Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 4 november 2020 (ABRvS 202003044/1/A2): Awb, Wro; planschade, overlast, VNG-brochure, motivering, zelf in de zaak voorzien (Rb Noord-Holland 19/2906)
* 4 november 2020 (ABRvS 202002810/1/R3): Awb, Wro; niet tijdig nemen van een besluit door de raad op een verzoek tot herstel van fouten in bpl, motivering
* 4 november 2020 (ABRvS 202001763/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, ligboxenstal, grondgebondenheid, motivering
* 4 november 2020 (ABRvS 202000382/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiden woongebouw, bouwhoogte, privaatrechtelijke belemmering, welstand (Rb Gelderland 18/6775)
* 4 november 2020 (ABRvS 202000367/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, illegaal crossen, geen omgevingsvergunning milieu, zicht op legalisatie, Wnb/relativiteit
* 4 november 2020 (ABRvS 202000094/1/R4): Awb, Wabo; niet in behandeling nemen omgevingsvergunning voor aanleggen, laag gebroken  puin op terrein ijsbaan, natuurijsbaan/planregels, geen strijd met bpl, vergunningvrij (Rb Gelderland 18/5680)
* 4 november 2020 (ABRvS 201909164/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, bedreiging dwangsom, staken gebruik bedrijfswoning, strijd met bpl (Rb Gelderland 19/1776)
* 4 november 2020 (ABRvS 201909151/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, ontvankelijkheid
* 4 november 2020 (ABRvS 201909129/1/R3): Awb, Wro; bpl, gebouw met parkeergarage, Chw, beroepsgronden, geluid, laad- en losruimte, Activiteitenbesluit, verkeer, parkeren, GVVP, bezonning, waterhuishouding, bodem/stikstof/relativiteit, tussenuitspraak
* 4 november 2020 (ABRvS 201909066/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, twee bedrijven op terrein, geen strijd met bpl (Rb Noord-Holland 18/5138): Awb,
* 4 november 2020 (ABRvS 201909045/1/R1): Awb, Waterwet; vaststelling legger, duinwaterkering, hydraulische randvoorwaarden (Rb Noord-Nederland 17/1258)
* 4 november 2020 (ABRvS 201908999/1/R1): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijken bpl, evenement, NNN, belanghebbende, ontvankelijkheid, gebrek aan voldoende relevante feitelijke werkzaamheden (Rb Amsterdam 19/1809)
* 4 november 2020 (ABRvS 201908564/1/R4): Awb, Wm; handhaving, dwangsom, afvalstoffen, bevoegdheid, afgewerkte katalysatoren, hoogte dwangsom, tussenuitspraak
* 4 november 2020 (ABRvS 201908497/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, biologische varkenshouderij, EVRM/Aarhus, m.e.r-plicht, geur, milieugevolgen, Activiteitenbesluit (Rb Overijssel 18/1550)
* 4 november 2020 (ABRvS 201908456/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, privaatrechtelijke belemmering (Rb Zeeland-West-Brabant 19/410)
* 4 november 2020 (ABRvS 201908428/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen op voormalig kantorenpark, Chw

