Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 12 augustus 2020 (ABRvS 202000076/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, gebruik recreatiewoningen voor huisvesting (buitenlandse) werknemers, strijd met bpl, bewijslast (Rb Midden-Nederland 19/2100)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201908766/1/R1): Awb, Wbb; instemming bodemsaneringsverslag, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201907970/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, bijzondere omstandigheden, welstand (Rb Midden-Nederland 19/659)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201907647/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, bedrijfswoning naar burgerwoning, bouwvlak, woon- en leefklimaat
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201906940/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zwembad, sportzaal en kantine, parkeerbehoefte, beleidsplan (Rb Midden-Nederland 19/2256 en 19/2485)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201906437/1/R4): Awb, Wro; bpl, appartementengebouw, bouwvlak, bezonning, natuur, planregels, relativiteit
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201906236/1/R4, 201906239/1/R4, 201906245/1/R4, 201908022/1/R4, 202000344/1/R4, 202001980/1/R4, 202002157/1/R4, 202002163/1/R4 en 202002331/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak, afvalstoffenverordening, overtreder
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905758/1/R1): Awb, Waterwet, Waterschapswet; wijziging legger, eigendom kadastrale ondergrond (Rb Gelderland 18/6102)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905664/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, kantoor naar dienstwoning, belanghebbende, van rechtswege verleend (Rb Noord-Holland 18/5102)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905499/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, sluiting pand, logiesgebouw, brandveiligheid, Bouwbesluit, geen gebruiksvergunning, bevoegdheid (Rb Amsterdam 18/6955)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905256/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras, gebruik door studenten, belangenafweging (Rb Limburg 18/1925)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905220/1/A2): Awb, Wro; planschade, recreatiewoningen, permanente bewoning, oorzakelijke verband, EP/EVRM (Rb Noord-Holland 18/814, 18/815 en 18/816)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201902968/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, baggerwerkzaamheden, aanpassen waterleidingzinkers, verleggingskosten, normaal maatschappelijk risico, hardheidsclausule (Rb Noord-Nederland 18/1458)
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201902890/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, peilopzet, Tracébesluit, vernatting perceel, schade door feitelijke werkzaamheden/bevoegdheid rechter
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201902321/2/R2): Awb, Wro; bpl, hoveniersbedrijf, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201901887/1/R3): Awb, Wro; bpl, schrappen woningen, initiatief, schade
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201900361/1/R3): Awb, Wro; bpl, stadsboerderij, belanghebbende, grondgebondenheid, structuurvisie, geur/VNG-brochure, Wgv
* 12 augustus 2020 (ABRvS 201807316/1/A2 en 201807321/1/A2): Awb; schadevergoeding, aanpassingen rijkswegen, Tracébesluit, geluid, luchtkwaliteit, advies, EVRM/redelijke termijn
* 11 augustus 2020 (CBb 18/2874, 19/425, 18/2979, 18/1464, 18/2910, 19/131, 18/2802, 18/2181, 18/2185, 18/2857 en 18/1478): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, grondgebondenheid, knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP, investeringsbeslissing, termijnoverschrijding, peildatum
* 11 augustus 2020 (CBb 18/439, 18/1838, 18/1570, 17/1590, 18/1307, 18/1308 en 18/1309, 18/1453, 17/1859, 18/1407, 18/1408 en 19/595, 19/1512 en 18/2069 en 18/2074): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, geen buitensporige last, knelgevallenregeling, EVRM, grondgebondenheid
* 11 augustus 2020 (CBb 18/2775): Awb; overzicht geregistreerde fosfaatrechten, niet gericht op enig rechtsgevolg, ontvankelijkheid
* 10 augustus 2020 (ABRvS 202002631/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, honden- en kattenpension, voorwaardelijke verplichtingen
* 10 augustus 2020 (ABRvS 202004157/1/R1 en 202004149/1/R1): Awb, Wbb; vovo, last onder bestuursdwang, bodemverontreiniging bosperceel, druggerelateerde stoffen, zorgplicht, overtreder
* 7 augustus 2020 (ABRvS 201909014/2/R1): Awb, Wabo, Gmw; vovo. handhaving, dwangsom, invordering, winkel, strijd met bpl/Bouwbesluit (Rb Amsterdam 19/2798)
* 7 augustus 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/3931): Awb, Gmw; vovo, sluiting bedrijfspand, APV, beschietingen, openbare orde
* 7 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1737): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 6 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6991 GEMWT VV): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken gebruik van recreatieverblijf voor permanente bewoning, strijd met bpl, overgangsrecht, bewijslast
* 6 augustus 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1099 en AWB 20/1419): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, strijdig gebruik, trouwlocatie, bevoegdheid
* 6 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/5558): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, last onder dwangsom, verwijderen portacabin van grasveld, bouwwerk, geen vergunning
* 5 augustus 2020 (ABRvS 202002441/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, verharding, welstand, peil (Rb Noord-Holland 19/4785)
