Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 7 oktober 2020 (ABRvS 201803268/3/R2): Awb, Wro; bpl, minicamping, ondersteunende  horeca, woon- en leefklimaat, definitie intensieve veehouderij, omschakelmogelijkheden, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201805705/​1/​A1): Awb, Wbb; ernstige bodembescherming, spoedige sanering, tijdelijke beveiligingsmaatregelen, bron verontreiniging, verricht onderzoek
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201807314/3/R3): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling boerderijcomplex woningen, karakteristieke lintstructuur, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201809237/​2/​R3): Awb, Wro; bpl, verbouwing villa tot woon- en zorgvoorziening, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 oktober 2020 (ABRvS201809634/​2/​R3): Awb, Wro; bpl, dakopbouwen, parkeren einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201902223/​1/​R2): Awb, Wro; bpl, nieuwbouwwijk in omgeving van  geitenhouderij, gezondheidsrisico’s, aanvaardbaar woon- en leefklimaat
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201903080/​1/​R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning renoveren appartementen, Bouwbesluit 2012, brandveiligheid, niveau van eisen, brandklasse gevel en plafond bergingen, WBDBO, in stand laten rechtsgevolgen (Rb Overijssel 19/251 en 19/254)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201903186/​1/​A2): Awb, Wro; planschade, eigenaar en exploitant, bpl, randweg, afname verkeer, inkomensderving, waardevermindering, voorzienbaarheid, normaal maatschappelijk risico (Rb Midden-Nederland 18/1800)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201903599/​1/​R2): Awb, Wnb; ontheffing 13 diersoorten, windmolenpark, Duits en Nederlands Natura 2000-gebied, ontvankelijkheid hoger beroep, 1%-mortaliteitscriterium, staat van instandhouding, cumulatieve effecten, stilstandvoorziening, monitoring, zelf in de zaak voorzien (Rb Gelderland 18/4674 en 18/3934)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201904166/​2/​A3): Awb; vergunning rondvaartboot, terugwerkende kracht, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201904263/​1/​R2, 201904264/​1/​R2, 201904265/​1/​R2, 201905680/​1/​R2 en 202000556/​1/​R2): Awb, Wabo; verzoek handhaving, huisvesting arbeidsmigranten, strijd met bpl, bestuurlijk rechtsoordeel (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6076, 18/8320, 19/301, 19/874 en 19/2637)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201904372/​1/​R3): Awb, Wro, Chw; bpl, supermarkt en appartementen, ontvankelijkheid, belanghebbende, marksegment en verzorgingsgebied, relativiteit, stedelijke ontwikkeling, behoeftetoets
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201904799/​1/​R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, gebruik woning als woongroep voor 5 zorgbehoevende kinderen, hinder ten gevolge van gedrag, vertouwensbeginsel (Rb Noord-Nederland 18/2888)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201906551/​1/​R1): Awb, Wabo; last onder dwangsom en invordering, verwijderen botenhuis, bouwwerk, overgangsrecht, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel (Rb Amsterdam 19/183)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201906672/​1/​R1): Awb, Wbb; verzoek handhaving, belanghebbende, gebruik rubbergranulaat voor kunststofvelden
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201907582/​1/​A3): Awb; APV, verzoek ontheffing sluitingstijden snackbar, voorwaarde gecertificeerde beveiliger
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201907627/​1/​A2): Awb, Wabo; aanwijzing boerderij als gemeentelijk monument, advies deskundige,  (Rb Noord-Nederland 19/738)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201908496/​1/​R1): Awb, Wabo; verzoek preventieve handhaving, kinderdagverblijf en bso, strijd met bpl, (Rb Noord-Holland 19/1161)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201908508/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, zonnepark, omgevingsverordening Gelderland (Rb Gelderland 19/2272)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201908727/​1/​R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, verbouw winkels en kantoren tot woningen, privaatrechtelijke belemmering (Rb Midden-Nederland 18/3739)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 201909132/​1/​R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, kantoor met 4 appartementen, parkeren (Rb Oost-Brabant 17/1889 en 17/1897)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 202000393/​1/​R4): Awb, Wabo; verzoek om handhaving, supermarkt, geluidsgevoelig gebouw (Rb Zeeland-West-Brabant 18/7317, 18/8523 en 19/4249)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 202001749/​1/​R4): Awb, Wabo; bouwstop, erfafscheiding en schuur, vergunningplicht (Rb Midden-Nederland 19/1314)
