Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 2 september 2020 (ABRvS 202002553/1/R4, 202002560/1/R4 en 202002640/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, verkeerd aanbieden oud papier, afvalstoffenverordening, overtreder
* 2 september 2020 (ABRvS 202002110/1/A2): Awb, Wro; planschade, tussenuitspraak (Rb Oost-Brabant 19/1593)
* 2 september 2020 (ABRvS 202001074/1/A2): Awb, Wro; planschade, snackbar, parkeerdruk, inkomensderving (Rb Limburg 19/762)
* 2 september 2020 (ABRvS 202000244/1/A2): Awb, Wro; planschade, onpartijdigheid deskundige (Rb Den Haag 17/8252)
* 2 september 2020 (ABRvS 202000132/1/R1): Awb; invordering dwangsom, uitmondingen luchtverversingsinstallatie, Bouwbesluit, heroverwegen (Rb Noord-Holland 19/1264)
* 2 september 2020 (ABRvS 202000030/1/A2): Awb, Wro; planschade, risicoaanvaarding, tussenuitspraak
* 2 september 2020 (ABRvS 201909226/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs/wapens (Rb Limburg 18/1775)
* 2 september 2020 (ABRvS 201908953/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Zeeland-West-Brabant 19/198)
* 2 september 2020 (ABRvS 201908810/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken of aanbrengen bluswatervoorziening/aanpassen constructie, geen bijzondere omstandigheid (Rb  Zeeland-West-Brabant 19/4333 en 19/4334)
* 2 september 2020 (ABRvS 201907857/1/R1): Awb, Wm; plaatsingsplan ondergrondse afvalstraatjes, afvalstoffenverordening
* 2 september 2020 (ABRvS 201907777/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen met dakterrassen, privaatrechtelijke belemmering (Rb Midden-Nederland 19/2235 en 19/2836)
* 2 september 2020 (ABRvS 201907547/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, woning, Bouwbesluit/relativiteit, situatietekening/Ror, welstand, peil/hoogte (Rb Amsterdam 19/2045)
* 2 september 2020 (ABRvS 201906807/1/R1 en 201907329/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locaties ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, alternatieve locaties
* 2 september 2020 (ABRvS 201906770/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, stikstof/Natura 2000/relativiteit, parkeren, tussenuitspraak
* 2 september 2020 (ABRvS 201906369/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting club, drugs (Rb Overijssel 18/2247)
* 2 september 2020 (ABRvS 201906135/1/R4 en 202001463/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, verkeerd aanbieden doos/ORAC, afvalstoffenverordening, overtreder

