Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 23 september 2020 (ABRvS 202000481/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, verhoging erfafscheiding, zijwand/overkapping, Bor/bebouwingsopp. Achtererf, bevoegdheid (Rb Midden-Nederland 19/2272)
* 23 september 2020 (ABRvS 201909124/1/A3): Awb, Gmw; melding uitrit, APV, stilzwijgende goedkeuring/besluit (Rb Gelderland 19/1187)
* 23 september 2020 (ABRvS 201908388/1/A3): Awb, Arbowet; stellen eis op grond van Brzo, explosieveiligheid, LEL-detectoren, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 19/983)
* 23 september 2020 (ABRvS 201908266/1/A3): Awb, Gmw; sluiting bedrijfspand, criminele activiteiten, APV, openbare orde, bevoegdheid (Rb Midden-Nederland 19/3167 en 19/3168)
* 23 september 2020 (ABRvS 201908134/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen
* 23 september 2020 (ABRvS 201905865/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunning, foodfestival, geluidhinder, toetsingskader (Rb Midden-Nederland 17/3816)
* 23 september 2020 (ABRvS 201905662/1/R1): Awb, Wm, Wbb, Gmw; handhaving, dwangsom, gebruik staalslakken, Bbk, zorgplicht, procesbelang, milieurisico’s
* 22 september 2020 (ABRvS 202003993/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementencomplex, structuurvisie, parkeren
* 22 september 2020 (ABRvS 202004423/2/R4): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, logistiek centrum, Ladder/Bro
* 22 september 2020 (CBb 19/40, 18/955, 19/401, 19/403, 19/213 en 18/2886): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, diercategorie, dierziekte, grondgebondenheid, peildatum knelgevallenregeling, individuele/buitensporige last/EP,
* 22 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2227, SHE 20/2214 en SHE 20/2213): Awb, Opiumwet; vovo, sluiting woonwagen en perceel, drugs, bevoegdheid, motivering
* 21 september 2020 (Rb Overijssel AWB 20/1261): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, kapverordening, advies gemeentelijk bomendeskundige
* 18 september 2020 (ABRvS 202004322/2/R4): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning bouwen, kappen en veranderen uitweg, bedrijvenpark, erfafscheiding, geen spoedeisend belang
* 18 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1879): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en gebiedsbescherming, veranderen pluimveehouderij, luchtkwaliteit, Rgv, gezondheidsrisico’s
# 17 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2147): Awb, Wabo; opheffing, vovo, omgevingsvergunning voor aanleg zanddepot, stikstof, geluid, bedrijfstijden
* 17 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8022 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 16 september 2020 (ABRvS 201905525/4/R2 en /3/R2): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, woningen, verbod ministudio’s
* 16 september 2020 (ABRvS 202001335/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, veehouderij, Wgv, geen belemmering
* 16 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3414): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 16 september 2020 (Hof Den Bosch 20-001887-18): WSr, WED, Wabo; overtreding milieuvergunning/voorschriften, afvalstoffen, feitelijk leidinggeven
* 16 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/5270): Awb, AWR; afvalstoffenheffing, oud-inwoner, aanslag voor een termijn van een jaar
* 15 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3952): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfswoning, vvgb
* 15 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4498): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 9 september 2020 (Rb Limburg C/03/256241 / HA ZA 18-522): BW; burenrecht, geluidsoverlast door hanengekraai en hondengeblaf; deskundigenonderzoek
* 8 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3389): Awb, Wegenwet; handhaving, terreindeel openbaar, bewijslast
* 8 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7615 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs , bevoegdheid
* 8 september 2020 (Rb Den Haag SGR 18/8294 en SGR 19/5396): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, geitenhouderij,  waarschuwingsbrief geen besluit, ontvankelijkheid, schadevergoeding/EVRM, geen vergunning voor uitbreidingen
* 8 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/5826): Awb, Wro; ontheffing omgevingsverordening, geitenhouderij, geen weidegang, geitenstop, verbindendheid
* 8 september 2020 (Rb Limburg AWB 20/2025): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel naar bijeenkomstfunctie, geen spoedeisend belang
* 4 september 2020 (Rb Limburg ROE 19/2942): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen schuilgelegenheid en verharding, geen vergunning, strijd met bpl, motivering evenredigheid handhaving
* 4 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2052): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving,, sluiting woning, hennepplantage, bevoegdheid
* 1 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3212): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, horeca/maatschappelijk, betalingsonmacht griffierecht
# 28 augustus 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/640 en SHE 20/641): Awb; invordering dwangsom, overtreding voorschrift milieuvergunning, mestkorrelproductie, geur, metingen, onzekerheid, hedonische waarde, NTA 9065, geurpanels
* 11 augustus 2020 (Hof Amsterdam 200.279.829/01 SKG): BW; spoed kort geding, windturbine, overdraai boven perceel, inbreuk op eigendomsrecht
* 3 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3965): Awb, Wro; planschade, verzoek te laat ingediend
* 24 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/4299 GEMWT): Awb, Wabo. Gmw; handhaving, dwangsom, dakterras, geen vergunning, procesbelang, ontvankelijkheid
* 24 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6584 GEMWT): Awb; invordering dwangsom, verwijderen roestvrijstalen schoorsteenpijp, geen vergunning
* 24 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/323 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, splitsen woning, strijd met bpl
* 23 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5208 Water): Awb, Waterwet; vergunning voor dempen sloot en aanleggen nieuwe sloot, Keur, nota
* 29 maart 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/1020, AMS 19/1095, AMS 19/1096 en AMS 19/1097): Awb, DHW, Gmw; vovo, intrekking DHW-vergunningen, weigering verlenging exploitatievergunningen, Wet Bibob
* 22 november 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4051): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, overkapping dakterras, beleidsregels, welstand
* 8 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3448): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom, brandgevaar, Bouwbesluit, verzamelaar
* 24 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1044): Awb, Wabo; handhaving, buitenspeelplaats kinderdagverblijf, geen strijd met bpl, ruimtelijke uitstraling gebruik tuin
* 24 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/170): Awb, Wabo; omgevingsvergunning van rechtswege voor bouwen, kinderdagverblijf in voormalig kantoorpand, geen strijd met bpl

