Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 26 augustus 2020 (ABRvS 201909108/1/R4): Awb; invordering dwangsom, te hoge erfafscheiding, draagkracht overtreder (Rb Limburg 19/463)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201908985/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veehouderij, uitbreiding en vervanging luchtwassers, motivering besluit, geur/Wgv/Rgv (Rb Oost-Brabant 18/2844)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201908908/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid (Rb Den Haag 18/8418)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201908830/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakkapellen, welstand (Rb Midden-Nederland 19/180)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201908806/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, bedrijfsgebouw met inpandige woning, toezicht op visvijvers, bedrijfsbelang (Rb Gelderland 19/1690)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201908635/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, splitsing woning in appartementen, misslag in bpl (Rb Noord-Holland 19/1354)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201907497/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting coffeeshop, verkoop aan minderjarigen, bevoegdheid, waarschuwing (Rb Rotterdam 19/3641 en 19/3640)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201907166/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Overijssel 18/1888)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201907156/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, verkeersbesluit, inkomensderving (Rb Overijssel 18/1887)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201907138/1/A2 en 201907143/1/A2): Awb, Wro; planschade, aanleg rijksweg, voorzienbaarheid (Rb Limburg 18/830, 18/1112, 18/1113, 18/830, 18/1112 en 18/1113)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201906868/1/A3): Awb, Gmw; bevel tot sluiting, horeca, schietincident, openbare orde, strategienota (Rb Den Haag 19/4034 en 19/3968)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201906522/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, haventje en parkeerplaatsen, verkeersdruk/CROW, parkeren
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201906097/1/R1): Awb, Wro; bpl, (bedrijfs)woning, verhuurbare ruimte, parkeren, tussenuitspraak
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201906091/1/A2): Awb, Wro; planschade, bedoeling wetgever (Rb Oost-Brabant 18/1935)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201905920/1/R1): Awb, Wbb; geval van bodemverontreiniging/spoedige sanering noodzakelijk, overtreder/eigenaar perceel, omvang verontreiniging
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201905810/1/A3): Awb, Gmw; vergunning voor gevelbankterrassen, APV terrassenbeleid (Rb Amsterdam 18/7278)

* 26 augustus 2020 (ABRvS 201905614/1/R3): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, geen onderzoek naar bodemkwaliteit, werken met bodembedreigende stoffen, Activiteitenbesluit, overtreder, geen bijzondere omstandigheid (Rb Overijssel 18/2048)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201904984/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, verleggen van transportleidingen voor afvalwater, normaal maatschappelijk risico (Rb Noord-Nederland 18/304)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201904412/1/R1): Awb, Erfgoedwet; aanwijzing als gemeentelijk monument, bunker, verordening
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201902807/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en wijzigen monument, aanpassen bunker(Rb Amsterdam 18/1865)
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201902768/1/R3): Awb, Wro; bpl, wonen, persoonsgebonden vrijstelling
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201901556/1/R1): Awb, Wro; bpl/exploitatieplan, bedrijventerrein, verdichting bebouwing, MER, planregels
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201900349/1/R3): Awb, Tracéwet, Wm; Tracébesluit/sanering, wijziging/reconstructie rijksweg, geluidproductieplafond, belanghebbenden, RMG 2012, MER, Chw, geluid, luchtkwaliteit/NSL, veiligheid, vervuild water, geluidscherm, Natura 2000, tussenuitspraak
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201810095/1/R4): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, m.e.r.-beoordeling, informatie winningsplan/hydraulische stimulatie
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201809299/2/A2 en 201809309/2/A2): Awb; nadeelcompensatie, aanleg tunnel/hinder, normaal maatschappelijk risico, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 26 augustus 2020 (ABRvS 201808549/2/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, parkeren, nota/CROW, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 25 augustus 2020 (ABRvS 202001917/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijventerrein, woningen, VNG-brochure, stedelijke ontwikkeling/consolidatie
* 25 augustus 2020 (ABRvS 202001970/2/R2): Awb, Wro; vovo, wijzigingsplan, houtbewerking, geen ruimere mogelijkheden tot bewoning, woon- en leefklimaat
* 25 augustus 2020 (CBb 19/753, 18/2930, 19/379 , 19/222 en 19/225): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, grondgebondenheid, knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP, peildatum
* 25 augustus 2020 (CBb 18/1944 en 17/1401, 18/378 en 18/520): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, geen buitensporige last, knelgevallenregeling, redelijke termijn/EVRM
* 24 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 19/3335 en ROE 19/3334): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en slopen/wijzigen van monument, bowlingbaan met restaurant en speelruimten, parkeren/CROW, geluid/VNG-brochure
* 20 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 18/1015, ROE 18/1016 en ROE 18/1017): Awb, Nbw; intrekking vergunning, onjuiste aanvraag, naleving voorschrift, saldering stikstof, bevoegdheid
* 20 augustus 2020 (ABRvS 202004054/2/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken fokken en verkopen van honden, strijd met bpl, bedrijfsmatig karakter, stiltegebied
* 20 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3954): Awb, Wabo; vovo, handhaving, zomeropenstelling ijsbaan, vergunning/Activiteitenbesluit, aanvraag/voorschriften
* 19 augustus 2020 (Rb Limburg AWB 20/1741): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, verwijderen woonwagen, geen vergunning

