingsplan en de last beletten [appellante] niet om weer in de woonwagen van haar moeder op het perceel te gaan wonen. De enkele omstandigheid dat [appellante] een woonwagenbewoonster is, maakt niet dat het college haar belang zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de maatschappij als geheel. Voor zover in dit geval op het college een positieve verplichting rust om [appellante] te faciliteren in haar manier van leven als woonwagenbewoonster, strekt die verplichting niet zover dat het college [appellante] bij het plaatsen en in gebruik nemen van de caravan niet aan de geldende planregels mag houden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat, gezien het verhandelde ter zitting, geen grond bestaat voor het oordeel dat het college onvoldoende rekening houdt met de woonbehoeften van woonwagenbewoners in de gemeente West Betuwe in het algemeen en de woonbehoeften van de bewoners van het perceel in het bijzonder. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de last in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft opgelegd.

Het betoog faalt.

* 24 juni 2020 (ABRvS 201906905/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woongebouw met commerciële ruimten en parkeerkelder, strijd met bpl, goothoogte (Rb Midden-Nederland 18/4138)
5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de tussengoten aangemerkt kunnen worden als goten als bedoeld in artikel 3.2 van de planregels. Het college verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2864). Volgens het college zijn de tussengoten vanaf de straat niet zichtbaar en wateren deze tussengoten inpandig af via een verticale regenpijp die door de spouwmuur loopt. Daarnaast wijst het college op een uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3032, waarin is overwogen dat uit de redactie van de bepaling over het meten van de goothoogte volgde dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Het college betoogt dat de tussengoten geen duidelijk onderscheid maken tussen twee gedeelten van het gebouw. Deze maken immers enkel onderscheid tussen verschillende dakvlakken. De tussengoten zijn daarmee geen onderdeel van het gebouw aan de hand waarvan de goothoogte moet worden vastgesteld, aldus het college.

5.1.    Het begrip “goothoogte” is in het bestemmingsplan niet nader omschreven. Wel is in artikel 2 van de planregels geregeld op welke wijze de goothoogte moet worden gemeten. Uit artikel 2 volgt dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht, bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3032). Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is weliswaar een goot aangebracht op een hoogte van 7,90 m, maar is ook een inpandige afwatering aangebracht bij het punt waar de kapconstructies tussen de gebouwen samenkomen. Dat met de tussengoten geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen twee gedeelten van het gebouw en dat de goten van buiten niet zichtbaar zouden zijn betekent niet dat geen sprake is van een goot als bedoeld in het bestemmingsplan. Zonder tussengoten zou het water immers blijven staan tussen de kapconstructies. Anders dan het college betoogt gaat een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016 niet op, omdat in dat geval sprake was van een plat dak en in deze procedure een kapconstructie aan de orde is.

Het betoog faalt.

* 24 juni 2020 (ABRvS 201906042/1/R1 en 201906044/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en bouwen en afwijkend gebruik, bedrijfsgebouw/erf van ander pand, geen vergunning van rechtswege, planvoorschriften (Rb Noord-Holland 18/3512 en 19/930)
3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de grond met de bestemming “Erf”, waarop de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft, is gelegen achter de grond met de woonbestemming [locatie 1] en met deze woonbestemming planologisch gezien één geheel vormt.

Volgens artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften behoren de gronden die zijn bestemd tot erf tot de hoofdgebouwen op de aangrenzende bebouwingsoppervlakten. De Afdeling stelt vast dat in dit geval als “aangrenzende bebouwingsoppervlakte” als bedoeld in artikel 15, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 1, onder k, van de planvoorschriften, dient te worden aangemerkt de op de plankaart aangegeven aaneengesloten oppervlakte grond, omgeven door bebouwingsgrenzen en aangeduid met ‘W(v)’, behorende bij het perceel [locatie 1]. Dit bebouwingsoppervlak grenst immers direct aan de bestemming “Erf” waar de aanvraag om omgevingsvergunning op ziet. De bebouwingsoppervlakte op het perceel [locatie 2] is in dit geval niet aan te merken als “de aangrenzende bebouwingsoppervlakte”, omdat deze oppervlakte niet direct grenst aan het vlak op het perceel [locatie 1] met de bestemming “Erf”. Dit betekent dat de woning op het perceel [locatie 1] als hoofdgebouw in de zin van artikel 15, eerste lid, is aan te merken en niet de woning van [appellant] op het perceel [locatie 2]. Dat de grond met de bestemming “Erf” op het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 2] volgens [appellant] één bouwperceel vormen, maakt dit niet anders. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, is de in artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede ‘met dien verstande dat de gronden […] nader zijn bestemd voor erven en tuinen bij hoofdgebouwen op hetzelfde bouwperceel’ een nadere beperking van de in die bepaling opgenomen hoofdregel dat het bij de bestemming “Erf” moet gaan om erven behorende bij de hoofdgebouwen op aangrenzende bebouwingsoppervlakten. De omstandigheid dat de gronden volgens [appellant] tot hetzelfde bouwperceel behoren, volstaat daarom niet om te voldoen aan artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik van de grond met de bestemming “Erf”, waarop de aanvraag om omgevingsvergunning ziet, ten behoeve van het perceel [locatie 2] in strijd is met het bestemmingsplan. Het feit dat er zich op de plankaart een vlak bevindt met de bestemming “Erf” dat niet grenst aan een bebouwingsoppervlakte leidt niet tot een ander oordeel. De planvoorschriften zijn duidelijk en de rechtbank heeft een juiste uitleg van artikel 15 van de planvoorschriften gegeven.

