Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 9 september 2020 (ABRvS 202001896/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, (on)zelfstandige woonruimten , leefbaarheid omgeving, Bouwbesluit, privacy, parkeren
* 9 september 2020 (ABRvS 202000288/1/A3, 202000290/1/A3 en 202000372/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunningen, horeca, slecht levensgedrag, APV, Wet Bibob (Rb Amsterdam 19/5271, 19/6050, 19/6052 en 19/5686
* 9 september 2020 (ABRvS 201909381/1/A3): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, horeca, slecht levensgedrag, APV (Rb Noord-Holland 19/1261)
* 9 september 2020 (ABRvS 201909203/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen met bijgebouwen, privaatrechtelijke belemmering (Rb Midden-Nederland 18/1748)
* 9 september 2020 (ABRvS 201909010/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verhogen schansmuur, strijd met bpl, advies omgevingscommissie (Rb Zeeland-West-Brabant 19/559)
* 9 september 2020 (ABRvS 201908772/1/A3): Awb; geen plaatsing op evenementenkalender, geen besluit, ontvankelijkheid (Rb Midden-Nederland 19/2172)
* 9 september 2020 (ABRvS 201908372/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, verwijderen fiets, belemmering doorgang (Rb Midden-Nederland 19/1742)
* 9 september 2020 (ABRvS 201907782/1/A3): Awb, Gmw; strandexploitatievergunningen, APV (Rb Noord-Nederland 18/3717, 19/1949 en 19/1950)
# 9 september 2020 (ABRvS 201907704/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, mestverwerking, m.e.r.-beoordelingsbesluit, geurrendement, aanvaardbaar geurhinderniveau (Rb Noord-Nederland 17/3596 en 18/987)
* 9 september 2020 (ABRvS 201907532/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, huisvesting arbeidsmigranten, bevoegdheid, vvgb , planregels/definities, geluid, VNG-brochure, parkeren (Rb Amsterdam 18/3224)
* 9 september 2020 (ABRvS 201907090/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, (on) zelfstandige woonruimten, strijd met bpl, woonvisie, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel (Rb Amsterdam 18/5079 en 18/5080)
* 9 september 2020 (ABRvS 201907079/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, loods, strijd met bpl (Rb Gelderland 18/4157)
* 9 september 2020 (ABRvS 201907044/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, begunstigingstermijn (Rb Midden-Nederland 19/2101)
* 9 september 2020 (ABRvS 201906544/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken kamergewijze verhuur, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel, gerechtvaardigde verwachting/honorering, schadevergoeding (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5039 en 19/1583)

