Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 21 oktober 2020 (ABRvS 202001497/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, aanbieden bedrijfsafval buiten de daarvoor vastgestelde tijden, afvalstoffenverordening
* 21 oktober 2020 (ABRvS 202000175/1/R4): Awb, Wro; bpl, nieuwe weg, verkeersveiligheid
* 21 oktober 2020 (ABRvS 202000147/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke plaatsing van tiny houses, overlast aggregaten (Rb Noord-Holland 19/1417)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 202000143/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, aannemersbedrijf, verharden terrein en stallen containers, geluid (Rb Gelderland 18/6429, 18/6459 en 18/6465)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201908954/1/R2): Awb; invordering dwangsommen, bevoegdheid, geen verjaring, geen bijzondere omstandigheden (Rb Limburg 18/1728)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201908855/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen overkapping/pergola, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 19/1662)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201908045/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, schuilplaats dieren, locatie, relatie bpl (Rb Oost-Brabant 19/926)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201907770/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, asielzoekerscentrum, belanghebbenden, welstand, tussenuitspraak (Rb Gelderland 19/395)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201906826/1/R4): Awb, Wro; bpl, sportschool, belanghebbenden, concurrentie/relativiteit
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905975/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, akkerbouwbedrijf/distilleerderij, geen ondergeschikte functie, strijd met bpl(Rb Zeeland-West-Brabant 18/5586)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905929/1/R4): Awb; invordering dwangsommen, overtreding milieuvergunning, geluid, opnames/onbemande metingen
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905644/1/R1): Awb, Wro; bpl, centrum, supermarkt, appartementen, provinciale omgevingsverordening/detailhandelsstructuur, Ladder/Bro, behoefte
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905090/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, belanghebbendheid, relativiteit (Rb Noord-Nederland LEE 18/2657 en 19/605)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905036/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, winkel/appartementen, woon- en leefklimaat, geur, pluimstijging (Rb Noord-Nederland 18/3949 en 18/4038)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201904052/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, ontsluiting, verkeer, belanghebbenden, verkeersmodel/CROW
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201901761/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken en milieu, uitbreiding veehouderij, m.e.r.-plicht, geur/Wgv/Rgv, luchtwassing, geurrendement (Rb Oost-Brabant 17/2389)
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201901401/1/R3): Awb, Ontgrondingenwet, Wnb; vergunningen en ontheffing, zilverzandwinning, Natura 2000-gebied, ontwikkelingsvisie, provinciaal omgevingsplan, maatschappelijke meerwaarde, archeologische objecten, belangenafweging, hydrologie/model, passende beoordeling, cumulatieve effecten, stikstof/PAS, AERIUS, tussenuitspraak
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201810215/1/R2): Awb, Wro; bpl, actualisering, categorie-aanduiding
* 21 oktober 2020 (ABRvS 201810045/1/R2): Awb, Wro; reactieve aanwijzing, bedrijventerrein, verbod op mestverwerkende bedrijven, strijd met provinciaal beleid, inzet andere bevoegdheden
* 20 oktober 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2366): Awb, Wabo; handhaving, preventieve last onder dwangsom, bewoning pand, strijd met bpl, ambtelijke mededeling/antikraak
* 20 oktober 2020 (CBb 19/138, 19/400, 18/2939, 18/2940, 18/2941, 19/402, 19/399, 19/364, 19/305 en 19/289): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, biologisch melkveebedrijf, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, geen uitzonderingspositie, knelgevallenregeling, melding bijzonder omstandigheden, voorzienbaarheid, grondgebondenheid/korting, Nitraatrichtlijn
* 20 oktober 2020 (CBb 19/1337, 19/913, 19/1151 en 19/1333 en 19/1338): Awb; betalingsrechten, Verordening (EU), GLB, (referentie)percelen, verruiging, water, toplaag van geel zand en greppels
* 20 oktober 2020 (CBb 18/2334 en 18/1982): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid
* 20 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2449): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij op zolder, bevoegdheid
* 19 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/303): Awb, Waterwet; vergunning, handelingen in watersysteem/beschermingszone, wegverbinding, belanghebbenden, grondwater/stortplaats, Natura 2000-gebied
* 19 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant  SHE 20/297, SHE 20/463 en SHE 20/464): Awb, Waterwet; vergunning, onttrekken grondwater, Natura 2000-gebied, wegverbinding, verspreidingsrisico’s, vernattingsmaatregel vanwege de stikstofdepositie
* 19 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/299): Awb, Waterwet; vergunning, aanleggen brug, Natura 2000-gebied, wegverbinding, vernattingsmaatregel vanwege de stikstofdepositie, grondwateronttrekking, beekprik
* 19 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2944 en SHE 19/2958): Awb, Wnb; vergunning, aanleg en ingebruikname van nieuwe verbindingsweg, Natura 2000-gebied, stikstofdepositie, passende beoordeling, maatregelen, beheerplan
* 19 oktober 2020 (Rb Gelderland AWB 20/3813 en AWB 20/3826): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, gebruik recreatiewoningen door arbeidsmigranten, strijd met bpl, belanghebbenden, veel woningen/begunstigingstermijn
* 16 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/3169): Awb, Opiumwet, Gmw; verzoek niet over te gaan tot de ten uitvoerlegging van eerder bestuursdwangbesluit, sauna, ontvankelijkheid