* 2 september 2020 (ABRvS 201906084/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verhogen kap op woning/plaatsen dakopbouw op garage, begrip ‘afzonderlijke ruimte’, welstand (Rb Rotterdam 18/1914)
* 2 september 2020 (ABRvS 201905941/1/R2): Awb, Wro; bpl, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 2 september 2020 (ABRvS 201905849/1/R3): Awb, Wabo; intrekking vergunning voor slopen en bouwen, verstreken termmijn, bevoegdheid, financieel belang (Rb Noord-Nederland 18/1382)
* 2 september 2020 (ABRvS 201905153/1/A3): Awb, Wnb; doden ganzen rondom Schiphol, convenant, ganzenbeheerplan, noodzaak (Rb Noord-Holland 18/4690,18/4694 en 18/4695)
* 2 september 2020 (ABRvS 201904773/1/R1): Awb, Wro; bpl, schoolgebouw, belanghebbenden, woon- en leefklimaat, behoefte/Ladder/Bro, verkeer, parkeren, geluid, VNG-brochure
* 2 september 2020 (ABRvS 201903679/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt/appartementen en parkeerkelder, Chw, belanghebbenden, parkeren/balans/dynamische verwijzing, tijdelijke parkeerplaatsen, behoefte/Bro, provinciale verordening, verkeer, geluid/VNG-brochure, bezonning
* 2 september 2020 (ABRvS 201903463/1/R2): Awb, Wabo; verzoek om intrekking bouwvergunning, kantoor met appartementen, beleidsnota, termijn/geen handelingen (Rb Oost-Brabant 18/2332)
* 2 september 2020 (ABRvS 201809503/1/R2 en /4/R2): Awb, Ffw; handhaving, overtreding voorschriften ontheffing, belanghebbende, petgaten, natuurwaarden, compensatiegebied, waterkwaliteit, relativiteit (Rb Noord-Nederland 17/3983)
* 2 september 2020 (ABRvS 201706097/2/A2): Awb, Wro; planschade, aanleg nieuwe dijkring, voorschrift hoogte dijk in RIP, WOZ, termijn/EVRM, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 16/10281)
* 1 september 2020 (CBb 19/202, 19/129, 19/263, 18/2839 , 19/279, 19/760 en 19/718): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, grondgebondenheid, bemonstering perceel, knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP, peildatum, melding bijzonder omstandigheden
* 1 september 2020 (CBb 17/1640, 18/1859, 18/1800, 18/637, 18/638 en 18/1333, 18/255 en 18/256, 18/442 en 19/558, 18/210, 19/1370 en 19/28): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, geen buitensporige last, knelgevallenregeling, redelijke termijn/EVRM
* 31 augustus 2020 (ABRvS 202002414/1/R1 en /2/R1): Awb, Waterwet, Gmw; handhaving, dwangsom, verplaatsing hekwerk, strijd met Keur, te korte afstand tot watergang, gedoogplicht (Rb Oost-Brabant 19/3199 en 19/3306)
* 31 augustus 2020 (ABRvS 202003826/1/R3 en /2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, inspraak, omgevingsvisie, woon- en leefklimaat, geurcontour rwzi
* 31 augustus 2020 (ABRvS 202003833/2/R1): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, samenvoegen woning/dakopbouw, geen vergunning, verlenging begunstigingstermijn (Rb Noord-Holland 20/2260)
* 31 augustus 2020 (ABRvS 202004233/2/R3): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bijgebouw, geen vergunning, Bor/vergunningplicht (Rb Den Haag 20/466)
* 28 augustus 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1301): Awb, Wabo; vovo, handhaving, depot met vervuilde grond, strijd met bpl, Wm/Wbb/bevoegdheid Rb

* 28 augustus 2020 (Rb Gelderland AWB 20/4449): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, bijeenkomsten in horeca, afstand houden, Noodverordening COVID-19
* 28 augustus 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/4067): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor wijzigen gas/olie-winlocatie, continuering van winning heeft betrekking op ander reeds genomen besluit
* 27 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3738): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs
* 27 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3407): Awb; niet tijdig beslissen na uitspraak rechtbank, verbeuring dwangsom, eerdere handhaving/dwangsom/Wabo (Rb Noord-Holland 17/4782)
* 25 augustus 2020 (Rb Limburg AWB 20/2021): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepplanten
* 25 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/1593): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hotel in voormalig Paleis van Justitie, zonlicht, privacy
* 21 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1912): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, psychische en/of lichamelijke problematiek
* 20 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4610): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen bovenwoning in twee appartementen, strijd met parapluplan parkeernormen, relatie Huisvestingsverordening/beleid, overgangsrecht
* 20 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2242): Awb,. Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen dakraam, bevoegdheid tot invordering verjaard, ontvankelijkheid
* 14 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5188): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen boom, bomenlijst, APV, herplantplicht
* 28 juli 2020 (Rb Rotterdam 8152829 VZ VERZ 19 – 19898): Rv; regelrechter, burengeschil over schutting, onrechtmatige hinder
* 24 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4819): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, paardenstal
* 20 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4144): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen chalet, strijd met bpl, chalet is geen trekkershut, hoogte dwangsom
* 20 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4661): Awb; invordering dwangsom, verwijderen dakkapel/geen vergunning, geen bijzondere omstandigheid
* 24 januari 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2072): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor wijzigen monument, dakraam in gemeentelijk monument, welstand

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 2 september 2020 (ABRvS 201906084/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verhogen kap op woning/plaatsen dakopbouw op garage. Begrip ‘afzonderlijke ruimte’, welstand (Rb Rotterdam 18/1914)
5.2.    Tussen partijen is onder meer in geschil wat onder ‘afzonderlijke ruimte’ moet worden verstaan.

