Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 28 oktober 2020 (ABRvS 202001898/1/A2): Awb, Wro; planschade, rondweg, normaal maatschappelijk risico (Rb Limburg 18/2427)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202001487/1/R1): Awb, Wro; bpl, beeldkwaliteitsplan, nieuwe woningbouw
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202001242/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting loodsen, hennepkwekerijen, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 19/1007)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202000597/1/A3): Awb, Gmw; verkleining hondenlosloopgebied, balans belangen gebruikers van park, APV, overlast honden (Rb Den Haag 18/6885)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202000166/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 19/947)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202000111/1/R1 en 202000112/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, paardenbak, voorschrift (Rb Noord-Holland 19/3187)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201909287/1/R1): Awb, Wro; bpl, parapluplan, horecaterrassen, VNG-brochure, APV, woon- en leefklimaat, achtertuin woning
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201909111/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen paardenbak, hobbymatig houden van paarden/geen milieu-inrichting, verleende vergunning/ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 18/5628)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201908991/1/R3 en 201908992/1/R3): Awb, Wro; ontheffing omgevingsverordening, grootschalige sportdetailhandel, Dienstenrichtlijn/branchering, omgevingsverordening vs. verordening ruimte/overgangsrecht , innovatief project
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201908510/1/R4): Awb, Wm; handhaving, geluidoverlast Orac, eerlijk proces, geluidsmetingen (Rb Amsterdam 18/7017)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201908044/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen diverse zaken en staken activiteiten, geen vergunning, strijd met bpl (Rb Oost-Brabant 19/619)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906681/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, afvalverwerking, overtreding milieuvoorschriften, samenloop (Rb Den Haag 19/188)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906680/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken bedrijfsactiviteiten in strijd met beheersverordening, milieucategorie, afvalverwerking, parapluplan (Rb Den Haag 19/189)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906199/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bed & breakfastruimtes in bijgebouw, beleidsnotitie, Bor/perceel/functionele verbondenheid, woongenot (Rb Rotterdam 18/2569)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906164/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, monument/gedenkteken, goede ruimtelijke ordening, vluchtveiligheid/Bouwbesluit/relativiteit (Rb Amsterdam 19/139)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201905618/1/R4): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, woning
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201905450/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veevoederfabriek, geur, productiecapaciteit, Aerox-installatie, geurgevoelige objecten, geurverwijderingsrendement, voorschriften (Rb Limburg 18/63, 18/72, 18/73 en 18/74)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201905190/2/R1): Awb, Wm; aanwijzing plaats ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, locatie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904934/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen afwijken bpl en maken uitrit, horeca/fietsstraat, bereikbaarheid hulpdiensten, Bouwbesluit, Bouwverordening, verkeersbesluit, vvgb, provinciale verordening (Rb Oost-Brabant 17/3393, 18/144, 18/2602 en 18/715)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904932/1/R2): Awb, Wro; bpl, ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding, alternatieven
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904899/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, staken gebruik pand voor zorgwoningen, planregels, geen vergunning, strijd met bpl, overtreder(s) (Rb Overijssel 18/1530)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904731/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg, supermarkt, belanghebbenden, APV, verkeersveiligheid (Rb Overijssel 18/1191)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904725/1/R3): Awb, Wabo; intrekking omgevingsvergunning, uitweg supermarkt, APV, bereikbaarheid/verkeersveiligheid (Rb Overijssel 18/1190)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904105/1/R4): Awb, Wm; verzoek verwijdering Orac/handhaving, inrichting/afvalzakken, Activiteitenbesluit, Grondwet
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904046/1/R4): Awb, Wro; bpl, landgoed, dag- en verblijfsrecreatie, belanghebbenden, verkeer/-sveiligheid, natuur/relativiteit, evenementen
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903981/1/R2): Awb, Wro; bpl, woonfunctie, provinciale verordening, cultuurhistorie, ontwikkelplan, woon- en leefklimaat
