Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 30 september 2020 (ABRvS 202002685/1/A2): Awb, Gmw; verzoek om handhaving, geparkeerde auto, geen parkeervakken/parkeervergunning, OM/parkeren in de bocht (Rb Noord-Nederland 19/782)
* 30 september 2020 (ABRvS 202001606/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, berging, stallen van motoren, gevolgen milieusituatie loonbedrijf (Rb Gelderland 19/2029)
* 30 september 2020 (ABRvS 202001393/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid (Rb Zeeland-West-Brabant 20/127)
* 30 september 2020 (ABRvS 202000773/1/R4): Awb, Wm; tijdelijke ontheffing naleving geluidproductieplafonds, railverkeerslawaai, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 30 september 2020 (ABRvS 202000048/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken van bpl, paardenbak, verrommeling terrein (Rb Zeeland-West-Brabant 19/173)
* 30 september 2020 (ABRvS 201909405/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, hoofdverdeelstation, laagfrequent geluid, Vercammencurve
* 30 september 2020 (ABRvS 201908998/1/R4): Awb, Wm, Ww, Gmw; mondelinge aanzegging van spoedeisende bestuursdwang, container met asbest, afdekking, gezondheid
* 30 september 2020 (ABRvS 201908825/1/R1): Awb, Ww; handhaving, nieuwe CV-kerel met afvoer op balkon, Bouwbesluit/art. 3.51/relativiteit, perceelsgrens, verdunning, gezondheid, art. 7.22 Wm, NEN (Rb Amsterdam 19/1191)
* 30 september 2020 (ABRvS 201908170/1/R1): Awb, Wro; bpl, drijvende bouwwerken, parapluplan/Wet verduidelijking voorschriften woonboten, belanghebbende
* 30 september 2020 (ABRvS 201906859/1/A3): Awb; uitvoervergunning, gilamonsters, VEU/CITES/uitvoeringsverordening, termijn, raadpleging van derden
* 30 september 2020 (ABRvS 201906654/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, erfdienstbaarheid, molenbiotoop
* 30 september 2020 (ABRvS 201906627/1/R4): Awb, Wabo; verzoek om intrekking omgevingsvergunning, biomassavergistingsinstallatie, driejaarstermijn, belangenafweging (Rb Noord-Nederland 18/1056 en 18/2067)
* 30 september 2020 (ABRvS 201906560/1/A3): Awb, Gmw; terrasvergunning, parasols, verminderde zichtbaarheid (Rb Limburg 18/1407 en 18/1408)
* 30 september 2020 (ABRvS 201906390/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieuneutraal veranderen, veehouderij, plateaus/vloer/bedrijfsoppervlakte, provinciale verordening (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4846)
* 30 september 2020 (ABRvS 201904830/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en natuur, veehouderij, vvgb, geur, fijn stof (Rb Oost-Brabant 17/2289)
* 30 september 2020 (ABRvS 201901880/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu (OBM), veehouderij, belanghebbende, fijn stof (Rb Gelderland 18/6140 en 18/3481)
* 30 september 2020 (ABRvS 201900579/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en ontheffing stalderingsregeling, veehouderij, provinciale verordening, vvgb, bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 18/263)
* 30 september 2020 (ABRvS 201606653/2/R2): Awb, Wro; inpassingplan, logistiek park, aanvullende passende beoordeling/nieuw besluit, beroepsgronden, gasloos bouwen, extern salderen, afwijkingsbevoegdheid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 29 september 2020 (ABRvS 202001670/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding school, geluid, Activiteitenbesluit, verhoogd speeldek (Rb Den Haag 18/3081 18/3072)
* 29 september 2020 (ABRvS 202004387/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, vervangende nieuwbouw
* 29 september 2020 (CBb 18/2980, 18/2987, 19/44, 19/435, 19/618 en 19/1860): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, diercategorie, peildatum knelgevallenregeling, ontvankelijkheid, individuele/buitensporige last/EP, zelf in de zaak voorzien
* 28 september 2020 (ABRvS 201908073/5/R3 en 201908073/4/R3): Awb, Wro; verzoek om opheffing vovo, bpl, woningen, motivering behoefte, nieuw besluit, geen spoedeisend belang
* 28 september 2020 (ABRvS 202004017/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, veegplan, woningen in ander plan geregeld, geen spoedeisend belang
# 25 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1928): Awb, Mbw; mijnbouwschade, TCMG, bewijsvermoeden, thermische/trillingsscheuren
* 25 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/1380 en LEE 18/1522): Awb, Wabo; omgevingsvergunningen voor gewijzigd gebruik, grootschalige detailhandel, branchering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 25 september 2020 (Rb Gelderland AWB 20/4874): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting café, drugs, bevoegdheid
* 25 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4860): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor herstelwerkzaamheden, vestingwallen, erfgrenzen tuinen, privaatrecht
