Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 11 november 2020 (ABRvS 202003868/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, parkeren, CROW
* 11 november 2020 (ABRvS 202003482/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, Chw, relatie met beschermd stadsgezicht
* 11 november 2020 (ABRvS 202002667/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, APV, beperking aantal waterpijpen, beleidsregel (Rb Noord-Holland 19/2321)
* 11 november 2020 (ABRvS 202001941/1/A3): Awb, Hvw, vergunning, omzetten woonruimten, beleidsregels, leefbaarheidstoets (Rb Amsterdam 18/7740, 19/23 en 19/88)
* 11 november 2020 (ABRvS 202001699/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, last onder dwangsom, verwijderen woonvoorzieningen, functionele verbondenheid, overtreding (Rb Gelderland 19/2745)
* 11 november 2020 (ABRvS 202001360/1/R4): Awb, Wm; handhaving, achterlaten van afval, piepschuimresten, afvalstoffenverordening, CROW-richtlijnen, bijzonder omstandigheden, motivering
* 11 november 2020 (ABRvS 202000759/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken, hebben en onderhouden van een uitweg, aanvraag, strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 18/7267)
* 11 november 2020 (ABRvS 202000336/1/R1 en 202000337/1/R1): Awb, Wro; bpl, loswal, twee gemeenten, bedrijfstijden, zelf in de zaak voorzien
* 11 november 2020 (ABRvS 202000209/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, lasten onder dwangsom, afwijking vergunning, stookruimte/brandveiligheid/Bouwbesluit, vermogen, brandcompartiment, vergoeding kosten (Rb Midden-Nederland 19/961)
* 11 november 2020 (ABRvS 201909103/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, bedreiging van dwangsommen, verwijderen bouwwerken, vertrouwensbeginsel (Rb Gelderland 19/5912 en 19/6044)
* 11 november 2020 (ABRvS 201908577/1/R1): Awb, Wro; bpl, camping, parkeernorm, geluid, VNG-brochure
* 11 november 2020 (ABRvS 201908262/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, wijzigen kapconstructie woning zonder vergunning, bevoegdheid, Bouwbesluit (Rb Oost-Brabant 19/48)
* 11 november 2020 (ABRvS 201908188/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, bestuursdwang, staken exploitatie winkels, bevoegdheid, strijd met bpl, overgangsrecht, doel van last (Rb Amsterdam 18/6846)
* 11 november 2020 (ABRvS 201907653/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesten van arbeidsmigranten, gebruiksruimte (Rb Oost-Brabant 19/1254)
* 11 november 2020 (ABRvS 201907083/1/A3 en 201907083/3/A3): Awb, Hvw, Gmw; handhaving, dwangsom, staken hotelmatig gebruik van woning, onttrekken woning aan bewoning, NEN-norm (Rb Amsterdam 18/7279)
* 11 november 2020 (ABRvS 201906887/1/A3 en 201906893/1/A3): Awb, Wnb; vergunning, garnalenvisserij, passende beoordeling, gebiedsspecifieke analyse, visserijdruk, bodemberoering, cumulatietoets, tussenuitspraak (Rb Midden-Nederland 18/2752 en 18/2755)
* 11 november 2020 (ABRvS 201906841/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, overzichtsuitspraak relativiteitsvereiste
* 11 november 2020 (ABRvS 201906366/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, evenredigheid (Rb  Zeeland-West-Brabant 18/7184 en 18/7185)
* 11 november 2020 (ABRvS 201905831/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, detailhandel, beleidsnota/detailhandelsvisie (Rb Noord-Holland 18/3569)
* 11 november 2020 (ABRvS 201905785/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, hennepkwekerij, evenredigheid (Rb Amsterdam 18/7393)
* 11 november 2020 (ABRvS 201904598/2/R1): Awb, Wro; bpl, woonzorgcomplex, sloop kassencomplex, herstelbesluit
* 11 november 2020 (ABRvS 201904414/1/A3): Awb; verzet, bevoegdheid Afdeling
* 11 november 2020 (ABRvS 201807320/1/A2 en 201807329/1/A2): Awb, Tracéwet; schadevergoeding, geluid, EVRM
* 11 november 2020 (ABRvS 201801850/9/R2 en 201801850/10/R2): Awb, Wro; bpl, plattelandswoning, voorgrondgeurbelasting, endotoxinen, bed & breakfast, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 10 november 2020 (EH C-644/18): Niet-nakoming, luchtkwaliteit, systematische en voortdurende overschrijding van de grenswaarden voor microdeeltjes (PM10) in bepaalde Italiaanse zones en agglomeraties, ‘zo kort mogelijke’ periode van overschrijding, passende maatregelen
* 10 november 2020 (CBb 19/677, 19/182, 19/92, 19/186, 19/114, 19/629, 19/639, 19/71, 19/62, 18/2946, 18/2943, 18/2924, 18/2942 en 18/2945): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, verschillende koerassen, bijzondere omstandigheden, voorzienbaarheid, Nitraatrichtlijn, startersregeling, dierziekten, EVRM
* 10 november 2020 (CBb 17/415): Awb, Wvgm; vaststelling melkveefosfaatreferentie (MVFR), gepachte percelen