* 4 november 2020 (ABRvS 201907833/1/R1): Awb, Wbr; vergunning, oplaadpalen elektrische voertuigen op verzorgingsplaats langs rijksweg, Dienstenrichtlijn, schaarse vergunning (Rb Noord-Holland 18/2075)
* 4 november 2020 (ABRvS 201907555/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, illegale crossactiviteiten, strijde met bpl
* 4 november 2020 (ABRvS 201907045/1/A2): Awb; voorziening, Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg, scheurvorming woning, procesbelang, vertrouwensbeginsel (Rb Limburg 17/4142)
* 4 november 2020 (ABRvS 201906622/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenlocatie, geschiktheid
* 4 november 2020 (ABRvS 201906609/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, wijziging van de situering van het bouwvlak
* 4 november 2020 (ABRvS 201906228/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, uitbreiding geitenhouderij, toepasselijke provinciale verordening, volksgezondheid, VGO-onderzoeken (Rb Oost-Brabant 18/1870)
* 4 november 2020 (ABRvS 201906095/1/R1): Awb, Wro; bpl, burgerwoning in plaats van verouderde bedrijfswoning, provinciale omgevingsverordening, ruimte-voor-ruimteregeling
* 4 november 2020 (ABRvS 201906037/1/R3): Awb, Wro; bpl, planbegrenzing
* 4 november 2020 (ABRvS 201905749/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting loods, hennepkwekerij, begunstigingstermijn, verhaal kosten (Rb Zeeland-West-Brabant 19/233)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905685/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bedrijfswoning, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 18/4242)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905593/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, activiteiten in buurtcentrum, strijd met bpl, belanghebbende (Rb Den Haag 17/8089)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905587/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, preventieve last onder dwangsom, procesbelang, strijd met bpl, evenement (Rb Den Haag 17/6196)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905585/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, strijd met bpl (Rb Den Haag 18/2240)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905478/1/A2): Awb,; nadeelcompensatie, vervallen aanlegvoorziening/ligplaats voor salonboten, beperkte uitleg nadeel, planschade (Rb Overijssel 18/1796)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905308/1/R3): Awb, Wro; wijzigingsplan, nieuwe bestemming/tweede bedrijf, woon- en leefklimaat, motivering, tussenuitspraak
* 4 november 2020 (ABRvS 201905307/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijk drijvend wakeboardcentrum, veiligheidsaspecten, watervergunning, belangen omwonenden, veilige vlucht- en vaarroute (Rb  Limburg 18/2564)
* 4 november 2020 (ABRvS 201905237/1/R1): Awb, Wbb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsommen/invordering, drugslab in voormalige nertsenfokkerij, asbest, overtreder, zorgplichtbepalingen
# 4 november 2020 (ABRvS 201903256/1/R2): Awb, Wnb; ontheffing, vogels/vleermuizen, aanleg en exploitatie van windturbines, belanghebbenden, Chw, vleermuissoorten, onderzoek, contra-expertise, 1% mortaliteitsnorm, vliegroute
* 4 november 2020 (ABRvS 201901442/2/R4): Awb, Wabo; handhaving, bouwwerk, geen vergunning/strijd met bpl, motivering, nieuwe bpl, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak  (Rb Midden-Nederland 18/1996)
* 4 november 2020 (ABRvS 201809240/1/R3): Awb, Wro; bpl, bungalowpark, extra recreatiewoningen, privaatrechtelijke belemmering, Bro/Ladder, voldoende substantiële ontwikkeling, behoefte, inpassing, diersoorten
* 4 november 2020 (ABRvS 201806009/2/R3): Awb, Wro; weigering bpl op te stellen, supermarkt, detailhandelsbeleid, Dienstenrichtlijn, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 4 november 2020 (ABRvS 201804146/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, school, omvang wijzigingsbevoegdheid, oppervlak aan gebouwen, parkeren, verkeer, geluid, motivering, Ladder/Bro, behoefte/noodzaak, financiële uitvoerbaarheid
# 4 november 2020 (ABRvS 201703835/2/R2 en 201703079/3/R2): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, verkeersweg, fietsverbinding, Barro/militaire vliegbasis, bedrijfsbelang, woon- en leefklimaat, geluid/maatregelen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 3 november 2020 (CBb 19/1137): Awb; subsidie, Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies, ammoniakreductie in stallen vleeskalveren, BWL-code/Rav
* 2 november 2020 (CBb 19/458, 18/2926, 19/534, 19/577, 19/785, 19/783, 19/787, 19/708 en 19/681): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, bijzondere omstandigheden, voorzienbaarheid, Nitraatrichtlijn, startersregeling, dierziekten, EVRM
* 2 november 2020 (CBb 18/2677 en 19/1500): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, vertrouwensbeginsel, afwijkende rasfactor
