Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 22 juli 2020 (ABRvS 202000985/1/R4): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, showroom/detailhandel, niet tijdig beslissen (Rb Midden-Nederland 18/4414)
* 22 juli 2020 (ABRvS 202000017/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, uitweg, belanghebbende, APV (Rb Limburg van 19/274)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201909100/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen in voormalige bakkerij, welstand, parkeren, bezonning (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5458 en 19/2240)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908803/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning in schuren, naastgelegen bedrijfswoning, Bouwbesluit, geluidsgevoelige vertrekken (Rb Gelderland 19/1727)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908403/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woonboerderij/erfafscheiding/geluidsscherm, naastgelegen schrootbedrijf/ maatwerkvoorschriften geluid (Rb Midden-Nederland 18/3307)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908280/1/A3): Awb, Gmw; beperking openingstijden horeca’s, overlastklachten
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908247/1/A2): Awb; (aanvullende) schadevergoeding, landinrichting, ontvankelijkheid, bevoegdheid bestuursrechter (Rb Noord-Nederland 19/2407)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908216/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken/staken bewoning, gedogen/geen uitzonderlijk geval/geen besluit (Rb Midden-Nederland 19/567)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908169/1/A3): Awb, DHW, Gmw; buiten behandeling stellen aanvraag DHW- en exploitatievergunning, café, Wet Bibob (Rb Midden-Nederland 19/990)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201908046/1/R2): Awb, Wro; bpl, huisvesting tijdelijke arbeidskrachten
* 22 juli 2020 (ABRvS 201907989/1/R4): Awb, Wro; afwijzing vaststellen wijzigingsplan, nieuw agrarisch bouwblok, geen volwaardig bedrijf, deskundigenadvies
* 22 juli 2020 (ABRvS 201907427/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen opslag op trottoir, strijd met bpl, geen straatmeubilair (Rb Limburg 18/1298 en 19/253)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201907250/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, lasten onder bestuursdwang en dwangsommen, paardenhouderij, bouwwerken, ophogen grond, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 19/796)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201907198/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tweede bedrijfswoning, strijd met provinciale verordening(Rb Midden-Nederland 19/1500)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201906946/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing woning, bouwvlak, percentage (Rb Noord-Holland 18/5547)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905767/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, evenredigheid (Rb Rotterdam 19/2971 en 19/2972)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905574/1/R1): Awb, Wbb; instemming evaluatieverslag bodemsanering
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905572/1/R1): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesting van arbeidsmigranten, planregels/wonen, geen strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Midden-Nederland 18/3270)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905496/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw achterzijde woning (Rb Den Haag 18/3038)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905420/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen, schuilhut/beukenhaag, planregels, bevoegdheid (Rb Den Haag 18/2733)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905409/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie, ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, verkeersveiligheid
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905332/1/R3): Awb, Wro; bpl, Chw/verbrede reikwijdte, milieuzone
* 22 juli 2020 (ABRvS 201905227/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen strijd met bpl, welstand (Rb Overijssel 19/875 en 19/876)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201903952/1/R3): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, woonbestemming, openhouden buitengebied
* 22 juli 2020 (ABRvS 201903422/1/R4): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, seismische risicoanalyse, aardbevingen
* 22 juli 2020 (ABRvS 201903087/1/R3): Awb, Wro; bpl, nieuwbouwwijk, waterberging, voorwaardelijke verplichting, parkeren, verkeer, ontsluiting, tussenuitspraak
* 22 juli 2020 (ABRvS 201902744/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen boorkelders en fundaties, proefboring naar gas, bevoegdheid, planregels/binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, belanghebbende (Rb Noord-Nederland 17/3226)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201902546/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, uitbereiding varkenshouderij, belanghebbende, geurrendement luchtwassers/Wgv, BBT/geurbeheersplan, geluid, tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/3796)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201902409/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, houden van vrijmarkt, strijd met bpl, Dienstenrichtlijn/evidentiecriterium (Rb Oost-Brabant 18/1359)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201902357/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen afdak en berging bij recreatiewoning, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 18/1192)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201900968/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, medische kliniek in bedrijfspand, begrip bedrijf, parkeren (Rb Rotterdam 17/4645)
* 22 juli 2020 (ABRvS 201809147/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, boomgaard, motivering/buiten behandeling laten aanvraag
# 22 juli 2020 (ABRvS 201809102/1/R2): Awb, Wro, Wabo; inpassingsplan/ omgevingsvergunningen, windturbines, MER/alternatieven, provinciale verordening, geluid, schuifruimte, cumulatie geluid, slagschaduw, externe veiligheid, tussenuitspraak
* 21 juli 2020 (Rb Gelderland AWB 20/3872): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting recreatiewoning, drugs, noodzakelijkheid sluiting
* 21 juli 2020 (CBb 18/1564, 18/2535, 18/1116, 18/2829, 18/2858, 18/2835, 18/2760 en 18/2763): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, bedrijfsverplaatsing, dierziekte/aantallen, knelgevallenregeling, EP/geen buitensporige last,
* 20 juli 2020 (ABRvS 202003458/2/A3): Awb, Gmw; vovo, spoedeisende bestuursdwang, inbeslagname hond, bijtincidenten, aanlijn- en muilkorfgebod, APV, risicoanalyse
* 17 juli 2020 (Rb Noord-Nederland C/19/131566 / KG ZA 20-68): BW: kort geding, voorschot immateriële schade, aardbevingen, gaswinning, materiele schade/ontvankelijkheid
* 17 juli 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1791, LEE 20/1800, LEE 20/2005 en LEE 20/1792): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving. sluiting pand/woning, hennepkwekerij/drogerij
* 16 juli 2020 (ABRvS 202003385/2/R2): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, bestuursdwang, staken illegale bewoning, planregels, kamerverhuur, brandveiligheid (Rb Oost-Brabant 20/763 en 20/764)