# 28 oktober 2020 (ABRvS 201903831/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, omgevingsvergunning milieu, afvalverbrandingsinstallatie/REC, verificatiemeting/Bva, Activiteitenbesluit/-regeling (Rb Noord-Nederland 17/2675)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903338/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor een hondenuitlaatservice met uitrenzone en tijdelijk plaatsen van stacaravan, geen grondgebonden agrarisch bedrijf, strijd met bpl/provinciale verordening (Rb Noord-Holland 18/3783)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903074/1/R3): Awb, Wro, Wabo; provinciaal inpassingsplan/ omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, uitbreiding afvalverwerkingsinstallatie met mestverwerking, belanghebbenden, coördinatiebesluit/burgerparticipatie, draagvlak, provinciaal belang, Ladder/Bro, VNG-brochure/MER/woon- en leefklimaat, verkeer, geluid, gezondheid, veiligheid, Aarhus
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903071/1/R4): Awb, Wabo; aanpassing milieuvergunning, bovengrondse cilindrische tanks, brandstof, PGS 29-2008/-2016, BBT, veiligheidsanalyse, vloeistofkerende voorziening (Rb Midden-Nederland 16/3426)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903064/1/A3): Awb; handhaving, overtreding Europese Houtverordening, conclusie AG, toetsingskader, zorgvuldigheidsverplichting, herstelsanctie, dwangsom/Wnb, bevoegdheid (Rb Amsterdam 17/6266, 17/6270, 17/6271, 17/6273, 17/6276 en 17/6321)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201901661/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, wonen, provinciale omgevingsverordening, NNN, natuurbeheerplan, beheersverordening
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201809559/1/R3): Awb, Wro; bpl, glastuinbouw, intensieve veehouderij, stikstof, aantal dieren/milieuvergunning, zelf in de zaak voorzien
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201809544/1/R3): Awb, Wro; bpl, agrarische bedrijven, glastuinbouw, provinciale verordening, opp./hoogte kassen, wijzigingsbevoegdheid, geurgevoelige functie, woningen, VNG-brochure
# 28 oktober 2020 (ABRvS 201805339/1/R4): Awb, Wm; handhaving, milieu, afvalverbrandingsinstallatie/REC, RIE/Activiteitenregeling, bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 14/5489)
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201801921/5/A2): Awb, Wro; planschade, woning, taxaties, einduitspraak na eerdere tussenuitspraken (Rb Zeeland-West-Brabant 16/3474 en 16/2988)
* 27 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2594): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting panden en perceel, drugs, motivering
* 27 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2653): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, Noodverordening COVID-19 van de veiligheidsregio, afstand houden, café
* 27 oktober 2020 (CBb 19/241, 19/240, 19/431, 19/183, 19/190, 18/2973, 18/2997, 19/264 en 19/242): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, bijzondere omstandigheden, voorzienbaarheid, Nitraatrichtlijn, startersregeling
* 27 oktober 2020 (CBb 18/2381, 18/2382 en 18/2383 en 18/2323): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, mest, fosfaat in champost (Rb Limburg AWB 17/4052, 17/4053, 17/4165 en AWB 17/4051)
* 27 oktober 2020 (CBb 18/1908, 18/2020, 18/566, 18/1121, 18/1122, 18/1123 en 18/1124, 18/2028, 18/1987, 19/1426, 17/1769, 17/1770, 18/465, 18/466 en 18/547, 18/2078, 18/2290, 18/1468): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, inningstermijn, hardheidsclausule
* 23 oktober 2020 (ABRvS 202002502/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, structuurvisie, vleermuizen/Wnb
* 23 oktober 2020 (ABRvS 202002509/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl/exploitatieplan, verbrede reikwijdte Chw, woningen, ontvankelijkheid/EH, geen spoedeisend belang
* 23 oktober 2020 (ABRvS 202004400/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, verbrede reikwijdte Chw, parapluplan, recreatiewoningen
* 23 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4787): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijke afwijkend gebruik, overloopparkeerterrein voor speelpark, natuur- en milieuonderzoek/mitigerende maatregelen, geen strijd met Wnb/aanhaakplicht, goede ruimtelijke ordening/verkeersveiligheid
* 22 oktober 2020 (ABRvS 202004051/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, buitengebied, provinciale omgevingsverordening, gezondheid, geitenhouderij
* 22 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland C/19/132931 / KG ZA 20-117): BW; kort geding, stoplegging bouw windmolenpark, ontvankelijkheid, art 1018c Rv/3:305 BW/collectieve actie, formele rechtskracht verleende vergunning(en)
* 22 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/4907): Awb, Gmw; vovo, handhaving, verwijderen woonboten, wissellocatie, geen vergunning
* 21 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland C/19/117301 / HA ZA 16-256): BW; schade door gaswinning, einduitspraak na prejudiciële vragen aan HR, fysieke schade/bewijsvermoeden, schade aardbevingen, treffen van versterkende maatregelen, waardedaling, schade- en klachtafhandelingstraject, schending van privacy, laagfrequent geluid en inkomensderving
* 21 oktober 2020 (Rb Gelderland AWB 20/5229): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, schietincident, herstel openbare orde, bevoegdheid
* 20 oktober 2020 (Rb Overijssel AWB 20/29): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kamerverhuur woning, beleid, overlast studenten