* 30 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/628): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, detailhandel, bestemmingsregel niet in strijd met Dienstenrichtlijn
* 30 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8372 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijken bpl, tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten in voormalig broederhuis, geluid, verkeer, parkeerdruk
* 30 oktober 2020 (Rb Gelderland AWB 20/5281): Awb, Gmw; handhaving, Noodverordening COVID-19, NS, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 29 oktober 2020 (Rb Limburg AWB 20/2486): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen erfafscheiding en berging, hoogte/oppervlak, strijd met bpl, motivering
* 29 oktober 2020 (Conclusie AG EH C‑798/18 en C‑799/18): Prejudiciële verwijzing, opwekken van elektriciteit met installaties voor fotovoltaïsche zonne-energie, aanmoedigingsbedragen, vrijheid van ondernemerschap, eigendomsrecht, Verdrag inzake het Energiehandvest
* 29 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/5153, AMS 20/5435, AMS 20/5436 en AMS 20/5437): Awb, Gmw; vovo, intrekking exploitatievergunning, rondvaartboot, geen gebruik, schaarse vergunningen
* 28 oktober 2020 (ABRvS 202003133/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, provinciale omgevingsverordening
* 27 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3671): Awb, Wnb; handhaving, last onder bestuursdwang, geweigerde ontheffing kweken en verhandelen waterhyacinten, Unielijst, zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, EVRM
* 26 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/946): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, antennemast zendamateur, gelijkheidsbeginsel, vrijheid van meningsuiting, motivering
* 23 oktober 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2366 en AWB/ROE 20/2367): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunningen voor slopen, bouwen en afwijken bpl, panden met winkels en studio’s, woningsplitsing, studentenhuisvesting, aparte ontheffing Wnb/geen aanhaken
* 23 oktober 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/5224): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting pand, hennepkwekerij
* 20 oktober 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2507): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, geringe overschrijding, eigen gebruik
* 16 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 18/3604): Awb, Wabo; aanwijzing monument, erfgoedverordening
* 16 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/2267, ROE 19/2288 en ROE 19/2295): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding kunststofverwerkend bedrijf, melding Abm, belanghebbenden, structuurvisie, goede ruimtelijke ordening, geluid, verkeer, overnachtende en parkerende chauffeurs, stikstof/relativiteit
* 16 oktober 2020 (Rb Limburg AWB 20/2374 en AWB 20/2207): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kamerverhuur, belanghebbende, woon- en leefklimaat, geluid, parkeren
* 15 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/2984): Awb, Wabo; weigering actualisatie milieuvergunning, staalfabriek, BREF/BBT, NOx-emissie, onderzoek, procesbelang, ontvankelijkheid
* 7 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 18/5144 en SGR 18/5767): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, beëindiging splitsing bovenwoning, geen vergunning, strijd met bpl, weigering vergunning
* 17 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/999): Awb; nadeelcompensatie, schadeoorzaak is feitelijk handelen, bevoegdheid rechtbank
* 13 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/953 HOREC): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob
* 13 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2568-T, UTR 19/2569-T en UTR 19/2807-T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl  en handelingen natuur, hondenkennel, nevenfunctie van agrarisch bedrijf, belanghebbenden, aanhaken/vvgb, sloopverplichting, geluid/WHO, ontbreken vvgb, tussenuitspraak
* 12 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6524 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakkapel, welstand
* 11 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6145 WET en BRE 20/6146 WET): Awb; handhaving. niet tijdig nemen besluit OvJ, bevoegdheid rechter
* 10 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2677): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij, geen spoedeisend belang
* 3 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1940): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vervangen kozijnen, welstand, motivering
* 7 juli 2020 (Hof Den Haag 200.248.546/01): BW; sportschool, geluid, trillingen, onrechtmatige hinder, Activiteitenbesluit, maatregelen, muzieklimiter, bonken gewichten