* 10 november 2020 (Rb Overijssel AWB 20/324): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, recreatie-eenheden, Natura 2000-gebied/Wnb
* 10 november 2020 (CBb 19/1102): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, geen individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling
* 9 november 2020 (Rb Rotterdam ROT 20/5264): Awb, Gmw; vovo, afwijzing verzoek om raadplegend referendum, verordening, plannen in gebiedspaspoort, geen spoedeisend belang, TK-verkiezingen
* 9 november 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2981): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor vellen bomen, APV, beleidsregels
* 9 november 2020 (ABRvS 202003471/4/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, hoveniersbedrijf, milieucategorie
* 9 november 2020 (Rb Rotterdam C/10/605665 / KG ZA 20-926): BW; kort geding, afsteekverbod van vuurwerk, geen strijd met Vuurwerkbesluit, Notificatierichtlijn, EP, EVRM en Handvest
* 6 november 2020 (ABRvS 202004470/1/R2 en /3/R2): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, garage/berging, wijze van meten/regels, geen strijd met bpl, uitgangspunt peil (Rb Zeeland-West-Brabant 20/6552 en 20/6553)
* 6 november 2020 (ABRvS 202005019/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en wijzigen bestemming (tijdelijke), 24-uursopvang voor ongedocumenteerden, monument, monumentale waarde/Bor (Rb Amsterdam 20/3992 en 20/3993)
* 6 november 2020 (HR 19/05365): Awb; weigering gemachtigde i.v.m. stelselmatig grievend taalgebruik, begrip ernstige bezwaren, VWEU/Handvest
* 6 november 2020 (Hof Den Bosch 20-003612-11): WSr, WED, Wm; overtreding milieuvergunning, aanvoer mest van buiten inrichting, opslag in waterbassins
* 5 november 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2465): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, strijdig gebruik perceel, arbeidsmigranten in woning, begrip huishouding, voorbereidingsbesluit/aanhoudingsplicht, ontwerp-bpl
* 5 november 2020 (CBb 20/922): Awb, GWWD; vovo, doden konikpaarden, verordening,  paardenpaspoort/chippen, reeds uitgewerkte besluiten, houder paarden, geen onrechtmatigheid
* 5 november 2020 (ABRvS 202002654/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, bomenverordening (Rb Amsterdam 20/1085 en 20/740)
* 5 november 2020 (ABRvS 202004427/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding huisvesting arbeidsmigranten in klooster, belanghebbendheid
* 5 november 2020 (ABRvS 202004556/2/R1): Awb, Wm; vovo, plaatsingsplan, ondergrondse restafvalcontainers, overlast, alternatieve locaties
* 5 november 2020 (ABRvS 202004788/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, passendheid
* 5 november 2020 (CBb 18/51, 18/706, 18/1027 en 18/1622): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boetes, heropeningsbeslissing, vragen aan verweerder, willekeurverbod, mest, gebruiksnorm, marges (Rb Den Haag SGR 17/1268 en SGR 17/1271, Rb Gelderland AWB 16/5110, Rb Noord-Nederland LEE 15/4552 en Rb Zeeland-West-Brabant  BRE 17/6613 WET)
* 30 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1548): Awb, Waterwet; nadeelcompensatie, wateroverlast vanwege projecten, overmacht
* 29 oktober 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/623): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veehouderij, geluid/ geen onderzoek naar toename geluidsbelasting, water en energiebesparing/BREF/relativiteit
#! 29 oktober 2020 (Rb Overijssel AWB 19/561): Awb, Wro; planschade, aanleg hoogwatergeul, werkzaamheden, lichthinder, normaal maatschappelijk risico
* 29 oktober 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/4653): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten woning, aanbouw, casco gereed, welstand, geen bouwstop
* 28 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/1898): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bijgebouw met loopbrug/terras, privacy, stedenbouwkundige aspecten
* 28 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/3027): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor splitsen woning, strijd met bpl
* 28 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 20/1731): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, woning, eerdere uitspraken/toezegging
* 27 oktober 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/2144, 19/2166, 19/3186 en 19/3190): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor plaatsen van kozijnen en tijdelijke wonen in bijgebouw, Bor, bevoegdheid, welstand
* 26 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 18/7305, 18/7721 en 18/8036): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken bewoning bedrijfswoning, planregels/kassen
* 23 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2800): Awb, Waterwet; projectplan, kadeverbetering, Chw, waterveiligheid, alternatieven, bomenkap

