Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 14 oktober 2020 (ABRvS 201800965/4/A2): Awb, Wegenverkeerswet 1994; verkeersbesluit, verkeersveiligheid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201809115/​2/​A2): Awb, Tracéwet; schadevergoeding, tracébesluit, situeringswaarde, vergoeding proceskosten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
# 14 oktober 2020 (ABRvS 201809571/1/R2): Awb, Wro, Wnb; tussenuitspraak, bpl, uitbreiding attractiepark, parkeervoorziening, verblijfsrecreatieve voorzieningen en infrastructuur, goede procesorde bij inschakeling deskundige, MER, Barro, Natuur Netwerk Brabant, herbegrenzingsbesluit, saldobenadering, ladder voor duurzame verstedelijking, verkeer, parkeernorm, geluid verkeer en inrichting, maximale invulling, stikstof, Natura 2000-gebieden, relativiteit, passende beoordeling, beschermde diersoorten, lichthinder, voorlopige voorziening
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904124/​1/​R4): Awb, Mijnbouwwet; gasproducent Noordzee, retributie, artikel 6:13 Awb, één mijnbouwwerk,
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904564/​1/​R3): Awb, Wro; bpl, uitbreiding gasterij en bierbrouwerij, bierspa, museum, vijftien herbergkamers, draagvlakonderzoek, ladder voor duurzame verstedelijking
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904594/​1/​R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken van bpl, extra bouwlaag die voorziet in vijf appartementen, beleidsregels, stedenbouwkundige beoordeling (Rb Noord-Holland 18/2309)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904616/​1/​R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken van bpl, veertien startersappartementen en tien seniorenwoningen, ontvankelijkheid, procesbelang, intentie om bouwplan uit te voeren (Rb Noord-Holland17/5121 en 18/133)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904844/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw en obm, nieuwe stal bij biologische melkgeitenhouderij, welstandsadvies, exceptieve toetsing bestemmingsplan, evidentiecriterium, gezondheidsrisico’s, VGO-rapport (Rb Midden-Nederland 18/857)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201905722/1/R1): Awb, Wabo; last onder bestuursdwang, gebruik detailhandel als horeca, strijd met bpl, overtreding, verstrekkendheid last (Rb Amsterdam 19/2898 en 19/2915)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201906279/​1/​R3): Awb, Woningwet; last onder bestuursdwang, verwijderen woonboot, gevaar voor gezondheid, verstrekkendheid last (Rb Den-Haag 18/5334)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201906916/​1/​R4): Awb, Wabo; verzoek handhaving, gebruik voormalig universiteitsgebouw, voorziening voor onderwijs, additionele horeca (Rb Midden‑Nederland 18/4651)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201907382/​1/​R3): Awb, Wro; bpl, 4 woningen op locatie groenstrook, vertrouwensbeginsel, woonbehoefte, parkeerdruk, verkeersoverlast, woon- en leefklimaat
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201907530/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw, minisupermarkt, veranderen onderpui, aanbrengen reclame, eetwinkel (Rb Amsterdam 19/4764 en 19/3632)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 201908863/​1/​R4): Awb, Wro; wijzigingsplan, bpl vernietigd
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202000454/​1/​R1): Awb, Wabo; verzoek handhaving, minisupermarkt, overtreding, gebruik in strijd met bpl (Rb Amsterdam 19/5923 en 19/5591)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202000724/​1/​R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken van bpl, 5 appartementen en 3 eengezinswoningen, stedenbouwkundige visie, privaatrechtelijke problemen (Rb Noord‑Holland 19/1149 en 19/1127)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202000960/​1/​R4): Awb, Wabo; verzoek handhaving, gebruik licht- en omroepinstallatie sportpark, melding, Activiteitenbesluit, zorgplicht, richtlijn NSVV (Rb Overijssel 19/967)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202001552/​1/​R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw, 13 lichtmasten en 12 vlaggenmasten, sportpark (Rb Overijssel 19/1297 )
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202001655/​1/​R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken van bpl, tuinschuur, vergunningsplicht, voorgevelrooilijn, voorgevel, beeldkwaliteitsplan, afwijkingenbeleid (Rb Midden-Nederland 19/1829)
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202002150/​1/​R4): Awb, Wro; bpl, appartementengebouwen, sociale huurwoningen, speelveld, openbaar groen
* 13 oktober 2020 (ABRvS 202002997/1/R1 en 202002997/2/R1): Awb, Wro, vovo en kortsluiten, bpl, sporthal, evenementen, parkeren, beleidsregels, verkeer
* 13 oktober 2020 (ABRvS 202004222/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, ophoging vergunningvrij gerealiseerd, spoedeisend belang
* 13 oktober 2020 (CBB 20/81): Europese verordening gemeenschappelijk landbouwbeleid, Awb; Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Provincie Groningen 2016, weigering inspectie, overmacht
* 13 oktober 2020 (CBB 18/2982): Verordening (EG) 853/2004, Awb, Wet dieren; boete, slachthuis, overtreding (Rb Rotterdam 17/4343)
* 13 oktober 2020 (CBB 19/1152 en 19/1153): Awb; Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, randvoorwaardenkorting, ontbreken oormerk, overmacht
* 13 oktober 2020 (CBB 19/763): Awb; Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, herberekening, verhuur betalingsrechten
* 13 oktober 2020 (CBB 19/812): Awb, Wet Dieren; boetes, dierenwinkel (Rb Rotterdam 18/282)
* 12 oktober 2020 (ABRvS 202004749/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor afwijken bpl, antennemast, welstand, quickscan natuur
* 9 oktober 2020 (HR 19/00627): VWEU, BW; aankoop bedrijfsterrein door gemeente, staatssteun, nietigheid
* 8 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20-302): Habitatrichtlijn, Awb, Wnb; Beleidsregel intern en extern salderen provincie Groningen 2019, vergunning, intern salderen, uitleg vergunningvoorschrift eerdere vergunning
* 8 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/6707): CITES-verdrag, Awb, Wnb; spoedeisende bestuursdwang, roodmaskerparkieten, overtreding, legale herkomst
* 8 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3460): Awb, Arbeidsomstandighedenwet; Arbobesluit, Beleidsregel boeteoplegging, arbeidsongeval, overtreding,
* 8 oktober 2020 (Rb Amsterdam C/13/688948 / KG ZA 20-764): BW; kort geding, selectieprocedure optierecht voor ontwikkeling woon- en voorzieningenprogramma
* 8 oktober 2020 (ABRvS 202004485/2/R3): Awb, Wro, Wabo; vovo, exploitatieplan, supermarkt en woningen, aanhoudingsverplichting, spoedeisend belang
* 7 oktober 2020 (ABRvS 202004624/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, 710 woningen, beoogde  bedrijfsuitbreiding, spoedeisend belang
* 7 oktober 2020 (ABRvS 202004554/2/R1): Awb, Wabo; vovo, obm, geitenhouderij, buiten behandeling, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 19/3081)
* 7 oktober 2020 (ABRvS 202002768/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouw en natuurmaatregelen, natuurbrug, belanghebbende (Rb Zeeland-West-Brabant 19/2566)
* 6 oktober 2020 (Hof Den Bosch 200.255.452_01): BW; ontruiming woonwagenstandplaats, huurovereenkomst, toewijzingsbeleid
* 5 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland HAA 20/4296): Awb, Woningwet; vovo, last onder dwangsom, distributiecentrum, Bouwbesluit 2012, brandveiligheid, belangenafweging voorziening
* 1 oktober 2020 (Rb Rotterdam 10/810302-19 en 10/810030-20): Wsr; verdenking omkoping gemeenteraadslid, vrijspraak
* 25 september 2020 (Rb Limburg AWB – 18 _ 1117): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen en afwijken bpl, buitenbak en galoppeerbaan voor trainen en africhten paarden, ruimtelijke gevolgen
* 25 september 2020 (Rb Den Haag AWB – 20 _ 898): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, zorgappartementencomplex, parkeren op eigen terrein, afwijken beleid, overeenkomst
* 24 september 2020 (Rb Den Haag AWB – 20 _ 6021): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouw, uitbreiden bedrijfsgebouw, stikstofdepositie, relativiteit
* 23 september 2020 (Rb Gelderland 18-6735): Awb; heffing diergezondheidsfonds pluimvee, pluimveehouder, compensatie vanwege volgelgriep, vergoeding volledige schade
* 17 september 2020 (Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba SXM2019H00125): bouw- en woningverordening, bouwvergunning 10 appartementen, Hillside Policy, ontsierend, afwijking bouwrichtlijnen, alleenstaande heuvelrug, draagkrachtige motivering
* 15 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3146): Awb; subsidie zwembad, Fonds Leefbaarheid Landelijk gebied 2019, tenderprocedure
* 7 september 20202 (Hof Arnhem-Leeuwarden Wahv 200.265.521/01): WSr; verkeersboete, bebording milieuzone
* 6 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2363) Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding, legale bebouwing onduidelijk
* 5 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4124-T): Awb, Wabo; tussenuitspraak, verzoek handhaving, strijd met bpl, geluidshinder, Activiteitenbesluit, procesbelang, illegale bewoning, onderzoeksplicht
* 5 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4928): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, bouw werktuigenberging, goede ruimtelijke ordening, reëel agrarisch bedrijf, agrarisch nut, deskundigenadvies ABC
* 29 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1985 en UTR 19/1912): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, dakopbouw, goothoogte, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 21 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE-19_6539): Awb; rioolheffing, vertrouwensbeginsel
* 8 juni 2020 (Rb Amsterdam AWB – 19 _ 4750): Awb, Wabo; last onder dwangsom, strijd met bpl, gebruik tandartspraktijk zonder gebruik woning
* 13 augustus 2019 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.215.489): BW; koopovereenkomst, non‑conformiteit koeien