Het betoog faalt.

* 24 juni 2020 (ABRvS 201904788/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, vrijstaand bijgebouw voor kinderdagverblijf als nevenactiviteit, schaduwhinder, VNG-brochure, Wnb relativiteit (Rb Oost-Brabant 18/1900)
4.1.    Aan het bestreden besluit is een Tabel schaduwwerking ten grondslag gelegd. Hierin is een vergelijking gemaakt tussen de schaduwhinder als gevolg van de bouwmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, de schaduwhinder ten gevolge van de werktuigenloods annex varkens- en paardenstal zoals die reeds is vergund en de schaduwhinder als gevolg van het bouwplan dat hier aan de orde is. Geconcludeerd wordt dat het vergunde kinderdagverblijf leidt tot een toename van schaduw op het perceel van [appellant]. De rechtbank heeft met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 21 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3222) en 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1565), overwogen dat het college bij de beoordeling van de schaduwhinder mag uitgaan van een vergelijking van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden met de door de omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan toegestane overschrijdingen van de bouwvlakten en -hoogten. Niet in geschil is dat de schaduwhinder van het vergunde kinderdagverblijf niet groter is dan de hinder die wordt ondervonden van de bebouwing die volgens de bouwregels van het bestemmingsplan reeds is toegestaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich reeds hierom in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de effecten van de schaduwwerking en de daglichttoetreding op het perceel van [appellant] niet onevenredig zijn. Dat [appellant] heeft gesteld dat hij bomen aan het verwijderen is op zijn perceel, dat hij campingplaatsen op een andere plaats zal realiseren dan op de locatie van de vijver en dat er bij hem geen sprake is van bebouwing, maar van een vijver, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
5.1.    In paragraaf 5.4.2. van de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, wordt rekening gehouden met de ruimtelijke inpasbaarheid van het plan, waaronder de mogelijke overlast die door het kinderdagverblijf zal worden veroorzaakt. [appellant] betoogt daarom tevergeefs dat in dat besluit geen rekening is gehouden met eventuele geluidoverlast door kinderen.

Als richtlijn is de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) gehanteerd. In de VNG-brochure wordt een kinderopvang gerekend tot milieucategorie 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter tot een woning in het omgevingstype “rustige woonwijk en rustig buitengebied”. Ter plaatse is sprake van het omgevingstype “rustig buitengebied”. Op grond van de VNG-brochure mag daarom worden uitgegaan van een aan te houden richtafstand voor geluid van 30 meter. Indien voldaan wordt aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG-brochure is in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidbelasting. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1173), gelden de richtafstanden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

5.2.     Niet in geschil is dat de afstand tussen de uiterste situering van de gevel van de woning van [appellant] en de grens van het vlak waarop het bestreden besluit ziet in ieder geval 40 meter bedraagt. Er wordt dus ruimschoots aan de richtafstand van 30 meter voor geluid voldaan. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van zijn woning sprake zal zijn een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De stelling van [appellant] dat de wind meestal uit het westen komt waardoor er sprake is van meer geluidoverlast, kan niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel. Deze omstandigheid komt zo vaak voor in Nederland, dat daarmee moet worden geacht te zijn rekening gehouden bij de in de VNG-brochure gehanteerde richtafstanden.

De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het kinderdagverblijf voor wat betreft het maken van geluid aanvaardbaar zijn. Voor het oordeel dat het college een geluidscherm moet laten plaatsen, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien.

* 24 juni 2020 (ABRvS 201810047/1/R1 en 201903528/1/R1): Awb, Wro, bpl, verbetering verkeersweg, veiligheid, geluid/reconstructie/maatregelen
8.3.    In hoofdstuk 2.3 van de twee plantoelichtingen staat onder meer dat de N243 op sommige plekken zal worden verbreed, enkele kruispunten zullen worden vervangen door rotondes, op sommige plekken geluidreducerende wegdekverharding zal worden aangebracht en er op bepaalde delen geleiderails zullen worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat de N243 door deze maatregelen wordt gewijzigd.

In het akoestisch onderzoek van Arcadis, het meest recente akoestisch onderzoek, is het verschil in geluidbelasting berekend tussen de heersende waarde in 2017 en 2030. De wegen waar een fysieke wijziging plaatsvindt zijn bij het akoestisch onderzoek betrokken. Dit zijn de N243, Kathoek, Zuidervaart, Molendijk, Westdijk, Rustenburgerweg en Oterlekerweg. Arcadis komt in het akoestisch onderzoek tot de conclusie dat de geluidbelasting op geen van de onderzochte woningen binnen het onderzoeksgebied van de onderzochte wegen toeneemt met afgerond 2 dB of meer. Daarom is er volgens Arcadis geen sprake van een reconstructie in de zin van artikel 1 van de Wgh.