* 16 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4827 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen, wilg, ontvankelijkheid
* 15 oktober 2020 (ABRvS 202004075/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, transformatorstation, noodzaak, m.e.r.-(beoordelings)plicht
* 15 oktober 2020 (ABRvS 202004436/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen op voormalig sportterrein, gebiedsvisie
* 15 oktober 2020 (EH C‑813/18 P): Hogere voorziening, milieu-etikettering en verpakking van bepaalde stoffen en mengsels, indeling van anthrachinon, kankerverwekkendheid, uitleg en toepassing van verordening nr. 1272/2008, verdraaiing van feiten en bewijsmateriaal
* 14 oktober 2020 (ABRvS 202004470/3/R2): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, garage/berging (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6552 en 20/6553)
* 14 oktober 2020 (EH C-629/19): Prejudiciële verwijzing, begrip afval, zuiveringsslib, beëindiging van de afvalfase, behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling
* 14 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8619 GEMWT VV): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, overlast, openbare orde
* 13 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/3550 HOREC): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, APV, planregels, overgangsrecht
* 13 oktober 2020 (Hof Den Bosch 200.263.573/01): BW; wateroverlast, reconstructie weg met fietspad, deskundigenbericht wenselijk
* 12 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8119 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 9 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1869 en SHE 20/2707): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, banket-, biscuit- en chocoladefabriek, overlast, Activiteitenbesluit, geluid, maatwerkvoorschriften
* 9 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant 375940 KG ZA 20-451): BW; kort geding, ontruiming huurwoning, ernstige en frequente overlast door huurders
* 9 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/5192): Awb; vovo, handhaving, afstandseis uit COVID-19-Noodverordening, treinen NS, belanghebbende
* 9 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8747 BESLU VV): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, uitbreiding 30 kilometerzone
* 9 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8194 OPIUMW VV en BRE 20/8195 OPIUMW): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 8 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3010): Awb, Wm; verzoek om preventieve handhaving uitbreiding veehouderij, Activiteitenbesluit, geur, afstand
* 8 oktober 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/4863): Awb, Gmw; vovo, standplaatsvergunning, oliebollenkraam, APV, vertrouwensbeginsel, ondeugdelijke belangenafweging
* 8 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8227 HOREC VV en 20/8242 HOREC VV): Awb, DHW, Gmw; vovo, handhaving, sluiting horeca’s, geen vergunningen, slecht levensgedrag
* 7 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/4057): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting inrichting, APV, onderdelen gestolen auto’s, motivering
* 7 oktober 2020 (Rb Limburg C/03/273654 / HA ZA 20-65): BW; onrechtmatige hinder, geluidnorm, bedrijf, parkeren vrachtwagens
* 7 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8344 BESLU VV): Awb, Opiumwet; ontheffing, teelt cannabis voor handelsgerelateerde doeleinden, Geneesmiddelenwet, derogatie Opiumwet
* 6 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4374 en SGR 20/3258): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen, illegale bouwwerken, geïncorporeerd gedoogbesluit/ontvankelijkheid
* 6 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4807): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, staken gebruik woning, dienstwoning bij glastuinbouwbedrijf, strijd met bpl, belangenafweging
* 6 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/4604): Awb, Wnb; vovo, handhaving, verstoring vleermuizen door bouw woning, quickscan
* 1 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/2194 en SGR 19/2248): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanleggen overstapvoorzieningen voor kanovaarders, belanghebbenden
* 30 september 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2209): Awb, Svw; aanwijzing snelvaargebieden, BABS/BPR, provinciaal beleid, natuurtoets/stikstofdepositie, veiligheid, geluid, motivering
* 30 september 2020 (Rb Den Haag SGR 19/5156): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, verruiming openingstijden, bpl/overgangsrecht
* 28 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7931 GEMWT VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, brug zomerwoning, geen vergunning
* 24 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8107 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, garage in achtertuin, relatie bpl
#! 25 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3147, 19/3150, 19/3152, 20/1511 en 20/1513): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen/invordering, milieuvergunningen, houtverwerkend bedrijf, stofhinder, BBT, Activiteitenbesluit, zorgplicht, bronemissies, norm diffuse stofverspreiding, maatregelen, good housekeeping
* 11 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8098 VV): Awb, Wabo; vovo, tijdelijke ontsluitingsweg, brief niet op rechtsgevolg gericht, connexiteit
* 10 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5579 WET): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, overschrijden van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen en de gebruiksnorm dierlijke meststoffen
* 29 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2127 WABOA): Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning voor bouwen, vervangende recreatiewoning, welstand, motivering
#! 26 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 17/5110 en 17/6303): Awb, Gmw; handhaving, voetballen, ballenvangers/hekwerken, APV, geluidhinder, Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, pieken, stemgeluid