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 4 november 2020 (ABRvS 202001763/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, ligboxenstal, grondgebondenheid, motivering
7.6.    Zoals hiervoor is uiteengezet, heeft de Afdeling in de uitspraak van 17 april 2019 onder meer overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf het beleid hanteert dat een bedrijf ten minste in 75% van de voerproductie moet voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in het besluit van 30 januari 2020 die motivering niet alsnog gegeven. Het heeft zich in dat besluit immers alleen op het standpunt gesteld dat met een feitelijke ruwvoerproductie van 76,32% of 86,30%, gebaseerd op de op dat moment aan Pebe Landbouwbeheer ter beschikking staande grond, in ieder geval sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Dat het college, zoals is vermeld in zijn verweerschrift, hierbij is uitgegaan van de opmerking van Pebe Landbouwbeheer dat zij over die hoeveelheid gronden kan beschikken, betekent niet dat het college de in de uitspraak van 17 april 2019 gevergde motivering niet hoefde te geven. Het besluit van 30 januari 2020 is daarom onvoldoende gemotiveerd. Ook in zoverre slaagt het betoog.

Conclusie

  1. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 januari 2020 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslissen op het door Pebe Landbouwbeheer tegen het besluit het besluit van 18 september 2012 gemaakte bezwaar. Het moet bij het formuleren van de voorwaarde in het nieuw te nemen besluit in ieder geval uitgaan van de aspecten waarover partijen het eens zijn. Het dient daarnaast te motiveren wanneer sprake is van een bedrijf waarvan de productie in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond, als bedoeld in artikel 1, onder 4, van de planvoorschriften. Het college kan daarbij niet volstaan met een taalkundige uitleg van het begrip ‘overwegend’ of met een verwijzing naar het huidige gemeentelijke en provinciale beleid. Het kan bij de beoordeling indien gewenst betrekken welke eisen werden gesteld aan de grondgebondenheid van bedrijven ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.

    * 4 november 2020 (ABRvS 201907045/1/A2): Awb; voorziening, Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg, scheurvorming woning, procesbelang, vertrouwensbeginsel (Rb Limburg 17/4142)
    10. De Afdeling stelt vast dat er geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor de Schaderegeling en dat de regels, zoals die in de Schaderegeling zijn opgenomen, moeten worden aangemerkt als beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.
  2. De Schaderegeling is een beleidsregel, waarmee het bestuur van de Stichting een nadere invulling en concretisering van zijn algemene bevoegdheid tot het verstrekken van op geld waardeerbare voorzieningen ten laste van de publieke middelen geeft. Op grond van artikel 4:84 van de Awb is het bestuur verplicht om overeenkomstig deze beleidsregel op aanvragen om schadevergoeding te beslissen.
  3. De Schaderegeling heeft gelet op de onder 2 beschreven context waarbinnen die regeling is opgesteld, een publiekrechtelijk karakter, zodat een beslissing op basis van de Schaderegeling moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit oordeel sluit aan bij een ontwikkeling in de rechtspraak die mede vorm heeft gekregen in de uitspraken van de Afdeling van 14 mei 1986, ECLI:NL:RVS:1986:AM9085 (Metroschade) en 1995, ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850 (Silicose).
  4. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing, waarbij het bestuur de aanvraag van [wederpartij] om een voorziening heeft afgewezen, dient te worden aangemerkt als een besluit, waartegen rechtsmiddelen konden worden ingesteld.
    51. De slotsom is dat niet is gebleken van zwaarder wegende belangen die aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan. De intrekking van de principe-toekenning van 6 november 2017 en het alsnog afwijzen van de aanvraag is daarom zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in deze situatie behoort te worden afgezien. De rechtbank heeft het besluit van 28 augustus 2018 terecht vernietigd en bepaald dat het bestuur op basis van de door de erven ingediende offertes een toekenningsbesluit dient te nemen op grond van artikel 4, eerste lid, van de Schaderegeling.* 4 november 2020 (ABRvS 201905593/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, activiteiten in buurtcentrum, strijd met bpl, belanghebbende (Rb Den Haag 17/8089)
    2.2.    Een onderneming heeft een concurrentiebelang als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, is belanghebbende.