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 23 september 2020 (ABRvS 201908388/1/A3): Awb, Arbowet; stellen eis op grond van Brzo, explosieveiligheid, LEL-detectoren, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 19/983)
6.1.    Artikel 5, eerste lid, van het Brzo verplicht een exploitant om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2441), verplicht deze bepaling niet tot het nemen van alle denkbare maatregelen ter voorkoming van alle denkbare ongevallen met gevaarlijke stoffen of ter beperking van de nadelige gevolgen daarvan. Het moet gaan om maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of de gevolgen daarvan. Artikel 1, eerste lid, van het Brzo omschrijft een zwaar ongeval als een gebeurtenis waardoor ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu binnen of buiten de inrichting ontstaat. In artikel 3 van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad, worden als voorbeelden van zo’n gebeurtenis een zware emissie, brand of explosie genoemd. Deze voorbeelden zijn ook in de nota van toelichting bij het Brzo (Stb. 2015, 272) aangehaald. In het Brzo is niet bepaald op welke manier de exploitant moet voldoen aan de op hem rustende verplichting om maatregelen te nemen ter voorkoming van zware ongevallen of de gevolgen ervan. Het is dus in beginsel aan de exploitant om te bepalen welke maatregelen hij neemt. Zo is het ingevolge artikel 7 aan de exploitant om het preventiebeleid voor zware ongevallen vorm te geven en dat beleid uit te voeren met een veiligheidsbeheerssysteem. Dit maakt een eis ter naleving van artikel 5 van het Brzo des te ingrijpender, omdat daarmee de staatssecretaris in plaats van de exploitant bepaalt welke maatregelen moeten worden genomen. Vanwege het ingrijpende karakter moet aan zo’n eis een gedegen motivering ten grondslag liggen, waarin in elk geval wordt ingegaan op de maatregelen die de exploitant al heeft getroffen en op de vraag waarom naast die maatregelen nog andere maatregelen nodig zijn ter voorkoming van zware ongevallen of de gevolgen ervan.