* 21 oktober 2020 (Rb Gelderland C/05/361387 / HA ZA 19-138): BW; schade door grondwaterpeilstijging na werkzaamheden gemeente, Waterwet, stijging binnen norm gemeentelijk rioolplan, geen strijd zorgplicht, niet onrechtmatig
* 13 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/921): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en veranderen uitweg, kas met waterbassin en in- en uitritten, strijd met bpl/planregels, afstand tot perceelgrens
* 13 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1362): Awb, Waterwet; vergunning, waterberging, Keur
* 12 oktober 2020 (Rb Limburg ROE 19/198, ROE 19/212, ROE 19/213 en ROE 19/231): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veranderen van pluimveehouderij, kolonie-huisvesting voor legkippen, mestbandbeluchting, ventilatie, emissiepunten, verticale en horizontale uitstroom, geur, geluid, MER-beoordeling/Aerius-berekening, controlevoorschrift, zelf in de zaak voorzien
* 7 oktober 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2997): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, brandveiligheid pand, intrekking dwangsom, schade
* 2 september 2020 (Rb Den Haag SGR 20/651): Awb; vaststelling (her)inrichtingsplan, niet op rechtsgevolg gericht, geen besluit, ontvankelijkheid
* 25 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4210): Awb, Wabo; handhaving, omgevingsvergunning voor windturbine, geringe afwijking
* 25 augustus 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4803): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakkapel, strijd met planregels
* 18 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2769): Awb, Opiumwet; vovo, sluiting bedrijfswoning, hennepkwekerij
* 18 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1441, UTR 19/1443, UTR 19/1445, UTR 19/1447, UTR 19/1448, UTR 19/1454, UTR 19/1458, UTR 19/1461, UTR 19/1463, UTR 19/1464, UTR 19/1466, UTR 19/1468 en UTR 19/1903): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen in beschermd stadsgezicht, bouwen en wijzigen van rijksmonument, woonappartementen, andere belangen
* 17 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3834): Awb, Wvw; handhaving, laadplekken elektrische voertuigen, bevoegdheid
* 14 juli 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4470): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, wijzigen panden
* 13 mei 2020 (Rb Den Haag SGR 20/1535): Awb, DHW, Gmw; vovo, DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 11 november 2020 (ABRvS 201908262/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, wijzigen kapconstructie woning zonder vergunning, bevoegdheid, Bouwbesluit (Rb Oost-Brabant 19/48)
4.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat handhavend optreden zo onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in dit geval kon worden afgezien. Anders dan het college in het besluit op bezwaar van 22 november 2018 heeft gesteld, is het zonder de benodigde omgevingsvergunning wijzigen van de dakconstructie van het pand naar het oordeel van de Afdeling geen geringe overtreding. Daarbij betrekt de Afdeling dat de wijziging van de dakconstructie mogelijk gevolgen heeft voor de constructieve veiligheid van het pand en daarmee ook voor de woning van [appellant]. De omstandigheid dat volgens het college de constructieve veiligheid van de kapconstructie met drie statische berekeningen is aangetoond en dat aan het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan, kan op zichzelf geen reden zijn om het verzoek om handhavend op te treden af te wijzen en de belangen van [belanghebbende] zwaarder te laten wegen dan het algemene belang dat met handhaving van de wettelijke voorschriften is gediend. Daarbij merkt de Afdeling op dat [appellant] die berekeningen bovendien gemotiveerd heeft bestreden.

