Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 16 september 2020 (ABRvS 202000586/1/R4 en 202000589/1/R4): Awb, Wm; handhaving, lasten onder dwangsom, voldoen aan recyclingsnorm, Bbv, glas, contracten
* 16 september 2020 (ABRvS 201909163/1/A3): Awb, Nbw; opdracht doden edelherten, beperking omvang/draagkracht gebied, noodzaakscriterium, beheerplan, alternatieven (Rb Midden-Nederland 19/1544 en 19/1619)
* 16 september 2020 (ABRvS 201908797/1/A3): Awb, Gmw; bestuursdwang, aanlijnen en muilkorven hond, bijtincidenten, APV (Rb Gelderland 19/995)
* 16 september 2020 (ABRvS 201908721/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning/recreatiebedrijf, helikopterhaven, VNG-brochure, geluid
* 16 september 2020 (ABRvS 201908711/1/R1): Awb, Wgh; HGW, woningen, wegverkeerslawaai, cumulatie met spoorweglawaai
* 16 september 2020 (ABRvS 201908700/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, tuinmuur met deur, welstandsadvies (Rb Midden-Nederland 18/2766)
* 16 september 2020 (ABRvS 201908681/1/R1): Awb, Wro; bpl, winkelbestemming, luchtkwaliteit, functiewijziging
* 16 september 2020 (ABRvS 201908677/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijf, woning, VNG-brochure
* 16 september 2020 (ABRvS 201908537/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 16 september 2020 (ABRvS 201908358/1/R1): Awb, Wro, Wabo, Wnb; rijksinpassingsplan, omgevingsvergunningen en ontheffing, windpark, belanghebbenden, structuurvisie, omgevingsverordening/participatie, saneren zweefvliegveld, (laagfrequent) geluid, rekenmodel, cumulatie, slagschaduw, natuur, landschap, zelf in de zaak voorzien
* 16 september 2020 (ABRvS 201905654/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleguitrit, parkeerplaatsen, APV (Rb Noord-Holland 18/5505
* 16 september 2020 (ABRvS 201905096/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, wonen in aanbouw van voormalige atelier, bevoegdheid rechter, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/5775)
* 16 september 2020 (ABRvS 201903940/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, parkeren, laad- en losplaats
* 16 september 2020 (ABRvS 201903453/5/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, beeldkwaliteitsplan, natuur, landschappelijke inpassing, voorwaardelijke verplichting, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 september 2020 (ABRvS 201900888/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en veranderen van rijksmonument, verbouwen watertoren, parkeren/beleid, planregels (Rb Rotterdam 17/4847 en 17/5014)
* 16 september 2020 (ABRvS 201803820/2/R3): Awb, Wro; bpl, oppervlakte gebouwen, evenementen, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 15 september 2020 (CBb 19/230, 18/2766, 18/2862, 18/2892, 19/189, 19/48, 19/365 en 18/1005): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, grondgebondenheid, knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP, peildatum, hoorplicht
* 15 september 2020 (CBb 17/1702 en 17/1738 en 17/1677): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, dierziekten, voorzienbaarheid, geen buitensporige last, knelgevallenregeling
* 11 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2273): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, beheer vogels en dieren rond vliegveld, faunabeheerplan
* 11 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1350): Awb, Gmw; vovo, intrekking exploitatievergunning, horeca, slecht levensgedrag, APV, bevoegdheid
* 10 september 2020 (ABRvS 202004478/1/R4): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, groenrecycling, gebruik juiste benaming en Euralcodes bij acceptatie van de afvalstoffen, aanpassing registratiesysteem, begunstigingstermijn
* 10 september 2020 (Rb Gelderland AWB 20/4236 en 20/4241): Awb, Wabo; vovo, verzoek om handhaving/omgevingsvergunning voor plaatsen obstakels en tenten, lasergamen, geen sport, strijd met bpl
* 10 september 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1609): Awb, DHW, Gmw; vovo, intrekking DHW- eb exploitatievergunning, horeca, Wet Bibob
* 10 september 2020 (Conclusie AG EH C‑473/19 en C‑474/19):  prejudiciële beslissing, Vogelrichtlijn, verboden ter instandhouding van de beschermde soorten, houtkap, staat van instandhouding van de soorten, opzet
* 9 september 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/4360): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij in schuur
* 9 september 2020 (ABRvS 202001659/1/R2 en /2/R2): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, staken strijdig gebruik bedrijfswoning/-gebouw, mantelzorg/Bor, geen bijzondere omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 19/6399 en 19/5132)
* 9 september 2020 (ABRvS 202002459/2/R2): Awb, Wro; vovo, wijzigingsplan, woningen, behoefte, parkeren, waardevolle bomen, gewijzigd inzicht
* 9 september 2020 (EH C‑254/19): prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn, vervallen tijdelijke vergunning, passende beoordeling, verlengingstermijn, oorspronkelijk besluit gebaseerd op nationale regeling die Habitatrichtlijn niet naar behoren heeft omgezet
* 9 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4214): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, uitbreiding pannenkoekenrestaurant naar eerste verdieping van pand, strijd met bpl, beleidsnota
* 8 september 2020 (Hof Den Bosch 200.238.086/01): BW; vervolg op tussenarrest, onrechtmatig handelen waterschap, wateroverlast, schadevergoeding, profiel van watergangen, baggerbeheer, Waterschapswet, waterstaatkundige verzorging van gebied, zorgplicht/Waterwet, provinciaal waterplan, Cultuurtechnisch Vademecum, overstromingsnorm, modellen, calamiteitenorganisatie, maaikalender/onderhoud
* 8 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4432): Awb, Gmw; vovo, sluiting horeca, schietincident, APV, openbare orde, bevoegdheid
* 2 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2177): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 28 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5255): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken uitweg, APV, belanghebbende
* 14 augustus 2020 (Rb Limburg AWB 19/2779): Awb, Gmw; exploitatievergunning, broodjeszaak, Wet Bibob

