Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 1 juli 2020 (ABRvS 202000662/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, sluitingsbevel, horeca, geweldsincident, geen uitvoering, procesbelang, resterende waarschuwing/geen besluit, ontvankelijkheid (Rb Oost-Brabant 19/1501)
* 1 juli 2020 (ABRvS 202000560/1/R1): Awb; projectplan, provinciale omgevingsverordening, bevoegdheid kennis te nemen van het beroep
* 1 juli 2020 (ABRvS 201908867/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hekwerk, vergunningvrij/Bor/functionele relatie (Rb Gelderland 19/1851)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201908703/1/R1): Awb, Wro; bpl, woontoren, Chw., belanghebbenden, hoogbouweffectrapportage, nota, geluid/relativiteit, woon- en leefklimaat/bezonning
* 1 juli 2020 (ABRvS 201908454/1/R1): Awb, Wro, Wgh, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen/HGW, studentenhuisvesting, Ladder/Bro, woon- en leefklimaat/geluid, lichthinder, privacy
* 1 juli 2020 (ABRvS 201907858/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, inpassing (Rb Midden-Nederland 19/1030)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201907572/1/R1): Awb, Wro; wijzigingsplan, bouw woningen op voormalige schoollocatie, parkeren, natuur/relativiteit
* 1 juli 2020 (ABRvS 201907042/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, horeca, strijd met bpl, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 18/4996)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201906690/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, aanwijzing parkeerplaatsen, belanghebbende, belangenafweging, tussenuitspraak  (Rb Gelderland 18/6825)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201906381/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, tijdelijk plaatsen twee woonwagens, geen noodsituatie, geen goede ruimtelijke ordening (Rb Noord-Holland 18/4686)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201905939/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, verandering veehouderij, overkapping mesttarnsportband/rolgaasdeur in stal, belanghebbende (Rb Gelderland 18/5898)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201905038/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen balkon en woonvoorzieningen, geen vergunning, strijd met beheersverordening (Rb Noord-Nederland 18/2394)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201904971/1/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, drempel, zelf in de zaak voorzien (Rb Oost-Brabant 18/3116)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201903820/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, provinciale omgevingsverordening/relativiteit, welstand (Rb Limburg 18/1084)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201903735/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, gebruik als café, geen strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6219 en 18/6230)
* 1 juli 2020 (ABRvS 201903606/1/R3): Awb, Wro; weigering bpl vast te stellen, burgerwoning, glastuinbouwgebied, vertrouwensbeginsel
* 1 juli 2020 (ABRvS 201902723/1/A1): Awb, Wabo; handhaving, autorally- en motorcrosscircuits, geluid, afwijking vergunning/strijd met bpl, zicht op legalisatie, openingstijden
* 1 juli 2020 (ABRvS 201900484/1/R3): Awb, Wro; bpl, burgerwoning/agrarisch bedrijf, leidingstrook/Bevb
* 1 juli 2020 (ABRvS 201900220/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, agrarische bedrijven
* 1 juli 2020 (ABRvS 201900146/1/R3): Awb, Wro; bpl, recreatiehuisje
# 1 juli 2020 (ABRvS 201605016/2/R2): Awb, Wnb; vergunning, mestverwerking, stikstof, verkeer, Aerius, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 30 juni 2020 (ABRvS 201909272/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, verzamelplan, molens, cultuurhistorische waarden
* 30 juni 2020 (CBb 18/2769 en 18/2856 ): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, I&R registratie, startersregeling
* 30 juni 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1898): Awb, Wabo; aanpassing milieuvergunningvoorschriften, nertsenhouderij, vliegenoverlast, werkwijze onvoldoende, middelvoorschriften, bestrijdingsplan
# 30 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5144 en UTR 19/5150): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, windturbines, belanghebbenden, vvgb, landschappelijke inpassing, geluid, natuur/relativiteit
* 29 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/3100): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting coffeeshop, overtreding vergunningsvoorwaarden
* 29 juni 2020 (ABRvS 202002823/1/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, gebruik van granuliet in project, Bbk/BRL, belanghebbende, milieuhygiënische kwaliteit
* 29 juni 2020 (ABRvS 201908558/3/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, paardensportevenement
* 26 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2761-T, UTR 19/2762 en UTR 19/2759): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, verruiming geluidruimte attractiepark voor muziekevenementen, belanghebbenden/gevolgen van enige betekenis, dB(A)/dB(C), Nota Limburg, belangenafweging, BBT, belang ruimtelijke ordening/Wnb, tussenuitspraak
* 26 juni 2020 (Rb Noord-Nederland C/18/199353 / KG ZA 20-133): BW; kortgeding, misbruik van recht, verbod om beroep in te stellen bij bestuursrechter, dwangsom
* 26 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3788): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom/invordering, permanente bewoning recreatieverblijf, strijd met bpl
* 25 juni 2020 (ABRvS 202002555/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, wonen, geluidszone
* 25 juni 2020 (EH C-24/19): Prejudiciële verwijzing, m.e.r.-richtlijn, stedenbouwkundige vergunning voor de bouw en exploitatie van windturbines, ontbreken milieubeoordeling, handhaving van de gevolgen van nationale handelingen en van de op basis daarvan verleende vergunningen/onverenigbaarheid Unierecht/voorwaarden