2.3.    Niet in geschil is dat [horecabedrijf] en Het Kwartier in elk geval onder meer wat betreft het organiseren van feesten en partijen voor een deel in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam zijn, waaruit volgt dat [appellant] een concurrentiebelang heeft. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het concurrentiebelang van [appellant] ook rechtstreeks is betrokken bij het besluit van het college het handhavingsverzoek af te wijzen. Indien het college namelijk handhavend zou optreden tegen Het Kwartier, betekent dit dat Het Kwartier minder ruimte kan bieden voor onder meer feesten en partijen. In dat geval is het niet onwaarschijnlijk dat [horecabedrijf] meer van deze feesten en partijen kan gaan organiseren omdat klanten dan naar [horecabedrijf] zullen uitwijken. [appellant] kan aldus in zijn hoedanigheid van concurrent feitelijke gevolgen ondervinden van het niet handhavend optreden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat [appellant] geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving.

* 4 november 2020 (ABRvS 201905237/1/R1): Awb, Wbb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsommen/invordering, drugslab in voormalige nertsenfokkerij, asbest, overtreder, zorgplichtbepalingen
3.5.    Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat het perceel zich op het moment van de geconstateerde overtredingen in ernstig vervuilde en verwaarloosde staat bevond en dat zeer duidelijke sporen van verontreiniging aanwezig waren. Zo bevonden zich her en der op het perceel autowrakken, vaten met olie-afval, jerrycans met verschillende inhoud en als zodanig herkenbare platen asbest. Ook waren er op het open terrein vloeistofslangen zichtbaar vanuit de schuur die in gebruik is geweest als drugslab, evenals daarvan afkomstige ecstasy-kristallen op de bodem. Een en ander wordt bevestigd door het fotomateriaal dat zich in het dossier bevindt. Het college heeft verder toegelicht dat er slechts één toegang tot het perceel werd gebruikt, en dat de route naar de nertsensheds vanaf deze toegang noodzakelijkerwijs langs de hier beschreven sporen van verontreiniging voert. Dit betekent dat [appellante] de situatie op de betrokken delen van het terrein moet hebben waargenomen.

De Afdeling is met het college van oordeel dat deze situatie zodanig is dat [appellante] als mede-eigenaar had moeten begrijpen dat enig ingrijpen op basis van de hiervoor bedoelde zorgplichtbepalingen was geboden. Zij had hiervoor eventueel een derde kunnen inschakelen, zoals een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. [appellante] heeft in dit stadium echter van iedere actie afgezien. Dat ingrijpen, gelet op haar beperkte geestesvermogens, niet van haar kon worden gevergd, zoals [appellante] heeft aangevoerd, volgt de Afdeling niet. [appellante] heeft, ondanks daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, niet onderbouwd dat en in welke mate sprake is van beperkte geestesvermogens. Nu [appellante] geen enkele actie heeft ondernomen is van vrijwillige medewerking als waarvan zij in beroep melding maakt, geen sprake. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het college haar terecht als mede-overtreder van de zorgplichtbepalingen heeft aangemerkt.

3.6.    Verder heeft het college ervan mogen uitgaan dat [appellante] als overtreder het vervolgens tevens in haar macht had om deze overtredingen te beëindigen. Weliswaar heeft zij gesteld dat haar broer haar soms de toegang tot het terrein heeft ontzegd, maar voor zover dat zo is, had zij daarmee als mede-eigenaar geen genoegen behoeven te nemen. Voorts is duidelijk dat zij op andere momenten ongestoord op het terrein aanwezig is geweest. Reeds omdat de door [appellante] op de voet van artikel 3:170, tweede lid, van het Burgerlijk wetboek verleende volmacht alleen betrekking heeft op “normale exploitatie”, behoefde het college in die volmacht geen aanleiding te zien om eraan te twijfelen dat [appellante] de last zou kunnen uitvoeren.