* 5 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 19/542): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, seksinrichting, geen vergunning, overtreder
* 3 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 19/2546): Awb; handhaving, afsluiting weg met poort, APV, begrip weg, overtreding
* 27 juli 2020 (Rb Limburg AWB 20/1729): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, woning/damwand en uitrit, beheersverordening/verbindendheid, eerder bpl liet woning niet toe
* 20 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1885, UTR 20/1149, UTR 20/1988 en UTR 20/1111): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, appartementen in voormalig kantoorpand, parkeren/CROW
* 16 juni 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/2205): Awb; vovo, bouwstop, geen spoedeisend belang
* 7 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4586): Awb, Nbw; ontheffing, windpark, vleermuizen/ORNIS-criterium, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 18 december 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3909 en UTR 19/5121): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, aanpassen woning, relatie bpl-en
* 5 augustus 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4905): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, dakopbouw met terras voor rokers, strijd met goede r.o.

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 16 september 2020 (ABRvS 201908721/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning/recreatiebedrijf, helikopterhaven, VNG-brochure, geluid
3.2.    De aanbevolen richtafstand voor een helikopterhaven als waarvan hier sprake is, bedraagt volgens de VNG-brochure 500 m voor geluid en 50 m voor gevaar. Ten aanzien van gevaar wordt aan de richtafstand voldaan. Anders dan [appellante] heeft gesteld, is daarom in zoverre van een verlaging van de richtafstand geen sprake. Verder heeft de raad de omgeving, gezien de aanwezige bedrijven, terecht aangemerkt als gemengd gebied, zodat de richtafstand volgens de normen van de VNG-brochure met één stap tot 30 m verlaagd mocht worden.

Zoals in de VNG-brochure is aangegeven kan de raad gemotiveerd afwijken van de gehanteerde richtafstanden. In dit geval bedraagt de feitelijke afstand ongeveer 100 m. De raad heeft het afwijken van de richtafstand gemotiveerd aan de hand van het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de procedure tot vaststelling van een luchthavenregeling voor de helikopterhaven van [appellante], waarbij uit het onderzoek blijkt dat het plangebied buiten de geluidscontour van de helikopterhaven valt. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het voldoen aan de geluidscontournorm uit de Wet luchtvaart, op zichzelf, aantoont dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, volgt de Afdeling dit standpunt niet. Uit het enkele feit dat de geluidbelasting ten gevolge van de helikoperhaven ter plaatse van de recreatiewoningen minder is dan 56 dB(A)Lden, volgt niet zonder meer dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Uit de plantoelichting noch uit de nadere toelichting ter zitting blijkt dat de raad akoestisch onderzoek heeft verricht naar de hoogte van de geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai anders dan die ten gevolge van de helikopterhaven. Voor zover de raad zich in dit kader op het standpunt stelt dat geen nader onderzoek hoefde te worden verricht naar ander industrielawaai, volgt de Afdeling dit standpunt niet. De raad heeft, zo volgt uit de plantoelichting en het verweerschrift, het aspect geluid beoordeeld volgens de aanbevelingen van de VNG-brochure. Uit deze brochure volgt dat ook verblijfsrecreatie als een milieugevoelige functie wordt aangemerkt. Ook blijkt niet uit de plantoelichting dat de raad onderzoek heeft verricht naar de cumulatie van geluidbronnen dan wel gemotiveerd heeft dat geen sprake is van cumulatie van geluidbronnen. Daarom heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet toereikend gemotiveerd waarom in dit geval de afstand tussen de bij het plan voorziene verblijfsrecreatie en de omliggende bedrijven voldoende is om geluidhinder bij die verblijfsrecreatie tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Het betoog slaagt.