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 21 oktober 2020 (ABRvS 201905036/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, winkel/appartementen, woon- en leefklimaat, geur, pluimstijging (Rb Noord-Nederland 18/3949 en 18/4038)
4.1.    In het ‘Advies Lucht’ van 24 april 2019, dat het college aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, staat dat de inrichting in ieder geval sinds 1984 ter plaatse is gevestigd. Er zijn geen geurklachten bekend. Ook zijn er geen waarnemingen van het bevoegd gezag die duiden op mogelijke geurhinder. Er is geen reden om aan te nemen dat in de huidige situatie sprake is van overschrijding van een aanvaardbaar niveau van geurhinder. Daarbij is ervan uitgegaan dat aan beide zijden van de cafetaria zich woningen op de eerste verdieping bevinden.

Verder staat er in het advies dat op grond van het bestemmingsplan in het voorste deel van het gebouw op het perceel al woningen zijn toegestaan. De afwijking van het bestemmingsplan ziet wat deze woningen betreft alleen op de overschrijding van de toegestane goothoogte en afwijkende dakhelling. In het achterste deel van het gebouw is geen woonfunctie toegestaan.

In het advies is vermeld dat de lucht uit de schoorsteen de lucht betreft die boven de frituur en bakplaat wordt afgezogen. Deze afvoer is de maatgevende geurbron. Volgens het advies stijgen schoorsteenpluimen over het algemeen nog enige tijd door na het verlaten van de schoorsteen. De hoogte die de pluim boven de schoorsteen stijgt wordt ook wel pluimstijging genoemd en is onder andere afhankelijk van de uittredesnelheid, de warmte-inhoud van de afgassen en van het weer. De effectieve schoorsteenhoogte, dat is de som van de schoorsteenhoogte en de pluimstijging, is een belangrijke parameter voor de verspreiding van de pluim. In het advies staat dat de verspreiding van de uittredende dampen van de inrichting gunstig wordt beïnvloed door de uitvoering van de schoorsteen met een deflectorkap en door de fysische parameters van de dampen zelf (uittredesnelheid, temperatuur). Door de uittredesnelheid stijgt de uitgestoten lucht als een kolom tot grotere hoogte dan de bovenzijde van de schoorsteen, voordat deze lucht zich begint te verspreiden. Het effect van pluimstijging is dat het langer duurt voordat luchtverontreinigende stoffen de grond bereiken en ze bovendien sneller worden verdund. Daardoor zijn de concentraties in de omgeving van de schoorsteen lager dan in de situatie zonder pluimstijging. In het advies wordt met betrekking tot de appartementen in het voorste deel van het gebouw geconcludeerd dat hierdoor verwacht wordt dat de geurbelasting tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Over de appartementen in het achterste deel van het gebouw is in het advies vermeld dat deze verder weg zijn gelegen van het emissiepunt van de frituur dan de al aanwezige woning en de op grond van het bestemmingsplan toegestane woningen. De afvoer is ongeveer 7 m hoger dan het dak van de appartementen in het achterste deel. Verwacht mag worden dat de dampen zich zodanig verspreiden dat deze bij de appartementen op de begane grond niet leiden tot een hinderlijke waarneembaarheid, aldus het advies.
4.3.    In het rapport van Witteveen + Bos wordt de veronderstelling in het ‘Advies lucht’ dat de frituur geur zich ten opzichte van de beoogde appartementen op de begane grond voldoende zal verspreiden gezien de hoogte van het emissiepunt (hoogte van de schouw + de pluimstijging) en de redelijk vrijstaande positie van de schoorsteen juist geacht. In het rapport is echter vervolgens opgemerkt dat dit alleen geldt voor de situatie zonder de bouw van de appartementen in het voorste deel van het gebouw. Door deze bouw wordt de lijwervel achter de bebouwing bij wind uit noord tot noordoostelijke richting groter dan nu het geval is. Dit zou volgens het rapport kunnen leiden tot een verhoogde immissieconcentratie ter hoogte van de lager gelegen appartementen, waardoor eventuele hinder niet kan worden uitgesloten.