Of aan de normen van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan kan wel van belang zijn voor de vraag of sprake is van concreet zicht op legalisatie en of daarin een bijzondere omstandigheid is gelegen om van handhavend optreden af te zien. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor de vraag of een overtreding van het verbod om te bouwen zonder vergunning kan worden gelegaliseerd, niet vereist dat al een concrete daarop gerichte aanvraag is ingediend. Wel zal aannemelijk moeten zijn dat een dergelijke aanvraag alsnog zal worden ingediend.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] geen omgevingsvergunning ter legalisering van de gewijzigde dakconstructie hoeft aan te vragen. Zoals ter zitting bij de Afdeling door het college is bevestigd, is aan [belanghebbende] nooit het verzoek voorgelegd een aanvraag omgevingsvergunning in te dienen. Door deze handelwijze en de weigering om handhavend op te treden wordt [appellant] de mogelijkheid ontnomen om in rechte een oordeel te krijgen over zijn betoog dat de gewijzigde kapconstructie niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

* 11 november 2020 (ABRvS 201906841/1/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, overzichtsuitspraak relativiteitsvereiste
In de overzichtsuitspraak wordt niet alleen de rechtspraak over het relativiteitsvereiste op een rijtje gezet; er wordt ook uitspraak gedaan in een concrete zaak. De zaak gaat over de bezwaren van een omwonende tegen het bestemmingsplan ‘Twiske Zuid II’ van de gemeente Amsterdam. Dat bestemmingsplan maakt 157 nieuwe woningen mogelijk op twee voormalige bedrijventerreinen in het noorden van Amsterdam. De omwonende vreest dat de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen last zullen hebben van geluidhinder en verminderde luchtkwaliteit. Bij een aantal van de bezwaren komt het relativiteitsvereiste aan de orde.

Dit is de zevende keer dat de Afdeling bestuursrechtspraak een overzichtsuitspraak doet. Eerder deed zij overzichtsuitspraken over onder meer planschade en woningsluitingen na een drugsvondst. Alle uitspraken zijn te lezen via de overzichtspagina van de Afdeling.

* 6 november 2020 (ABRvS 202005019/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en wijzigen bestemming (tijdelijke), 24-uursopvang voor ongedocumenteerden, monument, monumentale waarde/Bor (Rb Amsterdam 20/3992 en 20/3993)
3.1.    In voormelde uitspraak van 13 juni 2018 heeft de Afdeling overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een nieuwe bestemming als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van het Bor het al dan niet wijzigen van een bestemming van een object in het bestemmingsplan niet van belang is. De Afdeling wijst in dit verband op de nota van toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 100) waarin is vermeld dat hier niet is bedoeld het voornemen tot wijziging van de bestemming van het monument in het bestemmingsplan. Evenmin is van belang of sprake is van ingrijpende wijzigingen die mogelijk de monumentale waarde van het pand aantasten. Anders dan in onderdeel 2° van artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bor, is de activiteit in onderdeel 4° van artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bor niet beperkt tot ingrijpende wijzigingen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.2.    Het voormalig schoolgebouw aan de Marnixstraat 2 is aangewezen als monument. In dit geval is er sprake van veranderend gebruik van het pand. Ook vinden er werkzaamheden plaats aan het buitenwerk, de constructie en worden er onder meer dakramen geplaatst. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat daarmee sprake is van wijzigingen aan het monument die mogelijk monumentale waarden aantasten en dus advies aan de minister had moeten worden gevraagd. Deze beoordeling vergt echter nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent. De vraag of vooruitlopend op die beoordeling een voorlopige voorziening moet worden getroffen, zal dan ook worden beantwoord aan de hand van uitsluitend een belangenafweging in het kader van de spoedeisendheid.

