Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 29 juli 2020 (ABRvS 202001879/1/R1 en 202002385/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locaties voor ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, verkeersveiligheid, alternatieve locaties
* 29 juli 2020 (ABRvS 202001073/1/R4, 202001369/1/R4, 202001405/1/R4, 202001540/1/R4, 202001555/1/R4 en 202001642/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, aanbieden afval, afvalstoffenverordening, overtreder
* 29 juli 2020 (ABRvS 201908795/1/R3 en 201908960/1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen, afwijken bpl en milieu, windpark, belanghebbenden, structuurvisie, cultuurhistorische waarden, bevingsgevoeligheid, slagschaduw/baanlicenties (Rb Noord-Nederland 18/3218 en 18/3436)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201908722/1/A3): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, APV, overtredingen, woon- en leefklimaat/openbare orde (Rb Amsterdam 19/4597 en 19/4603)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201907689/1/R4): Awb; kostenverhaal toepassen bestuursdwang, verwijderen materialen en bouwwerken (Rb Midden-Nederland 19/793)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201906876/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, belanghebbende, inplantplicht, natuurwaarden, motivering (Rb Zeeland-West-Brabant 19/710)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201906104/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van bpl en milieu, zand- en grindwinning met tijdelijke bouwwerken, coördinatieregeling, belanghebbenden, m.e.r.-beoordeling, geluid, beoordelingshoogte, normstelling/Handreiking, Nbw/soortenbescherming/relativiteit
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905926/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast van verbouwingswerkzaamheden, APV, laster, getuige, schadevergoeding, immateriële schade  (Rb Den Haag 18/2946)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905773/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, staken bedrijfsmatige exploitatie als vakantiewoning, overgangsrecht, bevoegdheid, incidentele verhuur
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905695/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt, planregels, geen strijd met bpl (Rb Limburg 18/2716. 18/2717 en 18/2718)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905633/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, woning, verbouwactiviteiten in strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 18/4085)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905623/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, evenementenhal, geen stedelijke ontwikkeling, parkeren, geluid/VNG-brochure/Activiteitenbesluit (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2884, 18/4296 en 18/5415)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201905364/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, aanbieden afval, papier/tuinafval, overtreder
* 29 juli 2020 (ABRvS 201904863/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten benedenwoning, grondwater, Bouwbesluit, dakterras/privacy (Rb Amsterdam 19/2042 en 19/2043)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201809656/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, café/restaurant met terras, horecabeleid (Rb Amsterdam 18/2126)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201808984/2/R4): Awb, Wabo: omgevingsvergunning voor aanleg agrarische paden, noodzaak, aantasting waarden, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Den Haag 17/3205, 17/3089, 17/2911 en 17/2169)
* 29 juli 2020 (ABRvS 201802281/4/R2): Awb, Wro; bpl, veehouderij, bouwvlak, geluid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 juli 2020 (CBb 18/1130): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EVRM/schadevergoeding
* 24 juli 2020 (ABRvS 202002245/2/R3): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, invordering, staken gebruik als studio /herstellen oude situatie en indienen sloopmelding, belangenafweging
* 24 juli 2020 (ABRvS 202003084/2/R1): Awb, Wm; vovo, aanwijzing clusterplaats voor rolcontainers, afvalstoffenverordening, alternatieve locatie
* 24 juli 2020 (ABRvS 202003342/1/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, dwangsom, geraken granulaatkorrels buiten inrichting, plan van aanpak, onduidelijkheid last, behandeling bezwaren
* 23 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2945): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 23 juli 2020 (ABRvS 202002780/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, horeca bij theater, belanghebbenden, woon- en leefklimaat, Activiteitenbesluit, parkeren
* 23 juli 2020 (ABRvS 202003108/2/R4): Awb, Wro; vovo, reactieve aanwijzing/bpl, ontwikkeling verkeersafwikkeling onduidelijk, strijd met provinciale verordening
* 23 juli 2020 (Rb Gelderland AWB 20/3835): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, COVID-19, naleving noodverordening, last te ruim/te veel omvattend
* 22 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3370): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, gebruik woning als muziekstudio, belanghebbende, strijd met bpl
* 22 juli 2020 (ABRvS 202002527/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijderen schuur met aanbouw, geen vergunning, strijd met bpl, overtreder, overgangsrecht, BW/verjaringstermijn (Rb Midden-Nederland 20/330 en 20/331)
* 22 juli 2020 (ABRvS 202003730/2/R4): Awb, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, onthouden van verwerkingshandelingen aan afgedankte elektrische en elektronische apparatuur met een Cathode Ray Tube, KRA/Regeling, afzondering van het fluorescentiepoeder
* 22 juli 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/3689): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 21 juli 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1752): Awb, Opiumwet; vovo. handhaving, sluiting woning, drugs, procesbelang, ontvankelijkheid
* 21 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3515): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, uitkijktoren, opslagruimten en sanitaire voorzieningen op recreatie-eiland, parkeren
* 21 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3592 en 20/3661): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, bouwen, afwijken bpl en maken uitrit, wooneenheden op grasveld, Bor/stedelijk project, woon- en leefklimaat, alternatieve locatie
* 21 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3400): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 21 juli 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.232.510): BW: onrechtmatige hinder, geur, varkenshouderij, overschrijding geurnorm, schadevergoeding
* 21 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3208): Awb, Ww; vovo, handhaving, dwangsom, belastbaarheid vloeren museum, max. aantal personen, constructieveiligheid, NEN 8700
* 20 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4017 en SGR 20/4154): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 20 juli 2020 (Rb Limburg 20/1612): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting, woning, drugs
* 20 juli 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/3699): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting, woning, drugs
* 17 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/906): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bovenwoning naar twee appartementen met dakterras, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 17 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2051): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, huisvesting verslaafden, strijd met bpl, geweigerde vergunning/bob
* 16 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/2946): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, geen spoedeisend belang
* 14 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1104): Awb; handhaving, kozijnen, beroep te laat, ontvankelijkheid
* 14 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3191): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfsruimte, illegaal gokken, APV
* 13 juli 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1471 en AWB/ROE 20/1417): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting, woning, drugs, geen bijzondere omstandigheden
* 13 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/466): Awb, Wabo. Gmw; handhaving, verwijderen bijgebouw, geen vergunning, strijd met bpl
* 13 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1486): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, afwijken gebruik, cateringbedrijf in woning en bijgebouw, planregels
* 10 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1944): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid
* 10 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/213 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, appartementencomplex buiten bebouwingsgrens gerealiseerd/afwijking van omgevingsvergunning, motivering
* 9 juli 2020 (Rb Den haag SGR 19/3110): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tuinhuis en hoge beschoeiing, geen sprake van rechtswege verleende vergunning, niet tijdig beslissen op bezwaarschrift, schadevergoeding
* 6 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7477): Awb; invordering dwangsommen, huisvesten van arbeidsmigranten en werknemers in recreatieverblijven, overtreder
# 30 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3553 en LEE 18/3726): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, mestvergistingsinstallatie, Chw, geur, m.e.r.-plicht, cumulatie, voorschriften, BBT
* 30 juni 2020 (CBb 18/2850): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, knelgevallenregeling, EP/geen buitensporige last
* 23 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1902): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en wijzigen gemeentelijk monument, kantoor/praktijk naar appartementen, toets aan bpl/parapluplan, begrip wonen, parkeren, Bouwbesluit