* 25 juni 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1208 en 20/1209): Awb, Wabo; vovo, handhaving, lasten onder dwangsom, mestbe- en verwerkingsbedrijf, verwerkingscapaciteit, silo/bassin afwijkingen, deuren gesloten houden/geur
* 25 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/2072, LEE 18/1811 en LEE 18/4059): Awb, Gmw; exploitatievergunningen/waarschuwing, seksbedrijf, APV, exploitant/Dienstenrichtlijn, motivering, rechtskarakter waarschuwing/conclusie AG RvS, ontvankelijkheid
* 25 juni 2020 (Rb Amsterdam13/846005-19): WSr, Wm, WED; opslaan en ter beschikking stellen van (professioneel) vuurwerk, Vuurwerkbesluit/geen gespecialiseerde kennis
* 25 juni 2020 (Rb Gelderland AWB 20/2697): Awb, Waterwet; vovo, handhaving, storting granuliet, nieuwe riviergebonden natuur, grond/afvalstof/Bbk, mate van verontreiniging
* 25 juni 2020 (Rb Gelderland AWB 19/2163): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, strijd met inpassingsplan/intensiveringsgebied glastuinbouw, aanwijzingsbesluit/vvgb, bevoegdheid
* 24 juni 2020 (ABRvS 201902208/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, uitspraak gedaan in bodemprocedure, geen geding meer
* 24 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/3391): Awb, Wpg; handhaving, uitvoeren van voorschriften van technisch-hygiënische aard, aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven, bevoegdheid, geen grondslag voor opleggen bestuurlijke boete
* 24 juni 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1174): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, geweldsincident, APV, openbare orde
* 24 juni 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3306/AWB/ROE 20/303 en AWB/ROE 19/3316/AWB/ROE 20/304 en AWB/ROE 20/305 en AWB/ROE 20/379): Awb, Wabo; vovo/kortsluiten, handhaving, last onder bestuursdwang, stallen caravans in berm, betoging/Grondwet, motivering
* 24 juni 2020 (Rb Gelderland AWB 20/2955): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, kapsalon/economische belangen, drugs
* 24 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/3020): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 23 juni 2020 (Rb Overijssel 8343255 \ EJ VERZ 20-67): BW; overlegrechter, onrechtmatige hinder, overhangende tak, vallende bladeren/takken/bessen, gesteltak, foto in vonnis
* 23 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2260): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, ongedaan maken samenvoeging woningen/verwijderen dakopbouw, geen vergunning, strijd met bpl
* 23 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2763): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting pand, drugs
* 23 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2663): Awb; vovo, handhaving, dwangsom, gebruik paddocks manege, samenhang met andere besluiten
#! 19 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3143-T): Awb, Wm; verzoek om maatwerkvoorschriften, tennispark, lichterhinder, NSVV-richtlijn, meest recente milieutechnische inzichten, lichtschittering/-verblinding, onaanvaardbare hinder, tussenuitspraak
* 19 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6264 WABO VV): Awb, Wabo; vovo, gewijzigd uitvoeren eerder bouwplan, magazijn, geen geurgevoelig object
* 19 juni 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1360 en AWB/ROE 20/1361): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bijzonder omstandigheden
* 18 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5727): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, dealen drugs, APV
* 18 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/377): Awb, Gmw, Opiumwet; handhaving, sluiting growshop, cashcenter, voorbereidingshandelingen, APV
* 17 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4554 ACTMIL en 19/4555 ACTMIL): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, Abm/Arm, restaurant, geur, geen ontgeuringsfilter/hoge pijp
* 16 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2762): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, berging met overkapping, geen strijd met bpl, welstand
* 15 juni 2020 (Rb Gelderland AWB 19/2271): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, landschappelijke inpassing, aanpassing inrichtings- en natuurbeheerplan, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6441 GEMWT en BRE 19/6443 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, beëindigd houden van het gebruik van het perceel in strijd met bpl, bewoning door twee huishoudens
* 12 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/876 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, geen strijd met bpl, welstandsvrij gebied
* 12 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6558 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, opslag van materialen op perceel, bedrijfsmatigheid, motivering
* 12 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6559 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast, APV, onvoldoende onderzoek, motivering
* 12 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/986): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overschrijding geluidnormen, zalencentrum, Activiteitenbesluit
* 12 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/722 en UTR 20/992): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor uitbouw gemeentelijk monument, welstand
* 12 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2884 BESLU): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 12 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3320): Awb, Wabo, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, naleven voorschrift/zorgplicht, afvalverwerkingsbedrijf, vliegenoverlast, maatregelen
* 11 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1777 en UTR 20/2070): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs
* 4 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2336): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, maatschappelijke doeleinden, kruimelgevallenregeling, parkeren , geluid
* 3 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6118 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, horecapaviljoen, Bor, wettelijke grondslag