* 19 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/6190): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang/bouwstop, aanpassing Rijksmonument, begunstigingstermijn, rechtsgevolg
* 19 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/419): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken bewoning chalets/stacaravans door arbeidsmigranten, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie, beleidsnotitie, SNF-norm
* 19 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6132 CHWA, BRE 19/6101 CHWA, BRE 19/6102 CHWA, BRE 19/5482 CHWA en BRE 19/6011 CHWA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, vvgb, beleidskader, overgangsregeling
* 16 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8467 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen pand, realiseren brandcompartiment, domus, geen strijd met bpl, Bouwbesluit
* 16 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4518): Awb, Wabo; aanwijzing gemeentelijk monumenten, erfgoedverordening, monumentale/cultuurhistorische waarden, motivering
* 16 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/256): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, splitsen woningen, strijd met bpl, geen goede ruimtelijke ordening
* 14 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8459 WABO VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, geen spoedeisend belang
* 14 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3218): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, provinciale verordening, deels buiten bestaand stedelijk gebied, Wnb/vleermuizen, motivering
* 13 oktober 2020 (Rb Limburg AWB 19/2552): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesten arbeidsmigranten op camping, verlenging termijn, Bor, vertrouwensbeginsel
* 9 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/1905): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kamerverhuur, huisvestingsverordening, vertrouwensbeginsel
* 8 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/7433, 19/7434, 19/7435, 19/7436 en 19/7437): Awb, Hvw; handhaving, bestuurlijke boete, short stay, onvoldoende duurzaam/wonen, overtreder
* 8 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/2533): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, studentenwoningen naar logies, onvoldoende duurzaam/wonen
* 8 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/5479, 19/5503 en 19/5505): Awb, Hvw, Wabo; handhaving, dwangsom, strijd met bpl, geen toegestane vakantieverhuur, overtreder
* 8 oktober 2020 (Rb Limburg AWB 20/1009 en AWB 20/2437): Awb, Opiumwet; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs
* 3 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4507-T en UTR 19/4507-T2): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken/lichtmasten, sportcomplex, begunstigingstermijn, tussenuitspraak
* 5 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5573): Awb, Wro; planschade