* 16 september 2020 (ABRvS 201908681/1/R1): Awb, Wro; bpl, winkelbestemming, luchtkwaliteit, functiewijziging
* 16 september 2020 (
ABRvS 201908711/1/R1): Awb, Wgh; HGW, woningen, wegverkeerslawaai, cumulatie met spoorweglawaai
11.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid functiewijziging naar wonen mogelijk heeft kunnen maken in het plan. Over de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat in de Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) geen regels zijn opgenomen over de aanvaardbaarheid van nieuwe woningen nabij drukke gemeentelijke wegen in het licht van de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse. Dat neemt niet weg dat de raad op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening moet beoordelen of nieuwe woningen nabij drukke gemeentelijke wegen aanvaardbaar zijn gezien de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling in de Wet milieubeheer over luchtkwaliteit (Kamerstukken II 2005/6, nr. 3, blz. 17) volgt dat de Wet milieubeheer en het Besluit gevoelige bestemmingen een bestuursorgaan niet ontheffen van de verplichting op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening om te beoordelen of blootstelling aan luchtverontreiniging aanvaardbaar is. Ook als een project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging, kan het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toch onaanvaardbaar zijn om dat project te realiseren op een bepaalde locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 12 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4099. De raad heeft in redelijkheid ervan uit kunnen gaan dat nieuwe woningen nabij drukke wegen in het plangebied aanvaardbaar zijn gezien de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse. De wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie voor NO2 is in dit geval niet van toepassing, maar de raad heeft deze grenswaarde in redelijkheid als uitgangspunt kunnen gebruiken bij zijn beoordeling. Uit de monitoringgegevens van het NSL voor het jaar 2018 blijk dat in dat jaar in het plangebied niet of nauwelijks deze grenswaarde is overschreden. De hoogste jaargemiddelde concentraties voor NO2 die op rekenpunten in het plangebied zijn berekend, zijn concentraties van 38,5-40,5 microgram per m3. Volgens de metingen van de GGD Amsterdam is de grenswaarde voor NO2 in 2019 wel overschreden op twee meetpunten in het plangebied. Afgezien van de vraag of deze metingen aan de Europese eisen voldoen, heeft de raad in redelijkheid ervan uit kunnen gaan dat dit geen grote overschrijdingen zijn. Op de twee meetpunten zijn jaargemiddelde concentraties van 40-45 microgram per m3 gemeten. Bovendien is de verwachting van het RIVM dat in 2020 de grenswaarden voor de luchtkwaliteit in het plangebied niet zullen worden overschreden. Gezien deze gegevens zal de Afdeling in het midden laten of het luchtkwaliteitsonderzoek dat voor het plan is verricht een goed beeld geeft van de luchtkwaliteit in het plangebied.

Over de geluidhinder overweegt de Afdeling dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport “Bestemmingsplan Groot Waterloo in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid” van 25 oktober 2017 van DPA Cauberg-Huygen. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat bij een aantal nieuwe woningen de maximale ontheffingswaarde in de Wgh niet wordt overschreden. Het college van burgemeesters en wethouders heeft voor die woningen hogere waarden vastgesteld. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:2211, heeft de Afdeling het beroep van Wijkcentrum d’Oude Stadt en de Bewonersraad tegen dat besluit hogere waarden ongegrond verklaard. Dat betekent dat het plan voor die woningen voldoet aan de Wgh. In het akoestisch onderzoek is ook geconcludeerd dat bij een aantal nieuwe woningen de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Voor die woningen is in de planregels een dove gevel, vliesgevel of een gebouwgebonden geluidscherm verplicht gesteld. Daarmee wordt voldaan aan de Wgh. De grenswaarden voor de geluidbelasting in de Wgh gelden voor gevels van geluidgevoelige functies. Bouwkundige constructies zoals een dove gevel, vliesgevel of een gebouwgebonden geluidscherm worden op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wgh niet als gevel aangemerkt.