* 16 juli 2020 (EH C-411/19): prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn/SBZ, aanleg van een weg, beoordeling van de gevolgen, vergunning, dwingende redenen van groot openbaar belang
* 16 juli 2020 (Conclusie AG EH C-619/19): prejudiciële verwijzing, Verdrag van Aarhus, toegang van het publiek tot milieu-informatie, uitzonderingen op het recht op toegang, begrip ‘interne mededeling’, beperking in de tijd
* 15 juli 2020 (Rb Gelderland AWB 20/3627): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 15 juli 2020 (ABRvS 201906011/1/A3 en /3/A3): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, dwangsom, invordering, overnachten in caravan, APV, beleid woonwagens, EVRM (Rb Amsterdam 18/5085)
* 15 juli 2020 (Rb Den Haag C/09/572159/HA ZA 19-397 en C/09/555356/HA ZA 18-713): BW; provinciale beleidsregels, stikstof en veehouderij, Habitatrichtlijn/Wnb/convenant, interim omgevingsverordening, bevoegdheid burgerlijke rechter, aangescherpte emissie-eisen/staldering, EP/buitensporige last, Coalitieakkoord, luchtkwaliteit/Wm
* 14 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4123): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, exploiteren seksinrichting zonder vergunning, geen spoedeisend belang
* 14 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6414 VEROR VV): Awb; vovo, afwijzing molenerf en gebouwen als gemeentelijke monument, geen spoedeisend belang
* 13 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3081): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, geitenhouderij, geen strijd met bpl, grondgebondenheid
* 13 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3188): Awb, DHW, Gmw; vovo, DHW- en exploitatievergunning, slecht levensgedrag, wijziging bedrijfsvoerders, aanvullend Wet Bibob-toets
* 13 juli 2020 (Rb Limburg AWB 20/1435): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, motivering
* 13 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2770): Awb, Wabo; vovo, verruiming openingstijden horeca, geluid/parkeeroverlast, geen spoedeisend belang
* 9 juli 2020 (Rb Rotterdam 10/997528-19): WSR, WED, Wm; handel in professioneel vuurwerk, gespecialiseerde kennis, Vuurwerkbesluit, detailhandelaar
* 9 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1501): Awb; e-mail is geen aanvraag voor verkeersbesluit, ook brief is geen aanvraag/verzoek om besluit te nemen, ontvankelijkheid
* 9 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7058 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, bouwstop, afwijking omgevingsvergunning, financieel belang
* 7 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7311 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand en erf, drugs
* 7 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/5512 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, opslag afvalstoffen, overeenstemming partijen, zelf in de zaak voorzien
* 6 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3627): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, illegaal gokken, openbare orde
* 6 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3779): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 3 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3570): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, Rijksbeschermd stadsgezicht, relatie bpl, welstand
* 3 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6365 WABOA VV en BRE 20/6366 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervangende woning, kwetsbaar object/externe veiligheid, circulaire opslag ontplofbare stoffen/Bevi
* 3 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1983 GEMWT):  Awb, Wabo, Gmw; handhaving, scoutingterrein, jaarlijks kinderkamp, strijd met bpl, overgangsrecht
* 2 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1404): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, illegaal gokken, geen proefsituatie
* 2 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6158 WABOA VV en BRE 20/6551 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, hotel met restaurant en in-/uitrit, parkeren, natuur, eerder verleende vergunning
* 26 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant 20/6876 VV, 20/4882 WABO, 20/6874 VV, 20/5372 WABO, 20/6875 VV, 20/5260 WABO, 20/6910 VV, 20/5373 WABO, 20/6948 VV en 20/5334 WABO): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor het bouwen en brandveilig gebruik, logiesaccommodatie, ontvankelijkheid
* 18 juni 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6266 VV en BRE 20/6267): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, permanente bewoning chalet, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheid
* 20 mei 2020 (Rb Midden-Nederland 8461684 AV EXPL 20-12 RW/1368): BW; kort geding, geluidsoverlast, onrechtmatige hinder, stalen trap in huis, NEN, aanpassingen
* 1 mei 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1953): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, geen spoedeisend belang
* 27 maart 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/923 en SHE 19/924): Awb, Wabo; gedeeltelijk intrekken omgevingsvergunning milieu, veehouderij, belangenafweging
* 27 maart 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/1724T): Awb, Wabo; ambtshalve intrekking omgevingsvergunning milieu, veehouderij, belangenafweging, tussenuitspraak
* 7 januari 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/6883, 18/6884, 18/7123 en 18/7125): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, recreatieappartementen met horeca en winkel, wijziging aanvraag, niet van ondergeschikte aard, vvgb, Ladder/Bro, parkeren, geluid
* 11 december 2019 (Rb Amsterdam AMS 19/5758 en AMS 19/5686): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, exploitatievergunning, discotheek, APV, Wet Bibob, Dienstenrichtlijn
* 5 juni 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 18/1422): Awb; nadeelcompensatie, omzetverlies, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 22 juli 2020 (ABRvS 201905572/1/R1): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesting van arbeidsmigranten, planregels/wonen, geen strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Midden-Nederland 18/3270)
6.    De Afdeling stelt vast dat de betekenis van het begrip “wonen” in het bestemmingsplan niet nader is gedefinieerd en dat in de planregel die de desbetreffende bestemmingsregeling bevat, geen relatie is gelegd tussen artikel 17.1 en de in artikel 1.62 van de planregels opgenomen omschrijving van het begrip “woning”. Dit betekent dat de omschrijving van het begrip “woning” niet van betekenis is voor de uitleg van het begrip “wonen” in artikel 17.1 van de planregels. Daarom dient aansluiting te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1882, dienen in het algemeen spraakgebruik onder “wonen” diverse uiteenlopende vormen van huisvesting te worden begrepen. Daaronder valt ook de huisvesting van buitenlandse werknemers die niet tot het huishouden van de verhuurder behoren. Gelet op het voorgaande is het gebruik van de woning ten behoeve van de huisvesting van zes arbeidsmigranten niet in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent dat voor het voorgenomen gebruik van de woning geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist. Het college was daarom niet bevoegd om deze vergunning aan [vergunninghouder] te verlenen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt om deze reden voor vernietiging in aanmerking. Aan bespreking van de door [appellant] aangevoerde beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak, komt de Afdeling niet meer toe.