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201908991/1/R3 en 201908992/1/R3): Awb, Wro; ontheffing omgevingsverordening, grootschalige sportdetailhandel, Dienstenrichtlijn/branchering, omgevingsverordening vs. verordening ruimte/overgangsrecht , innovatief project
9.3.    De Afdeling stelt vast dat de ontheffingsverzoeken zijn ingediend in 2014, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening. De Afdeling volgt niet de stelling van het college van gedeputeerde staten dat de colleges van burgemeester en wethouders met de indiening van de nadere onderbouwing in het BRO-rapport hun verzoeken zodanig hebben gewijzigd dat sprake is van nieuwe, na de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening ingediende, aanvragen. Die nadere onderbouwing strekt immers niet tot wijziging van de ruimtelijke ontwikkeling waarvoor ontheffing wordt gevraagd, maar strekt ertoe om nadere gegevens te verschaffen over de ruimtelijke effecten van de beoogde ontwikkeling.

Tegen een besluit op een verzoek om toepassing van een ontheffingsmogelijkheid in de zin van in artikel 4.1a van de Wro staat beroep open als bedoeld in artikel 13.2, onder a, van de Omgevingsverordening. Van onherroepelijke besluiten als bedoeld in artikel 13.2, onder a, van de Omgevingsverordening op de verzoeken om ontheffing uit 2014 is geen sprake. Op de verzoeken is bij de besluiten van 9 december 2014 voor de eerste maal beslist. Door de vernietiging van deze besluiten bij de uitspraak van 27 maart 2019 zijn de verzoeken weer opengevallen. Op de verzoeken is voor de tweede maal beslist bij de besluiten van 5 november 2019, die het voorwerp van de voorliggende beroepen vormen. Op grond van artikel 13.2, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening blijft dan ook het oude recht van toepassing.

Anders dan het college van burgemeester en wethouders van Schiedam stelt, ziet de Afdeling in dit kader geen aanleiding voor het oordeel dat de Verordening ruimte 2014-I nog van toepassing is. In artikel 13.2, aanhef, van de Omgevingsverordening staat immers niet dat het recht van toepassing blijft zoals dat gold ten tijde van de indiening van het verzoek. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam slaagt in zoverre niet.

Uit het vorenstaande volgt dat de besluiten niet op grond van de Omgevingsverordening, maar op grond van artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014-III hadden moeten worden genomen. Nu dat niet is gebeurd, zijn de bestreden besluiten daarom in strijd met artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014-III genomen.

De betogen slagen in zoverre.
13.2.    In de parlementaire geschiedenis van artikel 4.1a van de Wro (Kamerstukken II 2010/11, 32821, nr. 3, p. 3-4) wordt over de ontheffingsmogelijkheid het volgende vermeld: “Voor een verlening van een ontheffing komen […] gevallen in aanmerking waarbij een onverkorte toepassing van de algemene regel zou leiden tot gevolgen die onevenredig nadelig zijn in verhouding tot het met de algemene regel te dienen nationale belang. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toestaan van een wenselijke innovatieve ruimtelijke ontwikkeling, die van een zodanig groot belang wordt geacht dat in dat concrete geval de algemene regel buiten toepassing zou moeten blijven.”

13.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet van de ontheffingsmogelijkheid een terughoudend gebruik worden gemaakt en moeten de bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.1a van de Wro zijn gelegen in de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling waarvoor de ontheffing is gevraagd. Zie onder meer de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2651, onder 4.8, en de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1424, onder 18.5. Wat [appellante sub 4] en andere en [appellante sub 3] en andere hebben aangevoerd over het “try & buy”-concept heeft het college van gedeputeerde staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen aanmerken als niet zodanig innovatief als bedoeld in de parlementaire geschiedenis van artikel 4.1a van de Wro. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking kunnen nemen dat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling met een zodanig belangrijk innovatief karakter dat om die reden had moeten worden afgeweken van de regel dat detailhandel die qua aard of omvang van de aangeboden goederen inpasbaar is in de centra zich niet buiten de centra mag vestigen.

De betogen slagen niet.