Het betoog slaagt niet.

* 16 september 2020 (ABRvS 201909163/1/A3): Awb, Nbw; opdracht doden edelherten, beperking omvang/draagkracht gebied, noodzaakscriterium, beheerplan, alternatieven (Rb Midden-Nederland 19/1544 en 19/1619)
6.1.    In het besluit op bezwaar is gemotiveerd dat op grond van de beschikbare oppervlakte, de begrazingsdruk, de voedselbeschikbaarheid en de aanwezigheid van edelherten, konikpaarden en heckrunderen de belasting van het gebied het toelaat dat een populatie van 500 edelherten in het gebied overblijft. Een te grote begrazingsdruk leidt tot overschrijding van de maximale draagkracht en dus tot schade. Met dit aantal is een grote variatie aan vegetaties in het gebied mogelijk en is er meer dan voldoende voedsel per grote grazer en is er ruimte voor behoud en ontwikkeling van verschillende vegetatietypen en -structuren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de maximale draagkracht niet zelfstandig aan de opdracht ten grondslag is gelegd en derhalve onvoldoende gemotiveerd is.

Het betoog van GS slaagt.
8.2.    De Afdeling is, anders dan de rechtbank, niet van oordeel dat het rapport van de commissie Van Geel enkel omdat dat een beleidsstuk zou zijn, niet ten grondslag gelegd kan worden aan de opdracht en de daarin opgenomen doelstand van de populatie edelherten. Doorslaggevend is niet de aard van het rapport, maar of daarin voldoende is onderbouwd of aan de vereisten van de Wnb is voldaan. Daarbij zijn uiteraard beoordelingskaders van belang die een ecologische beoordeling vergen. Die beoordeling is aan de hand van bestaande ecologische rapporten en raadpleging van deskundigen in het rapport van de commissie Van Geel gemaakt.

De doelstand van de populatie edelherten van 490 is bepaald aan de hand van de oppervlakte grasland die na voorgestelde maatregelen in het rapport van de commissie Van Geel resteert en een begrazingsdruk van 1,4 dier per hectare. De verkleining naar een oppervlakte grasland van 1080 ha staat in het rapport van de commissie Van Geel, dat als beleidskader is vastgesteld door Provinciale Staten en vervolgens overgenomen in het beheerplan. Daarnaast is het in het convenant met Staatsbosbeheer opgenomen. De verkleining is dus in het geldende beleid vastgelegd en er zijn concrete afspraken gemaakt over de realisatie. Bij het verstrekken van de opdracht is dan ook terecht de uit dit beleid voortvloeiende beschikbare oppervlakte van 1080 ha als uitgangspunt genomen voor de berekening van de doelstand. De opdracht strekt tot het verminderen van het aantal dieren en richt zich niet op een verkleining van de oppervlakte. Een ecologische onderbouwing van de noodzaak van die verkleining hoeft dan ook niet in de motivering van de opdracht te worden gegeven. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat dit wel nodig was.

De minister heeft in zijn besluit, onder verwijzing naar het rapport van de commissie Van Geel en de daarin geschetste situatie in de jaren negentig, onderbouwd dat een begrazingsdruk van 1,4 ha leidt tot een situatie waarin voldoende voedsel aanwezig is voor de grote grazers en een sterftecijfer optreedt dat vergelijkbaar is met andere natuurgebieden. Daarmee is de doelstand voldoende gemotiveerd. Dat heeft de rechtbank niet onderkend.

De betogen van GS en Staatsbosbeheer slagen.

* 10 september 2020 (Rb Gelderland AWB 20/4236 en 20/4241): Awb, Wabo; vovo, verzoek om handhaving/omgevingsvergunning voor plaatsen obstakels en tenten, lasergamen, geen sport, strijd met bpl
6 Tussen partijen is verder in geschil de vraag of lasergamen kan worden aangemerkt als ‘sport’ in de zin van het bestemmingsplan. Immers, alleen als lasergamen kwalificeert als sport in de zin van het bestemmingsplan is het gebruik van het perceel voor lasergamen op grond van het bestemmingsplan toegestaan.