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 29 juli 2020 (ABRvS 201906104/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van bpl en milieu, zand- en grindwinning met tijdelijke bouwwerken, coördinatieregeling, belanghebbenden, m.e.r.-beoordeling, geluid, beoordelingshoogte, normstelling/Handreiking, Nbw/soortenbescherming/relativiteit
14.2.    Wat betreft het beroep van [appellant sub 1] op het ontbreken van een ontheffing voor het onderdeel soortenbescherming wordt het volgende overwogen.

Als een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Niet in alle gevallen hoeft echter op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede), en 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666 (Windpark Noordoostpolder).

Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van appellant en het plangebied, of in voorkomend geval, de locatie waarop het in een omgevingsvergunning voorziene project, dan wel andere handelingen worden uitgevoerd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:375 (Goeree-Overflakkee), 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 (Terneuzen), 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146 (Windpark Bijvanck), 21 februari2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (De Drentse Monden en Oostermoer) en 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234 (Lansingerland). In een geval waarin een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling op gronden waarop uit hoofde van de Wnb beschermde diersoorten voorkomen en de afstand van de woning van de betrokken appellant tot die gronden hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, dan zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. De kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant houdt dan onvoldoende verband met de bescherming van de volgens hem op de gronden, waar de ruimtelijke ontwikkeling is voorzien, levende beschermde diersoorten (uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 (Terneuzen) en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234 (Lansingerland)).

[appellant sub 1] woont op een afstand van meer dan 100 m van de projectlocatie. Deze afstand tot de projectlocatie is te groot om verwevenheid aan te nemen. [appellant sub 1] kan zich dus niet beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb. Een belanghebbende die zich niet kan beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb kan zich ook niet beroepen op die normen in het kader van het betoog dat de omgevingsvergunning niet uitvoerbaar is, omdat dat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en de noodzakelijke ontheffing krachtens de Wnb niet kan worden verleend. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322 (Weert) en 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75 (Flamco).