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201908510/1/R4): Awb, Wm; handhaving, geluidoverlast Orac, eerlijk proces, geluidsmetingen (Rb Amsterdam 18/7017)
1.     [appellante] woont aan de [locatie] in Amsterdam. Ook haar advocatenkantoor is in dit pand gevestigd. Nabij haar woning ligt de Orac. De Orac is een gemotoriseerde perscontainer voor afval met een motorvermogen dat groter is dan 1,5 kW. De Orac is volgens het college te beschouwen als een type B-inrichting als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het college is bij het besluit op bezwaar ervan uitgegaan dat zich een overtreding heeft voorgedaan, omdat bij het inwerpen van afval in de Orac niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit voor de Orac geldende geluidnormen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inmiddels aan de Orac getroffen maatregelen en de omstandigheid dat de Orac in de nachtperiode gesloten is, geluidhinder zich niet meer voordoet en er geen aanleiding bestaat om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.
3.1.    De rechtbank is ervan uitgegaan dat het besluit op bezwaar is gebaseerd op het rapport van 9 oktober 2018. In de inleiding van de aangevallen uitspraak staat weliswaar dat ook het rapport van 19 september 2018 aan het besluit ten grondslag ligt, maar de rechtbank heeft dit rapport niet inhoudelijk bij de beoordeling betrokken.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Nog daargelaten de vraag of het hier gaat om het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen van [appellante], overweegt de Afdeling als volgt. Uit het op 9 oktober 2018 opgemaakte constateringsrapport “nameting ondergrondse afvalcontainer Frans van Mierisstraat” blijkt dat de geluidmetingen zijn uitgevoerd door twee inspecteurs van de gemeente. De enkele omstandigheid dat de rechtbank dit rapport bij haar beoordeling heeft betrokken, terwijl dat is opgesteld door medewerkers van de gemeente en daarin resultaten van door hen verrichte geluidmetingen zijn neergelegd, maakt niet dat sprake is van een oneerlijk proces. [appellante] heeft in beroep gronden naar voren kunnen brengen over de inhoud van het rapport en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek. De omstandigheid dat [appellante] geen rapport heeft ingebracht bij de rechtbank, maakt niet dat zij in een onevenredig lastige bewijspositie verkeerde. Er bestaat in wat zij heeft aangevoerd reeds daarom geen strijd met het recht op een eerlijk proces. Het Korošec-arrest leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.
* 28 oktober 2020 (ABRvS 201904105/1/R4): Awb, Wm; verzoek verwijdering Orac/handhaving, inrichting/afvalzakken, Activiteitenbesluit, Grondwet
2.1 ……………
In het betoog over strijd met artikel 21 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, ziet de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 4 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1475, evenmin aanleiding voor het oordeel dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven. Blijkens de wetsgeschiedenis is met artikel 21 van de Grondwet, waarin is bepaald dat de zorg van de overheid gericht is op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, beoogd tot uitdrukking te brengen dat de overheid de aldaar genoemde onderwerpen tot haar takenpakket moet rekenen. [appellante] heeft geen omstandigheden gesteld die ertoe moeten leiden dat de beslissing op bezwaar – in aanvulling op de toetsing aan de Wet milieubeheer en de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam – voor rechtstreekse toetsing aan artikel 21 van de Grondwet in aanmerking komt. Voor zover sprake is van een op het college rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten, kan niet worden geoordeeld dat het daarin te kort is geschoten. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een niet-gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten. Het door [appellante] genoemde arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 16 november 2004 in de zaak Moreno Goméz tegen Spanje, nr. 4143/02, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feiten in die zaak niet vergelijkbaar zijn met deze zaak.

Het betoog faalt.

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906680/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken bedrijfsactiviteiten in strijd met beheersverordening, milieucategorie, afvalverwerking, parapluplan (Rb Den Haag 19/189
3.4 …………..
De parapluherziening kan worden gezien als een bundel besluiten tot wijziging van (de voorschriften van) de diverse in de gemeente geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen.

De gemeenteraad heeft deze wijzigingsbesluiten uitdrukkelijk vastgesteld als (besluiten tot wijziging van) een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro.

Een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro kan echter niet, zoals het college kennelijk meent, een beheersverordening wijzigen of aanvullen op de wijze die de gemeenteraad in dit geval heeft bedoeld. Een beheersverordening is immers een besluit op een andere grondslag, namelijk artikel 3.38 van de Wro. Een wijziging van een beheersverordening, zoals hier, door er extra voorschriften aan toe te voegen, kan alleen plaatsvinden bij een besluit op diezelfde wettelijke grondslag.

Dat een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan een beheersverordening niet kan wijzigen of aanvullen, volgt ook uit het wettelijk stelsel van de Wro. Zoals in de door [appellante] aangehaalde uitspraak van 22 januari 2020 is geconcludeerd, kan op grond van artikel 3.39 van de Wro niet tegelijkertijd een planologische regeling vastgesteld worden op grond van artikel 3.1 (een bestemmingsplan) en op grond van artikel 3.38 (een beheersverordening).