* 5 augustus 2020 (ABRvS 202003556/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen/funderingsherstel, cultuurhistorie, interieurs van panden, planregels, welstand (Rb Amsterdam 20/2563 en 19/5004)
* 5 augustus 2020 (ABRvS 202003557/2/A3): Awb, DHW, Gmw; vovo, intrekking DHW- en exploitatievergunning, horeca, Wet Bibob (Rb Limburg 20/1265 en 20/1271)
* 5 augustus 2020 (ABRvS 202003560/2/A3): Awb, DHW, Gmw; vovo, intrekking DHW- en exploitatievergunning, horeca, Wet Bibob (Rb Rotterdam 19/6614)
* 5 augustus 2020 (ABRvS 202003649/2/A3): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunningen, pannenkoekenrestaurants, APV, woon- en leefklimaat (Rb Amsterdam 20/2234 en 20/2235)
* 5 augustus 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2190): Awb, Gmw; vovo, ontheffing, Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Fryslân, gemotoriseerde trein, rondritten door stad, gebruik van spat- of kuchschermen, belangenafweging
* 5 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/3957): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, wijzigen van één zelfstandige woning in vijf zelfstandige woonruimtes, splitsing bouwplan, uitbouw, strijd met bpl, bouwstop
* 3 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4568): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, tijdsverloop, nieuwe verhuur
* 31 juli 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1686): Awb, Ww, Gmw; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, kuisen woning, veiligheid, gezondheid, Bouwbesluit, bevoegdheid
* 31 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/68 en HAA 19/69): Awb, Wro; planschade, inpassingsplan verkeersweg, luchtkwaliteit, geluid, Woz
* 30 juli 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2062): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 30 juli 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2119): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, landschappelijke inpassing/werking luchtwassers, andere wassers dan vergund, afwijkende situering stal, geur/geluid, motivering
* 29 juli 2020 (Rb Limburg AWB 19/2974): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, erfafscheiding, strijd met bpl
* 29 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3738 en SGR 20/3765): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, invordering, horeca-activiteiten/afwijking omgevingsvergunning
* 28 juli 2020 (Rb Limburg ROE 20/1609): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting perceel met schuur en woning, drugs
* 28 juli 2020 (Rb Limburg AWB 19/3305): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, detailhandel, strijd met bpl, overgangsrecht
* 28 juli 2020 (Rb Limburg ROE 19/337): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, gebruik keerlus, relatie bpl en APV, motivering
* 24 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6639 WET): Awb, Wvw; verkeersbesluit, spoorwegovergang, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 24 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6531 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, plaatselijk ophogen perceel, bouw woning, adviesbouwpeil, schade aan bouwen, natuur, motivering
* 21 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/2254): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, agrarisch bedrijf/milieuzonering, Activiteitenbesluit/Wgv
* 17 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5167 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, aantal koeien beperken tot 10 stuks, inrichting/Activiteitenbesluit
* 17 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5464 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, voederruif
* 16 juli 2020 (Rb Midden-Nederland NL19.6438): BW; onrechtmatige overheidsdaad, omgevingsvergunning, parkeerplaatsen, geen onrechtmatig handelen gemeente, geen schadevergoeding
* 16 juli 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1972 en 20/1880 alsmede AMS 20/1974 en 20/1882): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, staken fastfoodrestaurant en zonder vergunning gemaakt dakopeningen/bouwwerken, strijd met bpl
* 2 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1082): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verkamering boerderij, geen vergunning, geen spoedeisend belang gelet op begunstigingstermijn
* 2 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1405, UTR 19/4052, UTR 20/1515 en UTR 19/5333): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl en maken uitritten, appartementen/woningen en parkeervoorziening, belanghebbende, parkeren/CROW, welstand
* 30 juni 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3889 en HAA 20/2827): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijken bpl en aanleggen, parkeerplaatsen, parkeernorm, CROW/ASVV
* 30 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1845): Awb, Wabo; handhaving, parkeerstrook, bpl, leefmilieuverordening, bevoegdheid, overgangsrecht
* 29 mei 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5151): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen met bergingen, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 27 mei 2020 (Rb Gelderland AWB 20/1605): Awb, Wabo; vovo, afsluiting weg en asfalteren, vergunningplicht, bpl, planregels
* 24 mei 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/2833): Awb; nadeelcompensatie, afsluiting brug, schade, normaal maatschappelijk risico
* 27 februari 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4785): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten,, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, peil, oppervlakte, bezonning