* 6 november 2020 (HR 19/05365): Awb; weigering gemachtigde i.v.m. stelselmatig grievend taalgebruik, begrip ernstige bezwaren, VWEU/Handvest
2.2.1  Volgens artikel 8:25, lid 1, Awb kan de bestuursrechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.

2.2.2  In de parlementaire geschiedenis van artikel 8:25 Awb, zoals weergegeven in onderdeel 6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is tot uitdrukking gebracht dat deze bepaling is bedoeld als uiterste maatregel tegen gemachtigden of bijstandsverleners van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen. Deze totstandkomingsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de wetgever ernstige bezwaren in de zin van artikel 8:25 Awb heeft willen beperken tot gedrag waardoor de gemachtigde of bijstandverlener schade toebrengt aan concrete individuele belangen van zijn cliënt. Er kan van worden uitgegaan dat die ernstige bezwaren ook kunnen rijzen door gedrag van de gemachtigde of bijstandverlener waardoor een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar wordt gebracht. Indien een gemachtigde of bijstandverlener door stelselmatig nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik hetzij een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt, hetzij het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast, kan dit de conclusie rechtvaardigen dat ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Awb tegen de persoon van de gemachtigde of bijstandverlener bestaan.
2.2.5  De tijdens de behandeling van de zaak gegeven beslissing tot weigering dient te worden opgenomen in de uitspraak in die zaak. Daarbij moet de rechter die beslissing voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de in artikel 8:25, lid 1, Awb bedoelde ernstige bezwaren zich in de desbetreffende zaak voordoen. De rechter moet de reden tot weigering in beginsel ontlenen aan de gedragingen van de gemachtigde of bijstandverlener in zijn instantie. Het staat de rechter daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken hetgeen hem overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde of bijstandverlener. Met inachtneming van het hiervoor overwogene worden aan de beslissing tot toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb geen bijzondere motiveringseisen gesteld. Aangezien het oordeel inzake ernstige bezwaren tegen de persoon van een gemachtigde of bijstandverlener naar zijn aard in hoge mate is verweven met feitelijke waarderingen, kan de Hoge Raad de motivering daarvan alleen toetsen op onbegrijpelijkheid
.

2.2.6  Tegen de beslissing om met toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb een persoon als gemachtigde of bijstandverlener te weigeren, staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open. Dat neemt niet weg dat degene die een rechtsmiddel kan aanwenden tegen de uitspraak van de rechter die artikel 8:25, lid 1, Awb heeft toegepast, ook die toepassing aan het oordeel van de hogere rechter kan onderwerpen. Geen rechtsregel staat in de weg aan de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel tegen een uitspraak als de daarbij aangevoerde gronden alleen zien op de weigeringsbeslissing.
2.3.4  Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, geeft het door de middelen bestreden oordeel niet blijk van miskenning van het begrip ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Awb. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De middelen falen in zoverre.

2.3.5  De in de middelen opgenomen klachten over schending van het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

* 5 november 2020 (Rb Overijssel AWB 19/2465): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, strijdig gebruik perceel, arbeidsmigranten in woning, begrip huishouding, voorbereidingsbesluit/aanhoudingsplicht, ontwerp-bpl
14.2.  In de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, waarnaar eisers ter zitting hebben verwezen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de duur van de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Wabo, gelet op de tekst en de opbouw daarvan, op twee manieren kan worden uitgelegd. De Afdeling heeft voor de beantwoording van de vraag welke manier de juiste is, de bedoeling van de wetgever, neergelegd in de wetsgeschiedenis van artikel 3.3 van de Wabo, betrokken. De Afdeling heeft geoordeeld dat de uitleg, inhoudende dat de aanhouding, ongeacht of het gaat om een aanhouding als gevolg van het voorbereidingsbesluit of een ontwerpbestemmingsplan dat ter inzage is gelegd, ophoudt indien wordt voldaan aan artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Wabo. Dit betekent dat de aanhoudingsplicht als gevolg van een voorbereidingsbesluit komt te vervallen, indien de raad weliswaar tijdig een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, maar niet binnen de in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro vermelde termijn van twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft in deze uitspraak verder overwogen dat zij steun vindt voor haar oordeel in de geschiedenis van totstandkoming van artikel 3.7 van de Wro. Daarin staat dat het voorbereidingsbesluit vervalt indien de raad tijdig een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, maar het plan niet binnen de daarvoor geldende termijn van 12 weken na de terinzagelegging wordt vastgesteld.