3.7.    Het voorgaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat het college de lasten onder dwangsom mocht opleggen voor zover het gaat om het overtreden van zorgplichtbepalingen die voor een ieder gelden. Nu [appellante] niet als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt, heeft het college zich echter ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] mede-overtreder van artikel 2.1, onder 2l, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is. Dit betekent dat het besluit van het college van 19 maart 2019 in strijd is met artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 5:21 van die wet en artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, voor zover het gaat om de last onder 5. Het beroep tegen het besluit van 19 maart 2019 is daarom gegrond. Dit besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om het besluit van 13 september 2018, wat deze last betreft, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, te herroepen. Voor het overige bestaat geen aanleiding om het besluit van 19 maart 2019 te vernietigen.

# 4 november 2020 (ABRvS 201903256/1/R2): Awb, Wnb; ontheffing, vogels/vleermuizen, aanleg en exploitatie van windturbines, belanghebbenden, Chw, vleermuissoorten, onderzoek, contra-expertise, 1% mortaliteitsnorm, vliegroute
8.1.    Voor zover de vereniging en stichtingen hebben aangevoerd dat Bureau Waardenburg in plaats daarvan had moeten uitgaan van de “Guidelines for consideration of bats in wind farm projects” dat is opgesteld door Eurobats, overweegt de Afdeling als volgt. Het gaat hier om een protocol met aanbevelingen, dat is gericht aan de Europese Lidstaten. Op nationaal niveau zijn protocollen opgesteld voor vleermuisonderzoek bij windturbines. Deze protocollen zijn samengevoegd in het rapport “Protocollen vleermuisonderzoek bij windturbines”, waaronder het Vleermuisprotocol. Naar het college terecht naar voren heeft gebracht, is vleermuisinventarisatie blijkens het Vleermuisprotocol maatwerk en zijn de protocollen slechts een hulpmiddel. Het gaat hier uitsluitend om ‘guidelines’, ofwel richtlijnen, waaraan geen bindende werking toekomt.

……………………………………………
Uit het verweerschrift blijkt dat de onderzoeken zijn gebaseerd op veldonderzoeken, in dit geval in 2017 en 2018, literatuur- en internetbronnen en aangevuld met een expert judgment van deskundigen. Die combinatie maakt volgens het college dat een representatief beeld is verkregen van de in het plangebied voorkomende vleermuizen, hun activiteiten en het gebiedsgebruik van deze vleermuizen in relatie tot de windturbinelocaties.

Dit is in het deskundigenbericht bevestigd. Daarbij is nog opgemerkt dat met genoemde veldonderzoeken een beeld is verkregen van de aangetroffen soorten en aantallen in de periode van juni tot en met eind september. Daarmee is weliswaar niet een beeld verkregen van een volledig seizoen, maar wel van de periode waarin de meeste slachtoffers vallen, namelijk van juli tot oktober. Omdat het onderzoek van Bureau Waardenburg gericht is op het inventariseren van mogelijke slachtoffers, is dit een voor de hand liggende werkwijze, volgens het deskundigenbericht.

* 27 oktober 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3671): Awb, Wnb; handhaving, last onder bestuursdwang, geweigerde ontheffing kweken en verhandelen waterhyacinten, Unielijst, zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, EVRM
6.5.  Over de discussie of de Commissie de waterhyacint in redelijkheid in staat heeft kunnen achten om waarschijnlijk aanzienlijke nadelige gevolgen te hebben, overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 5 van de Verordening, in samenhang gelezen met punt 6 van de preambule, leidt de rechtbank af dat de risicobeoordeling moet gaan over de schadelijke gevolgen van invasieve uitheemse soorten voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten en de menselijke gezondheid en veiligheid en over sociale en economische gevolgen. De documenten bevatten inschattingen, gebaseerd op feiten en niet alleen op veronderstellingen, en conclusies over deze gevolgen. De schade en gevolgen worden niet steeds specifiek voor zoetwaterlichamen en ecosystemen van bepaalde lidstaten van de Unie beschreven, maar dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat ze niet relevant zijn. In de risicoanalyses is namelijk in het algemeen vermeld dat de waterhyacint economische, waaronder milieu en sociale, gevolgen kan hebben. Ook is in de risicoanalyses genoemd dat de waterhyacint een grote negatieve impact zal hebben op de aquatische biodiversiteit, waar de soort in staat is om zich te vestigen. In het Workshop document worden verder nog expliciet diverse diersoorten genoemd en de negatieve impact die de waterhyacint daarop heeft.