* 6 oktober 2020 (CBB 19/1219): Awb; Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, basis- en vergroeningsbetaling, subsidiabele hectares, crossbaan, onverhard pad, luchtfoto’s
* 6 oktober 2020 (CBB 19/1434): Awb; Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB,  basis- en vergroeningsbetaling, herberekening, landbouwareaal, werkzaamheden
* 5 oktober 2020 (ABRvS 202003840/2/R1): Awb, Wro; vovo, wijzigingsplan, zorgwoningen, parkeren
* 5 oktober 2020 (ABRvS 202004049/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, 47 nieuwe woningen, uitzicht, privacy, zonlicht, geluid
* 5 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/839 en LEE 20/857): Awb, Wabo:  omgevingsvergunning afwijken bp, verbouwing pakhuis tot appartementen, toepassing UOV, passeren gebrek, parkeerbeleid, relativiteit
* 2 oktober 2020 (Rb Oost Brabant 20/851,20/955, 20/966, 20/976, 20/929, 20/1014, 20/1093, 20/1142, 20/2652): Awb, Wabo, Wvw; verkeersbesluit, reconstructie N65, noodzaak, alternatieven, veiligheid, structuurvisie, stikstof, Natura 2000-gebieden, relativiteit, aanleg verharding, gebruik voorzien in bestemmingsplan
* 2 oktober 2020 (HR 2 oktober 2020 19/02697 en 19/02696): Onteigeningswet; schadeloosstelling, winbare bodembestanddelen, verdeling bij helfte, gemengde methode
* 1 oktober 2020 (Concl. PG HR 20/01544): Europees Verdrag betreffende uitlevering, CITES‑basisverordening, Wnb, WED; uitlevering, dubbele strafbaarheid, smokkel 3.400 marterstaarten
* 1 oktober 2020 (ABRvS 202003933/2/R1 en 202003933/1/R1): Awb, Wm; vovo, aanwijzing locatie ORAC, alternatieven
* 30 september 2020 (ABRvS 202004722/2/R3): Awb, Wabo, Wnb; vovo, belanghebbende, relativiteit, omgevingsvergunning voor bouwen brug; geluid bouwwerkzaamheden
* 29 september 2020 (Concl. PG HR 19/04634): CITES-basisverordening, WSr, Wnb; beschermde plantensoort, legaliteitsbeginsel, voorzienbaarheid, avas
* 29 september 2020 (Hof Den Bosch 200.267.140_01): BW; burenrecht, onrechtmatige hinder, 3,5 m hoge leibeuken, sierverlichting, lamp op achtergevel, spoedeisend belang
* 29 september 2020 (Rb Noord-Holland 19-5233): Awb, Wabo; aanlegvergunning, uitwegvergunning
* 29 september 2020 (Rb Noord-Holland 19-3773 en 19-3672): Awb; belanghebbende, procesbelang, gebruik dakterras, incidentele festiviteiten, ontheffing APV
* 29 september 2020 (Rb Amsterdam AWB – 20 _ 4781, 20_4782): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, last onder bestuursdwang, bakkerswinkel, gebruik in strijd met bestemmingsplan, onderzoeksplicht, vertrouwensbeginsel
* 29 september 2020 (Rb Oost-Brabant 19/2828): Awb, Wabo; milieuneutrale wijzging, geuremissie, geurimmissie
* 29 september 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/3830 en HAA 20/3832): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, kapvergunning 144 populieren, veiligheidsrisico, levensverwachting, landschappelijke waarde, herplantplicht
* 25 september 2020 (Rb Oost-Brabant 20/190): Awb, Wnb; ontheffing, kauwen en zwarte kraaien, procesbelang, efficiëntie kraaienvangkooien, schade niet inzichtelijk
* 24 september 2020 (CBB 20/704): EG-verordening inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, Awb; vovo, intrekking SKAL-certificaat, bespuiting met glyfosfaat, biologische uitloop
* 22 september 2020 (Rb Den Haag AWB – 19 _ 2201): Awb, Wabo; omgevingsvergunning  filterkast met afvoerpijp, legalisatie, welstand
* 17 september 2020 (Rb Gelderland AWB – 19 _ 3536): Awb; Wabo; handhaving, bed and breakfast, saunaton, bestemmingsplan, zicht op legalisatie
* 17 september 2020 (Rb Overijssel ak_20 _ 1465): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouw woning, afwijken bestemmingsplan, privaatrechtelijke belemmering
* 16 september 2020 (Rb Overijssel ak_20_1619): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning herstel gevel, vernieuwen dak bijgebouw, spoedeisend belang
* 16 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7475 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, last onder dwangsom, houden van 37 honden, agrarische bestemming, ruimtelijke uitstraling, bedrijfsmatig
* 15 september 2020 (Rb Den Haag AWB – 19 _ 4042): Awb, Wabo; last onder dwangsom, invordering, verwijderen recreatieverblijf, berging, steiger en brug, bestaande bebouwing, legalisatie
* 11 september 2020 (Concl. PG HR 19/03830): BW; niet tijdig beslissen op bouwaanvragen projectontwikkelaar, wanprestatie, onrechtmatige daad, exploitatieovereenkomst
* 31 augustus 2020 (Rb Limburg AWB – 18 _ 2169): Awb, Wabo; verzoek handhaving en invordering, beplantingsplan, stallen oldtimer, overtreding geringe aard, zelf in de zaak voorzien, overtreding 48-uursvoorschrift, prioritering
* 31 juli 2020 (Rb Midden-Nederland AWB – 20 _ 2601): Awb, Wabo, Wet Bibob; vovo, intrekking vergunning, ordemaatregel