Het betoog faalt ook in zoverre.

* 29 juli 2020 (ABRvS 201905926/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast van verbouwingswerkzaamheden, APV, laster, getuige, schadevergoeding, immateriële schade  (Rb Den Haag 18/2946)
10.4.    Verder heeft [persoon] de Afdeling verzocht een getuige te horen. Ter zitting bij de Afdeling heeft [persoon] toegelicht dat de verklaring van deze getuige zou gaan over de overlast en hinder die [appellant] vanuit zijn woning zou veroorzaken. In deze procedure gaat het echter niet over het handelen van [appellant], maar of de burgemeester terecht niet is overgegaan tot handhavend optreden tegen [persoon]. Daarom is de verklaring van de door [persoon] verzochte getuige niet noodzakelijk voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1200). Het verzoek van [persoon] wordt daarom afgewezen.
11.3.    Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie, aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1953). Volgens artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), voor zover thans van belang, heeft de benadeelde voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

11.4.    Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5 en vergelijk de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898, r.o. 8).

11.5.    Daargelaten of causaal verband bestaat tussen het aan het besluit van 23 september 2019 klevende gebrek en de immateriële schade die [appellant] stelt als gevolg daarvan te lijden, heeft [appellant] in het geheel niet toegelicht of gestaafd met stukken dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. De Afdeling wijst daarom zijn verzoek af. Voor zover [appellant] heeft beoogd te verzoeken om vergoeding van immateriële schade voor zijn gezinsleden, wordt daaraan voorbijgegaan, omdat deze gezinsleden geen partij zijn in deze procedure en alleen een partij de bestuursrechter om schadevergoeding kan verzoeken.

Conclusie beroep

  1. Zoals hiervoor onder 9. is overwogen, heeft de burgemeester het besluit van 23 september 2019 niet met inachtneming van de tussen- en einduitspraak van de rechtbank genomen. Daarom is het beroep gegrond. Het besluit van 23 september 2019 komt voor vernietiging in aanmerking. Uit wat onder 10.1. tot en met 10.3. is overwogen, volgt echter dat de burgemeester in het besluit van 23 september 2019 terecht niet is overgegaan tot handhavend optreden tegen [persoon], omdat niet is vastgesteld of zich vanuit de woning van [persoon] ernstige en herhaaldelijke hinder als bedoeld in artikel 2.79, eerste lid, van de Apv voordeed. Daarom zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 september 2019 geheel in stand blijven. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wordt afgewezen.* 24 juli 2020 (ABRvS 202003342/1/R1): Awb, Wm, Wbb; vovo, handhaving, dwangsom, geraken granulaatkorrels buiten inrichting, plan van aanpak, onduidelijkheid last, behandeling bezwaren
    6.    In het besluit is expliciet vermeld dat het college Ducor niet zal voorschrijven welke maatregelen zij exact dient te nemen om verspreiding van granulaatkorrels buiten de inrichting te voorkomen, omdat deze maatregelen veelal betrekking hebben op de door haar gevoerde bedrijfsvoering. De keuze die  hierin wordt gemaakt is volgens het college aan Ducor.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de opgelegde last voor Ducor onvoldoende wanneer sprake zal zijn van het nemen van voldoende maatregelen om aan de last te voldoen en verbeurte van dwangsommen te voorkomen. Weliswaar is door het college in het besluit van 12 maart 2020 verwezen naar het door Ducor opgestelde plan van aanpak en heeft het college gewezen op een aantal maatregelen uit dit plan van aanpak die nog niet zijn getroffen door Ducor, maar thans is niet duidelijk of bij het opvolgen daarvan wordt voldaan aan de last. Het nemen van al die maatregelen die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat granulaatkorrels buiten de inrichting terecht kunnen komen, zoals in het besluit van 12 maart 2020 is opgedragen, is een open norm die – zonder nadere uitwerking – tot interpretatieproblemen aanleiding kan geven. Bovendien wordt in het besluit van 12 maart 2020, zowel gesproken over repressieve maatregelen als preventieve maatregelen en het voorkomen van een overtreding, hetgeen niet met elkaar strookt. Uit het besluit van 12 maart 2020 blijkt onvoldoende of ten tijde van het besluit sprake was van een overtreding en de last ziet op het beëindigen en beëindigd houden daarvan, of dat deze uitsluitend ziet op het voorkomen van een overtreding.