6.6.  Een belangrijk “environmental impact” volgens de risicoanalyses is dat de waterhyacint dichte matten vormt en deze matten het licht van andere planten blokkeren in het water. Dit leidt tot minder zuurstof in het water. Hierdoor vermindert bijvoorbeeld de hoeveelheid plankton, wat uiteindelijk ook de visserij nadelig beïnvloedt. De waterhyacint (en deze matten) tasten de vegetatie, (inheemse) planten en habitat aan. Als belangrijkste economische gevolg wordt genoemd dat de plant leidt tot waterverlies, waardoor schade ontstaat aan gewassen. Verder wordt melding gemaakt van gevolgen voor het drinkwater, de watersport, de bootnavigatie en het toerisme, omdat de waterhyacint waterwegen blokkeert. Gelet op deze gevolgen, kan het nog wel zo zijn dat de risicoanalyses destijds in de eerste plaats waren opgesteld om fytosanitaire maatregelen te treffen, maar dit laat onverlet dat deze analyses ook relevante informatie bevatten over de gevolgen voor en de schade aan biodiversiteit en aanverwante ecosystemen. De rechtbank tekent hierbij aan dat het niet noodzakelijk is om vooraf te bepalen welke gevolgen wel of niet aanvaardbaar zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, op grond van de inschattingen van de gevolgen, de Commissie in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de vestiging en verspreiding waarschijnlijk aanzienlijke nadelige gevolgen zullen hebben. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inschattingen dermate onaannemelijk zijn dat die de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst niet rechtvaardigt.

6.7. Gelet op de rechtsoverwegingen 6.2. tot en met 6.6 van deze uitspraak, faalt het betoog van eiseres dat de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst dusdanig gebrekkig is onderbouwd dat de Commissie moet worden geacht kennelijk buiten haar beoordelingsbevoegdheid te zijn getreden. De rechtbank heeft daarom ook op dit punt evenmin twijfel aan de geldigheid van de Unielijst en ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen.
7.2.  Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de geldigheid van de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst, gelden voor de waterhyacint de beperkingen van artikel 7 van de Verordening. De rechtbank stelt vast dat, ten tijde van het opleggen van de last onder bestuursdwang, sprake was van een overtreding. Omdat het volgens artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming verboden is om in strijd te handelen met de Verordening, was verweerder dus in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. In dat kader is van belang of verweerder de aanvraag van eiseres voor ontheffing in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zicht op legalisering (verkrijgen van een vergunning) kan een grond vormen voor het oordeel dat verweerder van handhaving behoorde af te zien. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

* 26 oktober 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/946): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, antennemast zendamateur, gelijkheidsbeginsel, vrijheid van meningsuiting, motivering
4.6.  Zoals ter zitting is besproken, heeft eiser de vergunningvrije mogelijkheden van het oprichten van een mast in zijn achtertuin van maximaal 5 meter hoog dan wel van het bevestigen van een antenne van eveneens vijf meter hoog (vanaf de dakrand) aan de zijgevel van zijn woning. Eiser heeft onderbouwd betoogd dat hij met een dergelijke constructie geen zendmogelijkheden kan verwezenlijken die vergelijkbaar zijn met de mogelijkheden die de aangevraagde antennemast zal geven.

De rechtbank overweegt dat verweerder indertijd op de andere locatie geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat volstaan kon worden met de vergunningvrije mogelijkheden. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat de bebouwing in [plaats] zodanig is dat dit bij de andere locatie ernstige zendbeperkingen zou opleveren of dat dit voor verschillende locaties binnen het kleine dorp [plaats] tot relevante verschillen zou leiden.