* 9 september 2020 (ABRvS 201906420/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, terras, bpl, woon- en leefsituatie, APV (Rb Overijssel 19/783)
* 9 september 2020 (ABRvS 201906336/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepanelenpark, belanghebbende, vvgb, natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarde, transformator, geluid (Rb Noord-Nederland 18/3321)
* 9 september 2020 (ABRvS 201906224/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, geluid, Activiteitenbesluit, vergunningplicht, ontvankelijkheid (Rb Midden-Nederland 18/848 en 18/4936)
* 9 september 2020 (ABRvS 201905682/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning en gedoogverklaring, coffeeshop, APV, schijnconstructie, slecht levensgedrag (Rb Gelderland 18/3860)
* 9 september 2020 (ABRvS 201905540/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand, hennepteelt, bevoegdheid, onderbouwing (Rb Oost-Brabant 19/521)
* 9 september 2020 (ABRvS 201905509/1/R1): Awb, Wro; bpl, wonen, aanvullende regels, ontvankelijkheid
* 9 september 2020 (ABRvS 201905015/1/R2): Awb, Wro; bpl, wijzigingsplan, woning
* 9 september 2020 (ABRvS 201905014/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, parkeren, geluid
* 9 september 2020 (ABRvS 201904081/3/R3): Awb, Wro; bpl, woonzorgcomplex, provinciale omgevingsverordening, ladder/Bro, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 9 september 2020 (ABRvS 201903823/1/R2): Awb, Wro; bpl, recreatieboerderij, VNG-brochure, verkeer/CROW, recreatiewoningen/Behoefte/Bro, provinciale verordening
# 9 september 2020 (ABRvS 201901886/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, distributiecentrum, verkeer, onderzoeken, provinciale verordening, parkeren
* 9 september 2020 (ABRvS 201810190/2/R2): Awb, Wro; bpl, centrum, winkeliers, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 9 september 2020 (ABRvS 201808740/1/A1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, recreatiewoningen, permanente bewoning, strijd met bpl, overtreder, bewijslast (Rb Limburg 18/2108, 18/1992, 18/2109, 18/1993, 18/2110, 18/1994, 18/2111, 18/1995, 18/2112,18/1996, 18/2113 en 18/1997)
* 9 september 2020 (ABRvS 201807981/2/A2): Awb; nadeelcompensatie, Tracébesluit, deskundigen, taxaties, bevoegdheid Rb, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2104)
* 9 september 2020 (ABRvS 201804258/2/R2 en 201903742/2/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, geurverordening, woon- en leefklimaat, waterberging, NNB, overgangsrecht
* 9 september 2020 (ABRvS 201601168/5/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, Natura 2000, toename weiden vee, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
* 1 september 2020 (CBb 19/135, 19/478, 18/2966, 19/438, 19/465, 19/594, 19/361, 19/199, 19/310, 19/223, 18/660, 19/158, 19/318 en 18/2160): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, grondgebondenheid, knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP, peildatum, termijnoverschrijding, Nitraatrichtlijn, ongeoorloofde staatssteun, redelijke termijn/EVRM
* 1 september 2020 (CBb 18/1790, 18/1791, 18/1792 en 18/1793, 17/1760, 18/189, 18/193 en 19/160, 18/333, 18/273, 17/1480 en 18/1962): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, geen buitensporige last, knelgevallenregeling, redelijke termijn/EVRM
* 8 september 2020 (HR 18/04961 E): WSr, WED, Wm; ontgraven en ruimen van een oude stortplaats, asbestsanering, openbare gezondheid, concentratie asbestvezels, conclusie PG
* 8 september 2020 (ABRvS 202003885/3/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, sportterrein, parkeren, CROW/loopafstand, geluid/verkeer

* 7 september 2020 (Rb Gelderland AWB 20/4641): Awb, Opiumwet; sluiting horeca, drugs, bevoegdheid, spoedeisendheid
* 7 september 2020 (ABRvS 202003499/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, verkleining geluidzone, maatregelen/gevolgen, maatwerkvoorschrift
* 4 september 2020 (ABRvS 202003452/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, stadshart, bioscoop/horeca, behoefte
* 3 september 2020 (EH C-21/19 t/m C-23/19): Prejudiciële verwijzing, afvalstoffen, EVOA, aandeel van dierlijke bijproducten in een mengsel van deze producten met niet-gevaarlijke afvalstoffen, geen minimumdrempel
* 3 september 2020 (EH C-784/18 P): Hogere voorziening, Aarhus, verlenging van toelatingsperiode voor werkzame stof glyfosaat
* 3 september 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1560 en AWB 20/1561): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, afwijkend gebruik perceel, honden-uitlaatservice, strijd met bpl, geen vergunning van rechtswege
* 3 september 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2453): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen bomen, bouwen en afwijken bpl, zonneveld, belanghebbenden, vvgb, beleidsvisie, geluid, inpassing
* 3 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2054 en 20/2055): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand met bijbehorend erf, drugs, bevoegdheid
* 2 september 2020 (ABRvS 202002366/2/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor kappen en aanleg, golfbaan, dassenburchten, voorwaardelijke verplichtingen, Wnb
* 2 september 2020 (ABRvS 202003442/2/R1): Awb, Wm; vovo, handhaving, dwangsom, melding Bbk, depot geel zand/zwarte bovengrond
* 2 september 2020 (ABRvS 202003604/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, B&B in hooiberg, bebouwde kom (Rb Amsterdam 20/1702 en 20/1703)
* 2 september 2020 (Rb Overijssel Awb 20/1196): Awb; handhavingsverzoek, geheimhouding/beperkt kennisneming van verzoek, verdedigingsbelang/fair play, geen bijzondere omstandigheden
* 1 september 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4535): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, veranderen woongebouw, extra woonlaag, geen strijd met bpl
* 31 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5095): Awb, Ww, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, niet werkende brandmeld- en ontruimingsinstallatie, Bouwbesluit, zorgplicht
* 31 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5224): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woon- en winkelcomplex, evident privaatrechtelijke belemmering
* 28 augustus 2020 (Rb Limburg AWB 19/1321): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs, motivering
* 27 augustus 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1859): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen schuur, geen vergunning, strijd met bpl, motivering
* 25 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/108 VEROR): Awb, Gmw; aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument, verordening
* 25 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4045): Awb, Gmw; aanwijzing als gemeentelijk monument, erfgoedvisie
* 17 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3675): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, constructieve veiligheid, welstand
* 12 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/3439 en AMS 20/3440): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, geen vergunning, strijd met bpl, overtreder
* 4 augustus 2020 (Rb Limburg AWB 19/2210): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, procesbelang, bevoegdheid
* 3 augustus 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1129): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl-en, woongebouw, niet-verschoonbare termijnoverschrijding, ontvankelijkheid
* 31 juli 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3516): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen en vergroten van de kelder en de begane grond van gebouwen
* 30 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7341): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, carport, schutting, muur en toegangspoort
* 29 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4028): Awb, Wabo; intrekking bouwvergunning, bevoegdheid, belangenafweging
* 29 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7461): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, wonen naar logies/hostel, kruimelgeval, parkeren, geluid, Activiteitenbesluit, tussenuitspraak
* 28 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4024): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, gebouw KNRM en in-/uitrit boot, nieuwbouw, procedure/UOV/Bor
* 22 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6708): Awb, Wabo; handhaving, afwijking vergunning, niet tijdig beslissen, inmiddels vergunning verleend, dwangsom
* 21 juli 2020 (Rb Den Haag SGR 19/938): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bouwwerk en steiger, achtererfgebied, strijd met bpl
* 20 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4769): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, illegaal gebruik van woning, seksinrichting, geen vergunning, APV, strijd met bpl