14.3.  In deze zaak is de last gebaseerd op een gebruiksverbod, neergelegd in een voorbereidingsbesluit. De wettelijke grondslag hiervoor is artikel 3.7, vierde lid, van de Wro. Het vervallen van een voorbereidingsbesluit is geregeld in artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wro. De rechtbank stelt vast dat artikel 3.7 van de Wro de vervalgronden beperkt tot twee situaties, te weten:

  1. dat niet binnen een jaar een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd; en
  2. het moment waarop het bestemmingsplan (ter voorbereiding waarvan het voorbereidingsbesluit is genomen) in werking treedt.

Deze twee vervalgronden zijn duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 3.7 van de Wro volgt dat de wetgever mogelijk heeft beoogd een derde vervalgrond in de wet op te nemen, kan, wat daar ook van zij, daaraan niet afdoen.

Dat de Afdeling in voornoemde uitspraak van 4 maart 2020 wel betekenis heeft toegekend aan de wetsgeschiedenis van artikel 3.7 van de Wro (en in deze uitspraak expliciet de derde vervalgrond heeft genoemd) betekent niet dat in deze zaak daarom ook betekenis zou moeten toekomen aan deze wetsgeschiedenis. Immers, de uitspraak van de Afdeling heeft betrekking op het nader duiden van een wettelijke bepaling die voor meerdere uitleg vatbaar is, te weten artikel 3.3, tweede lid, van de Wabo. In deze zaak ligt evenwel artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wro voor en deze wettelijke bepaling is naar het oordeel van de rechtbank niet voor meerdere uitleg vatbaar.

Dit betekent dat in deze zaak geen betekenis toekomt aan de wetsgeschiedenis van artikel 3.7 van de Wro en de daarin gelezen (buitenwettelijke) mogelijke derde vervalgrond. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat hij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de duidelijke wettekst van artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wro en dat het volgen van het standpunt van eisers in strijd is met de rechtszekerheid. Het voorgaande brengt met zich dat uit de omstandigheid dat de raad het ontwerpbestemmingsplan niet binnen de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro neergelegde termijn heeft vastgesteld, niet volgt dat aan het voorbereidingsbesluit geen betekenis (meer) toekomt. Het voorbereidingsbesluit is daarmee immers niet komen te vervallen.

* 5 november 2020 (CBb 18/51, 18/706, 18/1027 en 18/1622): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boetes, heropeningsbeslissing, vragen aan verweerder, willekeurverbod, mest, gebruiksnorm, marges (Rb Den Haag SGR 17/1268 en SGR 17/1271, Rb Gelderland AWB 16/5110, Rb Noord-Nederland LEE 15/4552 en Rb Zeeland-West-Brabant  BRE 17/6613 WET)
5.3  De minister heeft ter zitting voor zover hier van belang verklaard als volgt. Naar aanleiding van de uitspraken van het College van 18 december 2018 heeft de minister alle opgelegde boetes wegens overtreding van de artikelen 7 en 14 van de Msw opnieuw beoordeeld. Uitgangspunt daarbij was dat de veehouder geen financieel nadeel mag hebben van de toepassing van de marges. Deze herbeoordeling heeft ertoe geleid dat ongeveer 80% van het aantal opgelegde boetes is vervallen. Welke boetes zijn vervallen en welke niet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien bijvoorbeeld alleen een marge is toegepast op de afvoer van mest, komt de gehele boete te vervallen omdat het schrappen van de post “afvoer” leidt tot verhoging van de overschrijding van de gebruiksnormen. Indien een veehouder alleen meststoffen aanvoert en ter zake van de aanvoer is een marge gehanteerd, dan vervalt de betrokken aanvoerpost. Als de boete alleen is opgelegd ter zake van die aanvoerpost, vervalt de gehele boete. Vooral boetes die waren opgelegd aan pluimvee- en varkenshouders die niet forfaitair afvoeren, zijn vervallen. In andere zaken is alleen een aantal posten komen te vervallen, waardoor de opgelegde boetes zijn verlaagd. Waar alleen een voornemen was, is dat ingetrokken en is er een nieuw voornemen gekomen na openbaarmaking van de marges.