* 19 augustus 2020 (ABRvS 202004287/2/R1): Awb, Wbb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding Bbk, bodemverontreiniging, (melding) sanering/ontbreken afdeklaag
* 19 augustus 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2415): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, overtreding Noodverordening Covid-19
* 18 augustus 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/5375): Awb, Waterwet; handhaving, onderhoudswerkzaamheden, peilscheiding, legger, geen projectplan vereist
* 18 augustus 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1966): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, servicegebouw, belanghebbenden, geen strijd met bpl, Wet Bibob/relativiteit
* 17 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/783 en 19/784): Awb, Wro; planschade en nadeelcompensatie, bpl/verkeersbesluiten/werkzaamheden, voorzienbaarheid
* 17 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3331 en AMS 19/3824): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen, afwijken van bpl en wijzigen van gemeentelijk monument, school in voormalige gevangenis, geluid/kinderen, verkeer
* 14 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1855): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepplanten en kweekattributen
* 14 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1805): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting loods achter woning, drugs
* 13 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3475): Awb, Wro; planschade, windpark
* 13 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7465 GEMWT VV): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overkapping tuinhuisje boven perceel van derden
* 13 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7544 OPIUMW VV en BRE 20/7477 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 13 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4414): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen woningen/splitsen, dakopbouwen, welstand, nieuwe aanvraag nodig
* 13 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4241): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, afmeren marineschepen, geen milieuvergunning, afmeren/begrip inrichting, nieuwe aanvraag/stok achter de deur
* 13 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4638): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, vervangen kozijnen in woningen, welstand
* 13 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/3625): Awb, Gmw; vovo, verandering exploitatievergunning, tijdelijke uitbreiding terras i.v.m. Covid-19
* 12 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/2600): Awb, Wvw; verkeersbesluit, verkeersveiligheid
* 12 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/2143): Awb, Wvw; verkeersbesluit, veeroosters, vee op de weg, wilde runderen geen vee/RVV
* 11 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1821): Awb, Wro; planschade, geen verandering gebruiksmogelijkheden
* 10 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 19/3179): Awb, Gmw; terrasvergunning, horeca, APV
* 28 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5927): Awb, Wro; planschade, indoor skibaan, normaal maatschappelijk risico
* 10 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5076): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen afwijken bpl, crematorium, kruimelgevallenregeling/Bor/bevoegdheid, geen functionele verbondenheid, UOV
* 30 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1338): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen met zorgfunctie, procedure, rectificatie

* 26 juni 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1919): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, hekwerk
* 17 juni 2020 (Rb Amsterdam C/13/682634 / KG ZA 20-355): BW; kort geding, onrechtmatige hinder, geluid, (giet)vloer, contactgeluid, rapport
* 3 februari 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/447): Awb, DHW, Gmw, Wok; DHW-, kansspelautomaten- en exploitatievergunning, horeca, beleidsplan, APV
* 31 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2491, UTR 19/2564, UTR 19/4004-T, UTR 19/5157-T, UTR 20/61): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, bijgebouw/erker/Bor, welstand, tussenuitspraak
* 24 september 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1563 en UTR 19/2750): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, chalet, geen vergunning/strijd met bpl, tussenuitspraak