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 9 september 2020 (ABRvS 201601168/5/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, Natura 2000, toename weiden vee, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
6.5.    Uit het voorgaande volgt dat het plan voorziet in vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van melkveehouderijen, waarvan beweiding deel uitmaakt van de bedrijfsvoering, zodat de raad in het kader van de vaststelling van het plan de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden had dienen te beoordelen. In dat kader dienen ook de gevolgen van de toename van het te beweiden vee te worden beoordeeld. Voor zover het plan op grond van natuurvergunningen bij recht voorziet in een dergelijke toename van het weiden van vee, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185, onder 5.7, maakt artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb een uitzondering op de verplichting een passende beoordeling op te stellen, maar uitsluitend in het geval het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt en voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. Het weiden van vee hoeft alleen in een daartoe aan een bestemmingsplan ten grondslag te leggen passende beoordeling te worden betrokken, voor zover het bestemmingsplan voorziet in een toename van weiden van vee ten opzichte van de referentiesituatie. Het voorliggende plan maakt een toename van het te beweiden vee mogelijk voor zover die toename is begrepen in een van bijlage 5 deel uitmakende natuurvergunning, in die zin dat een melkveehouderij beschikt over een natuurvergunning voor een stalsysteem dat het weiden van vee impliceert. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, onder 12.2, overweegt de Afdeling dat er lange tijd van uit is gegaan dat de activiteit weiden van vee niet vergunningplichtig was. Toen door de uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:316, duidelijk werd dat het weiden van vee wel vergunningplichtig kan zijn, werd het weiden van vee vervolgens uitgezonderd van de vergunningplicht. Gelet hierop is aannemelijk dat een natuurvergunning, die betrekking heeft op een uitbreiding van een melkveehouderij met een stalsysteem dat het weiden van vee impliceert, niet de toename van de activiteit weiden van vee als zodanig omvat. De gevolgen van de toename van het te beweiden vee zijn in die gevallen aldus niet in een passende beoordeling onderzocht. De Afdeling stelt vast dat de raad niet heeft onderzocht of de toename van het weiden van vee onderdeel uitmaakt van de in bijlage 5 opgenomen natuurvergunningen, en, indien dat wel het geval is, of dat in de aan die natuurvergunningen ten grondslag gelegde passende beoordelingen is betrokken. Daarmee heeft de raad niet aangetoond dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb. Gelet op het voorgaande is het plan in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld.