* 22 juli 2020 (ABRvS 201902546/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, uitbereiding varkenshouderij, belanghebbende, geurrendement luchtwassers/Wgv, BBT/geurbeheersplan, geluid, tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/3796)
6.4.    Aangezien in de aangevraagde situatie wordt voldaan aan de Wgv en die wet het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting, kon het college de gevraagde vergunning niet weigeren vanwege de geuremissies vanuit de stallen van de inrichting en kon het college geen lagere geurbelasting eisen door het voorschrijven van een geurbeheersplan. Daardoor zou feitelijk de Wgv buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat als wordt voldaan aan de Wgv, ervan moet worden uitgegaan dat er geen geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd, zodat BBT 12, het opzetten van een geurbeheersplan, niet toepasbaar is. Het college heeft dan ook terecht geen geurbeheersplan, gericht op het voorkomen en verminderen van geuremissies vanuit de stallen van de inrichting, voorgeschreven. Daarnaast is het college er terecht van uitgegaan dat er geen aanleiding bestond om de vergunning te weigeren wegens het ontbreken van een luchtwassysteem bij stal E. Het oordeel van de rechtbank, dat hierdoor niet zou worden voldaan aan BBT 12 en 13 van de BBT-conclusies, is onjuist. Het betoog slaagt.