* 24 september 2020 (Conclusie AG EH C-471/18P): Hogere voorziening, REACH-verordening, verdeling bevoegdheden tussen ECHA en lidstaten, beperking van dierproeven
* 24 september 2020 (Hof Den Bosch 19/00780): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, NEN 2580 niet gepubliceerd of ter inzage gelegd, berekening leges met NEN 2580, onverbindendheid verordening
* 24 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3923): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 24 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/4662, 20/4663, 20/4664 en 20/4682): Awb, Gmw; vovo, sluiting bedrijfsunits, vermoeden van witwassen en ondergronds bankieren, bevoegdheid
* 24 september 2020 (Rb Noord-Nederland C/19/132237 / KG ZA 20-97): BW; kort geding, fysieke schade aan boerderij, gaswinning, eerdere vergoeding, toegenomen schade
* 24 september 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/2741): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, garage, strijd met bpl, geen vergunning van rechtswege, geen dwangsom vanwege niet tijdig beslissen
* 24 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3953): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 24 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4805): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 24 september 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4788): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting, kapperszaak, geweldsincidenten, openbare orde
* 22 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1170 V): Awb; verzet, opgeschorte beslistermijn, procedure gaat verder na verstrekking archeologisch rapport, geen van rechtswege verleende vergunning
* 22 september 2020 (Rb Gelderland AWB 19/3557): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, m.e.r.-plicht, BBT, dierenwelzijn, ontoelaatbare milieugevolgen
* 21 september 2020 (Gerecht in eerste aanleg van Curaçao CUR201902592): Lar, BWV; bouwvergunning, woning, ontsiering, hinder, te hoog bebouwingspercentage, strijd met bestemmingsvoorschrift
* 17 september 2020 (Rb Limburg AWB 20/2184): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, vervangende nieuwbouwloods, geen strijd met regels beheersverordening
* 17 september 2020 (Rb Gelderland AWB 19/3100 en AWB 19/3130): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, crematorium, concurrent, m.e.r.-beoordeling, vvgb, natuur, Ladder, relativiteit
* 17 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2414): Awb; vovo, handhaving, (voorbereidende) werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van een waterstoftankstation, geen fictief besluit tot weigering, ontvankelijkheid
* 16 september 2020 (Rb Limburg AWB 20/1913 en AWB 20/1914): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 16 september 2020 (Rb Limburg 20/2136): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 16 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/90): Awb; nadeelcompensatie, afsluiting beekloop, droogte op perceel, actieve risicoaanvaarding
* 15 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4042): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen recreatieverblijf/steiger, brug en vloer, geen vergunning, strijd met bpl
* 14 september 2020 (Rb Limburg AWB 19/3382): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken inrit, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel
* 11 september 2020 (Rb Den Haag SGR 18/8079): Awb, Gmw; exploitatievergunning bakkerij met terras, relatie bpl, lichte horeca, woon- en leefklimaat
* 11 september 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7464 en SGR 18/7764): Awb, Gmw; exploitatievergunning, restaurant met terras, APV, woon- en leefsituatie, relatie bpl
* 8 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6707): Awb; inning dwangsom, geitenhouderij, geen ontheffing
* 8 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/7184, SGR 20/354 en SGR 20/477): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, vermindering aantal geiten, ontheffing, begunstigingstermijn
* 3 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2116): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en beperkte milieutoets-natuur, veehouderij, geur, Wgv, BBT, geurbeheersplan, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 3 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6635 BESLU): Awb, Wvw; verkeersbesluit, aanwijzing parkeerplaatsen i.v.m. laadpaal elektrische voertuigen, alternatieve locaties
* 2 september 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1803): Awb, Wabo; handhaving, beroep aan huis, ruimtelijke uitstraling/woonfunctie pand, strijd met bpl
* 26 augustus 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4115): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, dakuitbouw met dakraam en dakterras, beleidsregels, onduidelijkheid oppervlakte