6.1 Het begrip ‘sport’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd. De voorzieningenrechter zoekt voor de uitleg van dit begrip daarom aansluiting bij de betekenis in het normaal spraakgebruik. In het “Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal” wordt onder ‘sport’ verstaan:

“geheel van activiteiten die erop gericht zijn om de fysieke en/of mentale prestaties d.m.v. training en wedstrijden te verbeteren, zoals roeien, fietsen, zwemmen, schaatsenrijden, worstelen, voetballen enz.”

6.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat – zeker in de vorm waar het lasergamen nu wordt georganiseerd, waarbij niet aan vaste groepen trainingen worden gegeven en geen wedstrijden worden gespeeld tegen andere lasergame-clubs/-teams, het lasergamen niet kan worden aangemerkt als ‘sport’ zoals toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Het huidige gebruik door enkele groepen per maand is onvoldoende om van ‘sport’ te kunnen spreken. Het gebruik ten behoeve van lasergamen is daarom in de huidige vorm in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Voor zover verweerder heeft betoogd dat lasergamen kwalificeert als outdoorsport als bedoeld in het bestemmingsplan en dat outdoorsport binnen de bestemming ‘sport’ is toegestaan, overweegt de voorzieningenrechter dat de bestemming ‘sport’ blijkens artikel 16.1 van de planregels niet tevens ‘outdoorsport’ omvat. In lijn met de rechtspraak van de Afdeling van de Raad van State (de Afdeling) moeten de planregels in het kader van rechtszekerheid zoveel mogelijk letterlijk worden uitgelegd. Onder de bestemming ‘sport’ kan in dit geval alleen ‘outdoorsport’ worden begrepen als het bestemmingsplan dit uitdrukkelijk zo bepaalt en dat is niet het geval. Ook in dit opzicht is lasergamen daarom in strijd met het geldende bestemmingsplan.

* 5 augustus 2020 (Rb Limburg ROE 19/542): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, seksinrichting, geen vergunning, overtreder
4.1.  Verweerder beschouwt eiser als exploitant van de seksinrichting, omdat (de vrouw heeft verklaard dat) hij wist van de thuisprostitutie, die voor hem ook waarneembaar was en hij deze bovendien had kunnen beëindigen.

4.2.  Eiser betwist die kwalificatie, omdat (i) hij van niks wist, (ii) de vrouw er pas anderhalve week zat, (iii) zij blijkbaar klanten ontving wanneer hij aan het werk was en (vi) er niks te zien of te horen viel.

4.3.  De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser geldt als exploitant van de seksinrichting en dus als pleger van de overtreding (artikel 3:33, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2012 en artikel 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht). Die pleger is de persoon die de seksinrichting feitelijk exploiteert of daar door toerekening voor verantwoordelijk is.1 Verweerder beschouwt eiser als pleger op deze tweede grond.

4.4.  De verklaring van de vrouw is beknopt geparafraseerd in een mutatierapport. Haar letterlijke bewoordingen zijn niet geverbaliseerd. Deze keuze laat nog meer ruimte voor interpretatie dan anders het geval zou zijn. De verklaring dat eiser ‘haar helpt’ staat tussen de mededeling dat zij op dat moment tien dagen bij eiser verblijft en de mededeling dat zij op zoek is naar woonruimte. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom eisers hulp dan specifiek de exploitatie van een seksinrichting zou betreffen. De verklaring dat eiser ‘wist van haar activiteiten’ lijkt op het eerste oog weliswaar meer belastend, maar de rechtbank acht die toch te onbepaald om eiser als exploitant te kwalificeren. Het blijft immers onzeker wat die wetenschap volgens haar inhoudt (wist hij alleen dat zij sekswerk deed of ook dat dit in zijn woning plaatsvond?) en waarop de vrouw haar verklaring baseert (heeft zij dit hem verteld of neemt zij dat slechts aan?). Verder heeft zij niks verklaard waaruit eisers verantwoordelijkheid blijkt.

4.5.  Daarnaast berust verweerders toerekening nog op de vermeende waarneembaarheid van de overtreding. Uit de rechtspraak blijkt dat een verhuurder verantwoordelijk is voor onrechtmatig gebruik van de ruimte die hij verhuurt, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet wist en niet kon weten van dat gebruik.2 Een verhuurder moet zich hierbij tot op zekere hoogte informeren over dat gebruik.3 De rechtbank acht in dit kader de volgende omstandigheden van belang: (i) de vrouw was geen huurder maar een logé, (ii) zij gebruikte de kamer pas tien dagen, (iii) niet is gebleken hoe eiser met haar in contact is gekomen en (iv) niet is gebleken dat de overtreding waarneembaar was. Onder deze omstandigheden heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser toch door toerekening geldt als pleger van de overtreding.