6.2.    De rechtbank heeft het hiervoor weergegeven toetsingskader in haar uitspraak opgenomen. Zij heeft, in lijn met dit kader, eerst getoetst of de staatssecretaris toereikend heeft gemotiveerd dat Motip Dupli met de geïnstalleerde LEL-detectoren niet voldoet aan haar plicht om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen. Anders dan Motip Dupli betoogt, heeft de rechtbank de motivering van de staatssecretaris terecht toereikend geacht, gelet op het volgende.

* 18 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1879): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en gebiedsbescherming, veranderen pluimveehouderij, luchtkwaliteit, Rgv, gezondheidsrisico’s
7.2  Verweerder moet de volksgezondheidsrisico’s van een bedrijf bij de beoordeling van de gevolgen voor het milieu betrekken (zie de uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:1195). De rechtbank stelt voorop dat voor diverse milieugevolgen die invloed kunnen hebben op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn opgesteld. Dit gebeurt doorgaans op basis van geldende wetenschappelijke inzichten. Er is nog geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader voor de volksgezondheidsrisico’s vanwege het mogelijke verband tussen (de emissies van) een veehouderij en een verhoogd risico op besmetting door ziektes die van dier op mens overdraagbaar zijn, zoals Q-koorts of (vermoedelijk) het coronavirus. Dat wil nog niet zeggen dat de vergunning dus maar moet worden geweigerd vanwege een mogelijk volksgezondheidsrisico. Voordat verweerder een dergelijk besluit neemt, is het volgens de rechtbank nodig dat er wetenschappelijk gefundeerde aanwijzingen moeten zijn dat een activiteit een risico voor de volksgezondheid zou kunnen hebben. Als zo’n aanwijzing er is, dan moet het bevoegd gezag, mede gelet op het voorzorgsbeginsel, eerst zelf onderzoeken of dit aanleiding is om de vergunning te weigeren, of om de gezondheidsrisico’s te beperken door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval van belang, zoals de werking van de betrokken inrichting, de soort van de gehouden dieren en de aard van de omgeving.

7.3  Eiser heeft zelf geen aanwijzingen genoemd, behoudens de algemene verwijzingen in krantenartikelen over het hoge aantal Q-koorts slachtoffers en coronavirus-slachtoffers in de regio met veel veehouderijen. Voor zover de rechtbank bekend is er geen aanwijzing dat de bacterie die Q-koorts veroorzaakt van pluimvee op mensen kan worden overgedragen. Het is de rechtbank ook niet bekend dat het coronavirus van pluimvee op mensen kan worden overgedragen. De rechtbank vindt het dus nu nog te vroeg voor het oordeel dat er een verband bestaat tussen een verhoogde kwetsbaarheid voor het coronavirus en een hoge fijn stofconcentratie vanwege een individuele veehouderij. Overigens was het coronavirus nog niet in Nederland vastgesteld toen de omgevingsvergunning werd verleend, zodat verweerder hier ook geen verwijt valt te maken.