* 12 augustus 2020 (Rb Midden Nederland 7962473 UC EXPL 19-8484 SW/1581): BW; burengeschil, bomen, vermindering lichtinval, verboden zone, onrechtmatige hinder
* 31 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3261): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid
* 29 juli 2020 (Rb Limburg AWB 19/2142): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, beroep tegen bpl, natuur/handhaving
# 24 juli 2020 (Rb Limburg ROE 18/1220 en ROE 18/1224): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, bioraffinage, belanghebbenden, aanvraaggegevens/Ror, m.e.r.-(beoordelings)plicht, geur, geluid, BBT-toets, externe veiligheid, afvalstoffen, gezondheid, termijnen/EVRM, zelf in de zaak voorzien
* 17 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2390): Awb, Wabo; vovo, handhaving, illegale mantelzorgunit, begunstigingstermijn
* 17 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2134): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor verduurzaming woningen
* 10 juni 2020 (Rb Gelderland C/05/364563 / HZ ZA 20-17): BW; vervroegde onteigening, toetsing oordeel Kroon over noodzaak onteigening strook grond

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 30 september 2020 (ABRvS 201908825/1/R1): Awb, Ww; handhaving, nieuwe CV-ketel met afvoer op balkon, Bouwbesluit/art. 3.51/relativiteit, perceelsgrens, verdunning, gezondheid, art. 7.22 Wm, NEN (Rb Amsterdam 19/1191)
9.3.    Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het derde lid van artikel 3.51 (blz. 24, Stb. 2014, 51) blijkt dat deze bepaling strekt tot bescherming van de belangen van omwonenden zoals [appellante]. Dat is tussen partijen ook niet in geschil en ook de Afdeling gaat hiervan uit. De overige leden van artikel 3.51 strekken niet tot bescherming van de belangen van [appellante], zodat eventuele strijd met deze bepalingen op grond van artikel 8:69a van de Awb niet op basis van haar beroep kan leiden tot vernietiging van het besluit op bezwaar. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen (nota van toelichting, blz. 268-269, Stb. 2011, 461) blijkt dat deze leden strekken tot bescherming van de bewoners van een pand waarin een kachel of CV-ketel zich bevindt en waarop de afvoerpijp is geplaatst en niet ook tot bescherming van de belangen van omwonenden. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2918. Dat het derde lid inhoudelijk in samenhang met de overige leden van artikel 3.51 de positie van de uitmonding van afvoervoorziening voor rookgas regelt, betekent niet dat alle leden van artikel 3.51 strekken tot bescherming van dezelfde belangen.
11.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de afvoerpijp is geplaatst in overeenstemming met artikel 3.51, derde lid. In het Bouwbesluit 2012 is niet bepaald wat de perceelsgrens is. De Afdeling is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag waar de perceelsgrens ligt de actuele situatie bepalend is, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de kadastrale perceelsgrens. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:249. Het balkon van [belanghebbende] en een balkon op de eerste verdieping van het [pand 2] hangen boven het binnenterrein, en dus boven het erf van [appellante]. De Afdeling is daarom van oordeel dat in dit geval niet de kadastrale perceelsgrens, maar de rand van het balkon van [appellante] de perceelsgrens is als bedoeld in artikel 3.51. De Afdeling vindt steun voor dit oordeel in de bedoeling van deze bepaling dat voldoende afstand wordt gehouden tot (eventuele) aanvoervoorzieningen voor luchtverversing of verbrandingslucht voor gebruiksfuncties op andere percelen. De afstand van het uiteinde van de afvoerpijp tot de perceelsgrens, de balkonrand, is meer dan 1 m
12.3.    Zoals de Afdeling onder 6.1 van haar uitspraak van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4032) heeft overwogen, is artikel 7.22, gelet op de nota van toelichting bij dit artikel (blz. 342-343, Stb. 2011, 416), een restbepaling die door het bevoegd gezag kan worden toegepast indien naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er voor het college geen grond was om te handhaven op grond van artikel 7.22. [appellante] heeft om twee redenen niet aannemelijk gemaakt dat de CV-ketel en de afvoerpijp leiden tot een dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder. De eerste reden is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de afvoerpijp niet in een patio uitmondt, anders dan waarvan de memo’s van het ERB en het NEN van 20 en 24 augustus 2018 zijn uitgegaan. De afvoerpijp mondt uit bij de bovenste bouwlaag van het [pand 2] en wordt niet aan alle zijden omringd door hogere bebouwing. Aan de zijde van het achterhuis van [pand 1] komt het uiteinde van de afvoerpijp uit ter hoogte van de dakrand van dat achterhuis. De tweede reden is de capaciteit en aard van de CV-ketel. In de memo van het ERB van 5 december 2019 is bij de berekening ervan uitgegaan dat de CV-ketel een capaciteit van 24 kW heeft. Maar de werkelijke capaciteit van de CV-ketel is 20 kW, zoals het college op de zitting heeft toegelicht. De verdunningsfactor bij het appartement van [appellante] is afgerond 0,01 als bij de berekeningen wordt uitgegaan van de werkelijke capaciteit van de CV-ketel. Ook is de CV-ketel een HR++ketel die weinig vervuilende stoffen uitstoot.