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 1 juli 2020 (ABRvS 202000560/1/R1): Awb; projectplan, provinciale omgevingsverordening, bevoegdheid kennis te nemen van het beroep
3.    De Afdeling overweegt dat het besluit over de goedkeuring geen grondslag vindt in één van de artikelen genoemd in artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Evenmin is sprake van een aanwijzing op grond van artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) of een ontheffing op grond van artikel 4.1a van de Wro. Ook valt de goedkeuring niet onder de reikwijdte van de rijkscoördinatieregeling die is opgenomen in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. Tot slot is de goedkeuring niet aangewezen in artikel 9d, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 als een te coördineren besluit. Het voorgaande betekent dat geen rechtstreeks beroep bij de Afdeling tegen de goedkeuring van het projectplan open staat.

  1. Gelet hierop is de Afdeling niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. De Afdeling zal daarom het beroep met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, Awb ter verdere behandeling doorzenden aan de rechtbank.* 1 juli 2020 (ABRvS 201906690/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, aanwijzing parkeerplaatsen, belanghebbende, belangenafweging, tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/6825)
    5.2.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling, uitgaande van het onder 5.1 neergelegde uitgangspunt, van oordeel dat [appellant] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Het eigendom van [appellant] aan de J.W. Hagemanstraat grenst weliswaar niet direct aan de strook waar het college een verkeersbesluit over heeft genomen, maar ligt wel in de directe nabijheid daarvan. Dat het laad- en losverkeer dat eerst op deze strook plaatsvond, in ieder geval incidenteel, is verplaatst naar de J.W. Hagemanstraat, is, aan de hand van foto’s en de tijdens de telefonische hoorzitting geschetste situatie door [appellant] en het college, aannemelijk geworden. [appellant] heeft verder aannemelijk gemaakt dat de verplaatsing van het laad- en losverkeer naar de J.W. Hagemanstraat, gevolgen heeft voor de verkeerssituatie bij en rondom zijn 5 a 10 meter verderop gelegen eigendom. Het al dan niet aanwijzen van de parkeerplaatsen voor artsen raakt hem daarmee in zijn eigendomsbelangen. De Afdeling is daarom van oordeel dat [appellant] een bijzonder, individueel belang heeft, waarmee hij zich in voldoende mate onderscheidt van willekeurige andere weggebruikers. De rechtbank heeft zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