4.6.  Verweerder merkt terecht op dat in 2005 de Welstandsnota gemeente Opsterland nog niet gold. Dit betekent echter niet, en dat is door verweerder ook niet onderbouwd, dat de redelijke eisen van welstand voor antennemasten in 2005 wezenlijk anders waren dan in 2019. Dat er nu sneltoetscriteria zijn, is niet van doorslaggevend belang omdat het niet voldoen daaraan slechts betekent dat het bouwplan wordt voorgelegd aan de welstandscommissie.

Voorts ligt het niet voor de hand dat, zoals verweerder betoogt, plaatsing van een antennemast aan de rand van het dorp vanuit het oogpunt van welstand bezwaarlijker is dan plaatsing in het centrum van het dorp.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom onvoldoende onderbouwd waarom het negatieve welstandsadvies in de nu voorliggende zaak meer gewicht heeft dan indertijd bij de andere locatie.

4.7.  Over de rechten van anderen, zoals genoemd in de onder 4.2 aangehaalde uitspraak van de AbRS, merkt de rechtbank op dat indertijd het handhavingstraject voor de andere locatie, met legalisatie als resultaat, is begonnen na klachten van omwonenden. In de nu voorliggende zaak hebben de directe buren daarentegen schriftelijk verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bouwplan.

4.8.  Naar het oordeel heeft verweerder, gezien het voorgaande, niet deugdelijk gemotiveerd waarom de weigering om een omgevingsvergunning voor een antennemast te verlenen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en waarom de inmenging in het recht van eiser op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is.

* 17 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/999): Awb; nadeelcompensatie, schadeoorzaak is feitelijk handelen, bevoegdheid rechtbank
5.  Uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) volgt dat de bestuursrechter, onder meer, exclusief bevoegd is te oordelen over besluiten op verzoek om vergoeding van schade als gevolg van (feitelijk) handelen door een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Dit gedeelte van de wet, dat zal worden opgenomen in titel 4.5 van de Awb, is nog niet in werking getreden.

  1. Volgens verzoekers is de schade veroorzaakt door plannen, besluiten en maatregelen, zoals een Centrumvisie voor de herinrichting van het centrum van Zeist. De rechtbank stelt vast dat deze plannen, besluiten en maatregelen geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb en daarom niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Verzoekers stellen verder dat de schade is veroorzaakt door verschillende soorten werkzaamheden in het centrum van Zeist. Zo noemen verzoekers de herinrichting van het centrum van Zeist, de renovatie van de verbindingsweg tussen het centrum en de A28, en de werkzaamheden bij het station Driebergen-Zeist. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om feitelijke werkzaamheden; verzoekers hebben geen besluiten aangewezen die de schade zouden hebben veroorzaakt. Zuiver feitelijk handelen, zonder dat dit is gevolgd door een onrechtmatig besluit, staat niet opgesomd in artikel 8:88 van de Awb. De conclusie is dat de bestuursrechter kennelijk niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
  2. Ook wijst de rechtbank erop dat, als al sprake zou zijn van een van de schadeoorzaken uit artikel 8:88 van de Awb, artikel 8:89, tweede lid, van de Awb aan de bevoegdheid van de bestuursrechter in de weg zou staan. De door verzoekers gevraagde schadevergoeding is immers hoger dan € 25.000,-.* 11 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6145 WET en BRE 20/6146 WET): Awb; handhaving. niet tijdig nemen besluit OvJ, bevoegdheid rechter
    3. Oordeel van de rechtbank
    Eiser heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal parkeren op het trottoir voor zijn woning.

De rechtbank leest dit verzoek aldus dat eiser wenst dat de OvJ overgaat tot opsporing en vervolging van strafbare feiten/illegale parkeeractiviteiten.

Artikel 1:6 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.

In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wordt het volgende opgemerkt:

“De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden.” (TK 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 43).

Gelet hierop acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van eisers beroep tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op zijn handhavingsverzoek en van zijn verzoek om dwangsommen vast te stellen.