# 17 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2147): Awb, Wabo; opheffing, vovo, omgevingsvergunning voor aanleg zanddepot, stikstof, geluid, bedrijfstijden
9.3.2.  Gelet op het vorenstaande worden partijen verdeeld gehouden door de vraag of verweerder in dit geval (nog) op de grondslag van de aanvraag heeft beslist. De voorzieningenrechter beantwoordt voormelde vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Weliswaar heeft de gemachtigde van verzoekster ter zitting betoogd dat er sprake is van twee verschillende activiteiten, te weten: de zandwinning uit de Huttenheugte-plas en het in werking zijn van het zanddepot, en dat dit ook valt af te leiden uit het akoestische rapport, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt dit niet uit de op 21 december 2018 ingediende en nadien ongewijzigd gebleven aanvraag en de daarin vermelde bedrijfstijden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in het akoestische rapport en in het verkeerskundige rapport, die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd, andere bedrijfstijden zijn gehanteerd dan die in voormelde aanvraag zijn vermeld en dan die zijn vergund op grond van het besluit d.d. 18 juni 2019 en het wijzigingsbesluit d.d. 16 april 2020. Gelet op de in het akoestische rapport en het verkeerskundige rapport gehanteerde uitgangspunten die afwijken van de in de aanvraag vermelde bedrijfstijden en de nadien vergunde bedrijfstijden, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rede gelegen dat er opnieuw een akoestisch- en verkeerskundig onderzoek worden verricht, waarbij de in de aanvraag vermelde bedrijfstijden als uitgangspunt worden genomen. Gelet hierop is de voorzieningen-rechter van oordeel dat door verzoekster en verweerder niet inzichtelijk is gemaakt dat met het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning en het daaropvolgende wijzigings-besluit zal worden voldaan aan de geluidsnormen. Dit brengt met zich dat de voorzieningen-rechter er niet op voorhand van overtuigd is dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit rechtmatig zijn. Dit betekent dat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding bestaat om het verzoek tot opheffing van de getroffen voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

* 16 september 2020 (Hof Den Bosch 20-001887-18): WSr, WED, Wabo; overtreding milieuvergunning/voorschriften, afvalstoffen, feitelijk leidinggeven
2.3.2.  Daderschap van de rechtspersoon

Voordat de vraag kan worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opdracht geven tot of feitelijke leiding geven aan het ten laste gelegde, dient eerst te worden vastgesteld of [rechtspersoon 1] het tenlastegelegde heeft begaan.

Volgens de wetsgeschiedenis en bestendige jurisprudentie kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Daarbij dient te worden opgemerkt dat het hiervoor overwogene slechts betrekking heeft op de vraag of de rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van de hem ten laste gelegde gedraging, dus ongeacht of het een overtreding dan wel een misdrijf betreft. Immers, de beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft, dient zelfstandig plaats te vinden (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5. en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2.).

Naar het oordeel van het hof kunnen de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde gedragingen aan [rechtspersoon 1] worden toegerekend. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het afval op de locaties 1 en 2, dat moet worden geclassificeerd als ‘afval van installaties voor afvalbeheer’, met medeweten en goedkeurig van de leiding van het bedrijf, te weten de directeur (verdachte), in strijd met de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften is opgeslagen. De verdachte heeft, zoals hieronder bij 2.3.4. nog zal worden overwogen, verklaard dat hij wist dat er teveel afvalstoffen lagen en dat de ‘afvalbergen’ hoger waren dan was toegestaan. Toch werden de afvalstoffen waaruit deze afvalstroom voortkwam nog door het bedrijf ingenomen. Gelet op deze gang van zaken binnen het bedrijf vermocht [rechtspersoon 1] erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en werd zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door [rechtspersoon 1] aanvaard of placht te worden aanvaard.
2.3.4. Feitelijke leiding geven door de verdachte

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat de verdachte opdracht heeft geven tot, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [rechtspersoon 1]

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van artikel 51 lid 2 Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

1° tegen die rechtspersoon, dan wel

2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel

3° tegen de onder 1° en 2° genoemden tezamen.

Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het opdracht geven tot of feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, eerst dient te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging opdracht of feitelijke leiding heeft gegeven. Het hof heeft in het voorgaande onder 2.3.2. reeds overwogen dat op grond van redengevende feiten en omstandigheden [rechtspersoon 1] het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op het opdracht geven tot dan wel feitelijke leiding geven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon, te weten het opzettelijk zonder omgevingsvergunning uitvoeren van een project dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen van (de werking van) de inrichting respectievelijk het opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning.