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd[

/vc_column_text]

Bijzondere overwegingen


* 12 augustus 2020 (
ABRvS 201905758/1/R1): Awb, Waterwet, Waterschapswet; wijziging legger, eigendom kadastrale ondergrond (Rb Gelderland 18/6102)
4.2.    De Afdeling overweegt dat bij het vaststellen van de legger niet relevant is of het college ook de eigendom van de gronden en wateren waarvoor de legger geldt, heeft of gaat verwerven. De legger geeft aan waar de keur van het waterschap van toepassing is en slaat op de aard van het water. Dit staat los van de eigendom van de in de legger genoemde wateren. Zie ter vergelijking de door het college genoemde uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2013, onder 3.1, en 6 december 2017, ook onder 3.1. Overigens eist ook de rechtbank, anders dan het college meent, niet dat het college de eigendom al verworven heeft voordat de legger wordt gewijzigd. Dat volgt uit de woordkeuze “de eigendom heeft of verwerft”.

Dat in het Eigendommenbeleid staat dat A-wateren in eigendom moeten zijn of komen van het waterschap, leidt niet tot het oordeel dat daarom deze wijziging van de legger onrechtmatig is. Het Eigendommenbeleid staat niet in de weg aan het wijzigen van de legger zonder dat het waterschap eigendom heeft of verwerft van de A-watergangen. In het Eigendommenbeleid is niet neergelegd dat een watergang alleen een A-watergang kan worden als het in eigendom van het waterschap is. Uit dat beleid volgt alleen dat het voor het waterschap belangrijk is om een A-watergang in eigendom te krijgen om bij de uitoefening van de waterschapstaak niet afhankelijk te zijn van een andere eigenaar. Het Eigendommenbeleid maakt, zoals ook het college in zijn brief van 14 april 2020 heeft toegelicht, geen onderdeel uit van de procedure voor de vaststelling van een legger, maar gaat over het voeren van beleid dat functioneel is voor de uitvoering van de taken en doelstellingen van het waterschap. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 12 augustus 2020 (ABRvS 201905256/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras, gebruik door studenten, belangenafweging (Rb Limburg 18/1925)
3.2.    De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat er een ruimtelijk relevant verschil is tussen het gebruik van een pand voor kamerverhuur en de bewoning van een pand door één huishouden, omdat dit van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Hierbij gaat het onder meer om (geluid)overlast. Dit ruimtelijk relevante verschil geldt te meer bij kamerverhuur aan studenten, alleen al vanwege de leeftijdssamenstelling en het levensritme van de te onderscheiden groepen bewoners (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2276). Een verschil in beoordeling tussen enerzijds panden die worden gebruikt voor kamerverhuur – in het bijzonder aan studenten – en anderzijds bewoning door één huishouden, is daarom gerechtvaardigd. De verwijzing van het college ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1521, waarin is opgemerkt dat bij ontoelaatbare overlast van studenten die in strijd is met de openbare orde, door de politie handhavingsinstrumenten kunnen worden ingezet, leidt niet tot een ander oordeel. De mogelijkheid van politie-inzet doet er immers niet aan af dat het college in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag de ruimtelijke gevolgen van het dakterras bij het pand moet beoordelen. Verder volgt uit de uitspraak van 1 juli 2020 niet dat het maken van een onderscheid tussen studenten- en niet-studenten daarbij ongerechtvaardigd is.