De conclusie is dat, voor zover met de parapluherziening is beoogd aan de in de gemeente geldende beheersverordeningen aanvullende parkeervoorschriften toe te voegen, dit in strijd is met het stelsel van de Wro zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de artikelen 3.1, 3.38 en 3.39, in onderling verband gelezen. Te meer nu er geen misverstand behoort te bestaan welk planologisch regime geldt, moet de parapluherziening in zoverre onverbindend worden geacht. Als de gemeenteraad alsnog aan de beheersverordeningen in de gemeente parkeervoorschriften wil toevoegen, kan hij dat doen door middel van afzonderlijke wijzigingsbesluiten of door middel van het in één keer vaststellen van een parapluherziening voor alle beheersverordeningen in de gemeente, zoals naar de Afdeling bekend is ook in andere gemeenten is gedaan.

Gezien het voorgaande is van het vervallen van de beheersverordening vanwege het vaststellen en in werking treden van een bestemmingsplan, anders dan [appellante] betoogt, geen sprake.
7.1.    Het college heeft [appellante] gelast om bedrijfsactiviteiten hoger dan categorie 2 (of daarmee naar hun aard vergelijkbare bedrijfsactiviteiten) te staken en gestaakt te houden. Dit betekent niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat [appellante] alle bedrijfsactiviteiten hoger dan categorie 2 moet staken en gestaakt moet houden. Bedrijfsactiviteiten die naar hun aard vergelijkbaar zijn met categorie 2 zijn op het perceel toegestaan.

De opgelegde last is voldoende duidelijk. Het is, anders dan [appellante] in feite wenst, bij het opleggen van een last tot beëindiging van een overtreding als hier aan de orde niet noodzakelijk – en ook niet uitvoerbaar – om te vermelden door welke wél toegestane bedrijfsactiviteiten de illegale bedrijfsactiviteiten kunnen worden vervangen.

Het betoog faalt.

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201906199/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bed & breakfastruimtes in bijgebouw, beleidsnotitie, Bor/perceel/functionele verbondenheid, woongenot (Rb Rotterdam 18/2569)
2.1.2.    In het Bor en de daarbij behorende bijlagen ontbreekt een omschrijving van wat onder het begrip ‘perceel’ moet worden verstaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:677), is voor het antwoord op de vraag of sprake is van hetzelfde perceel in de zin van het Bor de feitelijke actuele situatie van belang.

Uitgaande van de geldende bestemming “Wonen” is de woning aan de [locatie 1] aan te merken als een hoofdgebouw. Vaststaat dat [vergunninghouder] de bewoner van die woning en de exploitant van de bed & breakfastruimtes is. Anders dan [appellant] en anderen stellen, rust ook op de gronden waarop de bed & breakfastruimtes staan de bestemming “Wonen”. Zoals [vergunninghouder] ter zitting onweersproken naar voren heeft gebracht, melden gasten van de bed & breakfast zich bij aankomst bij zijn woning. De bed & breakfastruimtes bevinden zich in de nabijheid van de woning en zijn vanaf die woning rechtstreeks te bereiken. Op de tussenliggende gronden, die ook tot het eigendom van [vergunninghouder] behoren, bevinden zich geen afscheidingen. Weliswaar kunnen de bed & breakfastruimtes ook via een inrit aan de F.H.G. Van Itersonlaan worden bereikt, maar deze inrit ligt op aanmerkelijk grotere afstand van de bed & breakfastruimtes dan de toegang via de woning, terwijl niet is gebleken dat deze inrit exclusief voor de bed & breakfastruimtes is bedoeld. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de woning en de bed & breakfastruimtes voor de toepassing van het Bor functioneel zijn verbonden en op hetzelfde perceel staan. De omstandigheid dat, zoals [appellant] en anderen hebben aangevoerd, de woning en de bed & breakfastruimtes op verschillende kadastrale percelen staan, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 maart 2016 heeft overwogen, is voor het antwoord op de vraag of sprake is van hetzelfde perceel in de zin van het Bor niet bepalend of het gaat om verschillende kadastrale percelen. Ook acht de Afdeling niet doorslaggevend dat aan het perceel waarop de bed & breakfastruimtes zijn gesitueerd op het moment van de besluitvorming nog een ander adres was toegekend, zoals [appellant] en anderen hebben aangevoerd. Deze adressering hing samen met de hiervoor bedoelde inrit tot deze gronden vanaf de F.H.G. Van Itersonlaan en zorgde niet voor een feitelijke scheiding tussen de woning en de bed & breakfastruimtes. Wat het college en [appellant] en anderen omtrent deze adressering naar voren hebben gebracht, wordt daarom niet verder besproken.