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 7 oktober 2020 (ABRvS 201903186/​1/​A2): Awb, Wro; planschade, eigenaar en exploitant, bpl, randweg, afname verkeer, inkomensderving, waardevermindering, voorzienbaarheid, normaal maatschappelijk risico (Rb Midden-Nederland 18/1800)
14.1.    In de overzichtsuitspraak in planschadezaken van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.

De voorzienbaarheid van een planologische verandering wordt beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij wordt rekening gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat dit beleidsvoornemen een formele status heeft.

Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak te hebben aanvaard.

Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen.

In beginsel draagt het bestuursorgaan de bewijslast van de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven.

14.2.    In het advies van de SAOZ is een kopie van een persbericht over de structuurschets opgenomen. In dat persbericht is vermeld dat de structuurschets van 23 november 1992 tot en met 31 december 1992 voor een ieder ter inzage ligt bij de sector Grondgebied van de gemeente Loenen. Volgens de SAOZ is met dit persbericht voldoende aannemelijk gemaakt dat de structuurschets door middel van terinzagelegging openbaar is gemaakt.

14.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is met de enkele verwijzing naar dit persbericht niet aannemelijk gemaakt dat (het ontwerp van) de structuurschets openbaar is gemaakt.

14.4.    Bij brief van 27 maart 2020 is het college gevraagd om inlichtingen te geven over de wijze waarop de gestelde openbaarmaking van (het ontwerp van) de structuurschets is geschied, wanneer de openbaarmaking heeft plaatsgevonden en wat de precieze inhoud ervan was. Verder is het college gevraagd om aannemelijk te maken dat in dit geval sprake is van een bekendmaking van (het ontwerp van) de structuurschets die rechtvaardigt dat ervan wordt uitgegaan dat een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van de investeringsbeslissing kennis kon nemen van (het ontwerp van) de structuurschets, door onderzoek te doen in openbare bronnen, waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat een eventueel concreet beleidsvoornemen daarin gepubliceerd is.