Uit de aan de aanvraag ten grondslag gelegde plattegronden blijkt dat de opbouw op de garage wordt gebouwd op gelijke hoogte als de tweede laag van de woning. De bestaande twee slaapkamers aan deze zijde van de woning worden vergroot en liggen na realisering van de opbouw deels in de bestaande woning en deels in de nieuwe opbouw op de garage. Dit is ter zitting door [belanghebbende] bevestigd. De opbouw wordt aldus als een uitbreiding van de bestaande ruimtes van het hoofdgebouw gebouwd, zodat deze, zoals [appellant] terecht betoogt, niet kan worden aangemerkt als een afzonderlijke ruimte als hiervoor bedoeld. De opbouw is alleen daarom al geen aanbouw als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften.

5.3.    Met het plaatsen van de opbouw wordt de woning uitgebreid. De woning komt daardoor in de zijdelingse perceelsgrens te staan. Dit is, zoals [appellant] ook terecht betoogt, in strijd met artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 2 september 2020 (ABRvS 201907547/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, woning, Bouwbesluit/relativiteit, situatietekening/Ror, welstand, peil/hoogte (Rb Amsterdam 19/2045)

9.2.    In de stukken en ter zitting bij de Afdeling hebben [appellanten] deze grond toegelicht aan de hand van bovenstaande bij de aanvraag behorende bouwtekening. Op de bouwtekening is aangegeven, dat de woning wordt gebouwd op het niveau van het maaiveld waarbij het maaiveld 8 cm onder het peil ligt. De bouwhoogte van 3,8 m is op deze tekening berekend vanaf het niveau van “het peil”. De hoogte van de woning vanaf “het maaiveld” is aldus 3,88 m.
Uit de stukken blijkt dat het bouwvlak voor de woning op ongeveer 40 m van de Durgerdammerdijk ligt. Gelet hierop volgt uit de planregel dat als peil geldt de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

De rechtbank heeft op zich terecht overwogen dat het bepalen van het niveau van het peil in beginsel een kwestie van handhaving van de vergunning is, maar dat laat onverlet dat in dit geding wel ter beoordeling staat of de vergunning niet in strijd is met de mogelijkheden die de planregels bieden. In aanmerking genomen dat in dit geval de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld als peil geldt, moet worden betwijfeld of hetgeen op de tekening is aangeduid als “peil” ook het peil is zoals dat uit de planregels volgt. De tekening wekt de indruk dat wat daar is aangeduid als “peil” het niveau van de weg aangeeft. Daardoor maakt de vergunning het zonder nadere toelichting mogelijk dat als bouwhoogte vanaf het niveau dat als peil geldt 8 cm hoger wordt gebouwd dan ook met inachtneming van de genoemde afwijkingsregel van artikel 38, lid 38.1, onder d, rechtens mogelijk is. Het besluit van 26 februari 2019 is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