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 26 augustus 2020 (ABRvS 201906091/1/A2): Awb, Wro; planschade, bedoeling wetgever (Rb Oost-Brabant 18/1935)
.13.    Dat in de jurisprudentie van de Afdeling niet is uitgemaakt dat een uit te werken bestemming nimmer onderdeel kan vormen van een planvergelijking, indien de aanvraag op of na 25 april 2013 is ingediend, is juist. In de onder 9.6 vermelde tussenuitspraak van 8 februari 2017 heeft de Afdeling overwogen dat de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro zich in het aan haar voorgelegde geval niet verzet tegen het betrekken van de uit te werken bestemming, als onderdeel van het oude planologische regime, in de vergelijking met het nieuwe planologische regime. Dat wil echter niet zeggen dat een uit te werken bestemming, als onderdeel van het oude planologische regime, steeds in de vergelijking moet worden betrokken, ook indien dat, mede in het licht van de bedoelingen van de wetgever, tot een onredelijke uitkomst zou leiden.  [appellant A] en anderen hebben de eigendom van de woningen vóór de inwerkingtreding van het tweede bestemmingsplan verkregen. In dit opzicht is hun geval niet gelijk aan het geval dat heeft geleid tot de tussenuitspraak van 8 februari 2017.

Verder is niet in geschil dat het voor [appellant A] en anderen vanaf 25 april 2013 geen zin meer had om naar aanleiding van het tweede bestemmingsplan een aanvraag om tegemoetkoming in planschade in te dienen. De Afdeling ziet echter, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat de gevolgen daarvan voor hun risico komen. [appellant A] en anderen hadden, gelet op artikel 6.1, vierde lid, van de Wro, vanaf 9 juni 2011 een wettelijke termijn van vijf jaar om een aanvraag in te dienen. De benadering van de rechtbank doet, zoals [appellant A] en anderen terecht betogen, afbreuk aan de betekenis van die termijn.

Indien in het geval van [appellant A] en anderen een vergelijking zou plaatsvinden tussen een nieuw bestemmingsplan en een niet daaraan onmiddellijk voorafgaand regime, is dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in strijd met de Wro. Wel wordt dan om de eerder vermelde redenen een tweede uitzondering gemaakt op de in de jurisprudentie van de Afdeling gestelde hoofdregel. In de jurisprudentie is een eerste uitzondering op de hoofdregel gemaakt in het geval dat – samengevat – een bestemmingsplan met uit te werken bestemming door een uitwerkingsplan wordt gevolgd. De tweede uitzondering, voor het geval dat een bestemmingsplan met een uit te werken bestemming door een andere planologische maatregel dan een uitwerkingsplan wordt gevolgd, ligt in het verlengde daarvan.

9.14.    De conclusie is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 3 juli 2018, waarbij het college de afwijzing van de aanvragen om een tegemoetkoming in planschade heeft gehandhaafd, op een ondeugdelijke planvergelijking berust. Het college heeft ten onrechte geen vergelijking gemaakt tussen de voor [appellant A] en anderen meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van het plangebied onder het derde en het eerste bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

* 26 augustus 2020 (ABRvS 201810095/1/R4): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, m.e.r.-beoordeling, informatie winningsplan/hydraulische stimulatie
7.1.    Over het betoog over de mer-richtlijn merkt de Afdeling op dat zij in onder meer haar uitspraken van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156, van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2217, en van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:938, al heeft geoordeeld over vergelijkbare betogen. De Afdeling heeft geoordeeld dat het besluit tot instemming met een winningsplan niet kan worden gezien als een nieuwe of aanvullende vergunning, zoals bedoeld in het arrest Wells. Dit instemmingsbesluit is een naast de vergunning voor mijnbouwwerken op grond van artikel 40 van de Mijnbouwwet en artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht staand besluit over een plan waarin de voorgenomen wijze van winning wordt beschreven. Bij besluiten op aanvragen om vergunningen voor de mijnbouwwerken kunnen de uiteenlopende milieugevolgen van de gaswinning voor de omgeving worden beoordeeld. De keuze om ter implementatie van de mer-richtlijn in het Besluit milieueffectrapportage deze besluiten over mijnbouwwerken aan te wijzen als mer-plichtige besluiten (en niet het besluit tot instemming met een winningsplan) is, zo oordeelde de Afdeling, in dit opzicht in overeenstemming met hetgeen het Hof van Justitie in het arrest Wells heeft geoordeeld over het tijdstip waarop een milieueffectbeoordeling moet worden verricht.