Het college heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn gereageerd op deze brief.

14.5.    Het college heeft, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat (het ontwerp van) de structuurschets openbaar is gemaakt. Dat betekent dat het college in het besluit van 20 maart 2018, gelezen in samenhang met het besluit van 28 juli 2017, onvoldoende heeft gemotiveerd dat een deel van de door Oto Com gestelde schade voor haar ten tijde van de investeringsbeslissing op 4 april 1997 voorzienbaar was.

* 7 oktober 2020 (ABRvS 201903599/​1/​R2): Awb, Wnb; ontheffing 13 diersoorten, windmolenpark, Duits en Nederlands Natura 2000-gebied, ontvankelijkheid hoger beroep, 1%-mortaliteitscriterium, staat van instandhouding, cumulatieve effecten, stilstandvoorziening, monitoring, zelf in de zaak voorzien (Rb Gelderland 18/4674 en 18/3934)

15.1       In het bestreden besluit heeft de minister gemotiveerd waarom een stilstandvoorziening voor vogels niet nodig is. Omdat de staat van instandhouding niet in gevaar komt, is een voorziening voor dat doel niet noodzakelijk. Het opnemen van een voorziening is in dat geval wel mogelijk, maar gelet op de Slufter II-uitspraak is hiervoor een belangenafweging vereist. Deze belangenafweging heeft de minister in het besluit van 11 oktober 2018 gemaakt en in het besluit van 18 juni 2019 aangevuld. De minister acht de verhouding tussen de kosten van een stilstandvoorziening en de opbrengst in de zin van slachtofferreductie om de volgende redenen onevenredig.

Enerzijds zijn er kosten verbonden aan een stilstandvoorziening. Een vogelradar kost rond de €700.000 en het opbrengstverlies van de windturbines wordt geschat op ongeveer 3,4% (ongeveer €285.000) per jaar. Daar komt bij dat deze opbrengstvermindering niet ten bate komt van het klimaat, wat een ongewenst maatschappelijk effect geeft. Windpark Den Tol stelt dat de bovengenoemde kosten nog hoger uitvallen. Een radar is op zichzelf nog geen stilstandvoorziening: de software hiervoor moet worden ontwikkeld en geïnstalleerd. Dit is ook een grote kostenpost. Over de mogelijkheid van alternatieve systemen stelt de minister zich op het standpunt dat geen systemen bekend zijn die geen hoge kosten en vergelijkbare opbrengstverliezen met zich brengen.

Tegenover deze financiële en maatschappelijke kosten staat volgens de minister een gering effect van een stilstandvoorziening. Een voorziening kan een vrij groot effect hebben bij de gestuwde trek van trekvogels. Maar bij dit windpark is sprake van breedfronttrek (zoals aan de orde was in de situatie waar de Slufter II-uitspraak over gaat). Daarnaast is bij deze situatie het bestaande Flysafe-model – een model voor het voorspellen van vogeltrek van de Koninklijke Luchtmacht – niet bruikbaar voor een stilstandvoorziening.

Hiermee acht de minister de verhouding tussen de kosten van een stilstandvoorziening en de opbrengst in de zin van slachtofferreductie onevenredig. Voor meer lokale populaties zijn ook de gevolgen van mitigerende maatregelen dermate gering ten opzichte van de genoemde kosten, dat de minister het opleggen van een stilstandvoorziening onevenredig acht.

Overigens stelt de minister dat weliswaar op dit moment gelet op de afweging van voor- en nadelen geen voorschriften opgelegd worden met betrekking tot stilstand en monitoring voor vogels, maar dat  in de toekomst wellicht een andere afweging wordt gemaakt. In zo’n geval kan de ontheffing worden gewijzigd.