* 22 juli 2020 (ABRvS 201902744/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen boorkelders en fundaties, proefboring naar gas, bevoegdheid, planregels/binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, belanghebbende (Rb Noord-Nederland 17/3226)
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:60, en 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2206. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken II, 2006-07, 30 844, nr. 3, blz. 37). ).

In artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo is geregeld dat de hoofdregel is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Als uitzondering op die hoofdregel worden in het tweede tot en met vijfde lid van dat artikel andere bestuursorganen als bevoegd gezag aangewezen. Eén van die uitzonderingen zijn de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten die van nationaal belang worden geacht, zoals de in artikel 3.3, vierde lid, van het Bor bedoelde mijnbouwwerken. Dan is de minister bevoegd.

5.2.    Vermilion heeft een aanvraag ingediend voor het bouwen van twee in het maaiveld verzonken betonnen boorkelders, twee betonnen boorfundaties, een hemelwaterput en een hek en het aanleggen van een toegangsweg. Dit is daarmee de omvang van het project, waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Er bestaat, gelet op hetgeen is aangevraagd, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van de Wabo dat het college bevoegd is te beslissen op die aanvraag. De in artikel 2.4, tweede tot en met vijfde lid bedoelde gevallen doen zich hier niet voor. Dat sinds de wijziging van artikel 2.5 van het Bor op 1 mei 2017 voor het aanleggen van een boorgat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist en de minister op grond van artikel 3.3, vierde lid, van het Bor bevoegd is op een aanvraag om verlening van zo’n vergunning te beslissen, maakt dit niet anders. Vermilion heeft, zoals het college terecht aanvoert, geen aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De activiteiten waarop de ingediende aanvraag ziet, hangen ook niet onlosmakelijk in de zin van artikel 2.7 van de Wabo samen met het aanleggen van een boorgat, zoals het college ook terecht aanvoert. Het college was daarom, daargelaten of dit in de bezwaarfase mogelijk is, niet gehouden Vermilion te verzoeken haar aanvraag aan te vullen waarna de minister in deze procedure het bevoegd gezag zou zijn geworden.

Dit betekent dat het college ook na 1 mei 2017 het bevoegd gezag was. Het college was daarom bevoegd om op het bezwaar van Vermilion te beslissen. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 22 juli 2020 (ABRvS 201900968/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, medische kliniek in bedrijfspand, begrip bedrijf, parkeren (Rb Rotterdam 17/4645)
2.1.    De rechtbank heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de kliniek geen bedrijf is, enkel omdat het een maatschappelijke voorziening zou zijn. Daarbij is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de kliniek slechts onder één bestemming toegestaan zou kunnen zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:365, is niet uitgesloten dat een activiteit onder meer dan één bestemming is toegestaan. Voor het antwoord op de vraag of de kliniek een bedrijf als bedoeld in artikel 5.5 van de planregels is, is dus enkel van belang of de kliniek binnen de begripsomschrijving van ‘bedrijf’ past en is niet van belang of de kliniek zou kwalificeren als een maatschappelijke voorziening.