4.6.  Het feit dat eiser als huurder en bewoner de overtreding kon beëindigen, maakt hem tot slot zelf nog geen overtreder. Die feitelijke mogelijkheid zou namelijk pas van belang zijn bij de eventuele vervolgvraag of verweerder hem een last kan opleggen.

* 27 juli 2020 (Rb Limburg AWB 20/1729): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, woning/damwand en uitrit, beheersverordening/verbindendheid, eerder bpl liet woning niet toe
11.2.  De beheersverordening is geregeld in artikel 3.38 en verder van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Dit is een hogere wet zoals hiervoor bedoeld. Uit artikel 3.38, eerste lid, van de Wro volgt dat een beheersverordening kan worden vastgesteld voor delen van het gemeentelijke grondgebied (gebieden binnen de gemeente) waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II, 2005-2006, 28 916, nr. 26, p. 4) is het instrument van de beheersverordening bedoeld om voor gebieden met een lage ruimtelijke dynamiek te kunnen voorziening in een passende planologische bescherming. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling betekent dit niet dat er geen enkele ontwikkeling in een dergelijk gebied mag plaatsvinden, maar dat ten opzichte van het bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening in beperkte mate ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan die ook reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2972).

Het beheer van het in de beheersverordening begrepen gebied wordt ingevolge artikel 3,38, eerste lid, van de Wro overeenkomstig het bestaande gebruik geregeld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit betekent dat de beheersverordening het feitelijk bestaande gebruik kan toestaan en het planologisch bestaande gebruik. Dit laatste is het gebruik dat was toegestaan ingevolge het voorgaande planologische regime c.q. het voorgaande bestemmingsplan (Kamerstukken II 2006-2007, 30 938, nr. 7, p. 10 e.v.). Dit is bevestigd door de Afdeling in bijvoorbeeld de uitspraken van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2467) en 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:741). Het gaat hierbij om gebruik in ruime zin, dat dus ook ziet op bouwen zoals hier aan de orde.
11.4.  De voorzieningenrechter acht op basis van de stukken en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, ondanks de terughoudendheid die betracht moet worden bij exceptieve toetsing, zwaarwegende aanwijzingen aanwezig voor het voorlopige oordeel dat de beheersverordening in strijd is met het bepaalde in 3.38, eerste lid, van de Wro. Dat betekent dat het bestreden besluit niet op de beheersverordening had kunnen worden gebaseerd omdat de beheersverordening, nogmaals naar voorlopig oordeel, onverbindend moet worden geacht. Dat betekent eveneens dat de buitenplanse afwijking voor delen van het bouwplan op onjuiste grondslag is gebaseerd, omdat de kruimelgevallenregeling daarvoor dan ontoereikend is.

De voorzieningenrechter baseert dit voorlopige oordeel op de volgende overwegingen ……………………………………………………..
11.6.  De voorzieningenrechter concludeert uit het voorgaande dat het bestemmingsplan de bouw van een woning op het perceel niet mogelijk maakte. Nu de beheersverordening wel de bouw van een woning mogelijk maakt, biedt de beheersverordening daarmee ruimere mogelijkheden dan het voorgaande bestemmingsplan en dus ruimere mogelijkheden dan het (planologisch) bestaande gebruik. De bouw van een woning die ter plaatse niet aanwezig was en planologisch niet was toegestaan, kan niet geacht worden een zodanig beperkte verruiming te zijn dat dit nog als bestaand gebruik kan worden aangemerkt. Nu volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling alleen (in beperkte mate) ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan die ook reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan en nu de beheersverordening ruimere mogelijkheden kent dan het bestaande gebruik, is de beheersverordening naar voorlopig oordeel in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro. Dat betekent dat er gerede twijfel is dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. De grondslag daarvoor valt immers weg en het bestreden kan ook niet worden gebaseerd op het bestemmingsplan.

Annotaties

STAB verzorgt de jurisprudentie voor OGR updates

Berthy van den Broek schreef een noot bij de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:529) over een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade vanwege een uit te werken woonbestemming in het bestemmingsplan “Spoorhaven, eerste fase” van de gemeente Roosendaal. Zij gaat in op de schade door de wegbestemde bedrijfsbestemming en het bouwverbod en op de vraag of sprake is van passieve risicoaanvaarding. Zie OGR Updates