15.2.    TegenWind en NABU hebben niet concreet gemaakt welke feiten en omstandigheden in de bovenvermelde afweging onvolledig of onjuist zijn. Weliswaar stellen ze dat er alternatieven beschikbaar zijn met andere kosten en hogere opbrengsten dan waarvan de minister is uitgegaan, maar niet is gebleken van concrete systemen met wezenlijke andere kosten en opbrengsten.

De Afdeling is van oordeel dat de door de minister gegeven motivering in het besluit de conclusie dat een stilstandvoorziening opleggen onevenredig is, kan dragen.

Ook kon de minister in redelijkheid erop wijzen dat het (wetenschappelijke) onderzoek de komende tijd doorgaat en dat, mocht daar aanleiding voor zijn in de toekomst, alsnog stilstand- en monitoringsverplichtingen kunnen worden opgelegd. De omstandigheid dat de looptijd van de ontheffing meer dan 20 jaar is, betekent op zichzelf niet dat zo’n verplichting nu al moet worden opgelegd, zoals TegenWind en NABU wensen, maar de wet biedt juist de mogelijkheid om bij gewijzigde omstandigheden alsnog de ontheffing te wijzigen (artikel 5.4 van de Wnb).

* 7 oktober 2020 (ABRvS 201904799/​1/​R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, gebruik woning als woongroep voor 5 zorgbehoevende kinderen, hinder ten gevolge van gedrag, vertouwensbeginsel (Rb Noord-Nederland 18/2888)
De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank heeft overwogen dat hinder die het gevolg is van onrechtmatig gedrag en onrechtmatig handelen, bij de besluitvorming buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dat een aspect van openbare orde is
. Dat is, kortom, juist niet het gebruik waarover de aanvraag gaat. Dat, naar omwonenden stellen, meer kinderen en ook kinderen ouder dan dertien jaar op het perceel verblijven en er niet in adequaat toezicht wordt voorzien, heeft de rechtbank daarom niet betrokken bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft verder overwogen dat ook subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bepaald gebruik, geen rol kunnen spelen in de besluitvorming.

Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld, zodat de Afdeling van de juistheid hiervan uitgaat.

7.3.    Het college heeft bij de besluitvorming betrokken dat er een toename in verkeersdrukte zou zijn die niet zonder meer passend is in de rustige woonwijk. Het college heeft echter, zoals het ter zitting heeft erkend, geen onderzoek verricht naar het aantal verkeersbewegingen dat het aangevraagde gebruik met zich brengt. Het heeft bij de beoordeling ook niet betrokken dat op het perceel een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan, wat ook verkeersbewegingen, van personenauto’s of busjes, kan meebrengen. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

7.4.    Het college heeft ook het gedrag van de kinderen en de effecten daarvan op de omgeving betrokken bij de besluitvorming. Zoals de rechtbank heeft overwogen, zal als gevolg van de beperkingen van de kinderen die op het perceel verblijven, mogelijk eerder dan bij andere kinderen sprake zijn van enig ongericht, onbeheerst en/of ongeremd gedrag. Het toezicht en de begeleiding van de kinderen kan als gevolg daarvan intensief zijn. Dit kan van invloed zijn op de belasting van het woon- en leefklimaat. Het college kan dit daarom bij de besluitvorming of het van het bestemmingsplan wil afwijken betrekken. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat het college ook hiernaar geen onderzoek heeft gedaan. De Afdeling leidt uit het besluit af dat het college alleen is uitgegaan van wat omwonenden daarover hebben gesteld.

7.5.    Gelet hierop en gelet op wat de rechtbank heeft overwogen over de andere aspecten die het college aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, is naar het oordeel van de Afdeling het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig voorbereid.