Vast staat dat het pand volgens het bestemmingsplan mag worden gebruikt voor kamerverhuur, waaronder aan studenten. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college dit gebruik had moeten meenemen bij zijn belangenafweging.

Het betoog faalt.
8.1.    Het dakterras van ongeveer 45 m2, is groot genoeg om door een groot aantal personen tegelijkertijd te worden gebruikt. Een dergelijk intensief gebruik is naar het oordeel van de Afdeling niet onaannemelijk, omdat het pand kamergewijs wordt verhuurd aan vijf personen (studenten), en dus niet wordt gebruikt door één huishouden. Aangezien het pand mag worden bewoond door studenten, kan evenmin worden uitgesloten dat het dakterras regelmatig ’s avonds laat en ’s nachts wordt gebruikt. In het besluit van 10 juli 2019 is niet kenbaar rekening gehouden met dit mogelijke gebruik en de ruimtelijke gevolgen daarvan. Zo is niet duidelijk hoeveel personen volgens het college naar verwachting gelijktijdig gebruik zullen en mogen maken van het dakterras, op welke tijdstippen dat zal zijn, hoe vaak dit zal gebeuren en in hoeverre dat tot (geluid)hinder voor omwonenden leidt. Evenmin zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden waarmee het gebruik van het dakterras wordt beperkt. Dat het dakterras wordt voorzien van een hek van 1,85 m hoog, waardoor de gebruikers minder gemakkelijk op de daken van omliggende panden kunnen klimmen, is daartoe onvoldoende omdat het gebruik van het dakterras zelf daarmee niet wordt beperkt.

* 12 augustus 2020 (ABRvS 201902890/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, peilopzet, Tracébesluit, vernatting perceel, schade door feitelijke werkzaamheden/bevoegdheid rechter
9.2.    Zoals de Afdeling heeft vastgesteld in haar uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2621, is de Tracéwet integraal opgenomen in bijlage 2 van de Awb, de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Dit betekent dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van het door [appellante] tegen het besluit van 27 februari 2019 ingestelde beroep. Voor zover het beroep niet betrekking heeft op schade die het Tracébesluit zelf meebrengt, maar op schade als gevolg van feitelijke werkzaamheden die voortvloeien uit het Tracébesluit, is de Afdeling evenzeer bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het beroep. Schade als gevolg van feitelijke werkzaamheden ter uitvoering van het Tracébesluit hangt immers in de regel zozeer samen met schade die het Tracébesluit zelf meebrengt, dat het onwenselijk zou zijn om een beroep, zoals dat van [appellante], op te splitsen en in eerste instantie door twee verschillende rechterlijke colleges te laten behandelen en beoordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2764.

9.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister, gelet op het volgende, het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte uitsluitend met toepassing van het beoordelingskader van artikel 22 van de Tracéwet afgehandeld.

9.4.    Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In artikel 7.14, eerste lid, van die wet is bepaald dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

9.5.     In het geval van [appellante] is de gestelde schade veroorzaakt door de feitelijke peilopzet. De feitelijke peilopzet is een rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer, als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. De feitelijke peilopzet heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de Waterwet. Dat betekent dat, gelet op artikel 2.34, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet, artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet in het geval van [appellante] van toepassing is. De minister heeft het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte niet tevens met toepassing van het beoordelingskader van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet afgehandeld. Dat [appellante] op 15 juli 2015, ten tijde van de feitelijke peilopzet, nog geen eigenaar van de percelen was, is in dat kader niet relevant. Waar het om gaat, is of zij als gevolg van de feitelijke peilopzet schade heeft geleden of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel voor haar rekening behoort te blijven en die niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het betoog faalt.