  1. Ducor heeft gewezen op het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zoals ter zitting door Ducor is benadrukt erkent zij het probleem van de verspreiding van granulaatkorrels buiten het terrein en neemt zij ook haar verantwoordelijkheid in deze. Het college heeft ook niet bestreden dat Ducor bereid is om de noodzakelijke maatregelen te treffen om de verspreiding van granulaatkorrels in het milieu te voorkomen en heeft erkend dat door Ducor ook al verschillende maatregelen zijn getroffen. Met Ducor en het college streeft de Plastic Soup Foundation de voorkoming van (verdere) milieuvervuiling na. Het gezamenlijk particulier en publiek belang is evident. De bezwaarfase biedt partijen dan ook een kans het overleg te continueren om te komen tot effectieve maatregelen om vervuiling te voorkomen en de gevolgen van een eventuele ‘spill’ in te dammen. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of het onder deze omstandigheden aangewezen is om een herstelsanctie te gebruiken als “stok achter de deur”. Indien wordt gekozen voor de last onder dwangsom, dan zal deze aan alle vereisten moeten voldoen, en dus voldoende duidelijk moeten zijn, mede uit oogpunt van rechtszekerheid. De bestreden last is nog onvoldoende duidelijk. Het college kan de bezwaarfase gebruiken om te overwegen of een last onder dwangsom een geschikt middel is om het doel te bereiken. Daarbij kan worden betrokken of sinds het primaire besluit is gebleken van onregelmatigheden. Indien er voor wordt gekozen bij de beslissing op bezwaar vast te houden aan de last onder dwangsom, dan dient deze zodanig te worden bijgesteld dat voor Ducor duidelijk is welke maatregelen getroffen moeten worden om verbeurte van dwangsommen te voorkomen.* 23 juli 2020 (Rb Gelderland AWB 20/3835): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, COVID-19, naleving noodverordening, last te ruim/te veel omvattend
    6.4. Uit de beschrijving onder 6.3 volgt dat verweerder is uitgegaan van veronderstellingen en aannames dat het hier niet ging om personen van één huishouden, zonder dit te toetsen bij verzoeker of de bezoekers zelf. Er heeft daarmee geen gedegen onderzoek plaatsgevonden. Dat betekent dat verweerder niet de conclusie heeft mogen trekken dat de aanwezigen inderdaad verplicht waren om 1,5 meter afstand tot elkaar te houden en dat verzoeker artikel 2.1d, eerste lid, onder d van de Noodverordening (vanaf 15 juni 2020) heeft overtreden.
  2. Het bezwaar van verzoeker heeft een redelijke kans van slagen. Zoals hiervoor onder 6.4 is toegelicht is slechts één van de onderdelen van artikel 2.1d, eerste lid van de Noodverordening (vanaf 15 juni 2020) niet nageleefd. De last ziet echter op artikel 2.1, eerste lid van de Noodverordening (vanaf 1 en 15 juli 2020) in zijn geheel, dus ook voor wat betreft de onderdelen waarvoor geen overtreding is vastgesteld.

7.1.  De last is daarom te ruim geformuleerd en daarmee teveel omvattend. Vanzelfsprekend moet verzoeker zich, net als iedere andere horeca-ondernemer, houden aan de voorschriften en regels die zien op samenkomsten. Het gaat hier echter om een herstelsanctie. In dat kader gaat het te ver om een last onder dwangsom op te leggen die op alle onderdelen van artikel 2.1, eerste lid van de Noodverordening ziet, terwijl slechts sprake is geweest van overtreding van het voorschrift dat gasten gebruik moeten maken van een zitplaats. Het is niet aan de voorzieningenrechter om de last aan te passen. De bezwaarfase is bij uitstek geschikt om zo nodig de last te herformuleren en te preciseren.

* 22 juli 2020 (ABRvS 202002527/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijderen schuur met aanbouw, geen vergunning, strijd met bpl, overtreder, overgangsrecht, BW/verjaringstermijn (Rb Midden-Nederland 20/330 en 20/331)
5.3.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, overwogen dat het opleggen van de last onder dwangsom geen schending van het eigendomsrecht en het recht op privéleven oplevert. De rechtbank heeft overwogen dat de Wabo en de Wet ruimtelijke ordening, voor wat betreft het bestemmingsplan, onder meer dienen ter bescherming van rechten en vrijheden van derden en dat het in dit geval gaat om de naleving van het bestemmingsplan.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het algemeen belang dat is gediend met handhaving het belang om het ter plaatse geldende bestemmingsplan te handhaven. Een verwijzing naar het onder 5 vermelde arrest in de zaak Hutten-Czapska kan [appellant] niet baten, omdat het geen vergelijkbare situatie betreft. Het arrest in de zaak Hutten-Czapska gaat over de maximering van de huurprijs door de Poolse regering, waardoor een huiseigenaar de onderhoudskosten van de woning niet uit de huuropbrengsten kon bestrijden. Het EHRM vond de inmenging in het eigendomsrecht niet proportioneel en oordeelde dat er geen sprake was van een rechtvaardig evenwicht tussen het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de individu. De voorzieningenrechter begrijpt dat [appellant] belang heeft bij instandlating van de schuur, omdat hij daarin zijn dieren houdt en midwinterhoorns bewaart. Echter, de omstandigheid dat [appellant] vooralsnog geen onderkomen heeft voor zijn dieren, maakt niet dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden moest worden afgezien.