De Afdeling ziet in het rapport van Witteveen + Bos geen aanleiding om wat betreft de geurhinder bij de appartementen in het achterste gedeelte van het gebouw niet van het ‘Advies Lucht’ van 24 april 2019 uit te gaan. De Afdeling betrekt hierbij het door het college in hoger beroep overgelegde advies van de Vakgroep Luchtemissies van de Omgevingsdienst van 27 november 2019. Daarin staat dat in de bestaande situatie de windstroming door de bestaande bebouwing aan de noord- en zuidzijde van de Vechtstraat al wordt verstoord. Gelet hierop en het feit dat de nieuw te bouwen appartementen op het voorste deel van het gebouw niet of nauwelijks hoger worden dan de bestaande bebouwing ontstaat geen grotere lijwervel achter de appartementen, aldus dat advies. Dit hebben [appellante sub 1] en anderen niet bestreden.

* 14 oktober 2020 (EH C-629/19): Prejudiciële verwijzing, begrip afval, zuiveringsslib, beëindiging van de afvalfase, behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling
54      Het voorwerp van het hoofdgeding is in dit geval de vraag of het zuiveringsslib dat afkomstig is uit de door Sappi en het Wasserverband gezamenlijk geëxploiteerde waterzuiveringsinstallatie moet worden gekwalificeerd als „afvalstof” en of de verbranding ervan derhalve onder de voor afvalstoffen geldende bepalingen valt. In voorkomend geval is voor de aanpassingen aan de ketel van Sappi en de verbrandingsinstallatie voor het restafval van het Wasserverband krachtens het nationale recht een vergunning vereist.

55      Sappi stelt dat dit niet het geval is, aangezien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zuiveringsslib voor bijna 100 % bestaat uit plantaardige residuen, het resultaat is van een productieproces voor papier en cellulose, al in het ontwerp van de installatie is opgenomen en wordt gebruikt voor de nuttige toepassing van energie bij de productie van papier. Het slib levert deze onderneming dus een aanzienlijk economisch voordeel op. Omdat er sprake is van een gesloten gebruikscyclus met 24-uurs transport via transportbanden, is er geen enkele stof waarvan de houder zich zou willen ontdoen.

56      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat dit zuiveringsslib, in het productieproces van Sappi, ontstaat tijdens de gezamenlijke behandeling van industrieel en, voor een klein deel, huishoudelijk of stedelijk afvalwater in de zuiveringsinstallatie en dat het na mechanische droging wordt gebruikt in een installatie voor de verbranding van restafval met het oog op de terugwinning van energie door middel van stoomproductie. Op grond van deze heropname van het zuiveringsslib in het systeem en de permanente en continue, emissieneutrale verbranding ervan voor de productie van stoom in het proces voor papierproductie, is de nationale rechter van oordeel dat dit slib voortdurend, onmiddellijk en met zekerheid wordt gebruikt.