5.3.    Het betoog slaagt.

* 1 juli 2020 (ABRvS 201905939/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, verandering veehouderij, overkapping mesttarnsportband/rolgaasdeur in stal, belanghebbende (Rb Gelderland 18/5898)
4.2 …………………………………
Gelet op de korte afstand tussen de percelen, de omstandigheid dat de percelen alleen door een relatief smalle weg van elkaar worden gescheiden en het zicht dat [partij] op de stal en een deel van de activiteiten heeft, is [partij] in beginsel belanghebbende bij het besluit van 16 januari 2018. De Afdeling volgt niet het betoog van het college en [appellante sub 2] dat gevolgen van enige betekenis ontbreken. [partij] heeft gesteld dat hij overlast ervaart van geur- en stofemissie van de inrichting en heeft toegelicht dat en waarom het realiseren van de rolgaasdeur mogelijk tot stofoverlast leidt. De Afdeling acht het aannemelijk dat [partij] door het besluit van 16 januari 2018 milieugevolgen kan ondervinden. Of de omgevingsvergunning voorziet in een milieuneutrale verandering, zoals door [appellante sub 2] en het college is gesteld, vergt een inhoudelijke beoordeling en is niet reeds aan de orde bij de vraag naar de belanghebbendheid van [partij]. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1787, dient te worden gekeken naar de gevolgen van de hele inrichting na de vergunde verandering en dient te worden onderzocht of de betrokkene rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van de inrichting, zoals vergund bij het besluit dat aan de orde is.

Het college en [appellante sub 2] betogen op zichzelf terecht dat er geen sprake is van aangrenzende percelen en dat deze situatie niet vergelijkbaar is met de situatie die in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3125, aan de orde was. De weg en de daarbij behorende bermen die tussen de percelen van [partij] en [appellante sub 2] liggen, maken echter mede gelet op de beperkte breedte ervan niet dat niet kan worden gesteld dat door [partij] geen milieugevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarom terecht geoordeeld dat het college [partij] ten onrechte niet als belanghebbende bij het besluit van 16 januari 2018 heeft aangemerkt.

De betogen falen.

# 1 juli 2020 (ABRvS 201605016/2/R2): Awb, Wnb; vergunning, mestverwerking, stikstof, verkeer, Aerius, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
5.2.    De Afdeling volgt de Stichting en anderen niet in hun betoog dat zij door het instellen van beroep in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Hierbij is van belang dat bij het verlenen van een Wnb-vergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten. Ten opzichte van de vergunning uit 2017 is in de vergunning die op 6 mei 2019 is verleend geen sprake van het vergunnen van meer of andere activiteiten aan [vergunninghouder], waardoor de Stichting en anderen in een nadeligere positie zouden komen te verkeren. Dat als gevolg van herberekening van de stikstof- en ammoniakemissie de totale stikstofdepositie enigszins toeneemt leidt niet tot een ander oordeel. In de vergunning uit 2019 wordt immers nog steeds – net als in de vergunning uit 2017 – geconcludeerd dat de stikstofdepositie als gevolg van externe saldering per saldo niet toeneemt. Dit betoog slaagt niet.

………………….

6.1.    Het college heeft erop gewezen dat de berekeningen van de stikstofemissie in het deskundigenbericht uitgaan van een korter wegvak dan de stikstofberekeningen die aan de vergunning uit 2019 ten grondslag liggen. In bijlage 4 van het deskundigenverslag zijn met AERIUS Calculator berekeningen gemaakt van het wegverkeer. Als de afbeeldingen in bijlage 4 van het deskundigenverslag worden vergeleken met de afbeeldingen in bijlage 1 bij de vergunning uit 2019, dan constateert de Afdeling dat bij de berekeningen in het deskundigenverslag is uitgegaan van een wegvak vanaf het terrein van [vergunninghouder] tot aan een onverharde weg dat direct ten noorden van het terrein van [vergunninghouder] loopt en dat in de vergunning uit 2019 in de berekeningen een wegvak is meegenomen dat ongeveer 400 meter langer is.

Daarmee is in het herstelbesluit voldoende verklaard waarom de stikstofemissie van het verkeer hoger is dan in het deskundigenverslag is berekend. De Afdeling ziet geen reden om de juistheid daarvan in twijfel te trekken. Dit betoog slaagt niet.

* 26 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2761-T, UTR 19/2762 en UTR 19/2759): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, verruiming geluidruimte attractiepark voor muziekevenementen, belanghebbenden/gevolgen van enige betekenis, dB(A)/dB(C), Nota Limburg, belangenafweging, BBT, belang ruimtelijke ordening/Wnb, tussenuitspraak
9. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt ten aanzien van het avondprogramma van Lowlands. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de verlengde tijd voor het avondprogramma op vrijdag en zaterdag voor Lowlands onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft deze verruiming beoordeeld aan de hand van de Nota luidruchtige evenementen, die volgens vaste rechtspraak inderdaad mag worden gehanteerd als toetsingskader4. Het college wijst vervolgens op de volgende passage:

“Met betrekking tot de onderscheiden perioden van het etmaal waarover de beoordeling plaats vindt is het gebruikelijk en lijkt het verdedigbaar, dat voor dagen waarop een vrije dag volgt het tijdstip waarop de normstelling voor de nachtperiode ingaat, met 1 of 2 uur wordt verschoven naar resp. 24.00 en 01.00 uur.”