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 14 oktober 2020 (ABRvS 201809571/1/R2): Awb, Wro, Wnb; bpl, tussenuitspraak, uitbreiding attractiepark, parkeervoorziening, verblijfsrecreatieve voorzieningen en infrastructuur, goede procesorde bij inschakeling deskundige, MER, Barro, Natuur Netwerk Brabant, herbegrenzingsbesluit, saldobenadering, ladder voor duurzame verstedelijking, verkeer, parkeernorm, geluid verkeer en inrichting, stikstof, Natura 2000-gebieden, relativiteit, passende beoordeling, beschermde diersoorten, lichthinder, voorlopige voorziening
32.6       Wat betreft het betoog dat onvoldoende is gemotiveerd dat binnen bestaand stedelijk gebied niet kan worden voorzien in de behoefte aan nieuwe dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, gaat de Afdeling uit van het volgende. Vast staat dat het attractiepark en de verblijfsaccommodaties van de Efteling bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, zijn. Vast staat ook dat de gronden waar het plan uitbreiding van het attractiepark en nieuwe verblijfsaccommodaties mogelijk maakt, niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat de voorziene uitbreiding niet binnen het huidige attractiepark mogelijk is. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat hij wil vasthouden aan een maximaal bebouwingspercentage van 11 procent voor het attractiepark. Dit lage bebouwingspercentage is niet alleen de wens van de Efteling, maar is ook neergelegd in gemeentelijk beleid. De raad heeft voorts naar voren gebracht dat de gewenste uitbreiding in ruimtelijk opzicht direct aansluitend aan het huidige attractiepark moet plaatsvinden, omdat splitsing van de locatie van de Efteling om logistieke redenen onwenselijk is. Dit betekent volgens de raad dat het onontkoombaar is dat het plan buiten het bestaand stedelijk gebied voorziet in de gewenste ontwikkelingen.