* 2 september 2020 (ABRvS 201903679/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt/appartementen en parkeerkelder, Chw, belanghebbenden, parkeren/balans/dynamische verwijzing, tijdelijke parkeerplaatsen, behoefte/Bro, provinciale verordening, verkeer, geluid/VNG-brochure, bezonning
16.4.    In zowel artikel 9, lid 9.1.1, als artikel 9, lid 9.1.2, van de planregels is een verwijzing opgenomen naar de gemeentelijke parkeernormen ten behoeve van (vracht)auto’s en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading, zoals die zijn neergelegd in de nota “Parkeren en Stallen Noordwijk 2013”, dan wel de opvolger daarvan (de al genoemde dynamische verwijzing). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een dynamische verwijzing naar beleidsregels op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro in beginsel toegestaan. Evenwel ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 9, lid 9.1.1, in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, voor zover hierin is geregeld dat ook bij het bij recht toegestane gebruik van de gronden van het plangebied in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien overeenkomstig de parkeernormen, zoals die zijn neergelegd in de nota “Parkeren en Stallen Noordwijk 2013”, dan wel de opvolger daarvan (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1578, en van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3191). Anders dan bij het oprichten van gebouwen, voor welke activiteit in beginsel een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, is het gebruik van de gronden van het plangebied in beginsel niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. De raad had het gebruik in artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels dan ook niet afhankelijk mogen stellen van het voldoen aan de bedoelde beleidsregels. Gelet op de samenhang met artikel 9.1.1, van de planregels is artikel 9.1.2, van de planregels ook gebrekkig. Daarbij wijst de Afdeling erop dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 15.3, de planregels meerdere vormen van gebruik van de functie van een supermarkt mogelijk maken en dat er gelet hierop vanwege het ontbreken van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro voor het aanvangen of het nadien wijzigen van het gebruik van de gronden voor de functie supermarkt geen mogelijkheid meer is om daarbij de juiste parkeernormen voor de verschillende gebruiksvormen te reguleren.

De betogen slagen.
18.2.    Verder wijst de Afdeling naar overweging 13.1 waarin de relevante passages uit de parkeernota zijn weergegeven. In de parkeernota staat onder andere dat: “indien blijkt dat niet aan de parkeereis kan worden voldaan, dan kan worden gekeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is waar de parkeerbehoefte kan worden opgelost. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de directe omgeving wordt beschermd tegen parkeeroverlast door een te hoge parkeerdruk. De parkeerdruk in de directe omgeving moet acceptabel blijven.”

Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat de huidige bestaande parkeerplaatsen in het oosten van het zuidelijke plangebied tijdelijke parkeerplaatsen zijn, omdat aan de personen die gebruik mogen maken van deze plaatsen een tijdelijke vergunning met een looptijd van 5 jaar is toegekend, dat na het verloop van 5 jaar deze personen geen recht meer hebben om op deze parkeerplaatsen te parkeren en dat derhalve deze parkeerplaatsen niet zijn meegenomen in de parkeerbalans. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad met alleen het gestelde op de zitting niet heeft gemotiveerd hoe de bestaande parkeerplaatsen, die door de in het plan voorziene ontwikkeling komen te vervallen worden gecompenseerd. Weliswaar gaat het, zoals de raad stelt, om parkeerplaatsen waar alleen personen met een tijdelijke parkeervergunning met een looptijd van 5 jaar gebruik van kunnen maken, maar deze op het moment van vaststelling van het bestreden plan feitelijk aanwezige parkeerplaatsen moeten op basis van de parkeernota wel worden gecompenseerd en door geen rekening te houden met deze parkeerplaatsen draagt het bestreden plan bij aan een verhoging van de parkeerdruk in de directe omgeving van het zuidelijke plangebied. Het plan is ook op dit punt in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

De betogen slagen.

* 2 september 2020 (ABRvS 201809503/1/R2 en /4/R2): Awb, Ffw; handhaving, overtreding voorschriften ontheffing, belanghebbende, petgaten, natuurwaarden, compensatiegebied, waterkwaliteit, relativiteit (Rb Noord-Nederland 17/3983)
21.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het college op te dragen om voor het vernietigde deel van het besluit van 9 oktober 2017 een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn van 26 weken stellen.

Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante sub 3] moet nemen voor zover het gaat over de gerealiseerde waterdiepte in het oostelijke petgat op [appellante sub 3]’ perceel. Daarbij moet het college als uitgangpunt nemen dat voorschrift 7 nog altijd verplicht tot het uitdiepen van dit petgat tot ongeveer 1,30 meter. Het college moet voor het nemen van het nieuwe besluit eerst inzicht vergaren in de betrokken feiten en belangen. Dat betekent dat het college, om vast te stellen of de waterdiepte in het oostelijke petgat op [appellante sub 3]’ perceel in overeenstemming is met het RH-rapport, moet bezien hoeveel bagger daar op welke plekken aanwezig is, wat ter plaatse de waterdiepte is en hoe die zich verhoudt tot het optreden van verlanding. Als het college tot de conclusie komt dat de waterdiepte ter plaatse niet in overeenstemming is met het RH-rapport, dan moet het college voor het nemen van het besluit ook in kaart brengen wat de voor- en nadelen zijn van het verwijderen van de bagger.

Verder hecht de Afdeling eraan om op te merken dat het college zowel het bevoegde gezag is voor het verlenen van een eventueel benodigde Wnb-ontheffing voor het verdiepen van het oostelijke petgat op het perceel van [appellante sub 3] als voor het treffen van handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van de voorschriften van de ontheffing, zoals het opleggen van een last onder dwangsom. Dit betekent dat als het college aan de gemeente de last oplegt om dit petgat alsnog te verdiepen, zo nodig met inachtneming van bepaalde daarbij te stellen ecologische voorwaarden, voor het voldoen aan die last geen nieuwe Wnb-ontheffing is vereist. Zoals volgt uit de uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, impliceert de gegeven last dan de vereiste toestemming, hier de Wnb-ontheffing, om aan die last te voldoen.

21.1.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

21.2.    Voor zover het handhavingsverzoek van [appellante sub 3] andere zaken betreft dan de waterdiepte in het oostelijke petgat op haar perceel, komt de procedure daarover met deze uitspraak tot een einde.

* 31 augustus 2020 (ABRvS 202002414/1/R1 en /2/R1): Awb, Waterwet, Gmw; handhaving, dwangsom, verplaatsing hekwerk, strijd met Keur, te korte afstand tot watergang, gedoogplicht (Rb Oost-Brabant 19/3199 en 19/3306)
8.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. De door [appellant] gevraagde watervergunning voor het plaatsen van het hek is geweigerd. Daarbij is van belang dat niet voldaan is aan de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Die beleidsregels vereisen onder 3.4.2 dat – indien de gronden aan de overzijde niet in eigendom zijn van het waterschap – voor het gebruik van die gronden voor onderhoud aan de watergang een zakelijk recht zoals een erfdienstbaarheid wordt gevestigd.

Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt brengt de aanduiding “vrijwaringszone – watergang” uit het bestemmingsplan geen gedoogplicht voor het uitvoeren van die werkzaamheden met zich. Artikel 5.23 van de Waterwet voorziet wel in zo’n gedoogplicht.

Dit neemt niet weg dat het waterschap vrij is om in plaats van de wettelijke gedoogplicht privaatrechtelijke middelen in te zetten om het onderhoud vanaf gronden van derden uit te voeren. Daarbij streeft het dagelijks bestuur, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit een oogpunt van een gelijke verdeling van lasten voor aangelanden, naar een maaibeheer waarin het machinale onderhoud afwisselend plaatsvindt vanaf de ene en de andere kant van de watergang. Het zakelijk recht als omschreven in de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater,” onder 3.4.2, wordt mede verlangt vanwege die lasten voor aangelanden, waaronder de ontvangstplicht van bagger afkomstig van het onderhoud van het water.