Uit het onderzoek zijn volgens het hof geen aanwijzingen verkregen dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot de verboden gedragingen. De vraag resteert of de verdachte aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

Volgens bestendige jurisprudentie geldt dat bij de beoordeling van feitelijke leidinggeven moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Daarbij is niet vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon, rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, i.h.b. r.o. 3.5.1-3.5.3).

De verdachte heeft over zijn rol binnen [rechtspersoon 1] verklaard dat hij de algemeen directeur was en als zodanig leiding gaf aan het bedrijf en aan het personeel. De verdachte was verantwoordelijk voor het aanvragen van de noodzakelijke vergunningen, voor het beheer en de inkoop van afvalstoffen en gold als aanspreekpunt voor het bevoegd gezag bij controles. Hij was op de hoogte van de inhoud van de vergunningen en hij wist dat er meer afvalstoffen van de categorie ‘afval van installaties afvalbeheer’ waren opgeslagen dan aan de rechtspersoon was vergund, waarbij hij ook wist dat de maximale opslaghoogte werd overschreden. Deze afvalstoffen werden normaliter na bewerking (door middel van zeven) door [rechtspersoon 1] afgezet (onder meer richting de wegenbouw), maar op enig moment was er geen vraag meer en toen hoopten de afvalstoffen zich op. Door moeilijke jaren als gevolg van de financiële crisis en door een duur traject voor een nieuwe vergunningsaanvraag beschikte de onderneming niet over de financiële middelen om de afvalstoffen te laten afvoeren en verwerken, aldus de verdachte. Hij heeft de situatie zo gelaten en geen maatregelen getroffen om de gedragingen te beëindigen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof dan ook bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon 1] opzettelijk zonder vergunning veranderen van de (werking van de) inrichting door meer afvalstoffen op te slaan dan was toegestaan en aan het door [rechtspersoon 1] opzettelijk overtreden van het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.3.8. onder a met betrekking tot de opslaghoeveelheden en het aan de vergunning verbonden gewijzigde voorschrift 2.3.8. onder c met betrekking tot de opslaghoogte.

# 28 augustus 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/640, SHE 20/641): Awb; invordering dwangsom, overtreding voorschrift milieuvergunning, mestkorrelproductie, geur, metingen, onzekerheid, hedonische waarde, NTA 9065, geurpanels
6.3  De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de op dat moment geldende afspraken en inzichten over de aanpak van geuronderzoeken in acht moet nemen. Verweerder kan niet uitgaan van een hogere correctiefactor en anticiperen op een toekomstige conceptversie van de NTA 9065 die nog moet worden becommentarieerd door deskundigen en niet ter inzage was gelegd ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank plaatst hierbij wel de kanttekening dat verweerder alleen kan uitgaan van een correctiefactor 2 als de NTA 9065-aanpak correct is gevolgd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de NTA 9065 in het Abm wordt genoemd als de verplichte aanpak voor een geuronderzoek ingevolge artikel 2.7a van het Abm. Hierna zal de rechtbank bespreken of verweerder de NTA 9065 correct heeft gevolgd, meer in het bijzonder of er drie metingen zijn uitgevoerd. Deze beroepsgrond faalt.
7.6  De rechtbank leest in de NTA 9065 (zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit) niet een uitdrukkelijke verplichting om drie aparte metingen (met tussenpauzes) te verrichten ten einde een correctiefactor 2 te moeten toepassen. Weliswaar kan de nauwkeurigheid worden verhoogd en kan de correctiefactor worden aangepast als meer metingen worden verricht, maar er staat niet dat de nauwkeurigheid verder afneemt als er drie deelmetingen worden verricht in plaats van drie aparte metingen. In paragraaf 9.3.2 van de NTA 9065 bij opmerking 3 wordt ook gesproken over een meting in drievoud. Dit sluit aan bij paragraaf 6.3 waar is aangegeven dat een afzonderlijke meting uit drie deelmetingen bestaat en dat de bemonsteringsduur van iedere deelmeting minimaal een half uur bedraagt. Verweerder heeft dus kunnen volstaan met drie deelmetingen en is dan nog steeds vrij om correctiefactor 2 toe te passen. Evenmin schrijft de NTA 9065 uitdrukkelijk voor dat de geurmonsters uit de drie deelmetingen door drie aparte geurpanels moeten worden beoordeeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de correctiefactor 2 vooral praktisch is gekozen (zie ook het advies van de StAB van 23 februari 2017), omdat de omvang van de onzekerheid zelden goed is te bepalen. Dat in de herziene concept NTA 9065 op een meer inzichtelijke wijze wordt geprobeerd de correctiefactor te verantwoorden op basis van de aantallen metingen, geurpanels en laboratoria, wil niet zeggen dat ten tijde van het bestreden besluit verweerder hierop had moeten anticiperen en een andere correctiefactor had moeten toepassen.