De Afdeling concludeert dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor een grondslag vormde om de gevraagde vergunning te verlenen. Het betoog faalt in zoverre.

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903074/1/R3): Awb, Wro, Wabo; provinciaal inpassingsplan/ omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, uitbreiding afvalverwerkingsinstallatie met mestverwerking, belanghebbenden, coördinatiebesluit/burgerparticipatie, draagvlak, provinciaal belang, Ladder/Bro, VNG-brochure/MER/woon- en leefklimaat, verkeer, geluid, gezondheid, veiligheid, Aarhus
22.    De stichtingen kunnen zich niet verenigen met het besluit van provinciale staten van 18 juli 2018 om de voorbereiding en de bekendingmaking van het inpassingsplan en de omgevingsvergunning voor de locatie Elhorst-Vloedbelt te coördineren op grond van artikel 3.33 van de Wro. Volgens hen heeft de gecoördineerde besluitvorming negatieve gevolgen voor de burgerparticipatie, de rechtsbescherming en de bij een besluitvorming te betrachten zorgvuldigheid. Zij betogen in dit verband dat zij als gevolg van de gecoördineerde besluitvorming een grotere hoeveelheid stukken in korte tijd hebben moeten bekijken.

22.1.    In artikel 8:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (hierna: Brbr).

In artikel 1 van de Brbr is bepaald dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 3.30, eerste lid, artikel 3.33, eerste lid, en artikel 3.35, eerste lid, van de Wro, voor zover het gaat om een aanwijzing, geen beroep kan worden ingesteld.

22.2.    Gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 1 van de Brbr, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit van provinciale staten van 18 juli 2018 tot toepassing van de coördinatieregeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4428, overweging 6.2, staan deze artikelen niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing van het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling. Deze exceptieve toetsing leidt ertoe dat het coördinatiebesluit buiten toepassing blijft, indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor dat oordeel biedt wat de stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding. Daarbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, waarin onder 29.2, tweede alinea, is overwogen dat de termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen de indiener voldoende tijd geeft om te wijzen op de voor hem essentiële gebreken in de ontwerpbesluiten. Dit geldt ook indien omvangrijke besluiten met toepassing van de coördinatiebepalingen uit de Wro tegelijk ter inzage worden gelegd.

Het betoog slaagt niet.

* 28 oktober 2020 (ABRvS 201903064/1/A3): Awb; handhaving, overtreding Europese Houtverordening, conclusie AG, toetsingskader, zorgvuldigheidsverplichting, herstelsanctie, dwangsom/Wnb, bevoegdheid (Rb Amsterdam 17/6266, 17/6270, 17/6271, 17/6273, 17/6276 en 17/6321)
Het gaat in deze zaak over de vraag hoe de minister een besluit waarbij geen herstelsanctie is opgelegd, moet heroverwegen naar aanleiding van een bezwaarschrift. Hoewel de minister achteraf vindt dat zij eigenlijk wél een herstelsanctie had moeten opleggen aan de bedrijven, zijn er volgens de minister in de tussentijd ontwikkelingen geweest waardoor de herstelsancties nu niet meer nodig zijn. Drie bedrijven zouden zijn gestopt met het importeren van hout. Voor de andere twee bedrijven zouden er geen aanwijzingen zijn dat zij handelen in illegaal hout. De juridische vraag is of de minister bij haar heroverweging rekening mag houden met deze nieuwe ontwikkelingen.