57      Zoals uit de in de punten 41 en 42 van dit arrest genoemde rechtspraak volgt, wordt het begrip „afvalstof” gedefinieerd als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

58      In dit verband moet worden vastgesteld dat het feit dat in de zuiveringsinstallatie slechts een klein gedeelte stedelijk afvalwater wordt toegevoegd aan het afvalwater dat afkomstig is van de productie van papier en cellulose, irrelevant is om te bepalen of het zuiveringsslib dat het resultaat is van de gezamenlijke behandeling van dit afvalwater, al dan niet een „afvalstof” vormt.

59      Alleen deze uitlegging garandeert dat de door richtlijn 2008/98 beoogde doelstellingen om de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen voor de menselijke gezondheid en het milieu tot een minimum te beperken, worden geëerbiedigd. In een dergelijk geval kan het afvalwater van de productie van papier en cellulose immers niet worden gescheiden van het huishoudelijk of stedelijk afvalwater en kan het slechts nuttig worden toegepast of worden verwijderd indien het de nodige behandeling ondergaat die vereist is krachtens het nationale recht. Het staat echter vast dat huishoudelijk of stedelijk afvalwater moet worden beschouwd als een stof waarvan de houder zich heeft ontdaan.

60      Uit het voorgaande volgt dat, behoudens de door de verwijzende rechter te verrichten controles, het in het hoofdgeding aan de orde zijnde afvalwater moet worden beschouwd als een stof waarvan de houder zich wenst te ontdoen, zodat het kwalificeert als „afvalstof” in de zin van richtlijn 2008/98.

61      Volgens de informatie in het aan het Hof overgelegde dossier is de zuivering van dergelijk afvalwater een behandelingsproces dat krachtens de nationale wetgeving inzake waterbeheer voorafgaat aan de lozing van afvalwater in een waterloop, aangezien hierin alleen niet-schadelijke stoffen mogen worden geloosd. In dit verband blijkt uit de elementen van dit dossier dat zuiveringsslib, afhankelijk van het soort afvalwater en de behandeling, bepaalde schadelijke stoffen kan bevatten, zoals ziekteverwekkende kiemen of zware metalen, die een risico vormen voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier.

62      Met betrekking tot het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zuiveringsslib staat vast dat het een residu is van de zuivering van afvalwater. Een dergelijk element vormt, zoals blijkt uit de in de punten 46 en 47 van dit arrest genoemde rechtspraak, een aanwijzing dat de status van afvalstof wordt gehandhaafd.

63      De nationale rechter blijkt echter van oordeel te zijn dat zuiveringsslib ook vóór de verbranding niet meer als „afvalstof” zou kunnen worden aangemerkt.

64      In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2008/98 de voorwaarden zijn vastgesteld waaraan de specifieke criteria moeten voldoen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke afvalstoffen – wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan – niet langer „afvalstoffen” in de zin van artikel 3, punt 1, van die richtlijn zijn.

65      Bij de nuttige toepassing van afval moet een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu worden gewaarborgd. Met name de nuttige toepassing van zuiveringsslib brengt bepaalde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid met zich mee, in het bijzonder in verband met de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Tallinna Vesi, C60/18, EU:C:2019:264, punt 28).

66      In casu moet worden vastgesteld dat, in het geval dat de verbranding van zuiveringsslib zou bestaan in een behandeling voor „nuttige toepassing” in de zin van artikel 3, punt 15, van richtlijn 2008/98 betreffende handelingen met betrekking tot afvalstoffen, dit slib op het moment van de verbranding ervan nog steeds als „afvalstof” zou moeten worden geclassificeerd. Een wijziging in de fase zoals die welke door de nationale rechter wordt genoemd, zou dus veronderstellen dat de behandeling met het oog op een nuttige toepassing het mogelijk maakt zuiveringsslib te verkrijgen dat voldoet aan een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, zoals vereist door richtlijn 2008/98, en dat met name vrij is van elke gevaarlijke stof. Daartoe moet worden nagegaan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zuiveringsslib veilig is.

67      Het is aan de nationale rechter om na te gaan of de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98 reeds vóór de verbranding van het zuiveringsslib zijn vervuld. Met name dient in voorkomend geval op basis van wetenschappelijke en technische analyses te worden nagegaan dat het zuiveringsslib voldoet aan de wettelijke grenswaarden voor verontreinigende stoffen en dat de verbranding ervan over het geheel genomen geen schadelijke gevolgen heeft voor het milieu of de menselijke gezondheid.