Dat een verschuiving gebruikelijk is en verdedigbaar lijkt, is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat ook in dit geval een verschuiving met 2 uur op 2 opeenvolgende avonden aanvaardbaar is. Het oordeel of geluidhinder (on)aanvaardbaar is, is immers afhankelijk van het antwoord op de vraag of het college aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen5. Een verwijzing naar de Nota luidruchtige evenementen kan deze bestuurlijke afweging niet vervangen. Voor een zorgvuldige besluitvorming had het college dan ook de belangen van Walibi moeten afwegen tegen de geluidhinder die de omgeving, en in het bijzonder het bungalowpark, ondervindt. Deze belangenafweging mist de rechtbank in de omgevingsvergunning. De rechtbank vindt daarom dat het college het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met de artikelen 3:4, tweede lid, en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht heeft genomen.
* 26 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2761-T, UTR 19/2762 en UTR 19/2759)
14. De rechtbank heeft met de ‘meettool’ op ruimtelijkeplannen.nl kunnen vaststellen dat de kortste afstand tussen de inrichting van Walibi en de grondgebieden van de gemeenten Elburg en Nunspeet ruim twee kilometer bedraagt. Gelet op die afstand is het aannemelijk dat gevolgen van de omgevingsvergunning binnen deze gemeenten vast te stellen zijn, in die zin dat het geluid van de luidruchtige evenementen hier waarneembaar is. Voor Oldebroek is dat anders, omdat de afstand tussen de inrichting en het grondgebied van deze gemeente ruim zes kilometer bedraagt. Op deze afstand is niet zonder meer aannemelijk dat het geluid van de luidruchtige evenementen nog waarneembaar is.

  1. De rechtbank oordeelt vervolgens ten aanzien van alle drie de colleges dat niet aannemelijk is dat er met betrekking tot de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeenten gevolgen van enige betekenis zullen worden ondervonden als gevolg van deze omgevingsvergunning. De vraag over de belanghebbendheid van de colleges is in deze procedure naar voren gebracht en door partijen zijn daarover ook standpunten ingenomen.

De colleges hebben echter geen van alle inzichtelijk gemaakt welke precieze feitelijke gevolgen zij vrezen te ondervinden. Dat had van hen wel verwacht mogen worden. Meer in het bijzonder hadden de colleges in dat kader moeten toelichten op welke locatie binnen het grondgebied van de gemeente gevolgen gevreesd worden, en hoe die gevreesde gevolgen de ruimtelijke ordening op die locatie zullen raken. Voor zover dat zou gaan om de vrees dat geluidhinder het belang van een goede ruimtelijke ordening van bestaande of van concrete toekomstige functies raakt, hadden de colleges dat nader moeten concretiseren. Met de enkele algemene vrees voor geluidhinder, of de omstandigheid dat niet nader genoemde inwoners van de gemeenten hierover klagen onderscheiden de colleges zich onvoldoende van anderen om hieruit een eigen belang te kunnen aannemen.

* 25 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/2072, LEE 18/1811 en LEE 18/4059): Awb, Gmw; exploitatievergunningen/waarschuwing, seksbedrijf, APV, exploitant/Dienstenrichtlijn, motivering, rechtskarakter waarschuwing/conclusie AG RvS, ontvankelijkheid
4.1.  De rechtbank constateert dat de waarschuwing gebaseerd is op beleid en niet op een wettelijk voorschrift.

4.2.  De rechtbank zoekt voor de beantwoording van de vraag of de waarschuwing in kwestie een appellabel besluit is, aansluiting bij de Conclusie van de Staatsraad Advocaat-Generaal van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249. In 5.3 overweegt de Staatsraad dat alleen een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing een Awb-besluit kan zijn en dat, als de waarschuwing uitsluitend voorzien is in een beleidsregel, zij in beginsel niet kan worden aangemerkt als een Awb-besluit. In 5.13 noemt de Staatsraad echter drie situaties waarin een waarschuwing, gebaseerd op een beleidsregel, voor de rechtsbescherming wel gelijkgesteld zou moeten worden met een Awb-besluit. Eén van de situaties omschrijft de Staatsraad als volgt:

‘Als de termijn gedurende welke de waarschuwing negatieve gevolgen kan hebben zodanig lang is dat belanghebbende, gelet op de aan de orde zijnde overtreding, in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Daarom en om reden van rechtszekerheid moet voor deze waarschuwingen een maximale termijn van (als regel) twee jaar gelden’.