* 30 september 2020 (ABRvS 201900579/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en ontheffing stalderingsregeling, veehouderij, provinciale verordening, vvgb, bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 18/263)
5.3.    In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wabo, Kamerstukken II, 2006/07, 30844, nr. 3, blz. 28 en 126-127, staat dat de verklaring van geen bedenkingen alleen voorkomt in de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Wanneer een aanvraag is ontvangen, beoordeelt het bevoegd gezag of er aspecten zijn waaromtrent een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven. Indien dat het geval is, zendt het de aanvraag zo spoedig mogelijk toe aan het orgaan dat bevoegd is de verklaring te geven. Het ontwerp van de beslissing omtrent de verklaring van geen bedenkingen doorloopt dezelfde procedure als het ontwerpbesluit, hetgeen betekent dat ten aanzien van beide ontwerpen (het ontwerpbesluit en de ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen) zienswijzen kunnen worden ingediend. De beoordeling en eventuele verwerking daarvan in de definitieve beslissing omtrent de verklaring geschieden door het orgaan dat bevoegd is de verklaring te geven (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2734).

Voorts is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.29 (thans: 2.27), Kamerstukken II, 2006/07, 30844, nr. 3, blz. 113-114, vermeld dat een verklaring van geen bedenkingen niet zozeer een goedkeuringsinstrument is, maar ertoe dient een ander bestuursorgaan te laten beslissen omtrent een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegd gezag is onttrokken (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921).

5.4.    Gelet op het voorgaande had het college van b en w, nu het aan het college van gs had verzocht om een ontheffing van de stalderingsregeling, het besluit van het college van gs op dit ontheffingsverzoek moeten afwachten, alvorens een besluit te nemen omtrent de gevraagde omgevingsvergunning. Dit geldt temeer nu uit artikel 2.20a van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4.1a, tweede lid, van de Wro, volgt dat het college van b en w de omgevingsvergunning moet weigeren indien het college van gs weigert een ontheffing te verlenen. Dat het, zoals het college van b en w aanvoert, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017 gehouden was voor een bepaalde datum te beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning, laat onverlet dat de juiste procedure moet worden gevoerd. Het komt voor risico van het college van b en w dat de, overigens op verzoek van dat college door de Afdeling vastgestelde termijn voor het nemen van een besluit op de ingediende vergunningaanvraag, niet haalbaar was. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college van b en w de besluitvorming van het college van gs omtrent het verzoek om ontheffing had moeten afwachten. De rechtbank is om die reden terecht tot vernietiging van het besluit van 15 december 2017 overgegaan. Het betoog van het college faalt in zoverre.
12.    De Afdeling heeft onder 6 geconcludeerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 december 2017 in stand heeft gelaten zonder eerst de bezwaren van [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van het college van gs van 9 juli 2018 bij haar oordeel over het besluit inzake de geweigerde omgevingsvergunning te betrekken. De Afdeling heeft dit alsnog gedaan en is onder 10.5 tot de conclusie gekomen dat het college van gs in redelijkheid de gevraagde ontheffing heeft kunnen weigeren wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De inhoudelijke hoger beroepsgronden slagen niet. Het college van b en w heeft de omgevingsvergunning dan ook terecht wegens strijd met de stalderingsregeling geweigerd. Gelet hierop heeft de rechtbank, zij het op onjuiste gronden, terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 15 december 2017 in stand gelaten. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