6.6.    Voor zover het plan voorziet in een toename van het weiden van vee op grond van de in artikel 3, lid 3.4.2, onder l, van de planregels – en gelijke regelingen in artikel 4, lid 4.4.2, onder l, en artikel 5, lid 5.4.2, onder k, van de planregels – en de in artikel 3, lid 3.7.4, onder f, van de planregels – en gelijke regels in artikel 4, lid 4.7.4, onder f, en artikel 5, lid 5.7.4, onder f, van de planregels – opgenomen mogelijkheden om af te wijken van het bestaande aantal dierplaatsen, de bestaande diersoorten en/of de bestaande stalsystemen, overweegt de Afdeling het volgende.

De Afdeling stelt vast dat een toename van het weiden van vee ten opzichte van de referentiessituatie, die de gebruikmaking van de voornoemde mogelijkheden met zich kan brengen, niet is meegenomen in de passende beoordeling die aan het plan ten grondslag is gelegd. Gelet op wat onder 6.5 is overwogen, overweegt de Afdeling dat om die reden niet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.

Gelet op het voorgaande is het plan naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld.

* 9 september 2020 (ABRvS 201804258/2/R2 en 201903742/2/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, geurverordening, woon- en leefklimaat, waterberging, NNB, overgangsrecht
7.6.    De Afdeling stelt vast dat de raad in een gebiedsvisie en de bijbehorende geurverordening heeft vastgelegd wanneer er voor wat betreft voorgrond- en achtergrondbelasting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is gewezen op de relatie tussen voorgrond- en achtergrondbelasting, in die zin dat met geurnormen voor de voorgrondbelasting de achtergrondbelasting kan worden aangestuurd en beheerst met oog op het woon- en leefklimaat. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gebiedsvisie en bijbehorende geurverordening in redelijkheid niet als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat als gevolg van de woningsplitsing in het kader van de vaststelling van het plan. Dat er volgens [appellant sub 1] in de gebiedsvisie geen beleid is opgenomen over het terugdringen van geurhinder in bestaande situaties waar de 10 ouE/m3 al wordt overschreden, laat onverlet dat de voorgrondbelasting volgens de gebiedsvisie niet meer dan 10 ouE/m3 mag bedragen om te kunnen voldoen aan het maximale hinderpercentage van 20%. Weliswaar wordt dat maximale hinderpercentage voor de achtergrondbelasting niet overschreden, maar de in de geurverordening vastgelegde norm voor de voorgrondbelasting en bijbehorend maximaal hinderpercentage van 20% wordt wel overschreden. Daarom heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er géén sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is in aanmerking genomen dat er, zoals beschreven in de gebiedsvisie, een samenhang is tussen de achtergrond- en voorgrondbelasting. Het betoog slaagt niet.

* 9 september 2020 (ABRvS 201807981/2/A2): Awb; nadeelcompensatie, Tracébesluit, deskundigen, taxaties, bevoegdheid Rb, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2104)
10.    De Afdeling herhaalt het ook in overweging 9 van de tussenuitspraak neergelegde uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel op het advies van een deskundige mag afgaan. Daarbij geldt dat het bestuursorgaan moet zijn nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

Bij de waardering van onroerende zaken geldt verder specifiek dat niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol spelen. De bestuursrechter beoordeelt daarom slechts of het bestuursorgaan de taxatie in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder moet de besluitvorming voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en moet de rechter toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1535.

* 9 september 2020 (ABRvS 201906224/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, geluid, Activiteitenbesluit, vergunningplicht, ontvankelijkheid (Rb Midden-Nederland 18/848 en 18/4936)
10.2.    De te beantwoorden vraag is of een inrichting waar een  knalapparaat aanwezig is met uitsluitend als doel vogels weg te jagen vergunningplichtig is. Bepalend hierbij is of zo een knalapparaat een installatie is, als bedoeld in artikel 2.7, aanhef en onder s, van bijlage I van het Bor. De Afdeling stelt vast dit knalapparaat tot doel heeft om vogels te verjagen door middel van geluid. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat de regelgever met een installatie als bedoeld in artikel 2.7, aanhef en onder s, mede het oog heeft gehad op apparaten waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht met uitsluitend het doel geluid te produceren teneinde vogels te verjagen. Dit betekent dat het knalapparaat niet is aan te merken als een installatie in de zin van artikel 2.7, aanhef en onder s, van bijlage I van het Bor en dat daarom de aanwezigheid van dit knalapparaat in de inrichting deze niet tot een vergunningplichtige inrichting maakt.

Het betoog slaagt niet.