Hierover overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verlangt, nu het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een deugdelijke motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Gelet op de omstandigheid dat de Efteling een bestaand attractiepark is dat van oudsher op deze locatie is gevestigd, en mede gezien de bezwaren tegen splitsing van de Efteling over twee locaties, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet elders op een andere locatie binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte aan nieuwe dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen. Gegeven het feit dat in de huidige situatie ten minste 89 procent van het attractiepark van de Efteling niet is bebouwd, mist de Afdeling evenwel een nadrukkelijke motivering van de raad waarom niet in dit bestaand stedelijk gebied zou kunnen worden voorzien in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Noch uit de toelichting bij het plan, noch anderszins blijkt dat de raad heeft bezien of binnen het bestaande attractiepark gronden beschikbaar en geschikt zijn, om daar in de behoefte aan nieuwe attracties en verblijfsaccommodaties te voorzien. Enkel de wens van de Efteling en het gemeentelijk beleidsuitgangspunt om ten hoogste 11 procent van het attractiepark te bebouwen, is onvoldoende om deze beoordeling achterwege te laten. De Afdeling mist een vanuit zorgvuldig ruimtegebruik vereiste afweging tussen het al dan niet verhogen van de bebouwingsconcentratie in het attractiepark, en het al dan niet behouden van (landbouw)gronden buiten bestaand stedelijk gebied.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkelingen kan worden voorzien.