* 30 september 2020 (ABRvS 201606653/2/R2): Awb, Wro; inpassingplan, logistiek park, aanvullende passende beoordeling/nieuw besluit, gasloos bouwen, extern salderen, afwijkingsbevoegdheid, beroepsgronden, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
7.3.    De afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk dat de externe saldering met de bedrijven die in de passende beoordeling zijn betrokken wordt teruggedraaid en wordt vervangen door externe saldering met een of meer andere bedrijven. De planregel maakt het dus mogelijk dat andere mitigerende maatregelen voor de realisering van het LPM worden ingezet dan de maatregelen die in de passende beoordeling zijn betrokken.

Zoals in 4.1 is overwogen mogen de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen in een passende beoordeling worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. De verwachte voordelen van mitigerende maatregelen staan niet vast indien ten tijde van de passende beoordeling niet is uitgewerkt hoe de voordelen tot stand zullen worden gebracht (vergelijk r.o. 18 van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). De verwachte voordelen van extern salderen met bedrijven die ten tijde van de passende beoordeling niet bekend zijn en daarin niet zijn onderzocht staan niet vast als hiervoor bedoeld. De Afdeling is gelet daarop van oordeel dat artikel 19.6, onder b, van de planregels in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb, is vastgesteld.

Het betoog slaagt.
8.2  ……………………
De omstandigheid dat het herstelbesluit en de nadere motivering zijn gebaseerd op nieuwe stikstofberekeningen, waarbij gebruik is gemaakt van AERIUS 2019A, betekent niet dat een uitzondering kan worden gemaakt op de hiervoor vermelde hoofdregel dat geen nieuwe beroepsgronden kunnen worden aangevoerd die reeds eerder naar voren gebracht hadden kunnen worden. De drie gronden die SBBM en VMM tegen de nieuwe stikstofberekeningen aanvoeren hadden zij ook kunnen, en dus moeten, aanvoeren tegen de stikstofberekeningen die ten grondslag liggen aan de passende beoordeling uit 2017, die gemaakt zijn met AERIUS 2016L, een eerdere versie van het rekenmodel. De Afdeling licht dat hierna voor de drie beroepsgronden toe.
………………………………..
Het voorgaande betekent dat hetgeen SBBM en VMM over de uitgangspunten van de stikstofberekeningen voor wegverkeer aanvoeren buiten inhoudelijke bespreking blijft.

# 25 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1928): Awb, Mbw; mijnbouwschade, TCMG, bewijsvermoeden, thermische/trillingsscheuren
4.2.  De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW in de aan de orde zijnde zaak van toepassing is omdat de schade naar zijn aard redelijkerwijs veroorzaakt zou kunnen zijn door bodembeweging als gevolg van gaswinning in het Groningerveld. De rechtbank is van oordeel dat hieruit noodzakelijkerwijs volgt dat uit het enkele feit, zoals in de loop van de procedure door verweerder is opgemerkt, dat vergelijkbare schades ook elders in het land, waar geen gasbevingen plaatsvinden, worden aangetroffen, niet kan maken dat het bewijsvermoeden is weerlegd.

4.3.  In de onderhavige procedure is wel in geschil of verweerder voor schade 3 het bewijsvermoeden heeft weerlegd met een verwijzing naar het rapport van Boellaard en Venema op basis waarvan voor deze schade door verweerder een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning in het Groningerveld is aangewezen. Met betrekking tot deze vraag overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.1  Ingevolge artikel 6:177a, eerste lid, van het BW wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

4.3.2.  Het voornoemde panel van deskundigen heeft in het advies van 22 januari 2019 geadviseerd om het wettelijk bewijsvermoeden slechts weerlegd te achten indien de schadeoorzaak evident en aantoonbaar een andere is dan de bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk in het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg. Hierbij heeft het panel aangegeven dat deskundigen dit op een begrijpelijke en schriftelijke wijze dienen te motiveren.