4.3.  De rechtbank overweegt dat in dit geval de gestelde overtreding, het verrichten van een activiteit zonder de daarvoor benodigde exploitatievergunning, een doorlopende overtreding is. De rechtbank constateert dat verweerder (conform het beleid) in de brief van 19 juni 2018 heeft aangegeven dat eiser de exploitatie binnen twee weken dient te beëindigen en dat hij een exploitatievergunning dient aan te vragen. Vervolgens is circa twee maanden na de eerste constatering tot bestuursdwang overgegaan waartegen eiser rechtsmiddelen kon instellen. Daarmee kon eiser tevens de rechtmatigheid van de waarschuwing bestrijden. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 5 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:69, overweegt de rechtbank daarom dat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de vanwege een tweede overtreding opgelegde bestuurlijke sanctie voor eiser niet onevenredig bezwarend is.

4.4.  De uitzonderingssituatie zoals hierboven genoemd onder 4.2 doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De waarschuwing zoals opgenomen in verweerders brief van 19 juni 2018 is daarom geen appellabel besluit.

4.5.  Het voorgaande betekent dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

* 24 juni 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/3391): Awb, Wpg; handhaving, uitvoeren van voorschriften van technisch-hygiënische aard, aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven, bevoegdheid, geen grondslag voor opleggen bestuurlijke boete
4.3.  De in artikel 47a, eerste lid, van de Wpg genoemde maatregelen zijn, gelet op artikel 6a, van de Wpg, preventieve maatregelen. Handhaving is, gelet op artikel 47a, tweede lid, van de Wpg, slechts aan de orde in het geval iemand geen medewerking verleent aan het uitvoeren van voorschriften van technisch-hygiënische aard die verweerder op grond van artikel 47a, eerste lid, onder b, van de Wpg kan opleggen. De enkele aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven schept daarom geen bevoegdheid voor verweerder om op grond van de Wpg handhavend op te treden. Nu eiseres aan haar verzoek om handhaving de enkele aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven ten grondslag heeft gelegd en daaraan niet ten grondslag heeft gelegd dat verweerder voorschriften heeft gegeven als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, onder b, van de Wpg en dat bedrijven in de door eiseres genoemde gemeenten geen medewerking verlenen aan de uitvoering daaraan, was verweerder niet bevoegd om – zoals door eiseres is verzocht – een last onder dwangsom op te leggen. Voor het opleggen van een bestuurlijke boete biedt de Wpg geen grondslag. Verweerder heeft het verzoek reeds daarom terecht afgewezen.

Wat eiseres daar tegenin heeft gebracht kan niet slagen.

  1. Het beroep is kennelijk ongegrond.#! 19 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3143-T): Awb, Wm; verzoek om maatwerkvoorschriften, tennispark, lichterhinder, NSVV-richtlijn, meest recente milieutechnische inzichten, lichtschittering/-verblinding, onaanvaardbare hinder, tussenuitspraak
    26. De rechtbank ziet in wat verweerder naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de deskundige niet te volgen in het standpunt dat de Richtlijn Lichthinder uit 2014 niet de meest recente milieutechnische inzichten bevat om lichthinder van sportverlichtingsinstallaties en dan met name de ‘discomfort glare’ op een meer correcte wijze te kunnen beoordelen. De overwegingen daarover in het deskundigenverslag worden door verweerder ook niet betwist. De enkele omstandigheid dat er in Nederland geen ander algemeen erkend toepasbare rnethodiek is om liclithinder vast te stellen betekent niet dat verweerder een richtlijn mag gebruiken die door de deskundige nu (deels) als ongeschikt wordt aangemerkt. De rechtbank realiseert zich dat het voor verweerder ook niet eenvoudig is om dit te onderkennen, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dus niet onderkend dat de Richtlijn Lichthinder onvoldoende is om de door eisers ervaren lichthinder van de verlichtingsmasten rondom de tennisbanen te beoordelen.