De omstandigheid dat verweerder is uitgegaan van een debiet op basis van het gemiddelde van drie metingen, leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder de correctiefactor 2 niet mocht toepassen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat het debiet erg fluctueert maar hebben niet onderbouwd dat deze afwijkingen substantieel groter zijn dan in een van de deelmetingen van bijlage D van het meetrapport. Het meetrapport bevat zelf ook een verantwoording van de debietmeting (in paragraaf 3.4) die eisers niet inhoudelijk hebben betwist. Eisers hebben evenmin bestreden dat de metingen zijn uitgevoerd in bedrijfs-representatieve omstandigheden bij een volle productie.

7.7 De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de NTA 9065. Het meetrapport (inclusief de resultaten en de toegepaste correctiefactor) kan ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

* 8 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3448): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom, brandgevaar, Bouwbesluit, verzamelaar
5. Dan komen we bij de vraag waar het hier echt om draait: of de situatie in eisers woning zo was, dat de gemeente eiser mocht dwingen om zijn huis op te ruimen. Eiser vindt dat zwaar is overdreven. Hij voert aan dat hij zijn spullen voor de vrijmarkt had uitgezocht. Hij had daar wat meer tijd voor nodig dan anderen vanwege zijn ziekte. Eiser geeft ook aan dat de foto’s niet kloppen omdat de toezichthouder de deur opengooide en daardoor van alles omviel.

  1. Nu is het zo dat over of iets netjes is of niet de meningen nogal verschillen. De een is nu eenmaal opgeruimder dan de ander. Eiser heeft gelijk dat je normaal in je huis zelf bepaalt wat je doet. Daar zit wel een hele duidelijke grens aan. Op het moment dat het gevaarlijk wordt voor eiser zelf of voor anderen, kan verweerder zich ermee bemoeien. Dat heeft verweerder bij eiser ook gedaan. De rechtbank is het met verweerder eens dat sprake was van een gevaarlijke situatie. Uit de foto’s blijkt dat eiser te veel spullen heeft staan in zijn woning. Juist dat er spullen omvallen als een toezichthouder binnenkomt, maakt extra duidelijk dat de woning niet goed bereikbaar is voor hulpverleners. Zoals verweerder op zitting heeft aangegeven, als hulpverleners met een brancard naar binnen moesten, was dat niet mogelijk. Ook voor de brandweer zou het gevaarlijk zijn. Daarbij komt dat door de hoeveelheid spullen brand ook sneller om zich heen kan slaan. Dat is voor eiser, maar ook voor zijn buren gevaarlijk.
  2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bestuursdwang mocht toepassen. Het is niet de bedoeling om eisers hobby te ontnemen. Het is positief om op deze manier spullen zo een tweede leven te geven. Eiser zal zijn hobby wel op een kleinere schaal of andere locatie moeten uitoefenen, zodat hij niet voor een gevaarlijke situatie voor zichzelf en anderen zorgt.

8. Eiser krijgt geen gelijk, er is geen reden voor proceskostenvergoeding.