4.3.3.  De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) antwoord gegeven op door de rechtbank Noord-Nederland gestelde prejudiciële vragen die onder meer zagen op de toepassing van het bewijsvermoeden. In dit kader heeft de Hoge Raad – onder meer – aangegeven dat indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Hierbij heeft de Hoge Raad opgemerkt dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden.
4.3.5.  De rechtbank stelt vast dat verweerder het bewijsvermoeden in de praktijk zo toepast dat het bewijsvermoeden pas weerlegd is indien er voor de betreffende schade met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning kan worden aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het vaststellen van dit criterium – daargelaten de vraag of verweerder met dit criterium een strenger criterium hanteert dan de Hoge Raad – geen afbreuk gedaan aan de waarborg zoals deze door de Hoge Raad intussen is vastgelegd. Gelet hierop mocht verweerder daarom uitgaan van dit criterium.

4.3.6.  De rechtbank overweegt voorts dat, indien en voor zover met het door verweerder gehanteerde criterium wellicht een hogere eis wordt gesteld aan het weerleggen van het bewijsvermoeden dan de door de Hoge Raad gegeven bewijsmaatstaf, dit in het voordeel van eiser is. In het verweerschrift is aangegeven dat deze toepassing van het bewijsvermoeden een vaste gedragslijn is van verweerder en dat verweerder ook aan deze invulling gehouden mag worden. De rechtbank acht deze invulling van het bewijsvermoeden tegen de achtergrond van de onderhavige problematiek en de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit noch onjuist noch kennelijk onredelijk. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vol toetsen aan het criterium of verweerder met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning heeft aangewezen.
6.3  De rechtbank neemt bij haar beoordeling in overweging dat het in dit geval gaat om relatief grote scheurvorming in de orde van grootte van enkele millimeters die, zoals door de StAB is gerapporteerd, niet kan worden verklaard door de thermische werking van het huis. Wanneer verweerder meent dat een dergelijke scheurvorming moet zijn veroorzaakt door de constructie dan dient het deskundigenrapport niet alleen inzicht te geven in de gekozen constructie maar ook in het mechanisme waardoor de scheuren in die constructie ontstaan. Naarmate de omvang van de scheurvorming ernstiger is mag van de deskundige verwacht worden dat hij meer inzicht verschaft in de gekozen constructie en het mechanisme die de geconstateerde schade hebben veroorzaakt.

6.4.  Nu de deskundigenrapportages die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende inzicht geven in het mechanisme dat tot de scheurvorming van schade 3 heeft geleid, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende van zijn vergewisplicht heeft gekweten. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet toereikend met de rapporten van zijn geraadpleegde deskundigen heeft kunnen onderbouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb moet worden vernietigd.

* 22 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/1170 V): Awb; verzet, opgeschorte beslistermijn, procedure gaat verder na verstrekking archeologisch rapport, geen van rechtswege verleende vergunning
4.3  Het geschil spits zich toe tot de vraag of de (opgeschorte) beslistermijn op de aanvraag voor de omgevingsvergunning weer is gaan lopen ná de verstrekking van het archeologische rapport. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord dan moet het ervoor gehouden worden dat het college te laat heeft beslist op de aanvraag waardoor een vergunning van rechtswege is verstrekt. Bij ontkennende beantwoording loopt de opschorting van de beslistermijn ook na 29 januari 2020 door, is geen sprake van overschrijding van de beslistermijn en is dus ook geen sprake van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

4.4  Bij de beoordeling van de vraag of de opschorting van de beslistermijn na 29 januari 2020 weer door loopt is bepalend de wettelijke regeling van artikel 4:15, eerste lid onder a van de Awb. Volgens genoemd artikellid vindt opschorting plaats tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld (…). In een situatie waarbij het college op 17 punten om nadere informatie heeft gevraagd en opposante (vooralsnog) zonder nadere toelichting op maar één punt informatie verstrekt, is de conclusie gerechtvaardigd dat de aanvraag nog niet is aangevuld in de zin van artikel 4:15, eerste lid, onder a van de Awb nu ten aanzien van 16 punten geen informatie is vertrekt.