* 21 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3208): Awb, Ww; vovo, handhaving, dwangsom, belastbaarheid vloeren museum, max. aantal personen, constructieveiligheid, NEN 8700
4.2  Niet in geschil is dat de eerste verdiepingsvloer niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden in artikel 2.7 van het Bouwbesluit, omdat niet wordt voldaan aan de belastbaarheidseisen van NEN 8700.

4.3  Het enkele feit dat de vloer niet voldoet aan de NEN-norm, betekent echter nog niet dat sprake is van een acuut gevaar. Verzoeker is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat gebruik van de vloer door de maximumaantallen personen als beschreven in het besluit onveilig is. De verwijzing naar het rapport voor Bouwpathologie van 30 september 2019 en getoonde foto’s is daarvoor onvoldoende. De conclusie die verzoeker trekt uit dat rapport, inhoudende dat het gebruik volledig gestaakt dient te worden, is door verweerder onderbouwd weersproken. Dat sprake is van een acuut gevaar voor de veiligheid dat enkel kan worden afgewend door volledige sluiting van het museum (of de verdiepingsvloer) acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk.

4.4  Verzoeker heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de gebruiksbeperking niet zal worden nageleefd of niet gecontroleerd zal worden. Ook daarin ziet de voorzieningenrechter geen onderbouwd gevaar voor de veiligheid besloten.

4.5  Omdat vooralsnog niet aannemelijk is dat een gevaar voor de veiligheid bestaat indien de in het primaire besluit beschreven maximum aantal personen de verdiepingsvloer betreden, is geen sprake van een spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening.

# 30 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3553 en LEE 18/3726): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, mestvergistingsinstallatie, Chw, geur, m.e.r.-plicht, cumulatie, voorschriften, BBT
5.1.  Eisers vrezen dat met deze ontwikkeling de geuroverlast zal toenemen en menen dat onvoldoende, althans op een onjuiste wijze, onderzoek is gedaan naar de cumulatieve effecten van de geurhinder en dat geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar hinderniveau.

5.2.  Verweerder stelt zich op het standpunt dat de cumulatie, gelet op de te verwachten lage tot zeer lage geurbelasting van de inrichting van vergunninghoudster, marginaal bijdraagt aan de reeds vergunde geurbelasting van de bestaande bedrijven. Verweerder verwijst ten aanzien van het gehanteerde “afkap-criterium” naar de overwegingen daarover naar de mer die is gemaakt in het kader van de Structuurvisie van de industriegebieden Eemsmond-Delfzijl. Daarin is men uitgegaan van het feit dat cumulatie van geur pas optreedt indien de geurbelasting bij geurgevoelige objecten groter is dan 0,25 ou/m³ als 98 percentiel. Daaronder is de bijdrage dermate klein dat deze geen rol speelt bij cumulatie van geur door meerdere bedrijven. Aangezien de bijdrage van vergunninghoudster onder deze waarde blijft hoeft geen “deugdelijke beoordeling van cumulatieve geurhinder” te worden gemaakt.

5.3.  Ten aanzien van de cumulatie van de geurbelasting stelt de StAB dat de in voorschrift 1.8.6 vergunde immissiewaarde van 0,2 ou/m³ als 95 percentiel kan worden aangemerkt als een marginale bijdrage aan de reeds vergunde geurbelasting voor andere gevestigde bedrijven. Hierdoor treedt geen cumulatie van betekenis op. De methode die verweerder hierbij heeft gehanteerd kan door de StAB worden gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet in haar beoordeling te volgen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen overschrijding is van de toegestane geurwaarden en dus geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar hinderniveau.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Kees-Jan Mensinga heeft een annotatie geschreven bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:600). In deze noot bespreekt hij naar aanleiding van deze uitspraak een aantal aspecten die bij een gekoppelde sanering in het kader van een reconstructie van een weg aan de orde komen (OGR 2020-0091).