* 8 september 2020 (HR 18/04961 E): WSr, WED, Wm; ontgraven en ruimen van een oude stortplaats, asbestsanering, openbare gezondheid, concentratie asbestvezels, conclusie PG
Cassatiemiddel berust o.m. op de opvatting dat gelet op de “wettelijke systematiek m.b.t. grenswaarden” alleen sprake is van te duchten gevaar voor de openbare gezondheid, a.b.i. in art. 173b.1 Sr, indien kan worden vastgesteld dat de concentratie van asbestvezels in de lucht ten minste 10.000 asbestvezels per m2 is geweest. Die opvatting vindt, mede gelet op de tekst van art. 173b.1 Sr en de wetsgeschiedenis, geen steun in het recht. Dat de genoemde waarde een – uit andere regelgeving afkomstige – ‘wettelijke norm’ betreft, doet daaraan niet af. Zoals ook uit de wetsgeschiedenis naar voren komt, kan voornoemd gevaar immers ook ‘te duchten’ zijn geweest in gevallen waarin niet of nog niet kon worden vastgesteld dat het gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, maar waarin wel een reële kans bestond op die verwezenlijking. Het oordeel van het hof dat hiervan sprake was, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – gelet op wat het hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld over i.h.b. de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd, de duur daarvan, het gevaar van cumulatie van asbestvezels in de longen door inademing daarvan, en de gemeten asbestgehaltes – toereikend gemotiveerd. HR merkt op dat evenmin steun in het recht vindt de opvatting dat de enkele omstandigheid dat bovengenoemde grenswaarde niet zou zijn overschreden, met zich zou brengen dat geen sprake kan zijn van wederrechtelijk handelen zoals bewezenverklaard.

* 8 september 2020 (ABRvS 202003885/3/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, sportterrein, parkeren, CROW/loopafstand, geluid/verkeer
5.2.    In de plantoelichting staat dat volgens de richtlijnen van CROW een loopafstand van minder dan 100 m naar de functie “ontspanning” aanvaardbaar is. Een afstand van meer dan 600 m is voor deze functie niet aanvaardbaar. De aanvaardbaarheid van afstanden tussen de 100 m en 600 m is afhankelijk van veel factoren, waaronder de verwachte kans op een parkeerplek, de parkeerduur, het motief voor het bezoek en de route.
5.3.    Niet in geschil is dat op het parkeerterrein van het sportpark voldoende parkeerplaatsen zijn en dat de 20 parkeerplaatsen in de nabijheid van de ijsbaan uitsluitend tot doel hebben de gebruikers van de ijsbaan in staat te stellen om nabij deze faciliteit te parkeren.

De aanbevelingen uit de door CROW uitgegeven publicaties over verkeer en parkeren worden in de praktijk veelvuldig gehanteerd en berusten, anders dan [verzoeker] en anderen hebben gesteld op (wetenschappelijk) onderzoek. De enkele stelling dat de raad in het verleden deze aanbevelingen niet heeft gehanteerd betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de raad zich thans hierop niet mag baseren bij het inrichten en vaststellen van het bestemmingsplan. [verzoeker] en anderen hebben niet nader toegelicht waarom de gehanteerde CROW-aanbevelingen inhoudelijk ondeugdelijk zouden zijn.

In wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen uitgaan van de aanbevelingen van CROW-publicatie 381 over de aanvaardbaarheid van loopafstanden. Het betoog slaagt niet.

* 3 september 2020 (EH C-21/19 t/m C-23/19): Prejudiciële verwijzing, afvalstoffen, EVOA, aandeel van dierlijke bijproducten in een mengsel van deze producten met niet-gevaarlijke afvalstoffen, geen minimumdrempel
63      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 3, onder d), van verordening nr. 1013/2006 (EVOA) aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op de overbrenging van een mengsel van dierlijke bijproducten van categorie 3 in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1069/2009 met materiaal dat is aangemerkt als niet-gevaarlijke afvalstof in de zin van verordening nr. 1013/2006. Het aandeel van de dierlijke bijproducten in dat mengsel is hierbij niet relevant.

* 2 september 2020 (Rb Overijssel Awb 20/1196): Awb; handhavingsverzoek, geheimhouding/beperkt kennisneming van verzoek, verdedigingsbelang/fair play, geen bijzondere omstandigheden
2.1.  Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de rechtbank of de beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het (hoger) beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020 onder 7, ECLI:NL:RVS:2020:1367.