68      In het kader van deze beoordeling is het met name van belang dat de bij de verbranding van het zuiveringsslib geproduceerde warmte wordt hergebruikt in een proces voor de productie van papier en cellulose, en dat een dergelijk proces een aanzienlijk voordeel oplevert zowel voor het milieu wegens het gebruik van materialen die zijn teruggewonnen teneinde natuurlijke hulpbronnen te behouden, als voor het creëren van een circulaire economie.

69      Mocht de nationale rechter op basis van een dergelijke analyse vaststellen dat de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98 vóór de verbranding van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zuiveringsslib waren vervuld, moet worden geoordeeld dat dit slib geen afvalstof is.

70      In het tegenovergestelde geval zou moeten worden geoordeeld dat het genoemde zuiveringsslib op de datum van die verbranding nog steeds onder het begrip „afvalstof” valt.

71      In die omstandigheden, en voor zover uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/98 blijkt dat de hoedanigheid van „bijproduct” en de afvalstatus elkaar uitsluiten, hoeft niet te worden onderzocht of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde slib moet worden aangemerkt als een „bijproduct” in de zin van die bepaling.

72      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder a), artikel 3, punt 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/98 aldus moeten worden uitgelegd dat zuiveringsslib dat ontstaat bij de gezamenlijke behandeling van industrieel afvalwater en huishoudelijk of stedelijk afvalwater in een zuiveringsinstallatie en dat in een installatie voor de verbranding van restafval wordt verbrand met het oog op energieterugwinning door middel van stoomproductie, niet als afvalstof moet worden beschouwd indien de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van die richtlijn 2008/98 reeds vóór de verbranding ervan zijn vervuld. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.

#! 25 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3147, 19/3150, 19/3152, 20/1511 en 20/1513): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen/invordering, milieuvergunningen, houtverwerkend bedrijf, stofhinder, BBT, Activiteitenbesluit, zorgplicht, bronemissies, norm diffuse stofverspreiding, maatregelen, good housekeeping
15. De rechtbank overweegt dat de Wabo in artikel 2.1, eerste lid, onder e, (voorheen: de Wm in artikel 8.1, eerste lid), niet het bezit van een omgevingsvergunning gebiedt maar alleen het in werking zijn of veranderen van een inrichting zonder omgevingsvergunning verbiedt. Op die laatste situatie ziet de last echter niet, daargelaten de vraag of deze situatie zich hier voordoet. Ook de RIE waarnaar verweerder in het verweerschrift heeft verwezen, kent niet de verplichting van één integrale vergunning. Dat een integrale vergunning toetsing aan BREF’s vergemakkelijkt, maakt dit niet anders. De uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, waarnaar verweerder verwijst, ziet op een andere situatie dan hier aan de orde. In die uitspraak speelde de situatie dat op één perceel twee verschillende vergunningen van kracht zijn met mogelijk verschillende voorschriften die hetzelfde onderwerp regelen en ging het bovendien om verlening van een vergunning. Hier is aan de orde de situatie dat twee bestaande vergunningen gelden voor van elkaar te onderscheiden delen van een inrichting, welke delen elkaar niet overlappen.