Bij dit oordeel heeft de Afdeling de door appellanten genoemde arresten Wells, Commissie/Ierland, Commissie/VK en Noord-Ierland, en Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken. Dat de Afdeling uit die arresten niet de conclusie heeft getrokken die appellanten voorstaan, is geen reden om thans tot een ander oordeel te komen.

De Afdeling ziet in de door appellanten in het krantenartikel aangehaalde kwestie ook geen aanwijzingen dat zij terug zou moeten komen op haar beoordeling, reeds omdat de verstrekte informatie over de ingebrekestellingsprocedure en het precieze onderwerp daarvan daarvoor te incompleet en te weinig concreet is.

Wat tot slot het door appellanten in hun nadere stukken genoemde arrest Inter-Environnement Wallonie ASBL en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen/Ministerraad betreft, merkt de Afdeling het volgende op. Dat arrest gaat primair over de vraag wat een project in de zin van de mer-richtlijn is. Het Hof van Justitie oordeelde, kort weergegeven, dat het opstarten van een energiecentrale en de daarvoor noodzakelijke moderniseringswerkzaamheden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en niet kunstmatig van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Daarom maken het opstarten en de moderniseringswerkzaamheden samen deel uit van één project (punt 71 van het arrest). Verder gaat het Hof van Justitie in dat arrest aan de hand vanzijn rechtspraak, zoals het arrest Wells, in op de vraag op welk moment een milieueffectbeoordeling zou moeten plaatsvinden (punten 85-94 van het arrest). Die laatstgenoemde rechtspraak is door de Afdeling betrokken bij haar hierboven weergegeven oordeel over de implementatie van de mer-richtlijn wat gaswinning betreft. Het arrest Inter-Environnement Wallonie ASBL en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen/Ministerraad geeft in dat opzicht dus geen nieuwe inzichten om dit oordeel te herzien. Van het kunstmatig loskoppelen van werkzaamheden, als aan de orde in dat arrest, is verder in dit geval ook geen sprake.

Ook voor het overige vindt de Afdeling geen grond om, in afwijking van haar eerder weergegeven vaste jurisprudentie, te oordelen dat het Besluit milieueffectrapportage wat gaswinning betreft een onjuiste implementatie van de mer-richtlijn is door de vergunningverlening voor (wijziging van) mijnbouwwerken – zoals bijvoorbeeld het boren van de voorgenomen nieuwe put – aan te wijzen als de besluitvorming waarbij de regels over de milieueffectbeoordeling moeten worden toegepast.

Nu niet is gebleken dat de volledige toepassing van de mer-richtlijn niet is verzekerd, komt appellanten geen rechtstreeks beroep op deze richtlijn toe.

Het betoog faalt.
14.3.    De Afdeling merkt op dat de wetgever in de mijnbouwregelingeving ervoor heeft gekozen om een aantal specifieke werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van een hydraulische stimulatie, als zodanig niet vergunningplichtig te maken, maar te reguleren via in de wetgeving opgenomen regels over het uitvoeren van die werkzaamheden, gecombineerd met informatieverplichtingen zoals het indienen van werkplannen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de minister niet heeft mogen concluderen dat, gezien deze wetgeving en te meer gezien de in het winningsplan vastgelegde maatregelen, kan worden ingestemd met het winningsplan zonder dat daarbij aanvullende voorschriften over hydraulische stimulatie worden gesteld.

De omstandigheid dat tegen het in te dienen werkplan niet kan worden opgekomen, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, is het de keuze van de wetgever geweest om de inhoud van werkplannen en de wijze waarop die moeten worden ingediend te reguleren in de Mijnbouwregeling. In die regeling is niet opgenomen dat een werkplan bij besluit moet worden goedgekeurd. Zoals de minister verder heeft opgemerkt, wordt het ingediende werkplan beoordeeld en kan zo nodig worden ingegrepen als de stimulatie niet in overeenstemming is met het winningsplan of artikel 33 van de Mijnbouwwet. Daarnaast geldt dat voor zover voor activiteiten een omgevingsvergunning vereist is, belanghebbenden tegen die omgevingsvergunning kunnen opkomen.