In artikel 1.16, van de planregels is ‘bedrijf’ gedefinieerd als een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten.

De kliniek van Equipe valt onder deze begripsomschrijving, omdat daarin bedrijfsmatig medische diensten worden verleend. In deze begripsomschrijving is geen uitzondering gemaakt voor medische dienstverlening en in artikel 5.5 van de planregels zijn bedrijven die medische diensten verlenen evenmin uitgezonderd. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de kliniek geen bedrijf als bedoeld in artikel 5.5 van de planregels is en dat het college daarom geen toepassing kon geven aan de afwijkingsmogelijkheid van dat artikel.

Het betoog slaagt.

# 22 juli 2020 (ABRvS 201809102/1/R2): Awb, Wro, Wabo; inpassingsplan en omgevingsvergunningen, windturbines, MER/alternatieven, provinciale verordening, geluid, schuifruimte, cumulatie geluid, slagschaduw, externe veiligheid, tussenuitspraak
30.2.    In het deskundigenverslag is bezien welke onderzoeken aan de conclusies in het MER en aan het plan ten grondslag zijn gelegd en in hoeverre de maximale mogelijkheden in het plan zijn onderzocht. Geconcludeerd is dat voor het rapport GO1 onderzoek is gedaan naar windturbinetypes met lagere geluidemissies dan het plan maximaal mogelijk maakt. Voor het rapport GO2, dat mede aan het plan ten grondslag is gelegd, is wel uitgegaan van de maximaal mogelijke typen windturbines in het plan, met uitzondering van turbine E-2. In het deskundigenverslag is daarnaast bezien of de schuifruimte die het plan biedt door de windturbines niet in het middelpunt van het bestemmingsvlak te plaatsen, kan leiden tot een hogere geluidbelasting dan het uitgangspunt van provinciale staten. In het deskundigenverslag is geconcludeerd dat het plan niet borgt dat bij gebruikmaken van de schuifruimte van alle windturbines de geluidbelasting onder de 47 dB Lden en 41 dB Lnight blijft.
30.4.    Over de schuifruimte die het plan biedt, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het deskundigenverslag volgt dat bij vier windturbines (B-1, B-8, E-5 en B-5) gebruikmaking van de schuifruimte in het plan kan leiden tot een overschrijding van de waarde voor de geluidbelasting van 47 dB Lden. Dat de verleende omgevingsvergunningen voor deze windturbines wel voldoen aan de genoemde waarden, doet hier niet aan af.

De betogen slagen in zoverre. Voor zover het plan schuifruimte voor de beoogde windturbines mogelijk maakt is het niet in overeenstemming met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.

………………………………………………….
75.    Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat het provinciaal inpassingsplan gebreken vertoont wat betreft de beoordeling van geluid omdat voor windturbine E-2 geen rekening is gehouden met het maximaal mogelijke windturbinetype (onder 30.3), geen rekening is gehouden met schuifruimte (onder 30.4), het plan geen waarborg bevat voor cumulatie van geluid van in het plan voorziene windturbines (onder 32.4) en cumulatie met de vergunde en niet gerealiseerde windturbines bij de RWZI is miskend (onder 32.6). Wat betreft de beoordeling van slagschaduw geldt dat de redactie van artikel 3.4, sub e, van de planregels (onder 42.2) gebrekkig is en de beoordeling van cumulatie van slagschaduwhinder met bestaande windturbines in het cluster Zonzeel (onder 47.2) en het cluster Hazeldonk (onder 47.4 en 47.5) de relevantie van de al bestaande situatie is miskend. Ten aanzien van de beoordeling van externe veiligheid is eveneens ten onrechte geen rekening gehouden met de vergunde maar niet gerealiseerde windturbines bij de RWZI (onder 49.2).