Een dwangsombesluit dient ingevolge het tweede lid van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht er toe te strekken dat de overtreding ongedaan wordt gemaakt of dat verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding wordt voorkomen. De door verweerder opgelegde last onder dwangsom is gericht op het niet, binnen 16 weken na verzending van de dwangsombesluiten, beschikken over één de hele inrichting omvattende revisievergunning en strekt daarmee dus niet tot het ongedaan maken van enige overtreding. Dit is in strijd met artikel 5:32, tweede lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3397).
25. Zoals de Afdeling meermaals heeft geoordeeld is overtreding van de zorgplicht als bedoeld in het Abm uitsluitend aan de orde in gevallen waarvoor dat besluit geen uitputtende regeling bevat (uitspraken van 10 augustus 2011, ECLi:NL:RVS:2011:BR4631, 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:174 en 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2881). Paragraaf 3.4.3 en in het bijzonder het daarvan onderdeel uitmakende artikel 3.32 van het Abm heeft betrekking op het op- en overslaan van inerte goederen zoals hier aan orde, maar bevat geen uitputtende regeling daarvoor. Hieruit volgt dat overtreding van de zorgplicht ten aanzien van de zogenoemde diffusie stofemissies aan de orde kan zijn. In onder meer de eerstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling verder geoordeeld dat bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van de zorgplicht uitsluitend kunnen worden getroffen wanneer het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat “de zorgplicht zoals geregeld in het Abm een aantal begrippen bevat die nadere invulling behoeven, en waarbij niet één invulling als de enig juiste kan worden beschouwd. De vragen wanneer nadelige milieugevolgen niet voldoende worden voorkomen en wanneer redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze gevolgen worden voorkomen, kunnen bijvoorbeeld afhankelijk van de gekozen weging van alle relevante factoren op verschillende manieren worden beantwoord. Dit betekent dat niet in alle gevallen een eenduidig antwoord bestaat op de vraag waartoe de norm in een concreet geval exact verplicht”. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat overtreding van de zorgplicht eerder aan de orde kan zijn wanneer door eenvoudige, gemakkelijk te treffen maatregelen (bijvoorbeeld) stofverspreiding buiten de inrichting kan worden voorkomen of beperkt, terwijl die maatregelen niet worden getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door de diverse controles en het rapport van Buro Blauw, in combinatie met het klachtenpatroon, niet alleen voldoende aangetoond dat eiseressen artikel 3.32 van het Abm hebben overtreden, maar ook voldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting dermate veel stofemissie optreedt dan wel kan optreden dat voor eiseressen onmiskenbaar is dat van hen redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij de stofemissie van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting door good housekeeping voorkomen of in ieder geval beperken. Hierbij is niet van doorslaggevend belang dat er, zoals de StAB heeft onderschreven, in Nederland geen wettelijk toetsingskader geldt voor stofdepositie rond bedrijven. Dat de StAB de door Buro Blauw genoemde grenswaarden voor stofdepositie niet geschikt acht om te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare stofhinder buiten de inrichting, dat de StAB van mening is dat er onvoldoende basis is om op grond van de depositiemetingen van Buro Blauw de kwantitatieve overschrijding van de grenswaarde objectief vast te stellen en dat dit rapport onvoldoende basis vormt om op grond daarvan handhavend te kunnen optreden, laat ook volgens de StAB onverlet dat verweerder in het kader van de door de drijvers van de inrichting te betrachten zorgplicht eisen kan stellen aan het toepassen van good housekeeping en het treffen van mogelijke maatregelen kan verlangen om de stofemissie buiten de inrichting te voorkomen of in ieder geval te beperken. Omdat eiseressen daarin tekort zijn geschoten, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd eiseressen een last onder dwangsom op te leggen om de stofemissie bij de op- en overslagactiviteiten door het treffen van good housekeepingmaatregelen en het bijhouden daarvan in een logboek te beperken. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.
27. De rechtbank stelt vast dat verweerder last 8.2.2, voor zover die ziet op de gekanaliseerde emissies, tevens heeft gebaseerd op overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Dat geldt ook voor de overige activiteiten binnen de inrichting waardoor stofoverlast optreedt. Dit betreft de andere activiteiten dan de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting, waarvan verweerder een overzicht heeft gemaakt. De Afdeling heeft in onder meer de door verweerder genoemde uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3493 (Grieks specialiteitenrestaurant Corfu) overwogen dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit, gelet op de nota van toelichting (Stb. 2011, 416, blz. 342-343), een restbepaling is die door het bevoegd gezag kan worden toegepast indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is om op te treden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervóór onder 25 in het kader van de zorgplicht is overwogen. Ook ten aanzien van de onderhavige activiteiten is de rechtbank van oordeel dat verweerder door de controles en het rapport van Buro Blauw in combinatie met het klachtenpatroon voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting waarbij sprake is van gekanaliseerde emissies en andere activiteiten dan op- en overslag, dermate veel stofemissie optreedt dan wel kan optreden dat voor eiseressen onmiskenbaar is dat van hen redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij de stofemissie van genoemde activiteiten door good housekeeping voorkomen of in ieder geval beperken. Dat bij onvoldoende onderhoud aan de schoorstenen van de drogers grote hoeveelheden opeengehoopt stof kunnen vrijkomen, wordt onder meer door de StAB bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank vormt artikel 7.22 van het Bouwbesluit derhalve een grondslag om handhavend op te treden tegen onaanvaardbare stofoverlast afkomstig van de gekanaliseerde emissies (puntbronnen) en van de overige activiteiten binnen de inrichting van eiseressen niet zijnde op- en overslagactiviteiten. De beroepsgronden slagen niet.