Het betoog faalt.

* 20 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 18/1015, ROE 18/1016 en ROE 18/1017): Awb, Nbw; intrekking vergunning, onjuiste aanvraag, naleving voorschrift, saldering stikstof, bevoegdheid
13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de tussen [naam pachter] en de Provincie gesloten overeenkomst van januari 2013 de milieutoestemming voor het exploiteren van de [bedrijf] aan de [adres] te [vestigingsplaats] tegen vergoeding aan de Provincie is overgedragen om in het kader van de Buitenring te kunnen dienen als mitigerende (stikstof)maatregel voor het in gebruik nemen van de wegtracés Geleenbeekdal en Brunssummerheide. Het doel dat de Provincie voor ogen had, namelijk het inzetten van de [bedrijf] aan de [adres] te [vestigingsplaats] als mitigerende maatregel, kan nog altijd worden bereikt, zij het dat dan ook met eiser tot overeenstemming moet worden gekomen. Het doel dat de Provincie met de overeenkomst heeft willen bereiken is echter een verantwoordelijkheid van de Provincie (en van verweerder), maar niet van eiser. Eiser had naar het oordeel van de rechtbank noch met de hem onbekende inhoud noch met het doel van de overeenkomst rekening hoeven houden bij de aanvraag van 25 juni 2015.

  1. 14. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet een onjuiste of onvolledige aanvraag heeft ingediend. Verweerder had de mogelijkheid om tegen het licht van de geheime overeenkomst anders te besluiten dan met een verlening van de gevraagde vergunning, maar heeft dat niet gedaan. Dat leidt echter niet tot de conclusie dat de aanvraag van eiser onjuist of onvolledig is geweest. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd om de aan eiser op 6 oktober 2016 verleende natuurvergunning in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook.
  2. Verweerder heeft aan de intrekking van de natuurvergunning van 6 oktober 2016 ook ten grondslag gelegd dat deze vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend en dat er daarmee sprake is van de intrekkingsgrond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wnb. In de visie van verweerder is bij de verlening van de natuurvergunning geen passende beoordeling gemaakt en daarom is de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften verleend. Dat er geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden is omdat eiser en verweerder (onbedoeld) er ten tijde van de vergunningverlening vanuit gingen dat er sprake was van bestaande rechten en derhalve dat een wijziging van de exploitatie van de [bedrijf] niet leidt tot een verslechtering of verstoring gepaard gaande met significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de omgeving van de [bedrijf] . Verweerder heeft daarop achteraf bezien een andere visie gekregen en heeft onder verwijzing naar de geheime overeenkomst tussen [naam pachter] en de Provincie gesteld dat de exploitatie van de [bedrijf] aan de [adres] te [vestigingsplaats] kan leiden tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante Natura 2000-gebieden en dat daarom een passende beoordeling had moeten worden gemaakt. Uitgangspunt daarbij is dat op grond van de geheime overeenkomst de [bedrijf] als mitigerende maatregel is bedoeld in te zetten voor het in gebruik nemen van de Buitenring.
  3. De rechtbank stelt vast dat het in gebruik nemen van de Buitenring heeft plaatsgevonden nadat aan eiser de gevraagde natuurvergunning is verleend en onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat eerst na het verlenen van deze vergunning de door verweerder bedoelde strijd met wettelijke voorschriften is opgekomen doordat de Provincie de Buitenring in gebruik heeft genomen en daarbij de (stikstof)rechten van de [bedrijf] aan de [adres] te [vestigingsplaats] heeft ingezet als mitigerende maatregel. Eiser kan dus niet worden verweten dat de vergunningverlening heeft plaatsgevonden zonder passende beoordeling. De beweerdelijke noodzaak van een passende beoordeling is achteraf ontstaan door het in gebruik nemen van de Buitenring, waardoor het intrekken van de natuurvergunning van 6 oktober 2016 als (aanvullende) maatregel voor verweerder nodig was om te kunnen voldoen aan voorschrift 10 uit de vergunning van 18 juni 2013, terwijl daaraan ook op andere wijze had kunnen worden voldaan. De geheime overeenkomst stond en staat er immers niet aan in de weg dat de Provincie (ook) met eiser tot overeenstemming komt over blijvende en definitieve beëindiging van de exploitatie van de [bedrijf] .
  4. De noodzaak van een passende beoordeling voor een natuurvergunning voor de exploitatie van een [bedrijf] aan de [adres] te [vestigingsplaats] komt naar het oordeel van de rechtbank eerst de orde indien komt vast te staan dat de bestaande rechten waarop eisers vergunningaanvraag van 25 juni 2015 is gebaseerd blijvend en definitief zijn komen te vervallen en in welke omvang dat het geval is in relatie tot de (omvang van de) aanvraag van eiser. De rechtbank is – ook na kennisname van de overeenkomst tussen [naam pachter] en de Provincie – niet gebleken van een blijvend en definitief vervallen van relevante bestaande rechten waarop eiser zijn aanvraag heeft gebaseerd. Dat betekent dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de aan eiser verleende vergunning in strijd komt met wettelijke voorschriften, in het bijzonder met de noodzaak van een passende beoordeling.
  5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat verweerder bevoegd was om de aan eiser verleende natuurvergunning in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wnb. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook.