Omdat het bestreden besluit 2 is gebaseerd op het rapport van Lichtconsult en daarin is getoetst aan de Richtlijn Lichthinder, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderzocht of de door eisers ervaren lichthinder vanwege lichtschittering/-verblinding aanvaardbaar is. Dit betekent dat het bestreden besluit 2, niet rnet de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
29. Om het gebrek te herstellen, rnoet verweerder de vraag of sprake is van aanvaardbare lichtschittering/-verblinding als gevolg van de inkijk in lichtarmaturen beoordelen aan de hand van de meest recente milieutechnische inzichten. Om dit te beoordelen kan verweerder nieuw onderzoek laten uitvoeren, waarbij de concept Richtlijn Lichthinder 2019 moet worden gebruikt. De rechtbank wijst hiervoor naar paragraaf 2.4.2 van het deskundigenverslag. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat in het nieuw uit te voeren onderzoek de mogelijke hinder van lichtschittering/-verblinding (discomfort glare) voor de masten van alle tennisbanen (de banen I tot en met 5) beoordeeld moet worden, waarbij rekening moet worden gehouden met de luminantie, hoek, afstand en schijnbaar oppervlak van de armaturen. De rechtbank ziet in het deskundigenverslag geen aanknopingspunten om, zoals eisers wensen, het onderzoek te baseren op de methode zoals beschreven in de Empfehlungen. Daarbij wijst zij op wat in overweging l8 staat.

* 12 juni 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3320): Awb, Wabo, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, naleven voorschrift/zorgplicht, afvalverwerkingsbedrijf, vliegenoverlast, maatregelen
7.1  Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van de in artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen zorgplicht alleen kunnen worden genomen wanneer het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, zie de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1896).

7.2  Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat twijfel over de vraag of de bij het primaire besluit opgelegde lasten op basis van daarin genoemde voorschriften kunnen worden opgelegd. Artikel 1.1.4 van de omgevingsvergunning biedt daarvoor in ieder geval onvoldoende grondslag, aangezien dat voorschrift slechts gaat over het beperken van het aantrekken van ongedierte en de bestrijding ter plaatse van de inrichting, niet over de verspreiding daarvan.

Daarnaast dient naar het oordeel van de Afdeling sprake te zijn van het onmiskenbaar handelen in strijd met de zorgplicht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alvorens van overtreding van dit voorschrift kan worden gesproken. Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
…………………………………..
8.3.  Nog afgezien van de vraag of kan worden vastgesteld of een overmaat aan kamervliegen in de wijk Heijplaat afkomstig is van de inrichting van verzoekster, valt het de voorzieningenrechter hierbij op dat niet vermeld is op welke locaties in de wijken Heijplaat en Pernis EIV’s worden geplaatst. Ter zitting is hierover namens verweerder weliswaar desgevraagd verklaard dat de EIV’s worden geplaatst bij woningen in tuinen die op het zuiden zijn georiënteerd en dat die niet in de nabijheid van een kinderboerderij mogen liggen, maar dat neemt niet weg dat door deze handelwijze naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende kenbaar is waar ‘gemeten’ wordt en of de omstandigheden op de meetlocaties in beide wijken voldoende vergelijkbaar zijn.

Aangezien er daarnaast blijkens het rapport van KAD meerdere bronnen van kamervliegen zijn in de omgeving, kan de locatie van de EIV’s van invloed zijn op het aantal vliegen dat wordt gevangen waardoor het niet goed mogelijk is om vast te stellen of na ommekomst van de begunstigingstermijn sprake is van een overtreding. Het kan immers zo zijn dat verzoekster wel maatregelen heeft genomen om het aantal kamervliegen te verminderen, maar dat die onopgemerkt blijven doordat andere bronnen in de wijk op het moment van controle juist meer kamervliegen aantrekken dan wel produceren. Verzoekster zou dan ten onrechte dwangsommen kunnen verbeuren. Daarbij acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat het slechts om een zeer beperkt aantal EIV’s gaat en om betrekkelijk kleine aantallen kamervliegen, zeker afgezet tegen de aantallen aasvliegen en kleine kamervliegen die gevangen worden.

9.1  Het vorenstaande betekent dat de bij het primaire besluit opgelegde last 1 bij de heroverweging in bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter naar verwachting niet in stand kan blijven. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en het primaire besluit in zoverre schorsen tot 6 weken na de beslissing op het door verzoekster ingediende bezwaarschrift.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Martin van Harten schreef een noot bij de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1426) over de vraag op welke wijze de woningdichtheid per hectare in de zin van het Bevi en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet worden vastgesteld. Zie OGR updates.