5.4  Zoals het College eerder heeft geoordeeld (ECLI:NL:CBB:2018:145), dient een bestuursorgaan bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Zoals het College eveneens al eerder heeft geoordeeld (ECLI:NL:CBB:2018:401), strekt het gelijkheidsbeginsel in het kader van het opleggen van bestuurlijke boetes niet zover dat de bevoegdheid tot het opleggen ervan onrechtmatig is uitgeoefend alleen omdat een eventuele andere overtreder niet is beboet. Dat kan anders komen te liggen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van het bevoegde bestuursorgaan. Om dit te kunnen toetsen, dient de minister inzichtelijk te maken waarom hij in het ene geval wel en in het andere geval geen gebruik heeft gemaakt van zijn boetebevoegdheid (ECLI:NL:CBB:2016:104). Ter beoordeling staat dus of de minister op een zodanig consistente wijze gebruik heeft gemaakt van de hem toekomende handhavingsbevoegdheid dat hij niet in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

5.5  De onder 5.3 weergegeven verklaringen van de minister ter zitting over de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraken van 18 december 2018 van boetes die waren opgelegd wegens overtreding van de artikelen 7 en 14 van de Msw doen vermoeden dat het al dan niet (gedeeltelijk) handhaven van deze boetes (grotendeels) afhangt van min of meer toevallige factoren, zoals of een veehouder (alleen) mest aanvoert, dan wel (alleen) mest afvoert, en in het laatste geval, of de afvoer van mest al dan niet forfaitair plaatsvond. Er ontstaan dus verschillen in handhavingsregime tussen veehouders die alleen afvoeren maar niet aanvoeren, veehouders die alleen aanvoeren, veehouders die zowel aan- als afvoeren, veehouders die forfaitair afvoeren en veehouders die niet forfaitair afvoeren. Daardoor rijst de vraag of sprake is van een rechtens onaanvaardbare verscheidenheid die meebrengt dat de minister heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur. Deze verschillen in uitvoeringspraktijk zijn immers kennelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest bij het tot stand brengen van het handhavingsregime en daarom kan ook niet op grond van de aan dat regime ten grondslag liggende overwegingen van de wetgever worden beoordeeld of er een rechtvaardiging bestaat voor deze verschillen. Met name wijst het College erop dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat alleen boetes zouden worden opgelegd wanneer aan de hand van de mestaanvoer onregelmatigheden zijn geconstateerd, maar niet als die aan de hand van de afvoergegevens worden geconstateerd. Het College betrekt hierbij nog dat, in samenhang met de hierboven geconstateerde verschillen, het gegeven dat al (ongeveer) 80% van de boetes is herroepen of anderszins vervallen twijfel oproept of bij de veehouders die nog wel beboet zijn dat als uitkomst van een consistent uitvoeringsbeleid van het door de wetgever in het leven geroepen handhavingsregime gezien kan worden.

5.6  Gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen in de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:653) en de drie hiervoor genoemde verweren die verweerder heeft ontwikkeld om te motiveren waarom een deel van de opgelegde boetes naar zijn mening toch stand kan houden vraagt het College de minister zo mogelijk ook nog het volgende bij zijn beantwoording te betrekken. Het is mogelijk dat alle drie de verweren falen, in welk geval geen enkele boete waarop deze verweren betrekking hebben stand kan houden. Het is ook mogelijk dat zij alle drie slagen, in welk geval het College nog steeds moet beoordelen of sprake is van willekeur. En het is mogelijk dat deze verweren deels wel en deels niet slagen, waardoor nog meer boetes niet in stand kunnen blijven. Kan de minister bij benadering aangeven hoeveel procent van de boetes nog gehandhaafd blijft als slechts één of twee van deze verweren doel zou treffen en kan de minister ook voor die situaties aangeven of, en zo ja, waarom hij meent dat ook dan nog steeds sprake is van een consistente handhaving?