    * 20 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3954): Awb, Wabo; vovo, handhaving, zomeropenstelling ijsbaan, vergunning/Activiteitenbesluit, aanvraag/voorschriften
    11. Ter beantwoording van die vraag, komt het aan op een uitleg van de vergunning. Verzoekster beroept zich in dit verband op de bepaling in het besluit over de vergunning onder 4 dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning en de vermelding bij vraag 5f van de opgave van de perioden dat de inrichting in bedrijf zal zijn, waarbij is opgegeven “uitsluitend in de winterperiode van begin oktober tot half maart”. Verweerder betwist die vermelding niet, maar stelt dat daarmee geen voorschrift is gegeven tot beperking van de openstelling voor schaatsen in de winterperiode. Hij wijst er op dat nergens in de voorschriften bij de vergunning wordt gerefereerd aan beperking van het schaatsen tot een deel van het jaar. Hij wijst er verder op dat in de considerans van de vergunning uit 2005 bij de bespreking van de bedenkingen van omwonenden, die met name op vrees voor geluidsoverlast waren gestoeld, bij bedenking nummer 8 is vermeld: “De kunstijsbaan is gedurende het gehele jaar een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer om verschillende aspecten………………………………………
  6. Met verweerder komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de enkele incorporatie van de aanvraag in de vergunning nog niet betekent dat verweerder bedoeld heeft de schaatsactiviteiten bij voorschrift te beperken tot het winterseizoen en schaatsen in de zomer niet heeft willen toestaan. Nergens in de voorschriften bij de vergunning, zo is niet in geschil, wordt dat onderscheid gemaakt. Uit de bespreking van bedenking 8 blijkt juist dat verweerder geen onderscheid heeft willen maken voor wat betreft het vergunnen aan de inrichting van milieubelastende activiteiten voor zomer en winter. Na de referte aan het zijn van inrichting gedurende het gehele jaar, verwijst verweerder daar juist – zonder onderscheid naar zomer en winter – naar de mogelijkheid om met toepassing van de vergunning op de ijsbaan te schaatsen. Vervolgens geeft hij nog aan geen scheiding te willen maken tussen de zomer- en winterperiode, omdat hij dat ongebruikelijk acht. Onbestreden heeft verweerder daarbij nog aangevoerd dat in het activiteitenbesluit een dergelijke onderscheiding ook niet wordt gemaakt, hetgeen een aanwijzing is dat onderscheid tussen een zomer- en een wintervergunning inderdaad ongebruikelijk is, zodat expliciete voorschriften op dit punt zouden mogen worden verwacht, als dat in dit geval wel de bedoeling was geweest. De opmerking dat voor nieuwe activiteiten in de zomerperiode vergunning moet worden gevraagd, duidt er ook niet op, anders dan verzoekster stelt, dat verweerder het schaatsen, hetgeen voor de Stichting geen nieuwe activiteit is, in de zomer apart zou willen beoordelen en nog buiten de vergunning wilde laten. De voorzieningenrechter merkt daar nog bij op dat de Stichting weliswaar tot 2020 kunstijs in de zomer nimmer aanbood, maar dat is op zichzelf geen doorslaggevende omstandigheid voor de conclusie dat de vergunning alleen is verleend voor het maken van ijs in de winter. Het door verzoekster aangedragen argument voor het verzoek om handhaving dat de zomeropenstelling tot (extra) kooldioxide uitstoot leidt, noopt evenmin tot een andere uitleg van de vergunning, omdat, zoals hiervoor onder 7 is overwogen, een plafond aan energiegebruik en indirect daarmee samenhangende kooldioxide-uitstoot geen onderwerp van deze omgevingsvergunning is.