* 10 augustus 2020 (ABRvS 202004157/1/R1 en 202004149/1/R1): Awb, Wbb; vovo, last onder bestuursdwang, bodemverontreiniging bosperceel, druggerelateerde stoffen, zorgplicht, overtreder
3.3.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] de zorgplicht in artikel 13 van de Wbb heeft overtreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen bewijs dat hij zelf de gevonden voorwerpen en stoffen op het bosperceel heeft gestort, maar de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb geldt niet alleen voor iemand die bodemverontreinigende handelingen heeft verricht, zoals het storten van drugsafval. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt deze zorgplicht ook voor iemand die niet zelf bodemverontreinigende handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. Zie ter vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018 (onder 3.1), ECLI:NL:RVS:2018:1128. Het storten van de gevonden voorwerpen en stoffen op het bosperceel kan worden toegerekend aan [verzoeker], omdat het aannemelijk is dat deze handelingen voor hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. In het besluit staat dat op zijn standplaats een groot aantal voorwerpen zijn gevonden die worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. Een deel daarvan is gevonden in de loods op zijn standplaats. Het ging onder meer om maatbekers, jerrycans, kookketels, een gasmaker, plastic vierkante vaten bedoeld voor het opslaan van vloeistoffen en roer- en elektromotoren. In de maatbekers zat ook een vloeistof die naar BMK rook, een grondstof voor synthetische drugs. Daarnaast zijn achter de loods, maar wel op de standplaats, onder meer jerrycans met resten zwavelzuur gevonden. [verzoeker] heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van deze voorwerpen en stoffen. Op het bosperceel achter de standplaatsen zijn ook jerrycans met zwavelzuur aangetroffen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter de enkele stelling van [verzoeker] dat hij geen enkele betrokkenheid heeft met de gevonden voorwerpen en de stort op het bosperceel niet geloofwaardig.

Uit het besluit volgt niet achter welke standplaatsen in het bosperceel de voorwerpen en stoffen zijn gevonden. [verzoeker] stelt dat de voorwerpen en stoffen niet direct achter zijn standplaats zijn aangetroffen. Dit punt kan in de bezwaarprocedure nader worden onderzocht. Maar hoe dit ook precies zit, ook als de voorwerpen en stoffen alleen achter de standplaats aan [locatie 2] zijn gevonden, neemt dat niet weg dat aannemelijk is dat hij betrokken was bij de stort van de voorwerpen en stoffen in een mate die hem (mede) verantwoordelijk maakt voor die stort. De stelling van [verzoeker] dat het gedeelte van het bosperceel achter [locatie 2] alleen toegankelijk was voor de bewoners van [locatie 2] en niet voor hem vanwege de aanwezige muur wordt niet gevolgd. Dat gedeelte van het bosperceel was ook toegankelijk voor andere bewoners van het woonwagenkamp. Onder meer op de standplaats van [verzoeker] zijn immers ladders aan beide kanten van de muur aangetroffen.

[verzoeker] heeft nog een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:622 (Nuenen). Die uitspraak gaat echter over een andere situatie dan die van hem. Ten eerste omdat het in die uitspraak niet gaat over de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb. Ten tweede omdat in die zaak tussen partijen vast stond dat de personen aan wie de last was gericht niets te maken hadden met het achterlaten van het drugsafval op het weiland, terwijl in deze zaak het storten van het drugsafval op het bosperceel wel kan worden toegerekend aan [verzoeker].

Het betoog slaagt niet.

* 6 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/5558): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, last onder dwangsom, verwijderen portacabin van grasveld, bouwwerk, geen vergunning
7. De kern van het geschil is of het college bevoegd was te handhaven omdat sprake is van een overtreding. In dat kader zal de rechtbank beoordelen of de portacabin een bouwwerk is in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en [eiser] voor de plaatsing daarvan dus een omgevingsvergunning nodig had.2

  1. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling is een bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatste te functioneren.3
  2. De rechtbank is van oordeel dat de portacabin een bouwwerk is in de zin van de Wabo. De portacabin is een constructie van enige omvang, van bepaald materiaal dat direct met de grond is verbonden en bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Dat de portacabin verplaatst kan worden, betekent niet dat het geen bouwwerk is. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat geen omgevingsvergunning is vereist omdat de portacabin geen bouwwerk is maar een bouwkeet. In de uitspraak waarnaar [eiser] verwijst, ging het om de vraag of de bouwkeet functioneel is voor een bouwactiviteit zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht en dus om die reden een omgevingsvergunning vereist was. Die vraag is in deze zaak niet aan de orde.
  3. Vaststaat verder dat [eiser] geen omgevingsvergunning had voor de plaatsing van de portacabin. [eiser] heeft dus gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Het college was dus bevoegd te handhaven. De vraag of de portacabin al dan niet een woonfunctie had, behoeft geen bespreking meer* 5 augustus 2020 (ABRvS 202003556/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen/funderingsherstel, cultuurhistorie, interieurs van panden, planregels, welstand (Rb Amsterdam 20/2563 en 19/5004)
    6.2. Over het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming, zoals omschreven in artikel 36.1, onder a, van de planregels, overweegt de Afdeling het volgende.