71.2       Uit het Effectrapport Inrichtingslawaai blijkt dat voor deelgebied B bij de berekening van de geluidbelasting alleen met overdekte attracties is gemodelleerd. De Afdeling stelt echter vast dat het plan in deelgebied B ook buitenattracties mogelijk maakt. Het verschil tussen overdekte attracties en buitenattracties is onder meer van belang voor het stemgeluid door gillende bezoekers in attracties. Dit aspect is voor deelgebied B niet nader onderzocht, omdat de berekening alleen op overdekte attracties is gebaseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is op dit punt niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan en is het geluidonderzoek in zoverre niet toereikend. De raad heeft gesteld dat de geluidgrenswaarden in artikel 26, lid 26.9, van de planregels waarborgen dat in deelgebied B geen buitenattracties gerealiseerd worden wanneer die tot overschrijding van de geluidgrenswaarden leiden. Dat kan echter niet tot een ander oordeel leiden, alleen al omdat die grenswaarden uitsluitend gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en niet voor het maximale geluidniveau, terwijl het stemgeluid ook van betekenis kan zijn voor het maximale geluidniveau.

(…) Volgens de raad is het stemgeluid buiten attracties ondergeschikt, maar volgens het deskundigenverslag is dit niet onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad niet zonder nader onderzoek concluderen dat het stemgeluid buiten attracties vanwege de afstand tot de woningen ondergeschikt is en daarmee niet relevant is voor de geluidbelasting.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat bij de voorbereiding van het plan geen deugdelijk onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting vanwege het attractiepark. Het plan is op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

87.3       De Afdeling volgt de raad niet in zijn standpunt dat een camperparkeerplaats met 48 standplaatsen voor zover het gaat om de mogelijke ruimtelijke gevolgen voor dit plandeel als worst-case situatie kan worden aangemerkt. De Afdeling acht gezien de oppervlakte van het perceel van ongeveer 8.000 m² aannemelijk dat hier een groter aantal campers kan worden geplaatst. In het door de raad overgelegde memo van Rho ontbreekt op dit punt een deugdelijke, cijfermatige, onderbouwing. De door de raad ter zitting gegeven motivering dat het parkeren van meer dan 48 campers niet mogelijk is vanuit veiligheidsoogpunt en daaraan verwante regelgeving, is hiertoe niet toereikend. De Afdeling overweegt daartoe voorts dat het gezien de ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het perceel niet uitgesloten is dat daar een andere ontwikkeling dan een camperparkeerplaats wordt gerealiseerd. Zo voorziet het plan bijvoorbeeld eveneens in de bouw van een verblijfsaccommodatie met een grondoppervlakte van ongeveer 1.600 m² en een bouwhoogte van 10 m. De ruimtelijke gevolgen van een dergelijke ontwikkeling heeft de raad niet in kaart gebracht.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de ruimtelijke gevolgen zijn van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt ter plaatse van het perceel ten zuiden van [locatie 3].

* 14 oktober 2020 (ABRvS 201904844/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw en obm, nieuwe stal bij biologische melkgeitenhouderij, welstandsadvies, exceptieve toetsing bestemmingsplan, evidentiecriterium, gezondheidsrisico’s, VGO-rapport (Rb Midden-Nederland 18/857)
7.1          Het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)” (hierna: VGO-rapport) over de verhoogde kans op longontsteking van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) dat is gepubliceerd op 16 juni 2017 is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en het noordelijke deel van Limburg. Uit het VGO-rapport blijkt dat het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar is. Wat de toename veroorzaakt, is nog onduidelijk, aldus het VGO-rapport. Om specifieke oorzaken van de toename van het aantal longontstekingen te achterhalen is meer onderzoek nodig. Pas dan kunnen volgens het RIVM bedrijfsgerichte maatregelen worden aanbevolen. In het rapport staat ook dat lokale kenmerken van het onderzoeksgebied, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed kunnen zijn op de bevindingen. Om die reden pleit het RIVM voor nader onderzoek in een ander deel van het land.