Op de zitting van 13 december 2019 is namens de raad van de gemeente Alkmaar aangegeven dat Arcadis in het akoestisch onderzoek onder meer als uitgangspunt heeft genomen dat de N243 in Alkmaar zal worden heringericht conform het wegontwerp. De raad van de gemeente Alkmaar heeft dit wegontwerp als bijlage achter het verweerschrift gevoegd. Vaststaat dat het op grond van de maximale planologische mogelijkheden van plan I mogelijk is om de N243 dichterbij de woning van [appellante sub 2A] aan te leggen dan de locatie van de N243 waarvan in het wegontwerp is uitgegaan. De Afdeling acht het, mede gelet op de door [appellante sub 2A] ingebrachte notitie van Peutz, niet uitgesloten dat de geluidbelasting bij de woning van [appellante sub 2A] hoger zou kunnen zijn dan berekend in het akoestisch onderzoek van Arcadis indien de N243 dichterbij die woning zal worden aangelegd dan waarvan in het wegontwerp is uitgegaan. Uit het akoestisch onderzoek van Arcadis volgt ook niet wat de geluidbelasting bij de woning van [appellante sub 2A] zal zijn als de N243 zal worden heringericht conform de maximale planologische mogelijkheden van plan I.

Verder staat in hoofdstuk 3.5 van het akoestisch onderzoek van Arcadis dat daarin als uitgangspunt is genomen dat stil asfalt (wegdektype SMA NL8G+ of een ander akoestisch gelijkwaardig stil wegdek) zal worden aangelegd ter hoogte van Stompetoren (km 1,760 tot 2,984 en km 3,218 tot 4,935) en Schermerhorn (km 7,8 tot 8,25). Dit uitgangspunt is niet in plan I geborgd. Uit het akoestisch onderzoek van Arcadis volgt ook niet wat de geluidbelasting bij de woningen rondom de N243 zal zijn indien de weg op deze plekken niet zal worden voorzien van stil asfalt.

Omdat in plan I niet is opgenomen dat de N243 zal worden heringericht conform het wegontwerp en dat stil asfalt ter hoogte van Stompetoren (km 1,760 tot 2,984 en km 3,218 tot 4,935) en Schermerhorn (km 7,8 tot 8,25) zal worden aangelegd, maar daarvan wel is uitgegaan in het akoestisch onderzoek van Arcadis, valt niet uit te sluiten dat als gevolg van de verandering aan de bestaande weg die plan I mogelijk maakt, sprake kan zijn van een reconstructie als bedoeld in de Wgh. Daarom valt ook niet uit te sluiten dat geluidreducerende maatregelen noodzakelijk zijn. De toezegging van de raad van de gemeente Alkmaar hierover acht de Afdeling onvoldoende, mede omdat het college als wegbeheerder verantwoordelijk is voor de inrichting van de weg. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad van de gemeente Alkmaar niet onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek van Arcadis heeft kunnen concluderen dat de herinrichting van de N243 die plan I mogelijk maakt, geen reconstructie van de weg betekent. Plan I is in zoverre in strijd met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld.

De betogen slagen in zoverre.

* 24 juni 2020 (ABRvS 201809004/1/R3):  Awb, Wbr, Waterwet, Wabo; uitvoeringsbesluiten, windpark, 3e fase, belanghebbenden, bevoegdheid/coördinatie, EVRM, stikstof/relativiteit, fauna, externe veiligheid, herplant
31.    Stichting WindNEE betoogt dat bij de behandeling van haar beroep geen sprake is van een eerlijk proces op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij vraagt zich af of gelet op de omstandigheden dat de bouw van de windturbines al in fase 1 is vergund en dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over fase 1 en 2 van het windpark alle beroepen ongegrond heeft verklaard, de beroepen die zien op fase 3 nog wel gegrond kunnen worden verklaard vanwege alle belangen die hiermee zijn gemoeid.

31.1.    Artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM luidt:

“Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.”

31.2.    De Afdeling is een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat op grond van de artikelen 73, derde lid, en 112, tweede lid, van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 30b van de Wet op de Raad van State en artikel 8:105, eerste lid, van de Awb is belast met de berechting van bestuursrechtelijke geschillen. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder het arrest Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398, biedt geen grond voor het oordeel dat de Afdeling niet aan de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vermelde vereisten voldoet (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1898 en van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3209).

Het feit dat Stichting WindNEE zich niet kan vinden in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over fase 1 en 2 van de besluitvorming omtrent het windpark en de omstandigheid dat de bouw van de windturbines al is vergund, zijn onvoldoende om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de Afdeling in twijfel te trekken.

Het betoog faalt.