Het college heeft zich bij deze toets gebaseerd op de adviezen van de CRK. Daarnaast heeft het college zich, mede in het licht daarvan, op het standpunt gesteld dat nu na de verbouwing het buitenaanzicht van de gevels en de kap van de panden niet wijzigt, het bouwplan niet in strijd is met de bestemmingsomschrijving.

Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, kan laatstgenoemd standpunt van het college niet onjuist worden geacht. Het betoog dat ‘de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden’ in genoemde bepaling aldus moeten worden uitgelegd dat deze niet alleen zien op het uiterlijk van de gebouwen, maar ook op de bestaande interieurs en de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van de panden, volgt de Afdeling niet. Hetgeen hierover is aangevoerd, mede onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Monumentenwet 1988 (TK 1986-1987, 19 881, nr. 3, p. 6), leidt niet tot dat oordeel. De conclusie van [appellant A] en [appellant B], te weten dat de bestaande interieurs van de panden Leidsekade 100 en 101 ook onder deze bescherming vallen en daarom niet mogen worden aangetast, volgt daaruit naar het oordeel van de Afdeling niet. De bescherming vanwege het aan de orde zijnde beschermde stadsgezicht, ziet naar zijn aard op de karakteristieke waarden van het aanzicht van het als zodanig aangewezen gebied.

Dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich bij de toets aan het bestemmingsplan niet op de adviezen van de CRK heeft mogen baseren, slaagt evenmin. De CRK is naar niet in geschil is, een commissie bestaande uit deskundigen, die de gemeente adviseert over de integrale kwaliteit van de fysieke leefomgeving, te weten over stedenbouw, de openbare ruimte, cultuurhistorie, welstand en monumenten. De CRK heeft blijkens het bestreden besluit meerdere malen over het bouwplan geadviseerd, naar aanleiding waarvan het bouwplan ook verschillende malen is aangepast. In deze advisering kan mede begrepen worden geacht de beoordeling of is voldaan aan artikel 36.1, onder a, van de planregels, nu uitgebreid is ingegaan op het behoud van de cultuurhistorische en architectonische waarden ter plaatse. Daarbij is door de CRK de zogenoemde ‘orde-1’-status van de panden Leidsekade 100 en 101 onderkend. Dit heeft de CRK gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht niet tot de conclusie gebracht dat aan de interieurs van genoemde panden bescherming toekomt, nu deze niet als monument zijn aangewezen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit in strijd is met artikel 36.1, onder a, van de planregels, met betrekking tot de bestemming “Waarde-Cultuurhistorie”.

Het betoog faalt.

* 30 juli 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2119): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, landschappelijke inpassing/werking luchtwassers, andere wassers dan vergund, afwijkende situering stal, geur/geluid, motivering
Weigering om handhavend op te treden tegen de slechte werking van een luchtwasser op stal 3 die in afwijking van de verleende omgevingsvergunning is geplaatst en tegen de afwijkende situering van die stal, omdat dat niet evenredig zou zijn.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

De omstandigheid dat vergunninghouder met goede intenties een luchtwasser heeft aangeschaft die theoretisch beter en milieuvriendelijker is dan de vergunde en verweerder daarvoor waarschijnlijk een omgevingsvergunning zou hebben verleend als deze zou zijn aangevraagd, kan geen reden zijn om handhaving achterwege te laten. Deze omstandigheid zou wel een rol hebben kunnen spelen als, ter legalisering van de situatie, daadwerkelijk een aanvraag voor deze luchtwasser zou zijn ingediend.