* 17 juli 2020 (Rb Noord-Nederland C/19/131566 / KG ZA 20-68): BW: kort geding, voorschot immateriële schade, aardbevingen, gaswinning, materiele schade/ontvankelijkheid
4.10.  Welk bedrag aan immateriële schadevergoeding de situatie van A aangewezen is, is afhankelijk van alle (hoogst)persoonlijke omstandigheden van het geval en laat zich in dit kort geding moeilijk schatten. Zoals het hof in het hiervoor genoemde arrest overwoog, kan over de hoogte van het toe te kennen bedrag heel verschillend worden gedacht en is de situatie in Groningen in de Nederlandse rechtspraktijk uniek. Er kan dan ook geen aanknopingspunt worden gevonden in vergelijkbare gevallen. Volgens de parlementaire behandeling dient de rechter zowel voor wat betreft de vraag of sprake is van een aantasting in de persoon als de omvang van het toe te wijzen bedrag terughoudend te zijn. Een immateriële schadevergoeding beoogt geen volledige compensatie te bieden voor het geleden nadeel en de bedragen die worden toegekend plegen in het algemeen ook substantieel lager te zijn dan de bedragen die A zegt in de bodemprocedure te willen vorderen. De vergoeding zal daarom – zoals A zelf ook aangeeft – in een bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Dan zal mogelijk ook bekend zijn hoe de Hoge Raad oordeelt over de door het hof geformuleerde berekeningsmethode.

4.11.  Een en ander neemt niet weg dat de voorzieningenrechter in dit geval voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter A een immateriële schadevergoeding zal toekennen. Vaststaat dat het pand waarin A zijn onderneming drijft aardbevingsschade heeft opgelopen, dat A sinds 2014 bezig is met de afwikkeling daarvan, dat hij diverse procedures heeft gevoerd om die schade vergoed te krijgen en dat in die procedures ook substantiële bedragen zijn toegekend. NAM bestrijdt ook niet dat het CVW A heeft aangemerkt als een schadegeval met meervoudige problematiek, dat diverse instanties zich hebben ingespannen om de schadeafwikkeling te bespoedigen en dat het herstel nog immer niet is afgerond omdat het pand moet worden versterkt. Waaraan dat laatste precies te wijten is, zal zonodig in de bodemprocedure moeten worden onderzocht. Dat geldt ook voor de vraag in hoeverre sprake is van (blijvend) geestelijk letsel en aantasting in de persoon op andere wijze. Uit het verslag van de psycholoog, H, blijkt echter genoegzaam dat de aardbevingen en met name de daarmee gemoeide schade(afwikkeling) een grote druk op het gezin van A heeft gelegd en bij de heer A tot de nodige psychische en lichamelijke klachten heeft geleid. De voorzieningenrechter zal daarom voor de heer A en mevrouw A samen een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op de immateriële schadevergoeding toewijzen.

* 16 juli 2020 (EH C-411/19): prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn/SBZ, aanleg van een weg, beoordeling van de gevolgen, vergunning, dwingende redenen van groot openbaar belang
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 6 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de procedure voor toestemming voor een plan of project waarvan de gevolgen voor een speciale beschermingszone niet kunnen worden gemitigeerd en waarover de bevoegde overheidsinstantie reeds een negatief advies heeft afgegeven, om dwingende redenen van groot openbaar belang kan worden voortgezet, tenzij er een alternatieve oplossing bestaat die minder nadelen meebrengt voor de betrokken zone, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

2)      Wanneer de gevolgen van een plan of project voor een speciale beschermingszone negatief zijn beoordeeld ingevolge artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 en de betrokken lidstaat krachtens lid 4 van dat artikel niettemin heeft besloten om dit te realiseren om dwingende redenen van groot openbaar belang, moet artikel 6 van deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan dit plan of project, na de negatieve beoordeling ervan overeenkomstig lid 3 van dat artikel en vóór de definitieve vaststelling ervan ingevolge lid 4 van dat artikel, wordt aangevuld door maatregelen die de gevolgen ervan voor die zone mitigeren en de beoordeling van deze gevolgen wordt voortgezet. In hetzelfde geval staat artikel 6 van de habitatrichtlijn daarentegen niet in de weg aan een regeling op grond waarvan de compenserende maatregelen in het kader van datzelfde besluit kunnen worden vastgesteld, mits ook de overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van deze richtlijn zijn vervuld.