* 18 augustus 2020 (Rb Rotterdam ROT 18/5375): Awb, Waterwet; handhaving, onderhoudswerkzaamheden, peilscheiding, legger, geen projectplan vereist
9.6.  Uit het voorgaande blijkt dat het onderhoudsplan voor de kruinbreedte niet afwijkt van de legger. De voorgenomen werkzaamheden brengen de kruinbreedte op 1,50 meter. Een beperking van een recht van overpad of huidige gebruiksmogelijkheden, indien al juist, maken een projectplan niet noodzakelijk, aangezien de normatieve toestand, zoals die is vastgelegd in de legger, niet wijzigt. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de voorgenomen werkzaamheden evenmin tot een wijziging in de normatieve toestand van het waterstaatswerk voor zover het de hoogte en de taludhelling aangaat. Weliswaar heeft het buitentalud een helling van 1:1,5 dat steiler is dan de normatieve toestand van 1:2, maar dat is de bestaande situatie. Het onderhoudsplan wijzigt hieraan niets. Bij het binnentalud is dat anders, aangezien de helling van dit talud op 1:3 komt door de werkzaamheden. Dit is echter geen wijziging van de normatieve toestand, omdat in de legger is opgenomen dat de taludhelling het maximale talud is waarop de waterscheiding onderhouden moet worden. Een flauwer talud met een helling van 1:3 is dus toegestaan. De feitelijke hoogte van de waterscheiding ligt nu op een lager niveau dan de voorgeschreven minimale hoogte van + 0,60 meter ten opzichte van het zomerpeil. Door de voorgenomen ophoging komt de waterscheiding op + 0,40 meter ten opzichte van het zomerpeil te liggen. De norm voor het waterpeil in de Vliet is -3,33 m NAP, wat is vastgelegd in het peilbesluit van 23 april 2008. Dit peilbesluit staat in rechte vast. Verweerder heeft dit waterpeil dan ook als uitgangspunt kunnen nemen. Zoals verweerder in het verweerschrift van 6 september 2019 terecht heeft opgemerkt, is bij de uitspraken van deze rechtbank van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:7016) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1616) reeds in rechte komen vast te staan dat een waterpeil van -3,90 m NAP onjuist is. Uit het onderhoudsplan blijkt dat de voorgeschreven minimale drooglegging van + 0,60 meter ten opzichte van het zomerpeil op dit moment praktisch niet haalbaar is en schade zou veroorzaken bij eiser. Met de voorgenomen werkzaamheden beoogt het Hoogheemraadschap tot de noodzakelijk geachte ophoging te komen, schade zoveel mogelijk te voorkomen en de normatieve toestand zoveel mogelijk te bereiken. Hierdoor wijzigt de normatieve toestand niet. Dat het huidige peilverschil en de te kleine drooglegging volgens eiser zijn veroorzaakt door het Hoogheemraadschap, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat erom of er een wijziging in de normatieve toestand van het waterstaatswerk plaatsvindt. Dat is niet het geval. Verder is niet gebleken dat een wijziging van de normatieve toestand plaatsvindt door een ingreep in de beschermingszone. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de legger niet de feitelijke inrichting van de beschermingszone beoogt te beschermen. De beschermingszone beoogt dat de voorgenomen werkzaamheden worden getoetst aan de Keur, zodat de invloed daarvan op de watergang kan worden beoordeeld. Ook hier geldt dat een beperking van een recht van overpad of van huidige gebruiksmogelijkheden niet verplicht tot een projectplan, aangezien de normatieve toestand niet wijzigt. Evenmin is gebleken dat de normatieve toestand, zoals die is vastgelegd in de legger, wijzigt door het aanleggen van een onderhoudszone. Ook is niet gebleken dat de voorgenomen werkzaamheden de normatieve toestand wijzigen zoals die is vastgelegd in de legger voor de hoofdwatergang de Vliet. In hoeverre de waterscheiding en de beschermingszone in het bestemmingsplan zijn opgenomen, is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of een projectplan is vereist. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam, zodat ook om die reden geen projectplan vereist is.