Ter zitting van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de strook grond aan de overzijde in eigendom van het waterschap ongeveer 4 m breed is. Er is echter een strook van 5 m breed benodigd om te kunnen kiezen voor het maaimaterieel dat de voorkeur heeft uit een oogpunt van veiligheid, efficiëntie en kostenbeheer. Hiermee staat vast dat deze strook niet voldoende breed is om, zonder het vestigen van een erfdienstbaarheid, te verzekeren dat de door het dagelijks bestuur gewenste zone beschikbaar is voor de onderhoudswerkzaamheden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ten tijde van de zitting van het vestigen van een erfdienstbaarheid nog geen sprake was. Dit was op de zitting bij de voorzieningenrechter niet anders.

Dit betekent dat niet voldaan is aan de in de beleidsregels opgenomen voorwaarden voor de verlening van een watervergunning om het hekwerk op de huidige locatie te handhaven. Daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen sprake is van zicht op legalisatie. Het betoog faalt.

* 28 augustus 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1301): Awb, Wabo; vovo, handhaving, depot met vervuilde grond, strijd met bpl, Wm/Wbb/bevoegdheid Rb
6.  In het bezwaarschrift heeft verzoekster aangevoerd dat de aanleg van de spottershill niet alleen in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” maar dat dit tevens in strijd is met artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en het Besluit bodemkwaliteit.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over handhavingsbesluiten die betrekking hebben op de Wm en de Wet bodembescherming, waarop het Besluit bodemkwaliteit is gebaseerd. De Afdeling is in eerste (en enige) aanleg bevoegd hierover te oordelen. Dit volgt uit artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is daarom de voorzieningenrechter niet bevoegd om verzoeken om voorlopige voorziening met betrekking tot dergelijke besluiten te beoordelen. Daartoe is enkel de voorzieningenrechter bij de Afdeling bevoegd.

In het verzoekschrift verwijst verzoekster enkel naar het handelen in strijd met bestemmingsplan “Buitengebied 1996”. Gelet hierop hoeft de voorzieningenrechter het verzoek niet gedeeltelijk (voor zover dit zou zien op de Wm en het Besluit bodemkwaliteit) door te zenden naar de voorzieningenrechter van de Afdeling.

* 20 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4610): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen bovenwoning in twee appartementen, strijd met parapluplan parkeernormen, relatie Huisvestingsverordening/beleid, overgangsrecht
2.3  De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit betrekking heeft op een omgevingsvergunning, en niet op een vergunning op grond van de Huisvestingsverordening en de in dat kader van toepassing zijnde beleidsregels. De vraag of een vergunning op grond van een Huisvestingsverordening verleend kan worden, is wel een omstandigheid die een rol kan spelen bij de belangenafweging in het kader van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1e, van de Wabo. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:714.

2.4  De Huisvestingsverordening en de beleidsregels zijn per 1 mei 2019 in werking getreden. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Huisvestigingsverordening is een vergunning vereist voor het verbouwen van woonruimten tot twee of meer woonruimten.

2.5  Op grond van de beleidsregels wordt een dergelijke vergunning voor de buurt waarin het perceel is gelegen (de Oude Amsterdamse buurt) geweigerd. Er geldt een tijdelijke ‘time-out’.

2.6  Op grond van artikel 30, tweede lid, onder a, van de Huisvestingsverordening geldt in afwijking van het voorgaande dat een dergelijke vergunning niet is vereist, indien voor het bouwkundig splitsen vóór 1 mei 2019 een omgevingsvergunning is ingediend én ontvankelijk is verklaard voor de activiteit bouwen (het overgangsrecht).

2.7  De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent wat betreft de primaire besluitvorming op een aanvraag slechts de toe- of afwijzing, en het niet behandelen van de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb. Op grond van deze bepaling kan een bestuursorgaan wanneer de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of wanneer de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Voordat het bestuursorgaan hiertoe overgaat, moet het de aanvrager de gelegenheid geven om de aanvraag aan te vullen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat met een ingediende en ‘ontvankelijke’ omgevingsvergunning in artikel 30, tweede lid, onder a, van de Huisvestingsverordening, bedoeld is een ingediende, volledig verklaarde en in behandeling genomen aanvraag voor een omgevingsvergunning.