De rechtbank heeft overwogen dat hieruit volgt dat er dus een in verhouding klein aantal longontstekingen is dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen. Bovendien is er nog onduidelijkheid over de oorzaken van de toename van longontstekingen in de buurt van geitenhouderijen en kunnen de resultaten van het onderzoek niet zonder meer worden toegepast op andere delen van het land. De rechtbank heeft overwogen dat bij deze stand van zaken het college in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat uit het VGO-rapport niet blijkt van zodanige risico’s voor de volksgezondheid dat de geitenhouderij van [vergunninghouder] belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. Omdat de GGD haar advies van 12 september 2017 heeft gebaseerd op het VGO-rapport, acht de rechtbank het ook niet onredelijk dat het college dat advies niet heeft opgevolgd.

(…) De door de stichting en anderen ingebrachte verklaring van drs. J. van de Sande, arts, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het standpunt van het college dat de risico’s voor de volksgezondheid niet zodanig zijn dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu onredelijk is, dit met name gelet op de beoordelingsruimte die het college in deze heeft en de terughoudendheid waarmee de rechter het besluit van het college dient te toetsen.

7.2.    De Afdeling ziet in hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Zowel de GGD als de Omgevingsdienst Regio Utrecht hebben het standpunt ingenomen dat er mogelijk verhoogde gezondheidsrisico’s zijn en dat daarom het voorzorgsbeginsel moet worden gehanteerd. Vanwege (onzekere) risico’s kan uit voorzorg al dan niet worden besloten om maatregelen te nemen. Het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico in dit verband is echter primair een bestuurlijke taak. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de gegeven omstandigheden geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.

* 14 oktober 2020 (ABRvS 201905722/1/R1): Awb, Wabo; last onder bestuursdwang, gebruik detailhandel als horeca, strijd met bpl, overtreding, verstrekkendheid last (Rb Amsterdam 19/2898 en 19/2915)
3.6          Gelet op de inrichting van de Seafood Shop en de wijze waarop de ter plaatse bereide producten worden gepresenteerd, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de inrichting van het pand ten tijde van het besluit van 18 mei 2018 gericht was op het verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en het ter plaatse consumeren daarvan. In de ruimte staan tafels en stoelen en wandtafels met losse krukken. Met deze zitgelegenheid wordt uitgenodigd om de verstrekte etenswaren ter plaatse te consumeren. Dat Seafood Bar, onder verwijzing naar omzetgegevens van de maanden januari 2019 tot mei 2019, stelt slechts 35% van haar inkomen te genereren uit producten die bestemd zijn voor consumptie direct ter plaatse doet niet aan de geconstateerde aard, uitstraling en inrichting van de Seafood Shop af. Nu dit stuk daarnaast niet ziet op de periode voorafgaand aan het besluit van 18 mei 2018, komt daaraan niet de betekenis toe die zij daaraan gehecht zou willen zien.

3.7.    Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het gebruik van de Seafood Shop ten tijde van het besluit van 18 mei 2018 was aan te merken als horeca-1 en niet als detailhandel, waardoor er strijd met artikel 3.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan is.

Het college was gelet daarop bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.

10.4       De Afdeling volgt de rechtbank echter niet in haar overweging dat de last niet verder strekt dan nodig is om de overtreding te beëindigen. Het college heeft meerdere malen te kennen gegeven dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan als in beperkte mate voedsel wordt verkocht voor directe consumptie. De last bepaalt echter dat het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het pand voor horeca-1 alleen kan worden beëindigd, indien de totale verkoop voor directe consumptie wordt gestaakt. Hierdoor strekt de last verder dan noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het college ter zitting heeft gesteld dat verkoop van een broodje vis of een haring aanvaardbaar moet worden geacht voor consumptie ter plekke.