#! 26 maart 2020 (Rb Rotterdam ROT 17/5110 en 17/6303): Awb, Gmw; handhaving, voetballen, ballenvangers/hekwerken, APV, geluidhinder, Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, pieken, stemgeluid
8.1. ……………………………………………
Uitgaande van de Handreiking is de omgeving van het Prattenburgplein te typeren als een gebied dat ligt tussen een ‘stille woonwijk, weinig verkeer’ en een rustige woonwijk in stad’. In een dergelijke rustige omgeving zullen piekgeluiden sneller tot hinder kunnen leiden. Stem en balgeluid hebben geen invloed op het achtergrondgeluidsniveau. Wel kunnen hoge piekgeluidsniveaus in een relatief stille omgeving eerder tot hinder leiden omdat de pieken getalsmatig meer boven het achtergrondgeluidsniveau uitkomen. Het geluid van het schieten van de bal tegen de ballenvangers, metalen hekwerken die tussen metalen staanders zijn geplaatst, is duidelijk hoorbaar in de relatief rustige omgeving van het Pattenburgplein. Soms was ook het natrillen van het hekwerk hoorbaar. Kunststof netten zouden een geschikt alternatief voor de ballenvangers kunnen zijn.

………………………………………………….

Een beschouwing van het stemgeluid kan bij de beantwoording van de vraag of er vanwege het voetbalveld sprake is van hinder, niet buiten beschouwing blijven. Het voetbalveld is immers een voorziening die tot doel heeft dat kinderen op deze plek spelen en stemgeluid is inherent aan een dergelijke speelvoorziening. Het was niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak er in werkelijkheid rustig en/of hard wordt geschoten en wat de frequentie van het gebruik van het voetbalveld is. Deze aspecten spelen een belangrijke rol bij de vraag of sprake is van hinder. Kleine kinderen zullen zachter schieten dan jongeren en volwassenen. Het werkelijke gebruik van het voetbalveld bepaalt in belangrijke mate of aan de grenswaarde voor de avondperiode voldaan kan worden. Bij het gebruik van het voetbalveld door uitsluitend (kleine) kinderen zal naar verwachting aan de avondnorm voldaan kunnen worden voor wat betreft het balgeluid.
12.  De rechtbank stelt vast dat uit de door de STAB en LBP-Sight uitgevoerde onderzoeken naar het geluidsniveau op het speelveld is gebleken dat in de avonduren de in de Handreiking opgenomen geluidsnormen worden overschreden als met een bal hard tegen één van de ballenvangers wordt geschoten. Dit betekent dat sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 4:6, eerste lid, van de APV, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden. Of sprake was van overtreding van de geluidsnormen vanwege het stemgeluid heeft de STAB niet kunnen vaststellen. Wel stelt de STAB dat uit vergelijkbare zaken is gebleken dat de maximale geluidsniveaus vanwege het roepen en schreeuwen van kinderen tijdens het voetballen aanzienlijk hoger kunnen zijn dan de hoogst gemeten waarden voor balgeluid. Uit de door eiser overgelegde video-opnames blijkt volgens de STAB ook dat het stemgeluid tijdens het spelen/voetballen duidelijk waarneembaar is. Ook is sprake van een duidelijk waarneembare galm, veroorzaakt door de reflectie van het stemgeluid tegen de omliggende bebouwing.
17. Al het voorgaande neemt niet weg dat het in beginsel mogelijk is dat alsnog gedurende langere periodes gebruik gemaakt zal gaan worden van het speelveld op een wijze en op tijdstippen die tot een niet aanvaardbare overlast leiden. Verweerder heeft dit niet onderkend en niet (voldoende) gemotiveerd waarom die mogelijkheid zich in de praktijk niet zal voordoen en evenmin onderzocht of maatregelen mogelijk zijn die dit risico kunnen voorkomen of beperken, al dan niet in samenhang met het treffen van fysieke voorzieningen aan het speelveld zelf.

18. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Verweerder zal het onder l7 bedoelde onderzoek alsnog moeten verrichten en op basis daarvan opnieuw moeten besluiten op het bezwaar van eiser.