Aan opposante kan worden toegegeven dat het verwarrend kan werken dat volgens het OLO de beslistermijn weer ging lopen, maar dit leidt nog niet tot het oordeel dat opposante erop mocht vertrouwen dat de opschorting van de baan was. Hij had immers maar een fractie van de gevraagde informatie verstrekt en had beter kunnen weten. Bovendien had het college in de oorspronkelijke opschortingsbrief duidelijk vermeld dat de beslistermijn pas gaat lopen als alle gevraagde informatie is verstrekt. Bij vragen over de opschorting had het op de weg van opposante gelegen om het college om verduidelijking te vragen. De mededeling in het OLO dat als in een melding iets ontbreekt, het bevoegde gezag de melder hiervan op de hoogte kan stellen, maakt dit oordeel niet anders. Het gaat hier immers om een ‘kan’-bepaling en geen verplichting voor het college.

Opposante’s verwijzing naar het antwoord op vraag 111 van de Helpdesk Bouwregels kan hem evenmin baten. Nog daargelaten de omstandigheid dat vragen en antwoorden bij een helpdesk wettelijke regelingen niet opzij kunnen zetten, richt het antwoord op vraag 111 zich niet op de gevolgen van het niet verstrekken van expliciet gevraagde informatie, maar over het verstrekken van onjuiste informatie. Dat laatste speelt niet in de onderhavige casus.

De door opposante overgelegde uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 onderbouwd zijn standpunt niet nu in de casus van die uitspraak na opschorting alle ontbrekende informatie alsnog wordt overgelegd en de gemeente over voldoende stukken beschikte om op de aanvraag te beslissen. Dat is anders dan hier het geval is. Hier is slechts één van de 17 opgevraagde stukken overgelegd.

Dat verweerder bij brief van 11 februari 2020 de beslistermijn heeft verlengd met 6 weken rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de termijn na 29 januari 2020 weer is gaan lopen. Hoogstens kan de vraag spelen of deze laatstgenoemde brief betekent dat opschorting vanaf 11 februari 2020 van de baan is. Maar ook bij een bevestigende reactie op deze vraag, leidt zulks niet tot de conclusie dat van rechtswege een omgevingsvergunning zou zijn verleend.

Tot slot nog de door opposante overgelegde brief uit een andere zaak waarin is vermeld dat de termijn weer gaat lopen zodra er iets wordt ingediend via OLO, ook als dat onvolledig is. Die brief komt uit een andere zaak en is andersluidend dan de brief die in de onderhavige zaak met betrekking tot het aanvullen van de aanvraag aan opposante is gestuurd. In de aangevallen uitspraak is daarop reeds ingegaan en is gesteld dat dat niet tot een ander oordeel leidt voor de onderhavige zaak. De verzetrechter volgt deze redenering.

* 10 juni 2020 (Rb Gelderland C/05/364563 / HZ ZA 20-17): BW; vervroegde onteigening, toetsing oordeel Kroon over noodzaak onteigening strook grond
3.3.  De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (waaronder HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7) bij de beoordeling van het onderhavige geschil het volgende toetsingskader dient te worden gehanteerd.

Ingevolge de taakverdeling tussen de Kroon en de onteigeningsrechter, zoals deze is vormgegeven in de Onteigeningswet (Ow) en is uitgelegd in de – mede tegen de achtergrond van art. 6 EVRM gevormde – rechtspraak, komt de onteigeningsrechter geen oordeel toe over de doelmatigheid van de voorgenomen onteigening, maar dient hij op een daartoe strekkend verweer wel de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen. Deze rechtmatigheidstoets brengt mee dat de onteigeningsrechter, voor zover de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven, dient te beoordelen of het desbetreffende besluit overeenkomstig de wet en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.

Ten aanzien van vragen die betrekking hebben op de noodzaak tot onteigening (waaronder de vraag of een zelfrealisatieverweer kan slagen) en de afweging van de betrokken belangen, dient de onteigeningsrechter te beoordelen of de Kroon in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. In beginsel dient de rechter bij de beantwoording van laatstbedoelde vragen alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht en wordt getoetst naar de omstandigheden ten tijde van de aanwijzing tot onteigening door de Kroon.

Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening is echter wel plaats – en in dat geval: naar het tijdstip van zijn uitspraak – indien hetgeen de te onteigenen partij aanvoert over de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten over de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan.
3.7.  De conclusie is dat het verweer van [gedaagde] tegen de vervroegde onteigening verworpen dient te worden. Nu bovendien alle op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, zal de vordering tot vervroegde onteigening worden toegewezen.