* 8 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20-302): Habitatrichtlijn, Awb, Wnb; Beleidsregel intern en extern salderen provincie Groningen 2019, vergunning, intern salderen, uitleg vergunningvoorschrift eerdere vergunning

4.5.1      De rechtbank stelt vast dat aan de verleende vergunning ingevolge de Nbw d.d. 13 juni 2007 voorschrift 5 met betrekking tot de looptijd van de vergunning is verbonden. Dit voorschrift luidt als volgt:

“De vergunning geldt qua toestemming voor realisatie van de installatie tot 31 december 2010. De vergunning geldt qua toestemming voor het in de passende beoordeling vastgelegde beoogde gebruik (en productie-omvang) en regulier onderhoud van de installatie vanaf het moment van afgifte tot een eventuele wijziging in dit gebruik c.q. de vergunde productie-omvang. Een dergelijke voorgenomen wijziging dient aan de regiodirecteur Noord kenbaar gemaakt te worden (t.a.v. het Nb-wet team).”

4.5.2.     Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag op welke wijze het in rechts-overweging 4.5.1. weergegeven voorschrift 5 van voormelde Nbw-vergunning dient te worden uitgelegd. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.3.     De rechtbank overweegt dat de rechtszekerheid doorgaans met zich brengt dat bij de uitleg van een aan een Nbw-vergunning verbonden voorschrift als voorschrift 7 zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de letterlijke tekst daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091). Een uitleg die aansluit bij het doel, de strekking of het systeem van de voorschriften komt veelal pas aan de orde als de tekst van het betrokken voorschrift onduidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzondering zich in dit geval niet voor. In dit verband heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting uiteengezet dat in voormeld voorschrift niet meer gelezen kan worden dan dat de geldigheid van de vergunning vervalt, indien er sprake is van een wijziging van het beoogde gebruik en dat dit niet aan de orde is. Verder heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting in dit verband verklaard dat er geen sprake is van een hogere emissie en dat om die reden een wijziging van de vergunning niet aan de orde is. Volgens de gemachtigde van verweerder brengt een redelijke uitleg van voormeld voorschrift 5 uit een oude vergunning dan ook met zich dat een wijziging dient te worden gemeld en dat daarna wordt beoordeeld of dit tot een wijziging van de vergunning heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door verweerder voorgestane, redelijke uitleg van voormeld voorschrift 5 in dit geval niet worden gevolgd, omdat die zich niet verhoudt met de letterlijke lezing van dit voorschrift (vgl. AbRvS, 2 september 2020, ECLI: NL:RVS:2020:2091). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er in dit geval sprake is (geweest) van een wijziging van de productie-omvang van de installatie als gevolg van een in 2013 verleende omgevingsvergunning. Gelet hierop is op grond van een letterlijke interpretatie van voormeld voorschrift 5 de Nbw-vergunning d.d. 13 juni 2007 komen te vervallen. In hetgeen partijen hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het uitgangspunt dat in het kader van de rechtszekerheid bij de uitleg van voorschrift 5 van de Nbw-vergunning zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de letterlijke tekst daarvan. Van een onduidelijke tekst of formulering in voormeld voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Evenmin kan gezegd worden dat de tekst van voormeld voorschrift zich niet verhoudt met de doelstelling of de bedoeling van de Nbw. De ter zitting naar voren gebrachte stelling van verweerder dat er sprake is van een oude vergunning leidt de rechtbank, wat daar verder ook van zij, niet tot een andere conclusie.

Uit de voorgaande overwegingen volgt, los van de vraag of intern salderen in dit specifieke geval tot de mogelijkheden behoort, dat met de in 2013 verleende omgevingsvergunning de productie-omvang van de installatie is gewijzigd en dat op grond van voormeld voorschrift daarmee de Nbw-vergunning d.d. 13 juni 2007 is komen te vervallen. Deze grond van eisers slaagt.

5.            Uit rechtsoverweging 4.5.3. volgt dat de door Arcadis opgestelde passende beoordeling gebaseerd is op het onjuiste uitgangspunt dat de eerder verleende Nbw-vergunning d.d. 13 juni 2007 ten tijde van het opstellen daarvan nog bestond. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder voormelde passende beoordeling voor het onderhavige project niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verweerder in dit geval toepassing heeft gegeven aan artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb zonder dat er voor het onderhavige project in zijn geheel een toereikende passende beoordeling is gemaakt, terwijl die in dit geval wel is vereist.