8.4          De Afdeling is van oordeel dat Zorg Anders aannemelijk heeft gemaakt dat in de brief van 27 september 2017 door het college uitlatingen zijn gedaan waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college bereid was het door haar gewenste gebruik van het perceel mogelijk te maken door van het bestemmingsplan af te wijken. Deze uitlatingen zijn aan te merken als een toezegging de vergunning in beginsel te verlenen, tenzij nadien relevante nieuwe feiten bekend zouden worden of zich nieuwe omstandigheden zouden voordoen. In de brief van 27 september 2017 staat dat het college onder voorwaarden bereid is medewerking te verlenen aan het huisvesten van ten hoogste vijf kinderen met een lichtverstandelijke beperking op het perceel. Op zichzelf kan een clausule over te vervullen voorwaarden afbreuk doen aan de hardheid van de toezegging. De omstandigheid dat in de brief niet zonder voorbehoud staat dat aan de voorwaarden wordt voldaan, vindt de Afdeling echter in dit geval geen reden om de toezegging beperkt op te vatten in die zin dat Zorg Anders aan die toezegging geen verwachtingen mocht ontlenen, omdat het college op het moment van het doen van de toezegging op de hoogte was van het gebruik dat Zorg Anders van het perceel maakte en van de bezwaren die daartegen bij omwonenden bestonden. Het perceel werd immers al door Zorg Anders gebruikt en in de brief van Zorg Anders van 23 juni 2017 waren de activiteiten op het perceel beschreven. Ook in het handhavingsverzoek van omwonenden van 26 juni 2017 stond welk gebruik van het perceel werd gemaakt. Het gebruik is na de brief van 27 september 2017 niet gewijzigd.

8.5.    Dit betekent dat het college bij Zorg Anders het vertrouwen heeft gewekt dat het in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het aangevraagde gebruik zou verlenen. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

* 5 oktober 2020 (ABRvS 202003840/2/R1): Awb, Wro; vovo, wijzigingsplan, zorgwoningen, parkeren
Het college heeft ter zitting verklaard dat aangesloten is bij de parkeernorm voor aanleunwoningen en serviceflats, omdat het plan nieuwe woningen mogelijk maakt voor mensen met een zorgindicatie. Voor woningen bedoeld voor deze groep mensen kan daarom net als bij aanleunwoningen en serviceflats een parkeernorm van 1,1 worden aangehouden. De voorzieningenrechter overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze parkeernorm kan worden toegepast. Noch uit de plantoelichting noch uit de toelichting ter zitting is gebleken op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de zinsnede “woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie” in artikel 1.85 van de planregels. In de plantoelichting is vermeld dat de 113 zorgwoningen worden verdeeld in 54 middeldure huurwoningen, 56 middeldure koopwoningen en 3 respijtwoningen en dat de woningen zijn bedoeld voor zorgbehoevenden (de doelgroep 55+) Daarbij zal worden gezocht naar mensen met verschillende niveaus van zorg. De ontwikkeling voorziet in behoeftes die in de Woonagenda zijn genoemd door het toevoegen van middeldure huur- en koopwoningen en door mogelijkheden te bieden voor de huisvesting van senioren met belangrijke voorzieningen binnen handbereik, aldus de plantoelichting. Deze beschrijving van de doelgroep gaat niet uit van een geïndiceerde zorgbehoefte en geeft daaraan dus ook geen nadere duiding. In de plantoelichting is verder opgemerkt dat er gesprekken gaande zijn met het nabijgelegen Zonnehuis om bepaalde activiteiten die daar worden aangeboden ook aan de bewoners van de nieuwe zorgwoningen aan te bieden. Ter zitting is gebleken dat met het Zonnehuis geen nadere afspraken in de vorm van een contractuele relatie zijn gemaakt. De voorzieningenrechter twijfelt daarom of sprake is van een met aanleunwoningen vergelijkbare situatie. Ter zitting is van de kant van de raad geen nadere opheldering geboden over de vraag welke combinatie van wonen en zorg invulling geeft aan de in het plan geregelde koppeling met een zorgfunctie. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter de onderbouwing van de gekozen parkeernorm onvoldoende draagkrachtig, reden waarom er rekening mee moet worden gehouden dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat parkeerbehoefte onjuist is berekend. Hij ziet daarom reeds om deze reden aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening het plan te schorsen. De overige gronden behoeven om die reden geen bespreking.