Ook de omstandigheid dat inmiddels is gebleken dat er landelijk onderzoek plaatsvindt naar de mogelijke oplossing van de rendementsproblemen van diverse combiluchtwassers rechtvaardigt niet het achterwege laten van handhaving. Een dergelijke omstandigheid zou wel een rol kunnen spelen in het geval dat een vergunde luchtwasser is geplaatst, maar deze niet het verwachte rendement behaalt. In dit geval wreekt zich dat vergunninghouder voor de op stal 3 geplaatste luchtwasser nooit een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en nooit heeft gemeld dat hij een andere dan de vergunde luchtwasser heeft geplaatst. Als een vergunninghouder, zoals in dit geval, willens en wetens een ander type luchtwasser plaatst dan de luchtwasser waarvoor hij vergunning heeft gekregen, moeten de gevolgen daarvan geheel voor zijn risico blijven, ongeacht de bedoeling die hij daarmee heeft gehad. De commissie is om die reden op goede gronden tot de conclusie gekomen dat verweerder handhavend moet optreden tegen de op stal 3 geplaatste combiluchtwasser. De door verweerder gegeven motivering om niet handhavend op te treden, rechtvaardigt niet de afwijking van het advies van de commissie.

De rechtbank sluit niet uit dat de milieugevolgen van de afwijkende situering van stal 3 van dien aard zijn, dat het afdwingen van de situering van de stal op de vergunde plaats zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan kan worden afgezien. Verweerder heeft echter niet op afdoende wijze onderbouwd dat hiervan sprake is.

* 17 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5167 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, aantal koeien beperken tot 10 stuks, inrichting/Activiteitenbesluit
8.1.  De essentie van de thans in geding zijnde last is dat de derde partij haar veestapel als geheel moet beperken tot maximaal tien koeien, om te voorkomen dat zij een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer – “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht” – gaat exploiteren. In zoverre verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van 14 december 2017. In deze overweging oordeelt de voorzieningenrechter dat “het ter plekke houden van meer dan 10 stuks rundvee maakt dat zeker sprake is van een inrichting … die aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet voldoen.” Bezien vanuit die invalshoek, maakt het voor eiser niet uit of de koeien van de derde partij zich bevinden op ‘omringende weilanden’ of ‘weilanden’.

8.2.  Verder constateert de rechtbank dat de onbebouwde grond tussen het erf van het perceel en het eigendom moet worden aangemerkt als een ‘omringend weiland’ waarop het handhavingsbesluit ziet. Bezien vanuit die invalshoek, maakt het voor eiser evenmin uit of de koeien van de derde partij zich bevinden op ‘omringende weilanden’ of ‘weilanden’.

8.3.  Voor zover eiser de derde partij wil (laten) onderwerpen aan beperkingen bij het gebruik van diens eigendommen, overweegt de rechtbank dat eiser slechts kan worden aangemerkt als belanghebbende indien hij naar objectieve maatstaven bezien hinder van enige betekenis kan ondervinden. Anders gezegd: eiser kan bij de bestuursrechter slechts discussiëren over het gebruik van gronden in de nabijheid van zijn eigendom. Ook om die reden maakt het voor eiser niet uit of de koeien van de derde partij zich bevinden op ‘omringende weilanden’ of ‘weilanden’.

8.4.  De rechtbank leidt uit het beroepschrift af dat eiser deze beroepsgrond heeft aangevoerd omdat verweerder de uitspraak van 14 december 2017 aanvankelijk verkeerd heeft uitgelegd. Mede hierdoor heeft het bijna anderhalf jaar geduurd voordat verweerder, door het nemen van het bestreden besluit, is gaan optreden tegen de overtreding van het maximaal aantal koeien dat de derde partij mocht hebben. Bovendien heeft verweerder pas in het verweerschrift van 23 december 2019 meegedeeld dat de derde partij aan de opgelegde last onder dwangsom heeft voldaan. Bezien vanuit deze invalshoek is het wellicht voorstelbaar dat eiser deze specificatie van de last wenst, maar nu het gebruik van de term ‘omringende’ juridisch niet onjuist of onduidelijk is – en er evenmin toe kan leiden dat de derde partij de omvang van zijn veestapel kan uitbreiden zonder dat dit resulteert in een ‘inrichting’ in de zin van de Wet milieubeheer die moet voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer – is er onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt had moeten aanpassen.

8.5.  De beroepsgrond slaagt niet.

 

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

 

Erik Dans schreef een noot bij het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:433) over de uitleg van het begrip ‘afvalstof’ en wanneer sprake is van verhandeling ‘onder gunstige omstandigheden’. Zie OGR updates.