3)      Richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de indiener van de aanvraag een studie verricht naar de gevolgen van het betrokken plan of project voor de betrokken speciale beschermingszone, op basis waarvan de bevoegde autoriteit die gevolgen beoordeelt. Deze richtlijn staat daarentegen in de weg aan een nationale regeling die de indiener van de aanvraag toestaat in het definitieve plan of project voorschriften, opmerkingen en aanbevelingen ten aanzien van het landschap of het milieu op te nemen zonder dat het aldus gewijzigde plan of project opnieuw door deze autoriteit moet worden beoordeeld.

4)      Richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat zij het weliswaar aan de lidstaten overlaat om de autoriteit aan te wijzen die bevoegd is voor de beoordeling van de gevolgen van een plan of een project voor een speciale beschermingszone in overeenstemming met de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde criteria, maar dat zij er daarentegen aan in de weg staat dat een willekeurige autoriteit deze beoordeling voortzet of aanvult wanneer die beoordeling eenmaal is uitgevoerd.

* 16 juli 2020 (Conclusie AG EH C-619/19): prejudiciële verwijzing, Verdrag van Aarhus, toegang van het publiek tot milieu-informatie, uitzonderingen op het recht op toegang, begrip ‘interne mededeling’, beperking in de tijd
VI.    Conclusie

  1. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ,interne mededelingen’ alle documenten omvat die bestemd zijn om tot iemand te worden gericht, ongeacht de inhoud ervan, en die op de datum waarop de bevoegde autoriteit moet beslissen op het bij haar ingediende verzoek nog niet buiten de muren van een overheidsinstantie zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van richtlijn 2003/4 zijn terechtgekomen.

2)      De werkingssfeer ratione temporis van de in artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2003/4 geformuleerde uitzondering is onbeperkt. De verstreken tijd kan evenwel een element vormen waaruit blijkt dat de interne mededeling waarom is verzocht, moet worden openbaar gemaakt, en dient daarom te worden meegenomen in de afweging die op grond van artikel 4, lid 1, onder e), en artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2003/4 moet worden gemaakt.”

* 15 juli 2020 (Rb Den Haag C/09/572159/HA ZA 19-397 en C/09/555356/HA ZA 18-713): BW; provinciale beleidsregels, stikstof en veehouderij, Habitatrichtlijn/Wnb/convenant, interim omgevingsverordening, bevoegdheid burgerlijke rechter, aangescherpte emissie-eisen/staldering, EP/buitensporige last, Coalitieakkoord, luchtkwaliteit/Wm
4.20.  De burgerlijke rechter biedt als ‘restrechter’ aanvullende rechtsbescherming in geval van een rechtstekort: als de door ZLTO c.s. gestelde verwijten kunnen worden getoetst in een andere, met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij een gespecialiseerde rechter – en dat zal in de regel de bestuursrechtelijke rechtsgang zijn – en in die rechtsgang eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bewerkstelligd als ZLTO c.s. beogen met hun vorderingen in deze procedure, is er in beginsel geen plaats voor (toegang tot) de burgerlijke rechter. Een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter doet het in het algemeen ongewenst zijn dat tegelijkertijd voor beide rechters procedures over hetzelfde onderwerp worden gevoerd, met het risico van verschillende uitkomsten. Indien een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat of heeft opengestaan, leidt dit daarom in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring in een procedure bij de burgerlijke rechter.

4.21.  De formulering van de vorderingen van ZLTO c.s. en de vraag of deze vorderingen in een bestuursrechtelijke procedure kunnen worden ingesteld, is niet doorslaggevend voor de ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. Het gaat om het met die vorderingen te bereiken materiële resultaat. Het enkele gegeven dat in een bestuursrechtelijke procedure geen verklaring voor recht kan worden gevorderd, levert geen rechtstekort op dat de weg opent naar de burgerlijke rechter.