2.8  De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 18 oktober 2018. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan het bevoegde bestuursorgaan is om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om de aanvraag te kunnen beoordelen. Verweerder heeft bij brief van 22 oktober 2018 de aanvraag voor de omgevingsvergunning compleet verklaard en in behandeling genomen (zie overweging 1.2). Het is niet gesteld, en ook niet aan de rechtbank gebleken dat de bij de aanvraag verstrekte informatie niet afdoende was. Op grond van het overgangsrecht is voor het bouwplan dan ook géén vergunning vereist op basis van de Huisvestingsverordening. Het feit dat eiser stelt dat het parkeeronderzoek van onderzoeksbureau [naam] ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, maakt dat niet anders. Deze stelling betreft de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, en niet de vraag of de aanvraag op 22 oktober 2018 in formele zin compleet was en in behandeling genomen kon worden.

2.9  Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid bij zijn beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning de per 1 mei 2019 van toepassing zijnde Huisvestingsverordening en de daarbij behorende beleidsregels buiten beschouwing heeft kunnen laten. De beroepsgrond slaagt niet.

* 20 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4661): Awb; invordering dwangsom, verwijderen dakkapel/geen vergunning, geen bijzondere omstandigheid
2.4  Zoals verweerder heeft aangevoerd, volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet meer met succes gronden naar voren gebracht kunnen worden, die tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom naar voren zijn gebracht of gebracht hadden kunnen worden. Dat kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2562. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval.

2.5  Voor zover het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel toch is gericht tegen het bestreden besluit, geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Het is niet gesteld en het is ook niet aan de rechtbank gebleken dat sprake is van gevallen waarin een last onder dwangsom is opgelegd, de dwangsom is verbeurd, maar waarin verweerder (geheel of gedeeltelijk) van de invordering van de dwangsom heeft afgezien. De beroepsgrond slaagt niet.

3.1  Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft nadat de last onder dwangsom is opgelegd, een omgevingsvergunning voor de dakkapel aangevraagd. Bij besluit van 28 februari 2018 heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting in die bezwaarprocedure heeft verweerder toegezegd dat de vergunning verleend zou worden wanneer er een zogenaamd ‘burenakkoord’ bereikt zou worden. Dit akkoord is bereikt. De omgevingsvergunning had dan ook alsnog verleend moeten worden.

3.2  Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in lijn met het gestelde in overweging 2.4 geldt dat eiser in de onderhavige procedure in beginsel niet meer met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning naar voren had kunnen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarom dit in dit geval anders zou moeten zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
4.3  Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend belang worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Zie bijvoorbeeld de genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

4.4  Misbruik van bevoegdheid (formalisme excessif, overweging 7.2.21 – 22 van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel, ECLI:NL:RVS:2018:1152) is een dergelijke bijzondere omstandigheid. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin betrokkene tijdig aan het doel van de last heeft voldaan, maar in verzuim is tijdig te voldoen aan een in de last opgenomen (ondergeschikt) formeel vereiste. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:34. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie geen sprake. Eiser heeft niet aan (het doel van) de last voldaan. Hij heeft de dakkapel niet verwijderd en ook niet aangepast aan de regels voor vergunningsvrij bouwen. Dit terwijl tijdens de zitting bleek dat hij, ondanks het door hem gestelde verzuim van verweerder om te reageren op zijn verzoek om informatie, op de hoogte was van de inhoud van deze regels. Het feit dat eiser tijdens de zitting stelde dat het vanuit financieel oogpunt voor hem gunstiger was om de dakkapel aan het formaat van de andere dakkapellen in de straat aan te passen, in plaats van aan het formaat voor vergunningsvrij bouwen, maakt dit niet anders. Ditzelfde geldt, mede gezien het gestelde in overweging 2.4 – 2.5 en 3.2, voor hetgeen eiser verder heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.