* 13 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4241): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, afmeren marineschepen, geen milieuvergunning, afmeren/begrip inrichting, nieuwe aanvraag/stok achter de deur
6.1.2  Verweerder heeft zich in het primaire en bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het feitelijk afmeren van marineschepen bij de inrichting, en deze daar aangemeerd laten liggen, een overtreding is van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Dit standpunt is een wijziging ten opzichte van de geldende omgevingsvergunning van 3 mei 2012. Immers, in die omgevingsvergunning zijn geen voorschriften gesteld aan het afmeren en doen liggen van marineschepen, terwijl die omgevingsvergunning nu juist is verleend met het oog op de exploitatie van de Nieuwe Haven als marinehaven, en er dus ook bij het verlenen van die vergunning zijdens verweerder onder ogen moet zijn gezien dat in die haven marineschepen zullen afmeren en dat deze kunnen blijven liggen, omdat het anders om een zinledige vergunning zou gaan. Het staat verweerder, gezien de belangen van de omgeving en het milieu, uiteraard vrij zijn standpunt te veranderen en aan die verandering gevolgen te verbinden voor de wenselijke inhoud van de omgevingsvergunning. Verweerder heeft in deze voorlopige voorzieningenprocedure echter niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt waarom zijn gewijzigde standpunt maakt dat thans en direct handhavend moet worden opgetreden.

6.1.3  Met betrekking tot de last genoemd onder 2. – het staken van het afmeren en doen liggen van marineschepen in en bij de inrichting – is in deze procedure op geen enkele manier duidelijk geworden waar de marineschepen dan zouden moeten afmeren zonder dat hun inzetbaarheid in gevaar komt. Gelet op het feit dat het hier gaat om militaire schepen, waarvoor in de Nieuwe Haven ook speciale voorzieningen aanwezig zijn, betekent dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat Defensie aan de last genoemd onder 2. niet kan voldoen. Daar komt bij dat het afmeren, doen liggen en operationeel kunnen inzetten van de in Den Helder afgemeerde marineschepen één van de grondwettelijke taken van Defensie is1, waarmee het zwaarwegende belang daarvan zonder meer is gegeven. Als het afmeren, doen liggen en operationeel inzetten van de marineschepen in en vanuit de Nieuwe Haven door de last niet mogelijk is, zonder dat daarvoor een volwaardig alternatief bestaat, kan Defensie die taken naar voorlopig oordeel niet vervullen. Met betrekking tot de last genoemd onder 2. weegt het defensiebelang dan ook het zwaarst.

6.1.4  Dan is er de kwestie van de traagheid van het vergunningsverleningsproces. De last genoemd onder 1. is gericht op het op zo kort mogelijke termijn volledig maken van een omgevingsvergunningsaanvraag. Defensie werkt daaraan – om praktische redenen – mee. Deze last is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting opgelegd als ‘stok achter de deur’, teneinde Defensie tot voldoende activiteit te bewegen. Daargelaten dat het opleggen van een last enkel als ‘stok achter de deur’ in dit geval twijfelachtig voorkomt – het gaat om twee belangrijke instellingen van de centrale overheid die hun verschillen van inzicht toch primair door goed overleg zouden moeten kunnen oplossen -, heeft verweerder ter zitting uitgesproken dat de medewerking van Defensie in ieder geval op dit moment zodanig is dat hij er vanuit gaat dat Defensie de aanvraag uiterlijk op 1 december 2020 zal kunnen afronden. Gelet hierop weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook hier het belang van Defensie zwaarder dan dat van verweerder.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Jan-Eelco Dijk schreef een noot bij de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1521) over het bestemmingsplan “Studentenhuisvesting Kanaalweg”  van de gemeente Middelburg. Hij gaat in op de ladder voor duurzame verstedelijking en de wijze waarop de Afdeling daaraan toetst. Zie OGR updates.