4.22.  De door ZLTO c.s. bestreden voorschriften zijn besluiten van algemene strekking, neergelegd in provinciale verordeningen. Tegen besluiten van algemene strekking staat geen beroep open bij de bestuursrechter.21 Wel kunnen dergelijke besluiten in een bestuursrechtelijke procedure tegen daarop gebaseerde besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb, worden onderworpen aan zogenoemde exceptieve toetsing door de bestuursrechter. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) omschrijft deze exceptieve toetsing als volgt:

“Deze exceptieve toetsing houdt in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien op grond van de aangevoerde beroepsgronden moet worden vastgesteld dat dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. Een zodanig voorschrift kan voorts wegens strijd met een algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing worden gelaten indien het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de feitelijke omstandigheden en de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voorschrift bekend waren of op grond van deugdelijk onderzoek behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot vaststelling van dat voorschrift heeft kunnen komen. De rechter heeft echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij het nemen van een besluit van algemene strekking betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen.”

4.23.  Als het betrokken voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is, ondervindt de betrokkene de werking van dat voorschrift uitsluitend langs de weg van een daarop gebaseerd besluit. In dat geval dient de bestuursrechtelijke weg te worden gevolgd en is er geen plaats voor toetsing van de betrokken voorschriften door de burgerlijke rechter.

4.24.  Indien de belanghebbende de werking van het besluit rechtstreeks ondervindt, is hij in beginsel ontvankelijk in een vordering bij de burgerlijke rechter die erop gericht is een oordeel over de verbindendheid of de rechtsmatigheid van het voorschrift te verkrijgen. Dat geldt ook indien de mogelijkheid bestaat om terzake een beslissing van de bestuursrechter te verkrijgen. Niet van een betrokkene kan namelijk worden gevergd dat hij strafvervolging of het opleggen van bestuursdwang uitlokt teneinde exceptieve toetsing van het volgens hem onverbindende of buiten werking te stellen voorschrift uit te lokken.24 Daarmee is plaats voor toetsing door de burgerlijke rechter van voorschriften waarvan betrokkene de werking rechtstreeks ondervindt.

4.25.  Evenmin kan in de regel van een betrokkene worden gevergd dat hij, uitsluitend teneinde de vraag of de regeling onverbindend is aan het oordeel van de rechter te kunnen onderwerpen, een vergunning of ontheffing aanvraagt om zich aldus de toegang tot de bestuursrechtelijke rechtsgang te kunnen verschaffen.25 Indien echter het volgens betrokkene onverbindende voorschrift betrekking heeft op een ontheffing of vergunning die hoe dan ook moet worden aangevraagd – en betrokkene dus hoe dan ook het bestuursrechtelijke traject moet volgen – dient hij de bestuursrechtelijke weg te volgen en is er geen plaats voor toetsing van het betrokken voorschrift bij de burgerlijke rechter.

4.26. Er lopen, voor zover de rechtbank bekend, op dit moment geen bestuursrechtelijke procedures, waarin – onder meer door ZLTO – op de thans door ZLTO c.s. aangevoerde gronden de onverbindendheid van de bepalingen in de IOV wordt bepleit.

4.27.  Nadat in lopende procedures bij de bestuursrechter op de thans door ZLTO c.s. aangevoerde gronden onherroepelijk is geoordeeld over de verbindendheid van (een deel van) de in deze procedure aan de orde gestelde bepalingen, zal de in deze procedure aan te leggen inhoudelijke toets in de ontvankelijke zaken (zeer) beperkt zijn. Er is in deze procedure voor de burgerlijke rechter immers geen ruimte voor herbeoordeling van het door de hoogste bestuursrechter uitgesproken oordeel, dat in deze procedure als uitgangspunt zal hebben te gelden.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Fleur Onrust heeft een annotatie geschreven bij de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2020 (ECLI:EU:C:2020:458). In deze uitspraak is de vraag aan de orde of een dier alleen beschermd wordt op grond van de Habitatrichtlijn (HRL) als het dier zich in beschermd gebied bevindt (OGR 2020-0149).