Omdat de inwilliging van een verzoek om beperkte kennisneming een beperking oplevert van het recht op gelijke proceskansen, stelt de Afdeling aan de motivering van een dergelijk verzoek hoge eisen. De verzoeker moet motiveren vanwege welke belangen of waarom anderszins sprake is van gewichtige redenen (uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS: 2019:1385). Verder moet de verzoeker duidelijk maken waarom volgens hem het belang bij beperkte kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat de andere partij(en) van het stuk kennisnemen.

2.2.  Verweerder heeft enkel aangegeven dat de indiener van het handhavingsverzoek om anonimisering heeft verzocht. Verweerder heeft niet onderbouwd op grond waarvan openbaarmaking van de naam, het adres en de woonplaats van degene die om handhaving heeft verzocht, tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer hem zou leiden. De rechtbank is daarom van mening dat de verwijzing van verweerder naar de genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 niet slaagt nu geen sprake is van gelijke feiten en omstandigheden.

2.3.  Ook de verwijzing van verweerder naar een uitspraak van de rechtbank van 23 april 2019 slaagt niet nu het hier een procedure betrof in het kader van de Wob en ging over een klacht en niet over een verzoek tot handhaving.

2.4.  De rechtbank ziet in het algemeen geen reden voor geheimhouding van de naam, adres en de woonplaats van degene die een verzoek om handhaving indient. Geheimhouding hiervan zou immers in strijd komen met het bij eisers aanwezige verdedigingsbelang en het beginsel van fair-play. Dit zou alleen anders zijn indien er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die toch zouden nopen tot geheimhouding van de genoemde gegevens. Hiervan is de rechtbank in de onderhavige situatie niet dan wel onvoldoende gebleken.

Op grond hiervan is beperkte kennisneming van het ingediende handhavingsverzoek dan ook niet gerechtvaardigd te achten.

* 31 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/5224): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woon- en winkelcomplex, evident privaatrechtelijke belemmering
2.5  Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering omdat het bouwplan deels betrekking heeft op gronden die eigendom zijn van [derde partij 1] en [naam 1] (de percelen) en zij (vooralsnog) niet bereid zijn mee te werken aan een overdracht van hun eigendom een eiseres. De stellingen van eiseres bieden geen grond voor een ander oordeel. De vraag of sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden, zoals die van toepassing waren op het moment dat de bestreden besluiten genomen werden (ex tunc). Door eiseres is slechts gesteld dat partijen ten tijde van de bestreden besluiten (november 2019) in gesprek waren. Daaruit blijkt niet dat [derde partij 1] en [naam 1] ten tijde van de bestreden besluiten in het realiseren van het bouwplan moesten berusten of daartoe bereid waren. De stelling van eiseres dat er nu (medio 2020) zicht is op een algehele overeenstemming over een verkoop, maakt dat niet anders. Deze stelling heeft geen betrekking op de situatie ten tijde van de bestreden besluiten. Daarbij komt dat eiseres haar stelling niet heeft onderbouwd. Dit terwijl zowel verweerder, als [derde partij 1] uitdrukkelijk hebben aangevoerd dat [derde partij 1] en [naam 1] de percelen voor eigen doeleinden willen gebruiken, en weersproken hebben dat sprake is van (zicht op) een (onvoorwaardelijke) overeenstemming over een verkoop. De omgevingsvergunning is dan ook terecht geweigerd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van het verlenen van een omgevingsvergunning onder de door eiseres gestelde opschortende voorwaarde, geen sprake kan zijn. Een dergelijke voorwaarde is geen voorwaarde in de zin van artikel 2.22 van de Wabo. De beroepsgrond slaagt niet.

3.  Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van [derde partij 1] dat de aanvraag van eiseres voor de omgevingsvergunning buiten behandeling gelaten had moeten worden, als volgt. [derde partij 1] heeft aan haar stelling ten grondslag gelegd dat het bouwplan van eiseres niet gerealiseerd kan worden omdat het bouwplan deels betrekking heeft op de gronden van [derde partij 1] en [naam 1] . De aanvraag van eiseres kan daarom niet als een aanvraag van een belanghebbende beschouwd kan worden. De rechtbank is van oordeel dat het leerstuk uit de jurisprudentie van de Afdeling waar deze stelling van [derde partij 1] betrekking op heeft, in deze niet van toepassing is. Dat leerstuk is (met name) van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, maar niet op een aanvraag op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.