De Afdeling bestuursrechtspraak vroeg eerder aan staatsraad advocaat-generaal Wattel om over deze vraag een zogenoemde conclusie te nemen. In de uitspraak van vandaag sluit de Afdeling bestuursrechtspraak bijna helemaal aan bij dat advies. De minister moet rekening houden met oude omstandigheden, dus de stand van zaken zoals die was bij het eerdere besluit, maar ook met nieuwe ontwikkelingen. Als er een overtreding is, moet die worden beëindigd of moet worden voorkomen dat die wordt herhaald. De minister moet de heroverweging gebruiken om te beoordelen of een maatregel noodzakelijk is. Als dat het geval is, dan moet de maatregel doeltreffend en evenredig zijn.

De minister moet haar eerdere besluit heroverwegen en moet daarbij ook rekening moeten houden met de nieuwe ontwikkelingen. Daarbij heeft de Afdeling bestuursrechtspraak alvast gekeken naar het standpunt van de minister dat herstelsancties niet meer nodig zijn door de nieuwe ontwikkelingen. Gebleken is dat drie bedrijven al een lange tijd geen hout meer importeren. Het alsnog opleggen van een herstelsanctie heeft dus in hun geval geen zin meer. Voor twee andere bedrijven lijkt het erop dat zij nog wel hout importeren. Voor deze twee bedrijven moet de minister in haar nieuwe besluit alsnog beoordelen of zij een herstelsanctie kan en moet opleggen.

* 8 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/2533): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, studentenwoningen naar logies, onvoldoende duurzaam/wonen
3.4.  Ten tijde van de aanvraag van 25 maart 2013 en het besluit van 25 juni 2013 was het bestemmingsplan “Rivierenbuurt” van kracht. Op basis van dit bestemmingsplan had het perceel de bestemming “Gedetailleerde en gemengde bebouwing”. Hier was op grond van artikel 14 van de planregels toegestaan: wonen (in de vorm van eengezins- en/of meergezinsshuizen), kantoren, restaurants en cafés, detailhandel en aanverwante dienstverlening (met uitzondering van hotels, restaurants en cafés), andere bedrijven (met uitzondering van hotels) en welzijnsvoorzieningen.

3.5.  In het bestemmingsplan “Rivierenbuurt” is niet omschreven wat onder ‘wonen’ wordt verstaan. Volgens vaste jurisprudentie moet in dat geval bij de interpretatie van dat begrip aansluiting worden gezocht bij het normale spraakgebruik, waarin ‘wonen’ een zekere duurzaamheid vereist (vergelijk daarvoor onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:588).
3.8.  De rechtbank oordeelt vervolgens dat in het besluit van 25 juni 2013 ook geen toestemming is gegeven voor het gebruik van het gebouw voor een studentenhotel en short stay. In het besluit is beslist op de aanvraag om het gebouw te gebruiken voor wonen. Dit was in overeenstemming met het bestemmingsplan, zodat de omgevingsvergunning kon worden verleend. Dat voorafgaand aan de aanvraag overleg is geweest tussen eiseres en de gemeente leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat vanuit de gemeente concrete toezeggingen zijn gedaan dat zij het gebouw (in strijd met het bestemmingsplan) mocht gebruiken voor een studentenhotel of short stay. De verklaring van architect [architect] is hiertoe onvoldoende, reeds gelet op het feit dat deze verklaring ter zitting door [B] , die de toezegging volgens eiseres zou hebben gedaan, wordt tegengesproken.

3.9.  Dit betekent dat het gebruik van het gebouw voor een studentenhotel en short stay op grond van het voorgaande bestemmingsplan “Rivierenbuurt” niet was toegestaan en dat verweerder hiervoor in het besluit van 25 juni 2013 ook geen toestemming heeft verleend. De aanvraag van 25 maart 2013 en de verleende vergunning zagen niet op een omzetting van bedrijfsruimtes naar een studenthotel, maar naar studentenwoningen binnen de functie ‘wonen’. Voor zover eiseres betoogt dat zij het gebouw feitelijk als studentenhotel en voor short stay heeft gebruikt en dat dit gebruik onder het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan “Rivierenbuurt 2013” valt, slaagt dit niet. In artikel 28, lid 28.2, van de planregels bij het bestemmingsplan “Rivierenbuurt 2013” staat dat het overgangsrecht niet van toepassing is op gebruik dat reeds in strijd was met het vorige bestemmingsplan.